Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan is geweigerd, omdat de eischers het kapitaal terugverlangden , voorts voormeld geregtelijk aanbod met kennisgeving van te doene consignatie en consignatie zelve; en voorts bij die conclusie heeft beweerd, dat zij daarmede is gelibereerd ten aanzien van alles wat de eischers geregtigd zijn van haar te vorderen; dat immers eensdeels de betaling der achterstallige rente door de eischers zelve is geweigerd, en anderdeels de ingeroepen eischbaarheid van het bedoelde kapitaal niet is ontstaan; dat de ged. derhalve door de eischers voor het verschuldigd bedrag van f 27.135 voor den bevoegden kantonregter moest worden gedagvaard, en de kosten van dit proces geheel ten hunnen laste moeten komen, en dat het aanbod der ged. is voldoende en wettig gedaan; dat daarna de ged., bij exploit van meergemelden deurwaarder Pollen van den 21 Junij 1872, aan de eischers heeft doen beteekenen afschrift van voormeld exploit van dien deurwaarder van den voorgaanden dag, houdende consignatie van meergemelde som van ƒ33.313;

dat de eischers bij hunne in het hoofd dezes onder 3°. overgeschrevene conclusie hebben aangevoerd: dat de eischers ontkennen, dat hun in het begin dezes jaars de twee toen verschenen termijnen der rente aangeboden zijn, en veel meer dat zij geweigerd hebben die rente te ontvangen; dat de ged. met het aanbod, namens haar door den deurwaarder Pollen, bij exploit van den 19 Junij 1872, gedaan, als zijnde tardief, niet kan volstaan; dat de ged. bij hare in het hoofd dezes onder 4o. overgeschrevene conclusie aangevoerd heeft: dat de ged. reeds bij conclusie van 20 Junij 1872 heeft doen gelden, dat de eischers zeer ten onregte de onderwerpelijke rente willen beschouwd hebben als opeischbaar, ten gevolge van de beweerde nalatigheid der ged. om de drie laatst verloopen rente-termijnen te betalen; — dat die verwering niet alleen daarop steunt, dat de ged. in hare verpligtingen niet is nalatig geweest, maar buitendien op dien regtskundigen grond, dat het ten deze door den eischer tot grondslag zijner actie gekozen art. 1809 B. W. of art. 1912 Code Nap., in casu alle toepassing mist; dat immers uit de in het geding gebragte acte van den notaris Boots dd. 1 Sept. 1845 blijkt, dat de quaestieuse rente is gecreëerd bij acte van den 5 April 1788, verleden voor den notaris Gudi, te Maastricht; dat die rente-constitutie bij de acte voor nieuwen titel in 1845 in geenen deele in eene andere schuld is genoveerd geworden; dat derhalve de regten, uit die overeenkomst van 1788 voortvloeijende, steeds worden geregeld door de wetten, welke in werking waren, toen de overeenkomst is gesloten; dat de latere bepalingen der Fransche en Nederlandsehe wetgeving, waarop zich de eischers, blijkens de laatste beschouwing der inleidende dagvaarding, beroepen, alzoo in geenen deele voor toepassing zijn; dat integendeel uitsluitend mogen worden ingeroepen de beginselen van het oud-Brabantsch, Romeinsch en canoniek regt, doch, wel verre dat naar dat regt eene actie als de onderwerpelijke aan den rentheffer zou zijn gegeven, dezelve lijnregt met de beginselen dier wetgeving in strijd is; dat ijnmers wat bij overeenkomst niet mag worden bedongen ook in regten niet kan worden gevorderd; dat overigens de oneischbaarheid dezer rent-constitutie bij overeenkomst is bepaald, en derhalve de opvordering van de gealiëneerde hoofdsom, in strijd daarmede, niet is toegelaten, tenzij de eischers in de toepasselijke wetgeving eene bepaling aanwijzen, waarbij dezelve wel is geoorloofd; dat alzoo de hoofdvordering der eischers, in hunne dagvaarding voorkomende onder nummer 1, niet kan toegewezen worden; dat daaruit volgt, dat de ged. bevoegd was de sub n°. 2, 3 en 4 gevorderde rente-termijnen en interessen alsnog te betalen, de eischers daarentegen niet geregtigd waren die betaling te weigeren; dat het geen betoog vordert, dat de eischers, om die rente, ten bedrage van f 27.135, op de ged. te verhalen, geen regtsgeding bij deze Regtbank behoefden in te stellen , maar voor den kantonregter moesten dagvaarden, indien zij niet verkozen krachtens hunnen executoiren titel op meer eenvoudige en minder kostbare wijze hun verhaal uit te oefenen; dat daaruit volgt, dat de ged. geene andere kosten dan die voor eene dagvaarding voor den kantonregter heeft te dragen , en haar aanbod alzoo, ook ten aanzien der kosten, voor voldoende is te houden; alhoewel zij bereid is bij te voegen wat de Regtbank verder aan kosten van het proces ten haren laste mogt stellen; dat het dien ten gevolge, hoewel volkomen waar, geheel onverschillig is, dat reeds in het begin dezes jaars de verschuldigde rente aan de eischers is aangeboden, en dat in de voormelde, in het geding gebruikte acto van wijlen den notaris J. W. Boots, te Amby, van den 1 Sept. 1845 , wordt gerelateerd, dat op dien dag voor hem en getuigen door M. C. Peerbooms, wed. uit eerste huwelijk van L. Pijpers, en uit tweede huwelijk van L. Lemmens, landbouwster, wonende te Husschenberg, genieente Geulle, is verklaard en bekend bij vorm van nieuwen titel wettig en deugdelijk schuldig te zijn aan de eerste eischeresse M. S. Peters, destijds minderjarige dochter van J. Peters, wonende te Stevensweert, en van wijlen J. E. Pierlo, welke laatste vertegenwoordigde wijlen den eerw. heer M. !.). Wijnants, in leven Roomsch priester, wonende te Maastricht, krachtens testament, verleden voor den notaris Nierstrasz, te Maastricht, den 7 Oct. 1808 en aldaar geregistreerd den 5 Pebr. 1813, eene oneischbare hoofdsom van f 201.02 Nederlandsch, rentende ad 4% ten honderd, betaalbaar binnen de 6 weken na den vervaldag, zijnde jaarlijks den 5 April, met 4 ten honderd oorspronkelijk gecreeerd bij acte, verleden voor A. M. Gudi, notaris te Maastricht, en getuigen den 5 April 1788 en gerealiseerd den 8 dier maand; voorts is beloofd in de interest-betaling voortaan te blijven continueren, tot de volle aflossing der voormelde hoofdsom toe, op den voet en de wijze, zoo als bij de acte voor rent-constitutie is bepaald; en ten slotte bij die acte tot verzekering van hoofdsom en interessen hypothecairlijk heeft verbonden eenige bij die acte speciaal aangewezen vaste goederen;

