Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorderen, dat de Griffie van haren kant uwe regten in 't oog houdt,

die eerbiedigt.

Daarheen, Mijne Heeren, zal mijn streven zijn. Hij toch, die zoo Handelt zal ook eens van de Balie den naam van een goed Griffier

verwerven.

Mogt 'iie naam mij eens van D te beurt vallen, dan zal dat voor m'j zijn een eeretitel.

Ik bfcveel mij in uw aller medewerking en vriendschap aan.

De a>ivokaat Mr. D. van Eck vraagt hierop het woord en zegt:

Rij a v.-ezigheid van anderen, die meer dan ik bevoegd zijn bij deze gelegenheid het woord te voeren, acht ik, dat, na het zoo even gesprokene , de taak op een onzer rnst om den nieuwbenoemden Griffier fflet een enkel woord uit naam der balie te beantwoorden. Op de zoo vriendschappelijke wijze, waarop hij het woord tot ons rigtte, mag 'och het stilzwijgen niet worden bewaard.

'Wij hebben' warme woorden van sympathie voor de balie vernomen : v.oorden, waaruit achting voor ons corps sprak, en daarvoor 21Jn wij dankbaarheid verschuldigd.

Het was niet voor het eerst, Mijnheer de Griffier, dat wij zooda■Jjge woorden mogten vernemen. Waar de nieuwbenoemde leden van plt. geachte Hof, de leden van het Openbaar Ministerie en van de Griffie ,]e kei]0efte gevoelden om bij hunne installatie het woord te v°eren di&r gaven zij steeds blijken van hunne welwillende gezindjegens de balie.

.. dat waren geen los weggeworpen klanken; die woorden waren, ■"J hebben het ten allen tijde ondervonden, de uitdrukking van het gevoel der sprekers; want, waar de medewerking van die autoriteiten °ns te >tade kon komen, zij werd ons nooit geweigerd, steeds verleend, en zjj droeg veel bij om ons het werk gemakkelijk te maken, M aan ons wordt toevertrouwd.

,'a> Mijne Heereu , zoo moet het zijn I Regtsgeleerden ambtenaren en reg's<;eleerden niet-ambtenaren, zij mogen een verschillend standPunt in de maatschappij innemen, maar zij hebben elkanders steun en Medewerking noodig, zal dat groote en verheven werk tot stand worden ^ebragt, dat wij allen gezamenlijk beoogen: het verschaffen van regt aan hem, die regt behoeft.

Daarom zijn wij U erkentelijk, Mijne Heeren, indien wij in dien geest door U worden toegesproken; en daarom betuigen wij U ook onzen dünt, Mijnheer de Griffier, omdat Gij verklaart met de Advover™ 6' -Procureurs bij dit Hof in de beste verstandhouding te willen

Gij zeidet zoo even, Mijnheer de Griffier, dat bij eene vorige ge^genheuj ,j00r jj ^et onwillekeurig verzuim was gepleegd, van, wat t nilJ zeker thans niet herinner, in eene toespraak niet van de balie gewii^en. Gij hadt regt om bijzonder op dat woord onwillekeurig "ruknen, want uwe vriendschappelijke toespraak van zoo even be^'Jst het( dat wij ook van U al die welwillendheid mogen verwachen' die wij steeds van uwen zeer geachten voorganger hebben mogen

ondervinden.

Namens Advokaten en Procureurs bij dit Geregtshof, die U, ^'juheer de Griffier, van harte geluk wenschen met de vereerende onderscheiding u ten deel gevallen, veroorloof ik mij U de verzekeu"g 'e Reveil, dat het ons bijzonder aangenaam zal zijn om ook door J®™ medewerking U de uitoefening van uwe taak gemakkelijk te

^ ij '>8velen ons allen aan in uwe vriendschap.

De 1 oorzitter.- Deze vergadering, tot geen ander doel belegd zijnde,

18 gesloten.

PROVINCIAAL GEHEGTSHOE IN NOORDHOLLAND. HuTgeriijlte kamer.

Zitting van den 21 September 1871.

Voorzitter, Mr. G. Schimmelpenkinck Jz.

