Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

do goederen in geschil 111 bewaring zouden worden gesteld in het Groninger Veem, onder de directie, daarover gesteld, en in hare gewone bewaarplaatsen, met voorbehoud van de uitspraak omtrent de kosten tot aan het eindvonnis ;

0. , dat in antwoord op den eisch door den ged. ter nader dienenden dage bij conclusie in substantie is aangevoerd: dat hij in de eerste plaats ontkent van eischeres te hebben gekocht 100 vaten prima Cephalonia-krenten, doch den geposeerden koop en verkoop erkent, mits aan de aanduiding der qualiteit het woord «nieuwe» worde toegevoegd; dat hij verder ontkent, dat de eischeres aan al hare verpligtingen zou hebben voldaan, en het verkochte zoude hebben geleverd; en dat in ieder geval de eisch reeds hierom voor geene toewijzing vatbaar zou zijn, omdat daarbij de veroordeeling van den ged. wordt gevraagd tot betaling eener som, welke deze volgens de posita van dien eisch zelf nog niet is verschuldigd; concluderende overzulks de ged., dat het der Regtbank moge behagen eischeresse te verklaren niet-ontvankelijk in den door haar ingestelden eiseh, althans haar dien te ontzeggen, met veroordeeling in de kosten van het geding;

O., dat partijen bij conclusie van re- en dupliek hebben gepersisteerd bij hare vroegere conclusiën en daarna de zaak over en weder hebben bepleit, waarna uitspraak is verzocht op de stukken;

Wat het regt betreft:

O., dat de beslissing van dit geschil afhangt van de beantwoording der navolgende vragen :

lo. heeft de eischeres het geposeerde contract bewezen ?

20. heeft de eischeres aan hare verpligting tot levering van het verkochte voldaan ? en

30. is de ingestelde eisch al dan niet praematuur ?

Ad Ium. O., dat de eischeres geposeerd heeft, dat zij op den 15 Jan. dezes jaars aan don ged. heeft verkocht 100 vaten prima Cephalonia-krenten, zich bevindende in het schip Johanna, kapitein Kaaiman, toen op reis van Cephalonia naar Groningen, tegen een koopprijs van ƒ 15 per 50 kilogram, te voldoen met een order-biljet, betaalbaar drie maanden na de levering, welke moest plaats hebben aan den wal te Groningen, na aankomst aldaar van bedoeld schip;

O., dat ged. bij conclusie van antwoord den geposeerden koop cn verkoop heeft erkend, mits aan de aanduiding van de qualiteit der krenten het woord «nieuwe» worde toegevoegd;

O., dat eischeres bij conclusie van repliek op daarbij aangevoerde gronden heeft geantwoord, dat onder de benaming van prima Cephalonia-krenten in casu geene andere bedoeld zijn of konden bedoeld zijn dan nieuwe prima Cephalonia-krenten;

O., dat dienvolgens vaststaat, dat als onderwerp van de overeenkomst geposeerd is «nieuwe» prima Cephalonia-krenten;

0., dat derhalve het geposeerde contract door de bekentenis van ged. moet worden gehouden voor bewezen ;

Ad Illlm. O., dat uit de volgens de wet op den verkooper rustende verpligting om het verkochte te leveren voortvloeit de verpligting van den kooper om het gekochte in ontvang te nemen;

O., dat tegenover die verpligting van den kooper zijn regt staat om ook niets anders dan juist het verkochte in ontvang te nemen;

O., dat daaruit volgt, dat de kooper, ten einde hy kunne beoordeelen, of hetgeen men hem leveren wil werkelijk is het gekochte, reeds bij de levering het regt moet hebben te vorderen, dat men hem vertoone hetgeen men hem leveren wil;

0., dat op dezelfde wijze bij de betaling van den koopprijs tegenover de verpligting van den verkooper om dien in ontvang te nemen, fa Ai'cnhon Hnt hfim datgene, waarmede, volfrens

d kaak uleus icgu wm iv wwv/uvu } - o _ ' e

de overeenkomst, de betaling geschieden moet, hetzij geld, wissel of

uraer-oneije , worae vuriuunu ;

O., dat alzoo op den verkooper berust do verpligting om, des gevorderd, bij de levering, hetgeen hij leveren wil te vertoonen , en dat vertoonen een bestanddeel van zijne verpligting tot levering uitmaakt;

0., dat de kosten van levering komen ten laste van den verkooper, en derhalve de eischeres, door do bewuste vaten, toen dit door ged. werd gevorderd, welke vordering bleek uit des gedaagden antwoord op de sommatie van eischeres van den 23 Maart dezes jaars en geinhaereerd werd bij sommatie van ged., van den 26 Maart daaraanvolgende, beide behoorlyk geregistreerd,— niet te openen of te doen openen, ten einde ged. in de gelegenheid te stellen den inhoud er van na te zien, geacht moet worden niet aan de op haar rustende verpligtigting tot levering van het verkochte te hebben voldaan;

