Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verwerpt de door ged. voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid;

Verstaat, dat ged. sedert 29 Nov. 1871 onregtmatig gelden, acten en boeken van wijlen den heer W. T. in zijn bezit heeft gehouden, en sedert dien dag onbevoegd was tot eenige daad van bezit, beheer of vereffening van diens nalatenschap;

Veroordeelt ged. tot vergoeding van allo kosten, schaden en interessen, aan eischers veroorzaakt door die wederregtelijke terughouding, door zijne pogingen tot invordering van pretentiën en zijne opzeggingen van uitgezette kapitalen van dien boedel en door alle andere daden van bezit van dien boedel, die later mogten blijken door hem verrigt te zijn sedert voormelden dag, volgens nader op te maken staat.

Veroordeelt ged. wijders om, binnen ecne maand na insinuatie van dit vonnis, aan eisehers te doen rekening en verantwoording van zijn bezit en beheer van de goederen dor voormelde nalatenschap, voor zooverre dit door hem is uitgeoefend, en om uit te keeren het saldo dier rekening, zoo als dit na debat zal worden vastgesteld, en alle schuldbekentenissen, acten en boeken, daartoe behoorende, die hij onder zich heeft;

Gelast, dat hij tot die rekening zal kunnen worden gedwongen door in-beslag-neining zijner goederen tot een bedrag van f 34,000 en zelfs bij lijfsdwang ;

Veroordeelt ged. in de kosten dezer procedure.

Dit vonnis is bij arrest van het Hof van Overijssel den 4 Nov. 11. bevestigd.

KANTONGEBEGTEN.

KANTONGEREGT TE DORDRECHT.

Zitting van den 16 Januari) 1873.

Kantonregter, Mr. II. W. Fangman.

art. 2 dau verordening op het bouwen en op de verpligtingen van naburige erven te dordrecht van 14 jan. 1865.

— Art. 135 gemeentewet. — Art. 625 B. W. — Art.

147 Grondwet.

Is art. 2 van gezegde verordening, waarbij het malcen of vernielt' ioen van een gebouw zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, onverschillig of dat al of niet langs den openbaren weg geschiedt, met art. 135 gemeentewet, art. 625 U. W., of 147 der Grondwet in strijdt — Neen.

Het Kantongeregt heeft uitspraak gedaan in de zaak contra den hear P. Verhoeven, bekl. van overtreding der bouwverordening en wel van art. 2 , door het maken van een gebouw te Dordrecht zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en "Wethouders. Dien ten gevolge eischte het Openb. Min. eene geldboete van f 3 tot f 10 en in de kosten, niet bepaling, dat, wanneer deze geldboete niet binnen twee maanden na aanmaning zal zijn betaald, de geldboete door gevangeuis-straf van hoogstens drie dagen zal vervangen worden, de kosten bij lijfsdwang.

De adrokaat van den bekl., Mr. Maarschalk , zag in de bouwverordening strijd met art. 135 gemeentewet, art. 625 B. W. en art. 147 Grondwet.

De regtcr heeft daaromtrent het volgende overwogen:

dat bij art. 135 der gemeentewet aan den Raad der gemeente de bevoegdheid is toegekend tot het maken van verordeningen in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere betreffende de huishouding der gemeente;

dat, overeenkomstig art. 625 B. W., de uitoefening van het regt van eigendom door eene plaatselijke verordening kan worden beperkt, mits dio plaatselijke verordening zij daargestekl door eene krachtens de Grondwet bevoegde magt en alzoo in casu , naar het voorschrift van art. 135 der gemeentewet, zij ïn het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid of betreffe eene huishoudelijke gemeente-aangelegenheid ;

dat dus de vraag bestaat, of art. 2 der verordening op het bouwen en op de verpligtingen van naburige erven te Dordrecht van den 14 Jan. 1865 , waarbij is verboden eenig gebouw te maken of te hernieuwen zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, onverschillig of dat gebouw al of niet langs den openbaren weg is gemaakt, door welk verbod de uitoefening van het cigendomsregt der ingezetenen zonder twijfel wordt beperkt, —is gemaakt in het belang "der openbare orde, zedelijkheid of gezondheid, of betreft eene huishoudelijke gemeente-aangelegenheid;