Njstigheid van dagvaarding. — Art. 5 , al. 1 , B. R. van <jer Rijck en Comp., appellanten, procureur H.P.Loooere, tegen

J. Fuldauer, geïntimeerde, geen procureur.

Het Uof enz.,

derGeh0"r^ J^e conclusie van den proc.-gen., strekkende tot toewijzing coi.'.iugie van eisch, in hooger beroep genomen :

Vverviegende in fado :

dat, Mj vonnis der Arrond.-Regtbank alhier dd. 6 Sept. 1871, F. G. ook™-V handelende onder de firma F. van der Rijck en Comp., zich verUi^' noemende Derrijck en Comp., in staat van faillissement is eert °P verzoek van I-Fuldauer, en dat wel op grond, dat de or? 1de twee door haar ten behoeve der verzoekers geteekende aer-b^ietten respectievelijk groot f 165 en f 160, ten vervaldage onbetaald heeft gelaten;

o-pV^ vei"klaarde firma van gemeld vonnis in hooger beroep

v ,"0lïl^fJ *s> en *en dage dienende, op grond, dat de geïnt., ofschoon oorjijk gedagvaard, niet verschenen is , tegen haar geconcludeerd ee t tot verstek, en wijders, op de gronden , in hare conclusie uiteengezet ( tot vernietiging van het vonnis a quo , en dat het Hof alsnog zal afwijzen het door den geïnt. gedaan verzoek, en dien ten gevolge opheffen den staat van faillissement, waarin de appellanten i) dat vonnis zijn verklaard, met ontslag voor zooveel noodig van den aarbij benoemden curator, met last op dezen tot het doen van reke'ln® e" verantwoording , zoo als daarin verder staat vermeld ;

Va ir d#t art' 5 ' n°' 1 * bePaalt • dat een exploit van dag-

eis3.!'1"'' moet bevatten o. a. den voornaam en den naam van den nie'' 'U f'öt' volgens de 1ste al. van art. 92 van gemeld wetboek, de beii 1U"'"'lt"nem'nS van bovengemeld voorschrift met nietigheid wordt bii re'i ' terw\)'' volgens de 2de al. van genoemd artikel, de regter, "•et-verschijning van den ged., geen verstek tegen dezen mag T"-". en^ de nietigheid uitsprekende, den eischer moet veroordelen ii, de kosten ;

0., dt bij het vonnis a quo F. G. Durrich, handelende onder de ï-ii"?8, Tan ^er Kijck en Comp., zich ook wel noemende van DerJck en Comp., is failliet verklaard;

g ' d"'» aangenomen zelfs, dat die persoon bevoegd was onder die

, ■ finuei LU uryven , in i

t'iaraing zijn voornaam en naam had behooren te bevatten,

' o wan ulö pciouuil ucvuügu wao uijuci ulö

ma i ;tndel te drijven , in allen gevalle bij zijn optreden in regten

e dagvaardinor ziin voornaam Pn naam li r, ^ k«l-» l.nvnttnn

, . . — "uaui uau ucuuui cu uvyoncu ,

' m Sescm~a zyude, de dagvaarding behoort te worden

"«="g verklaard;

betleket,"art niet'S 02 (iagvaarding' °P 7 SeP4- 1871 aa" den geïnt.

eigert het gevraagde verstek;

veroordeelt de appellanten in de kosten.

ARRONDiaSEMENTS-E.EGTBA.NKEN.

ARRONDISSEMËNTS-REGTBANK TE AMSTERDAM. Tweede kamer.

Zitting van den 31 Januarij 1872.

Voorzitter, Mr. A. E. Penning.

Regters, Mrs.: A. van Eyk Bijeeveld en P. J. Suringar.

Men is niet-ontvankelijk in eene actie, waarbij men vraagt de ontbinding van een gedeelte van eene wederzijdsche overeenkomst wegens wanpraestatie.

Cavodino, eischer , procureur H. P. Loggere ,

tegen

C. H. Reek er, gedaagde, procureur Mr. J. A. Wolterbeek.

De Regtbank enz.,

Overwegende in facto :

dat de ged., na voorafgegane sommatie en daarop zijnerzijds ge¬

volgde contra-insinuatie, is gedagvaard om te hooren ontbiuden en vernietigen, met vergoeding van kosten , schaden en interessen, den koop en verkoop vaneenen liorlogie-ketting, welken de eischers beweren onder meer van den ged. te hebben gekocht, en volgens factuur een gouden moest zijn en als zoodanig door de eischers voor f . . . is verkocht, en dien zij verpligt zijn geweest terug te nemen eu den koopprijs te restitueren, toen het bij onderzoek bleek, dat die ketting niet als een gouden kon worden verkocht, als houdende slechts