"O., dat de bevoegdheid van den kooper om na de lovering en inontvang-neming expertise te vragen, des noodig het geleverde te laten opslaan, en derhalve niet aan te nemen,— op geenerlei wijze medebrengt, dat hij niet het regt zou hebben om reeds bij de levering te eischen, dat hem vertoond worde wat er zal geleverd worden, ten einde te kannen constateren, of hetgeen geleverd zal worden werkelijk is het gekochte;

O., dat tegen voornoemd beginsel, vertooning van het goed, des gevorderd, bij de levering, evenmin met grond kan worden aangevoerd, dat de toepassing daarvan den handel uitermate zoude belemmeren;

0. toch, dat alle handel gebaseerd is en uit den aard der zaak moet gebaseerd zijn op vertrouwen, en gemeld beginsel alleen daar zijne toepassing vindt, waar juist de noodzakelijke grondslag van allen handel, het vertrouwen, ontbreekt;

0., dat de tweede gestelde vraag derhalve ontkennend behoort te

■worden beantwoord;

Ad III"™. 0. dat, ten gevolge van de ontkennende beantwoording van de tweede vraag', een onderzoek omtrent de al of niet praematuriteit van den eisch overbodig moet worden geacht;

O., dat uit het bovenstaande volgt, dat de eischeres met bewezen heeft, dat zij aan hare verpligting tot levering, veelmin van het verkochte heeft voldaan ;

0., dat de ingestelde eisch haar dienvolgens behoort te worden

ontzegd: _

Gezien de artt. 1510 tot 1513, 1549 B. W., en art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Ontzegt der eischeresse haren eisch; , ,

Veroordeelt haar in de kosten des gedings, daaronder begrepen de kosten, die vroeger zijn gereserveerd.

(Gepleit voor de eischeresse Mr. S. M. S. Moddebhan , en voor den gedaagde Mr. J. J. Blacpot ten Ca te.)

KOLONIALEZAKEN.

LANDRAAD TE KOEPANG (TIMOR).

Strafzaken.

Zitting van den 18 Mei 1872.

Voorzitter, Mr. J. K. de Witt.

Lastqeving tot moord. — Toovenaab.

Beklaagde Lolo.

De inlander Lolo, een Rottinees, bad een broeder, Tong genaamd, die zich, volgens het oordeel der familie, zeer slecht gedroeg. Niet

alleen toch, dat Tong van tijd tot tijd wel eens iets wegnam, hetgeen hem niet toebehoorde; maar bovendien was hij een toovenaar (soeangie) en in die qualiteit had hij reeds zijne zuster met hare beide kinderen betooverd, zoodat deze drie personen ten gevolge zijner tooverkunsten waren overleden. Zoo stonden de zaken, toen Tong in April jl. weder een diefstal beging en wel ten nadeele van twee personen, met name Loao en Seo. Deze beklaagden zich hierover bij den anderen broeder van Tong, den thans bekl. Lolo. Seo zeide, dat zij Tong, den dief en toovenaar, maar moesten doodslaan. Zoo gezegd, zoo gedaan.

Loao en Seo voorzagen zich van knuppels en sloegen Tong hiermede dood, van welke straf-oefening zij aan den thans bekl. Lolo behoorlijk kennis gaven.

Voor den Landraad te Timor Koepang waren alle schuldigen in volledige bekentenis. De bekl. Lolo, broeder van den verslagene, werd daarop door den Landraad schuldig verklaard aan lastgeving tot moord, waaraan gevolg is gegeven, en veroordeeld tot vijftien jaren ketting-arbeid.

Het Hoog Geregtshof sprak evenwel, bij arrest van 27 Julij 1872, Lolo vrij. Door deze vrijspraak bekrachtigt het Hof de reeds lang aangenomen leer, dat lastgeving tot moord niet bestaat, wanneer men slechts ter loops en zonder eenigen aandrang of eenig regtstreeksch bevel zich heeft laten ontvallen, dat men A of B maar moet doodslaan , vooral niet, indien die woorden gerigt worden tot volwassen personen, waarover de spreker geen magt uitoefent en die een gegeven wenk kunnen opvolgen of in den wind slaan, naar verkiezing.

Niet onbelangrijk is het hier ook mede te deelen de op 15 Julij jl., namens den proc.-gen., genomen conclusie, waaruit blijken kan, zegt het Ind. WeeTcbl. v. h. liegt, dat in eene strafzaak ve!e fouten kunnen worden gemaakt.