Wat het regt betreft:

0., dat het in het geding geldt eene onaflosbare, in 1788 bij overeenkomst daargestelde jaarlijksche rente in geld;

O., dat in het algemeen de regten, uit overeenkomsten voortvloeijende, naar de bepaling van art. 3 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, worden geregeld door de wetten, welke in werking waren, toen die overeenkomsten zijn gesloten; en dat dit beginsel, wat onaflosbare renten betreft, nog meer bepaald volgt uit het bij de daarstelling van art. 1809 B. W. verhandelde, zoo als dit wordt vermeld bij Voorduin «Geschiedenis en beginselen der Nederlandsehe Wetboeken, deel 5» in dat artikel;

0. dat uit de vooruitzettingen in daadzaak van de eischers niet kan worden afgeleid, welke wetgeving in i 788 de quaestieuse renteconstitutie regeerde; dat, volgens de meeste, destijds vigerende wetgevingen, de aflossing van geconstitueerde renten niet kon worden gevorderd bij verzuim van betaling van zelfs meerdere vervallene rente-termijnen; en dat alzoo de eischers behooren te worden verklaard niet-ontvankelijk in hunne vordering tot aflossing der hoofdsom;

O., dat de ged. de drie gevorderde rente-termijnen bij voormeld eerste exploit van den deurwaarder Pollen, te Roermond, van den 19 Junij 1872 aan de eischers heeft doen aanbieden, en zulks nadat dezen de ged. te vergeefs bij het exploit van dagvaarding tot betaling der twee oudste dier rente-termijnen hadden doen sommeren; en dat de ged., na weigering der eischers om de aangebodene drie rente-termijnen aan te nemen, dezelve, bij exploit van zoo even genoemden deurwaarder van den 20 Junij 1872, hebben geconsigneerd, na vooraf aan de eischers bij voormeld tweede exploit van den deurwaarder Pollen van den 19 Junij 1872 te hebben kennis gegeven van dag, uur en plaats dier consignatie;