Il76 karaats goud;

dat de ged., daartoe gesommeerd, heeft geweigerd dien ketting terug te nemen tegen betaling van f .... voor gerestitueerden koopprijs

en kosten van expertise, als hebbende de ged. niet behoorlijk aan zijne verpligting tot levering voldaan, immers een voorwerp geleverd, waaraan een verborgen gebrek kleefde, dat hij heeft gekend of heeft

kunnen en moeten kennen;

dat de eischers ten dienende dage dien-overeenkomstig hebben gecon¬

cludeerd cum expensis;

dat de ged. in de eerste plaats de niet-ontvankenjsneia neen ingeroepen , daar de eischers niet geregtigd zouden zijn op grond van de door hen geposeerde feiten deze actie in te stellen, en, al stond zulks hun ook in het algemeen vrij , deze actie niet kon worden ingesteld voor een deel van de in haar geheel ten uitvoer gelegde overeenkomst; en, wat het fond der zaak betreft, dat er geen regt bestaat op schadevergoeding, daar de eischers niet poseren , veelmin bewijzen , dat de ged. de gebreken van het goed gekend heeft; dat, al kond den eischers hunne actie volgen , de vordering geheel ongegrond is; dat, daargelaten het scheikundig onderzoek, de actie steunt op het gehalte van een ketting, dien men zelf poseert dat door een Chinees te Batavia is gegeven of teruggegeven, zoodat noch de identiteit, noch het onveranderd gebleven zijn van het voorwerp vaststaat; concluderende tot niet-ontvankelijkheid, immers tot ontzegging cum expensis;

dat de eischers in substantie hierop hebben gerepliceerd , dat de actie : 1°. strekt tot ontbinding van den koop en verkoop met schadevergoeding, vermits de ged. niet geleverd heeft wat gekocht was, een gouden horologie-ketting; en subsidiair, voor het geval, dat hier aan een verborgen gebrek moest worden gedacht, is geëischt vernietiging van den koop en verkoop met schadevergoeding, op grond, dat de ged. dat verborgen gebrek heeft gekend of heeft kunnen en moeten kennen, daar de ged. zelf fabrikant is te Pforzheim , en de gekochte ketting in zijne fabriek i6 vervaardigd, en hij zich alzoo niet kan beroepen op eene te goeder trouw begane vergissing, maar wel degelijk heeft geweten of moeten weten , dat hetgeen hij leverde, geen goud, zelfs geen goud van gewoon Pforzheimer gehalte was , maar een alliage van koper mot een weinigje goud;

dat de ged. de identiteit van den bedoelden ketting niet ontkent en de gelegenheid gehad heeft zich daarvan te overtuigen , zoowel bij de aanbieding bij insinuatie van 19 Mei 11., als later door het depöt ter griffie, zoodat een bewijs van identiteit overbodig is;

dat het scheikundig onderzoek op Java heeft plaats gehad op verzoek van den ged. zeiven en ten koste van de in het ongelijk gestelde partij ; zoodat hij verpligt is tot vergoeding der kosten van dat onderzoek, nu het gebleken is, dat die ketting niet heeft het Phorzheimer goudgehalte, terwijl de ged. niet ontkent, dat de uitkomst van het onderzoek juist is; dat zij eischers wel mogen lijden , dat de Regtbank, zoo zij zulks noodig acht, alsnog drie deskundigen benoeme, om het gehalte te onderzoeken; concluderende, onder persistit, incidenteel tot zoodanig scheikundig onderzoek cum expensis, ingeval van tegenspraak en anders met reserve tot het eindvonnis;

dat de ged. hierop heeft gerepliceerd , dat de dingtalen , vooral in

summiere zaken, alleen moeten bevatten de feiten , waarover gelitis-

contesteerd wordt;

dat de eischers dienen te weten, dat de ketting tn ijuaestie hun was verkocht en geleverd gelijktijdig met een aantal van gouden voorwerpen. en wel als voorwerpen van ée'ne en dezelfde overeenkomst, en dat het niet aangaat, op grond van één dier voorwerpen, de resilia-

toire actie in te stellen; dat de eischers bij repliek een subsidiair standpunt pogen in te nemen en zich op het terrein der redhibitoire