Overwegende daaromtrent:

dat bij de wet niet expressis verbis is bepaald, wat onder huishoudelijke gemeente-aangelegenheden valt, maar bij de indiening van het wets-ontwerp door do Regering in de memorie van toelichting op meergenoemd art. 135 is te kennen gegeven, dat dit moeijclijk kon worden bepaald, en door den algemeenen wetgever kon worden uitgemaakt; ook omdat in dat opzigt in alle gemeenten niet hetzelfde gelden kan; en dat juist om die reden aan den Raad der gemeente bij art. 135 der gemeentewet in fine eene zeer ruime bevoegdheid gegeven is;

dat het verbod, om in eene gemeente gebouwen te maken of te hernieuwen zonder vergunning, in welke materie bij geene rijks- of provinciale verordening is voorzien, in het algemeen geheel valt binnen den kring van zaken, waarvan de behartiging eigenaardig tot de zorg van de gemeentebesturen behoort, en alzoo moet worden aangemerkt als te betreffen eene huishoudelijke gemeente-aangelegenheid;

dat in het bijzonder de zorg, dat geen gebouw worde gemaakt of vernieuwd zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, ook daarom geacht moet worden eene huishoudelijke gemeente-aangelegenheid te betreffen, omdat er redenen van politie kunnen aanwezig zijn voor den plaatselijken wetgever om te willen, dat bf in het belang van het verkeer, bf uit een hygiënisch oogpunt, bf wat dies moer zij, de gebouwen in de gemeente, ook die niet direct langs den openbaren weg worden gebouwd, naar het voorschrift van Burgemeester en Wethouders geregeld geplaatst worden;

dat daarenboven, volgens art. 2 der verordening op het bouwen zelf, de vergunning van Burgemeester en Wethouders wordt gevorderd, opdat er kunne gezorgd worde: bf 1 °. voor de geregelde plaatsing der gebouwen, bf 2^. voor de openbare veiligheid en gezondheid:

dat de zorg voor geregelde plaatsing van een gebouw, ook al staat dit, zoo als in casu, niet langs den openbaren weg, valt onder de zorg voor de openbare veiligheid, vermits door eene ongeregelde plaatsing b. v. brandgevaar zou kunnen vermeerderen , en dat de zorg voor de openbare veiligheid in de eerste plaats behoort tot de zorg voor de openbare orde;

dat eindelijk al. 3 van art. 2 der verordening op het bouwen genoegzaam bewijst, hoe bij het maken van een gebouw, al is dat niet gelegen langs den openbaren weg, de openbare gezondheid en veiligheid kunnen betrokken zijn;

dat uit het bovenstaande blijkt, dat art. 2 der meergenoemde verordening op het bouwen, waarbij het maken of vernieuwen van een gebouw, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, onverschillig of dat ai of niet langs den openbaren weg geschiedt, wordt verboden, betreft huishoudelijke gemeente-aangelegenheid, en

dat artikel • ; -:ig daarenboven door den plaatselijken wet¬

gever ke..: ■_ -ifosid in het belang der openbare orde;

O., dat derhalve de Raad der gemeente Dordrecht, mot het oog op art. 135 der gemeentewet, volkomen bevoegd was om art. 2 der verordening op het bouwen vast te stellen, en dat ook krachtens art. 625 B. W. de uitoefening van het eigendomsregt van de ingezetenen door art. 2 dier verordening, daargesteld door zoodanige magt, dio daartoe, krachtens do Grondwet, de bevoegdheid heeft, kauworden beperkt;

dat tegen deze beschouwing niets kan afdoen de omstandigheid, waarop namens den bekl. is gewezen, dat bij art. G26 B. W. aan den eigenaar het regt gegeven is om op zijn grond alle beplantingen te doen en gebouwen te stellen, welke hij goedvindt, vermits die bopaling moet worden in verband gebragt met liet voorafgaande algemeen beginsel, in art. 625 neergelegd, dat namelijk de uitoefening van dat regt door plaatselijke reglementen kan worden gewijzigd;

dat art. 2 der verordening op het bouwen op die gronden noch met art. 135 der gemeentewet, noch met cenig artikel van het Burgerlijk Wetboek, speciaal niet met art. 625 van dat wetboek in stiijd is ;

dat art. 2 dier verordening evenmin in strijd is met art. 147 dor Grondwet, vermits hot verbod om to bouwen op eigen grond zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders zeker niet kan worden gelijkgesteld met eeno ontzetting van eigendom, maar dat verbod, zoo als hierboven is gezegd, moet worden beschouwd als eene geoorloofdo beperking van het regt van eigendom , waardoor de eigenaar van den grond bolet wordt om over zijne zaak op de volstrektste wijze te beschikken ;