De adv.-gen. Mr. H. N. Gbobbée nam in die zaak de navolgende

conclusie:

De proc.-gen. enz.,

Gezien hebbende het renvooi van den vice-president van het Hoog Geregtshof van Ned. Indië van 29 Junij 1872, n". 130, waarbij, ten fine van schriftelijke conclusie, in zijne handen gesteld zijn de stukken van het geregtelijk onderzoek in de zaak van de beklaagden : 1». Loao, 2". Seo, 3°. Lolo, en de in die zaak door den Landraad te Koepang op den 18 Mei 1872 geslagen vonnissen, waarbij de beklaagden zijn schuldig verklaard, de eerste en tweede aan moord door meer dan één persoon, onder verligtende omstandigheden, en de derde aan lastgeving tot moord, waaraan gevolg is gegeven; en overzulks veroordeeld tot de straf van dwangarbeid in den ketting voor den tijd van vijftien achtereenvolgende jaren, ter plaatse buiten het eiland Timor en onderlioorigheden, door den gouv.-gen. te bepalen, voorafgegaan door '4. uur tentoonstelling onder de galg, met de kosten;

Overwegende, dat art. 29 voor het reglement op de regterlijke organisatie onder de algemeene bepalingen voorschrijft, dat het regtsgeding op de teregtzitting in het openbaar wordt gehouden, tenzij bij de wettelijke bepalingen anders mogt zijn vastgesteld, of de regter, om gewigtige redenen, in het proces-verbaal te vermelden, mogt bevelen, dat de teregtzitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben;

O., dat uit de onderwerpelijke proces-stukken niet blijkt, dat de teregtzitting in het openbaar is gehouden, noch ook dat eene van de aangegeven uitzonderingen voor die openbaarheid aanwezig is, zoodat, met het oog op art. 31 eod., de onderwerpelijke vonnissen behooren te worden vernietigd, te beginnen met de oudste acte, zijnde het proces-verbaal der teregtzitting;

0. toch, dat uit de vermelding aan het slot van het verbaal, dat de toeschouwers worden verwijderd, wel is op te maken, dat de teregtzitting voor sommigen is toegankelijk geweest, maar niet dat dit voor een ieder van den aanvang af aan heeft plaats gehad, zoodat deze aanteekening aan het boven uiteengezette niet in den weg staat;

O. al verder, dat tot het houden van den Landraad te Koepang, regt sprekende in zaken, welke op Java behooren tot de cognitie der regtbanken van omgang, zoo als in casu, naar luid van het besluit van den gouv.-gen. van den 18 Dec. 1832 , n°. 13, in verband met art. 32 van de bepalingen betreffende den Landraad te Koepang van 15 Dec. 1831, n°. 10, noodig is, behalve do resident en secretaris en vier regenten, nog daarenboven de hoofden der menschen, waartoe de partijen behooren;

O., dat de eerste en tweede beklaagden behooren tot den landaard der Rottinezen, terwijl geen hoofd van dien stam zitting heeft genomen, veel minder zijn advies heeft uitgebragt, zoo als art. 38 (1831, n<>. 10) gebiedt;

O. ten slotte, dat bij den Landraad te Koepang een djaksa, als openbare aanklager aangesteld zijnde, diens gevoelen aan het einde der debatten behoort te worden ingewonnen, overeenkomstig art. 33 van het besluit van 15 Dec. 1831, no. 10, in verband met art. 112 van het reglement op de administratie der politie en do criminele regtsvordering (Stbl. 1819, n°. 20);

O., dat dit voorschrift almede niet is opgevolgd;

Gelet op de aangehaalde wetsbepalingen;

Concludeert: dat het Hof, met vernietiging van de onderwerpelijke vonnissen, zal gelasten, dat de zaak van de beklaagden op nieuw zal worden behandeld, met in-acht-name van bovenstaando aanmerkingen, te beginnen met de oudste acte, waarin de nietigheid is gepleegd, zijnde de zamenstelling van den Landraad; de kosten to dragen door den Lande;

Adviseert: den president van den Landraad Mr. K. de Witt, onder mededeeling van het bovenstaande, ter verantwoording te roepen over de schending van wettelijke bepalingen, waarvan de behandeling dezer zaak blijk geeft en daarna die verantwoording in onze handen te stellen, ten fine van nadere conclusie.

Het vonnis volgt hieronder.