actia te verplaatsen; dat zulks is informeel en onvoldoende en zij ten

onregte beweren, dat de ged. het verborgen gebrek heeft gekend of

neeic Kunnen en moeten kennen; dat de eischers weten, dat de ged. handelaar is in Pforzheimer goudwaren en geen fabrikant; dat de wet

spreeKi van Kennen en niet van kunnen kennen; dat hij ged. nimmer

ue lueuuitsii «au ucu Kemng neett erKena en alsnog niet ertent

dat het zoogenaamd scheikundig onderzoek niet heeft plaats gehad op verzoek van den ged.; dat alzoo de incidentele conclusie den eischers

niet kan volgen, ook al ware zij niet in strijd met de wet van 1 Junij 1850 (Stbl. no. 25);

dat de eischers eindelijk bij pleidooi acte hebben gevraagd van bereidwilligheid om door alle middelen regtens de eenzelvigheid van

den ketting m geschil te bewijzen; 0. in jure :

dat het bij partijen in conjesso is, dat de bedoelde ketting door den ged. aan de eischers is verkocht en geleverd , gelijktijdig met

een tal van gouden voorwerpen, ressorterende tot ééne en dezelfde

overeenkomst; dat, met uitzondering van dien ketting, geene aan

merking van de zijde des eischers is gemaakt tegen de behoorlijke nakoming der overeenkomst;

0., dat de ged. zich tegen de ingestelde actie met twee exception-

nele middelen heeft verdedigd, bewerende: l». dat de bedoelde ketting

was vernoem, en geieveru genjKujiug mei, een tal van gouden voor werpen en wel als voorwerpen van ééne en dezelfde overeenkomst

dat de ontbinding van een gedeelte der overeenkomst niet kan te pas

komen op grond van een beweerd later ontdekt gebrek aan één der

voorwerpen ;

2». dat de eischers niet geregtigd zijn, later bij repliek subsidiair zich op het terrein der redhibitoire actie te verplaatsen :

O., dat de al of niet gegrondheid van deze exceptie vooraf moet worden onderzocht;

0. met betrekking tot de eerste niet-ontvankelijkheid, dat de

eischers beweren van den ged. gekocht te hebben, volgens factuur , die niet wordt betwist, voor een bedrag van f . . . geleverde gouden voorwerpen , waaronder een vest-ketting ad ƒ ...;

dat, zonder op de verdere naleving der overeenkomst van de zijde van den ged. eenige aanmerking te maken, de eischers de vernietiging vragen van dat gedeelte van het contract, waaraan door den ged. niet zoude zijn voldaan;

0., dat de tusschen partijen aangegane overeenkomst geacht moet worden te zijn aangegaan over bovenbedoelde onderscheidene gouden voorwerpen gezamenlijk en als één geheel; dat die koop en verkoop niet kan worden gesplitst , en de eischers niet geregtigd zijn voor een gedeelte dier goederen (in casu een enkel voorwerpj op grond van wanpraestatie de ontbinding te vorderen;

dat de eischers ingevolge de wet de keuze hadden om, ingeval de ged. de verbindtenis niet is nagekomen, of hen tot die nakoming te noodzaken , of de ontbinding der geheele overeenkomst te vorderen;

dat, uit hoofde de eischers niet beweren, veelmin bewijzen, dat het overige gedeelte der overeenkomst door den ged. niet zoude zijn nagekomen, zij niet geregtigd zijn om voor een gedeelte van dezelfde koop-overeenkomst de vernietiging te vragen;

dat derhalve de eischers niet-ontvankelijk zijn in den eisch , zoo als die is ingesteld;

dat, bij deze beschouwing, het verder onderzoek naar de gegrondheid van der eischers niet-ontvankelijkheid en van de zaak ten prin¬

cipale van zelve komt te vervallen;

Gezien art. 1303 B. W., 160, 161, 56 B. R. ; Verleent de gevraagde acte;

Passerende de aangeboden expertise,

Verklaart de eischers niet-ontvankelijk en veroordeelt hen in ue

/Genlfiit voor de eischers Mr. ,T. W. Tytit.m an . en voor den

gedaagde Mr. J. van S. Mulder.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE GRONINGEN. HL»i>ier van Strafzakeu.

Zitting van den 24 October 1872.

Voorzitter, Mr. J. Gockinga.

Art. 319, j°. art. 320 , art. 475 , no. 7, Str^fregt.— Exceptie

van onbevoegdheid.