O., dat er derhalve voor don regter geeno reden bestaat om het, ook door het hooger Bestuur goedgekeurde, art. 2 der verordening op het bouwen en op de verpligtingen van eigenaars van naburige erven te Dordrecht van den 14 Jan. 1865 , in casu niet toe te passen ;

0. wijders, dat niet, zoo als namens den bekl. wordt beweerd, bij de 1ste zinsnedo van art. 2 dier verordening alleen dan de vergunning van Burgemeester on Wethouders lot het maken van een gebouw wordt gevorderd, indien dat gebouw wordt gemankt langs den openbaren weg;

O., dat immers in do eerste zinsnede van dat artikel onbepaald wordt verboden een gebouw te maken of te hernieuwen zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, waar ook, al of niet langs den openbaren weg;

O., dat in de 2do en 3do zinsneden van dat artikel, houdende verbod om grondslagen van muren of gevels tc hernieuwen, onbebouwde gronden met muren , heiningen of beschoeijingen af te scheiden zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, daarentegen achter iedere van die zinsnede uitdrukkelijk wordt bijgevoegd: langs den openbaren weg, welke bijvoeging in de eerste zinsnede niet wordt gelezen;

O., dat het derhalve voor de strafbaarheid van dat feit , aan den bekl. ten lasta gelegd, volkomen onverschillig is, of het bij dagvaarding bedoelde gebouw door den bekl. is gemaakt al of niet largsden openbaren weg;

O., dat de vermelding van dio laatstbedoeldo omstandigheid in de dagvaarding mitsdien niet wordt vereischt, en deze, ook zonder die vermelding, inhoudt de opgave van een strafbaar feit en alzoo voldoet aan het voorschrift der wet;

0., dat het ten laste van den bekl. wettig on overtuigend bewezen feit behoort te worden gequalifieeerd als: het maken van een gebouw te Dordrecht zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders aldaar ;

Gezien artt. 3 cn 41 der bouwverordening van den 14 Jan. 1865 ;

Gelet op art. 1 der wet van 22 April 1864(5(6/. n°. 29) en op art. 52 Strafvord. ;

Regt doende enz.,

Verklaart den bekl. schuldig aan het hem ten laste gelegde feit, met veroordeeling tot eene geldboete van f 10 en de kosten , of subsidiaire gevangenis-straf.

IIOOGE HAAD. — Siaasser *un Strafzaken.

Zitting van Maandag, 24 Februarij.

Voorzittor, Mr. J. D. W. Pai'k.

I. Uitspraak gedaan in zake:

10. W. van der Vcnne, tegen oen arrest van het Hof in Gelderland. Verworpen.

2°. J. van Druten, tegen een arrest van hetzelfde Hof. Verworpen.

3°. A. Pomstra c. s., tegen een arrest van het Hof in Groningen. Verworpen.

4". J. Th. Anderegg, tegen een vonnis der Regtbank te 's Iïertogcnbosch. Verworpen.

II. Conclusie genomen in zake:

1„. den officier bij de Regtbank te Nijmegen , tegen een vonnis in zako G. W. Schreven. Adv.-gon. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 17 Maart.

2o. denzelfden req., tegen een vonnis in zake J. van Hout. Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 17 Maart.

III. Behandeld het beroep van :

1". Mr. 11. Ameshoff c. s., tegen een vonnis van het Kantongeregt te Wijk-bij-Duurstede. Rapp., raadsh. Kalff. Gepleit Mr. B. M. Vlielander Hein. Adv.-gen. Smits conc udeert tot vernietiging van het vonnis en verwijzing der zaak naar de Regtbank te Amersfoort. Uitspraak 17 Maart.

2o. Ph. van Gelder, tegen eon arrest van het Hof in Groningen. Rapp., raadsh. Gockinga. Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 17 Maart.