O., dat de ged. daardoor van de rente-betaling der drie gevorderde rente-termijnen is bevrijd en wel sedert den 20 Junij voormeld;

O., dat de ged., door niet op de bij de dagvaarding aan haar gedane sommatie te betalen, was in verzuim en daardoor aanleiding heeft gegeven tot deze vordering; dat deze alzoo teregt voor een gedeelte tegen haar is ingesteld, en dat de ged. voor een gedeelte wordt in het ongelijk gesteld en mitsdien de kosten gedeeltelijk behooren te worden gecompenseerd, en de eischers in de overige behooren te worden verwezen;

Regt doende enz.,

Geeft acte waarvan acte is gevraagd;

Verklaart de eischers niet-ontvankelijk in hunne vordering tot aflossing der meergemelde oneischbare hoofdsom;

Verklaart goed en van waarde het door de ged. gedaan en van consignatie gevolgd aanbod van betaling der drie gevorderde rentetermijnen en daardoor voldaan de vordering dier termijnen;

Compenseert één kwart der kosten en verwijst de eischers in de overige drie kwart daarvan.

(Gepleit voor de eischers Mr. J. L. G. L. P. Haex, en voor de gedaagde Mr. L. J. van Oppbn.)

MENGELWERK.

TRAKTEMENTEN.

Bij het gewijzigd ontwerp van wet op de Rechterlijke Organisatie is een staat A gevoegd, aanwijzende de klassen der kantongerechten en de bezoldiging der kantonrechters en der ambtenaren bij de kantongerechten.

In een tijd, waarin het beginsel, dat ieder ambtenaar van zijne bezoldiging fatsoenlijk behoort te kunnen leven , op alle klassen van ambtenaren wordt toegepast, maakt die staat A eene zeer ongelukkige figuur en doet het denkbeeld ontstaan, dat de minister niet door deskundigen is voorgelicht.

Niet alleen toch, dat voor vele kantonrechters de verhooging, in verhouding tot de meerdere te verwachten werkzaamheden , luttel zal moeten genoemd worden, is er onder de tegenwoordige kantonrechters zelfs eéne klasse, die bepaald bij de voorgestelde inrichting in traktement zal komen te verliezen.

Ik bedoel de kantonrechters, die bij de tegenwoordige inrichting behooren tot de 4de klasse, d. i. volgens de wet van 1 Juni 1830 (Stbl. n°. 12) de kantonrechters, gevestigd in die gemeenten, waarvan de bevolking 9000 zielen te boven gaat en niet behoorende tot die gevestigd zijn in de arrondissements-hoofdplaatsen.

Deze genieten tegenwoordig / 700 traktement, boven hunne emolumenten.

Eene jaarlijksche som van J 600 voor deze laatsten te stellen, is zeker niet buitensporig.

Te zamen hebben deze ambtenaren dus een jaarlijksch inkomen van ('tis nog schraal) ± f 1300.

De nieuwe inrichting brengt hen echter terug in de laagste klasse met ƒ 1200 traktement, zonder meer, en stelt hen gelijk met de rechters in alle andere, ook de kleinste, kantongerechten des lands.

Stonden nu hunne werkzaamheden met die van deze laatsten gelijk, dan hadden zij zeker eene reden van klachte minder. Maar wat een hemelsbreed onderscheid 1 vreemd genoeg , schijnt de minister daaraan in 't geheel niet te hebben gedacht.

Ik neem de officiële gerechtelijke statistiek ter hand en zie daaruit de provincie Friesland, als het best bij mij bekend.

Ik heb de statistiek van 'tjaar 1867 en ben zeker, dat de werkzaamheden in de laatste jaren niet zijn verminderd.

Daarin komt het kanton Harlingen voor, als behoorende tot de genoemde 4de klasse.

In het jaar 1867 zijn daar behandeld 173 civiele zaken, gepasseerd 281 acten van diversen aard en vonnissen geveld in 344 politie-zaken.

In dat zelfde jaar werden in het kanton Leeuwarden berecht 257 civiele zaken , gepasseerd 197 diverse acten en vonnissen geveld in 280 politie-zaken , zoo als men hieruit kan zien , staan de werkzaamheden in beide kantons tamelijk gelijk.

En desniettegenstaande wordt bij het ontwerp het traktement van den kantonrechter te Leeuwarden voorgesteld op J 2400 en dat van den rechter te Harlingen op f 1200, zijnde even hoog als dat van den kantonrechter, b. v. te Hindeloopen, die in 1867 15 civiele zaken behandelde, 101 acten passeerde en 37 politie-vonnissen had te vellen.