De officier van justitie , eischer,

tegen

H. L., vrouw van D. T, , gedaagde.

De Regtbank enz.,

Gezien de dagvaarding, in deze uitgebragt en aan bekl. beteekend,

ten einde te regt te staan, ter zake daarbij vermeld ;

Gehoord de getnigen in hunne verklaringen, onder eede ter teregt-

zitting afgelegd, zoowel die, van zijde der beschuldiging, als van zij ie

der verdediging bijgebragt;

Gehoord de bekl. in hare antwoorden en verdediging, mede namens

haar ter audientie voorgedragen;

Gelet op het requisitoir van het Openb. Min., na toelichting ter

tafel overgelegd, strekkende, dat de Regtbank de bekl. gelieve vrij te spreken, de kosten te dragen door den Staat;

Overwegende, dat aan bekl. bij mtroductieve dagvaarding is ten

laste gelegd, dat zij Vrijdag voormiddags den 30 Aug. jl. haren hond niet weêrhouden heeft, die P. de Wit, toen deze hare woning aan

het Boterdiep te Groningen verliet, heeft aangevallen ; en dat diezelfde hond, ten gevolge van dat verzuim en uit gebrek aan voorzorg harerzijds om den hond, die als kwaadaardig bekend stond, onschadelijk te maken, genoemden de "Wit heeft gebeten en in de linkerborst en hand bloedende wonden heeft toegebragt;

O., dat aan zijde der verdediging ter teregtzitting vóór alles is aangevoerd.dat voren omschreven feit oplevert eene politie-ovetreding, strafbaar volgens art. 475, n°. 7, sub finem Strafregt, en derhalve op dien grond namens bekl. tot verwijzing naar het Kantongeregt is geconcludeerd ;

0. dienaangaande , dat het aan bekl. bij acte van dagvaarding ten laste gelegde niet is de overtreding, bedoeld bij art. 475 , n°. 7, Strafregt, maar het wanbedrijf, vermeld in art. 319, jo. art. 320 van hetzelfde wetboek, zoodat beklaagde's beweren haar niet kan volgen, en zij daarin ongegrond behoort te worden verklaard;

Verklaart bekl. ongegrond in hare exceptieve verdediging; en alsnu wat de zaak zelve betreft:

O., dat door de beëedigde verklaringen der ter audientie gehoorde getuigen wettig en overtuigend is bewezen, dat, op Vrijdag voormiddags den 30 Aug. 11., P. de Wit, koopmansknecht, wonende te Groningen , bij het verlaten van beklaagde's woning aan het Boterdiep aldaar, door den aan bekl. toebehoorenden hond is aangevallen en gebeten , zoodat daardoor in zijne linkerborst en hand bloedende wonden ontstonden;

O., dat uit de beëedigde verklaringen der getuigen, zoowel die, ter requisitie van het Openb. Min., als ten verzoeke van bekl. gehoord, is geresulteerd, dat bekl. zich tijdens het gebeurde bevond binnen hare woning, en zij alzoo niet in de mogelijkheid is geweest haren hond te weêrhouden, zoodat in deze van verzuim en gebrek aan voorzorg geene sprake kan zijn, en het voorgevallene aan haar niet mag worden geïmputeerd;

0. dienvolgens , dat door het gehouden onderzoek niet wettig bewezen zijnde , dat bekl. de oorzaak is geweest der door haren hond aan opgemelden P. de Wit toegebragte verwonding, zij van het haar bij dagvaarding ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken;

Op voorschreven gronden

Regt doende enz.,

Verklaart het aan bekl. bij dagvaarding ten laste gelegde niet wettig bewezen ;

Gezien de artt. 210 en 227 Strafvord.;

Spreekt bekl. vrij ; de kosten te dragen door den Staat.

(Gepleit Mr. H. Schaap,)

MENGELWERK.

VEREISCHTËN EENER DAGVAARDING.

In' n°. 3538 van dit Weehbl., dd. 9 Januarij 1872 , wordt een arrest meegedeeld van den H. R., dd. 18 November 1872 , welk arrest van de tot nog toe bestaande jurisprudentie geheel afwijkt.

Te laste was gelegd: het loopen over uiterwaarden te Niftrik.

Dit feit werd door den regter geoordeeld onstrafbaar te zijn (zoolang niet tevens te last was gelegd, dat de uiterwaard met gras bezet was), en de verdachte mitsdien ontslagen van regtsvervolging.

Sluiten