Zitting van Dingsdag, 25 Februarij.

I. Conclusie genomen in zake:

den proc.-gen. bij het Hof in Noordholland , tegen een arrest in zake P. Theunisse. Adv.-gen. Polis concludeert tot verniotiging van hot arrest en veroordeeling van den gereq. tot tuchthuisstraf van minstens vijf en hoogstens tien jaren en acht boeten, ieder van f 25. Uitspraak 17 Maart.

11. Behandeld het beroep van:

1°. P. H. van Malsen, tegen een vonnis van de Regtbank te 's Gravenhage. Rapp., raadsh. Coninck Liefsting. Gepleit Mr. B. M. Vlielander Hein. Conclusie bepaald op 3 Maart.

2°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Ilillegersberg, tegen een vonnis in zake J. don Arend. Rapp., raadsh. Schuurman. Adv.-gen. Polis concludeert tot met-ontvankelijk-verklaring. Uitspraak 17 Maart.

N13. Woensdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 21 dezer, n». 15, is benoemd tot plaatsvervangend kantonregter te Loenon, E. van Beusekom Ez., notaris aldaar.

— Bij Z. M. besluit van den 22 dezer, 11». 26, is aan Mr. H. W. van Marle, op zijn daartoe gedaan verzoek, met ingang van 1 Mei aanst., eervol ontslag verleend als notaris te Deventer.

Verkiezing tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Iioofd-kiesdistrict SNEEK.

26 Pebruarij 1873. — (Per telegraaf.)

Uitgebragt 2278 stemmen. Van onwaarde 25. Volstrekte meerderheid 1127. Herkozen de heer A. MOENS, met 1450 stemmen. De hoer Mr. L. W. C. Keuchenius bekwam 796 stemmen.

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 26 Februarij.

Do Amst. Courant vestigt de aandacht: op een verhaal van den heer George Ivepper, voorkomende in de 2de afl. van het Familieblad, waarin ongekunsteld, en desniettemin treffend , de nadeelen geschetst worden van het meten met twee maten, hier betrekking hebbende op Staten, waar de doodstraf uit het Strafwetboek roor gewone misdaden geschrapt, doch in het militaire wetboek behouden is.

De schrijver heeft een stouten greep gedaan, en, ofschoon hij den romantischen vorm koos, de aandacht gevestigd op een hoogst gewigtig sociaal vraagstuk van den dag. (Ingezonden.)

— In de zitting van den Gemeenteraad van Rotterdam, van Donderdag 20 Febr. ji., waren aan de orde de beraadslagingen over het voorstel van Burgemeester en Wethouders tot het indienen van oen adres aan Z. M. dan Koning, in verband met het arrest van den Hoogen Raad, in zake het beffen van havengeld en. bet onschendbaar verklaren van plaatselijke belasting-verordeningen.

De beide hoofddenkbeelden, die aan het ontwerp-adres ten grondslag liggen, gaven geen aanleiding tot discussie. Do vorm, de redactie allëe'n gaf stof tot eenige gedachtenwisseling, doch do geopperde bedenkingen vonden geen steun.