Ook is 1867 geenzins een enkel jaar, dat ik heb uitgekipt; in 't volgende jaar werden te Leeuwarden 25 7 politie-zaken , te Harlingen 412, te Hindeloopen 97 behandeld, terwijl in 1869 te Leeuwarden 272 \ te Harlingen 364 en te Hindeloopen 103 zaken werden aangebracht.

In het jaar 1868 werden te Leeuwarden behandeld 241 civiele zaken, te Harlingen 149, te Hindeloopen 19 ; terwijl het getal acten de cijfers beliepen van 267 , 235 , 121.

In het jaar 1869 storden de civiele zaken in de drie genoemde kantons tot elkander als de cijfers 192 , 106 , 18 en de gepasseerde acten als 200 , 237 en 116.

Gemakkelijk zou het voorzeker vallen deze statistiek verder uit te werken, maar ik geloof, dat het aangevoerde meer dan genoeg is, om het schreeuwend onbillijke van 's ministers classificatie helder aan

^ Kan de schatkist voor alle rechterlijke ambtenaren geen verhooging van traktement missen, hoe betreurenswaardig het dan ook moge zijn het zij zoo; maar een der eerste zorgen van de wetgevende macht moet zijn, te waken, dat bij de nieuwe regeling geene vermindering van traktement, bij vermeerdering van werkzaamheden, plaats grijpe.

Hoezeer volstrekt geen voorstander van het emolumenten-systeem, oordeel ik , dat de halve maatregel, om de emolumenten rechts af te schaffen en links te behouden , op den naam van systeem in 't geheel geen aanspraak kan maken, en dat liet behoud der emolumenten ook voor de kantonrechters, oneindig billijker is, dan eene klassifikaiie, als de in 'tontwerp voorgestelde, die alleen acht geeft op de plaatsen , waar het kantongerecht zitting houdt, en hoegenaamd niet op de meerdere of mindere werkzaamheden der kantonrechters die, gelijk ik heb aangetoond (en eene vergelijking van de statistiek der werkzaamheden in de kantons Boxtel, Boxmeer, Asten, Oirschot Harderwijk, Wijchen , Lochem, Groenlo, Culemborg, Woubruf'ge, Oud-Beijerland, Sluis, Oostburg, Cortgene (waar in 1867 geen enkele, in 1868 5 civiele zaken te behandelen waren) , Horst en Gennep, zou zulks nog duidelijker maken), in de onderscheiden kantons, die in 'tontwerp tot ééne klasse worden gebracht, nog al aanmerkelijk verschillen.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Bargerlijlie k»uiHr.

Zitting van Woensdag, 15 Januari].

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Gepleit in zake:

Th. Otten, als vertegenwoordigende: 1°. A., M. H. en E. van de Loo en 2o. Th. Kamps, eischer, procureur Mr. M. Eyssell, advokaten Mrs. J. G. Roehussen en Jhr. E. N. de Brauw , tegen de Noordbrabantsch-Duitsche spoorweg-maatschappij, gevestigd te Rotterdam, verweerderesse, procureur Mr. C. J. Frangois, advokaat Mr. J. van Gigch. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 20 dezer, des namiddags ten twee ure.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van Maandag, 13 Januarij.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. C. van Veen , tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Verworpen.

2°, den officier bij de Regtbank te Amersfoort, tegen een vonnis in zake W. Spiek c. s. Verworpen.

3o. denzelfden requirant, tegen een vonnis in zake C. van Daal, huisvrouw van G. Schreuder. Verworpen.

4°. F. Langeberg, tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Het arrest vernietigd, voor zooveel de opgelegde straf betreft, en den req. veroordeeld tot een halfjaar eenzame opsluiting.

5o. J. J. Handgraaf, tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof in Zuidholland.

6". E. Beijer, tegen een vonnis van het Kantongeregt te Assen. Het vonnis vernietigd; de bewezen verklaarde feiten geacht noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding op te leveren en den req. van alle regtsvervolging ontslagen.

II. Conclusie genomen in zake:

den officier bij de Regtbank te Amersfoort, tegen een vonnis in zake J. H. Scheepers. Adv.-gen. Smits concludeert tot vernietiging van het vonnis en veroordeeling van den gereq. tot betaling van twee geldboeten, ieder van J 25. Uitspraak 3 Februarij.

III. Behandeld hot beroep van:

lo. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Appingedam, tegen een vonnis in zake Th. H. Folgering. Rapp., raadsh. Coninck Liefsting. Adv.-gen. Smits concludeert tot vernietiging van het vonnis en veroordeeling van den gereq. tot eene geldboete van f 3. Uitspraak 3 Februarij.

2". K. Strikker, tegen een vonnis van het Kantongeregt te 's Hage. Rapp., raadsh. Schuurman. Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 3 Februarij.

NB. Dingsdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 12 dezer, n". 10, is aan Mr. F. G. van Marle, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als regter-plaatsvervanger in de Arrond.-Regtbarik te Appingedam.

— Ter vervulling van twee plaatsen van regter-plaatsvervanger bij de Arrond.-Regtbank te Assen zijn twee voordragten opgemaakt, waarop voorkomen , op de eerste , de heeren : Mr. E. Oosting, advokaat te Assen; Mr. A. de Ruyter de Wildt, advokaat en burgemeester van Smilde , en Jhr. Mr. D. W. van Andringa de Kempenaer, advokaat te Assen; en op de tweede, de heeren : Mr. A. de Kuyter de Wildt, Mr. E. Oosting en Jhr. Mr. D. W. van Andringa de Kempenaer.

— De Arrond.-Regtbank te Goes heeft de volgende aanbeveling opgemaakt voor de vacante betrekking van kantonregter te Heinkenszand: lu. Mr. Slingelandt, kantonregter te Cortgene; 2o. Mr. van Voorst Vader, griffier bij het Kantongeregt te Heinkenszand, en 3'. Mr. de Jonge van Ellemeet, griffier bij het Kantongeregt te Cortgene.

Door den gouv.-gen. van Ned. Indië is benoemd tot omgaanden regter in de eerste afdeeling, het lid in den Raad van justitie te Batavia, Mr. J. G. F. Timmermans.

BERIGTEN.

's Gravenhage , dm 15 Januarij.

Den 13 dezer is te Maastricht overleden Mr. J. W. de Quertenmont, subst.-officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank aldaar.

— Do heer J. Bruyn Jzn. werd den 10 Jan. 1848 bij Z. M. besluit benoemd tot kantonregter te Enkhuizen, en zulks in plaats van Mr. F. J. Suringar, thans regter te Amsterdam. In den ochtend van Vrijdag, 10 dezer, begaven zich, na afloop van de teregtzitting, de verschillende ambtenaren van het Kantongeregt, waarbij zich voegden de heeren notarissen in het kanton en de ambtsvoorganger van den heer Bruyn, naar het raadhuis, alwaar Z. E A., bij monde van den vroegeren kantonregter, werd geluk gewenscht met zijne 25jarige gS' trouwe ambtsvervulling en hem, namens Rlle de daar aanwezigen ea den vroegeren griffier (die verhinderd werd om tegenwoordig te zij«)> ook een stoffelijk blijk van belangstelling aangeboden , bestaande eene sierlijke pendule met candelabres en een album met photografi" sche portretten. Op eene hartelijke wijze werd < ie toespraak door den jubilaris beantwoord. (E. Ct.)

Frankrijk. — Dezer dagen is bij de heeren Germer-Baillière uitgekomen het eerste deel van le Cours de Code Civil, professé d W Faculté de droit de Paris, door A. Valette, hoogieeraar bij de regtsfaculteit te Parijs, een werk, welks uitgave sedert lang met belangstelling te gemoet werd gezien , zoowel voor de studie als voOf de praktijk. Sedert dertig jaren had de genoemde hoogloeraai' zijn0 lessen in het burgerlijk regt gegeven, doch die niet in geschrifte willen doen verschijnen, vóórdat hij er met de meeste zorgvuldigheid oe laatste hand aan had gelegd. Het thans uitgekomen deel omvat dep "titre préliminaire» en het geheele eerste boek van den Code Civ'1Het betreft hier niet een werk van louter bespiegeling, maar de regt' spraak wordt daarin naauwkeurig nagegaan , ontleed en tot onderwerp van beschouwing genomen. Wanneer die arbeid voltooid zal zijii zal hij naast dien van Dalloz zijne plaats vinden.

Verbetering. — In het betoog van A. A. d. P., onder het lüe°' gelwerk van ons laatste nommer opgenomen , aan het slot, in de plaats van cessante legis ratio te lezen : cessante legis ratione.

Snelpersdruk en Uitgave van

BfillHFAXlEi te 's Gtravenhage»

Sluiten