De heer Hoynck betuigde er ten slotte zijn leedwezen over, dat het ontwerp-adres in den Raad niet in beginsel werd aangevallen, hetgeen hem de gelegenheid zou hebben geschonken zijn gevoelen omtrent bet wezen der zaak to ontwikkelen. Hij wenschte echter de beraadslagingen niet te zien sluiten, zonder or vooraf op to hebben gewezen, dat bet adres niet uitsluitend waarborgen verlangt in het belang van de finantiëri dor gemeente Rotterdam; bet heeft een wijdere strekking dan hot loeaal belang dezer gemeente; het is in het finantieel belang Van al de gemeenten van het Vaderland. Op dien grond hebben Burg. en Wetli. gemeend , dat zij met het adres don Troon mogten naderen. Reeds sinds langen tijd is in vele gemeenten, laatstelijk te Rotterdam, het ongerief ondervonden, dat gelegen ligt in hot uitsluitend regt van den Hoogen Raad of van de regterlijke magt, om over de verbindbaarheid van plaatselijke belasting-verordeningen uitspraak te doen. De gevolgen die dat regt na zich heeft gesleept, zijn van algemeene bekendheid. De uitspraken van den Hoogen Raad zijn by magte om de finantiën van iedere gemeente totaal in do war te sturen. Thans is de Hooge Raad bevoogd en geregtigd om over de verbindbaarheid van belasting-verordeningen te oordeelen; hij doet zelfs zijn pligt door af te keuren wat in zijn oog afkeuring verdient, maar het wordt tijd in dien toestand verandering te brengen. Even als de wetten onschendbaar zijn verklaard, behooren ook de belasting-verordeningen, voor wat hare verbindbaarheid aanbelangt, aan de uitspraken der regterlyka magt te worden onttrokken. De belastingschuldige beeft zonder twijfel behoefte aan waarborgen tegenover dengeen dio belastingen uitschrijft, maar waar die waarborgen gezocht worden in de eind-uitspraak van de regterlijke magt, ontstaat daardoor grooter kwaad dan het voordeel te beteekencn heeft. Met te minder bezwaar kan de onschendbaarheid, die voor wetten geldt, ook tot belasting-verordeningen worden uitgestrekt , omdat de belastingschuldigen voldoends waarborgen bezitten tegen willekeur. 1". Administratieve willekeur mag, de Hemel rij dank, hier to lande geacht worden tot de geschiedenis te behooren. Onze instellingen maken haar bovendien mocijelijk, schier onmogelijk. 2o. Do Gemeenteraad, die de belasting-verordening maakt, staat, krachtens de gemeentewet, te dier zako onder de controle van Ged. Staten, terwijl daarna nog voor zulk eene verordening de goedkeuring der Hooge Regering, van Z. M. den Koning, moet worden ingeroepen. Wanneer de verordening al dio pbasen doorloopen en 's Konings goedkeuring verworven heeft, is de belastingschuldige in het bezit van al de waarborgen waaraan hij behoefte heeft. 3». Neem echter aan , dat dwaling desniettemin tot de mogelijkheden behoort— men moet intusschen niet uit het oog verliezen, dat ook do regterlijke magt niet onfeilbaar is; hare annalen bewijzen het tegendeel door een groote menigto contradictoire vonnissen, waarvan zelfs dc jurisprudentie van den Hoogen Raad getuigen kan; neem aan dat er gedwaald is; indien dan de belanghebbenden zich met gegrondo grieven tot het Hooger Bestuur wenden , dan zal het zonder eenigen twijfel gevolg geven aan bet voorschrift van nrt. 236 der gemeentewet, ten einde wijziging of intrekking der verordening te verwerven en, waar daartegen verzet zou ontstaan, zou het Iloogcr Bestuur niet aarzelen om een wetsvoorstel bij de Kamers in te dienen , met het dool om de verordening buiten werking te doen stellen. 4°. Wil men nog een stap verder gaan, en beweren, dat weder eens een dier autocratische ministers aan het bewind zoude kunnen komen, dio zich om gegronde klagten van belastingschuldigen niet bekreunen ? Welnu, dan is er nog de ministeriële verantwoordelijkheid. Iedere belastingschuldige kan zich wenden tot de Staten-Generaal, dio den minister ter verantwoording zullen roepen. — De waarborgen voor den belastingschuldige zijn volkomen voldoende, al worden de plaatselijke belastingverordeningen aan het gezag der regterlijke magt onttrokken. Daarentegen zullen dan voor do gemeenten al de bezwaren vervallen, die door de uitspraken van de regterlijke magt voor de gemeentelijke geldmiddelen ontstaan. Spreker heeft gemeend dit in het midden to moeten brengen , omdat hij weet, dat andere gemeenten het oog op Rotterdam gevestigd houden, en het voorbeeld door Rotterdam gegeven zullen volgen.

Niemand verder het woord of de hoofdelijke omvraag vragende, werd het ontwerp-adres onveranderd bij acclamatie aangenomen, en ging de vergadering uiteen.

ADVERTENTIEN.

*£* Uitgave van J. B. WOLTERS, ie Groningen.

VEEHAIDE1II&ES

van

door

A. OU DE MAN,

Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Groningen.

PllIJS f 2.50.

Snelpers «ïruJi en Uitgave van SÏS33E aoïsasKBSS EBEIdUINFAHWË, te »a «Sri&vesaJïage.

Sluiten