De Landraad, zitting houdende te Koepang, residentie Timor en onderhoorigheden,

Gehoord de in 's Raads zitting voorgelezen acte van beschuldiging van den djaksa bij voornoemden Raad, tegen Lolo, oud naar aanzien vijf-en-dertig jaren, geboren en wonende te Slaeng sela (eiland Timor), van beroep landbouwer, houdende, dat Lolo zich schuldig maakte aan lastgeving tot moord;

Gelet op de overgelegde stukken;

Gehoord den bekl. in zijne vrijwillige en volledige bekentenis;

Overwegende, dat de bekl. ter teregtzitting bekend heeft, dat hij in het begin van de maand April jl. eene klagt ontving van de medebeklaagden Loao en Seo tegen zijn jongeren broeder Tong, wegens diefstal, ten hunnen nadeele begaan;

dat hij daarop Tong ondervroeg, die echter geen voldoend antwoord gaf en, daar hij toch een toovenaar (soeangie) was, die reeds zijne zuster met hare beide kinderen had doen sterven, waarop bekl. aan de genoemde mede-beklaagden zeide, dat zij hem maar moesten doodslaan;

dat dezen hem dan ook eenige dagen later kwamen zeggen, dat zij besloten hadden zulks te doen, waarop hij zulks goedkeurde, en den volgenden dag van Seo vernam, dat zij gezamenlijk Tong hadden

gedood;

dat hij toen bij den kapala kampong aangifte ging doen , dat zijn broeder Tong uit een boom gevallen, cn, ten gevolge daarvan , overdeden was;

O., dat de genoemde mede-beklaagden, in overeenstemming hiermede, bekend hebbon, dat zij op last van den bekl., onder de gemelde omstandigheden gegeven, diens broeder Tong met een knuppel hebben doodgeslagen, waarna zij het lijk onder een boom nederlegden, om te doen gelooven, dat hij ten gevolge van een val daaruit overleden was;

O. wijders, dat de getuigen Lase en Lasi verklaren, dat zij op de aangifte van den bekl., dat zijn broeder Tong ten gevolge van een val uit een boom overleden was, dezen Tong met een verbrijzeld achterhoofd ter aangewezen plaatse onder eenen boom dood vonden nederliggen;

O., dat het derhalve voldoende bewezen is, dat de inlander Tong door de mede-beklaagden Loao en Seo met voorbedachten rade om het leven is gebragt, en dat de bekl. hun hiertoe den last heeft gegeven ;

O., dat de omstandigheden, waaronder het misdrijf gepleegd is, in verband met den zeer lagen trap van ontwikkeling der bevolking in het algemeen en van den bekl. in het bijzonder, aanleiding gegeven heeft om eene ligtere straf op te leggen;

Regt doende enz.,

Verklaart den bekl. Lolo schuldig aan lastgeving tot moord, waaraan gevolg is gegeven;

Veroordeelt hem overzulks tot de straf van dwangarbeid in den ketting voor den tijd van vijftien achtereenvolgende jaren, ter plaatse buiten het eiland Timor en onderhoorigheden, door den gouv.-gen. te bepalen, voorafgegaan door *£ uur tentoonstelling onder de galg;

Verwijst hem in de kosten van het regtsgeding.

HOOGE RAAD. — Hamer van Strafzaken.

Zitting van Maandag, 3 Maart.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. B. Brink, tegen een arrest van het Hof in Overijssel. Verworpen.

2°. R. Middel c. s., tegen een nrrest van het Hof in Drenthe. Het arrest vernietigd, voor zooveel de opgelegde boete betreft, en overigens verworpen.

3°. J. Vuisting, tegen een arrest van het Hof in Zuidholland. Verworpen.

II. Conclusie genomen in zake:

I<\ H. van Malsen, tegen een vonnis van de Regtbank te 's Gravenhage. Adv.-gen. Polis concludeert tot vernietiging van het vonnis en verwijzing der zaak naar het Hof in Zuidholland. Uitspraak 24 Maart.

III. Behandeld het beroop van:

1». A. Wauters c. s., tegen een vonnis van het Kantongeregt te Axel. Rapp., raadsh. Kugnenin. Adv.-gen. Polis concludeert tot niet-ontvankelijk-verklaring. Uitspraak 24 Maart.

2". D. Uitslager, tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Rapp., raadsh. Kalff. Adv.-gen. Polis concludeert tot verwerping. Uitspraak 24 Maart.

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 3 Maart.

België. — Het Hof van Cassatie te Brussel heeft dezer dagen in het hoogste beroep uitspraak gedaan over de vraag , of een reiziger in België, van eon retourbiljet voor den spoortrein voorzien, het regt heeft zich op een tussehenstation op te houden en met een volgenden trein, binnen het legale tijdsverloop, zijne reis voort te zetten. Het Hof heeft die vraag in ontkennenden zin beslist, en den reiziger, die gemeend had het regt daartoe te bezitten en zijne zaak voor den regter gebragt had, tot eene geldboete van 22 fr. veroordeeld.

AUVERTENTIEN.

*** Uitgave van J. B. WOLTERS, ie Groningen.

VERHAÏDELIÏTG-EI

yan

snunmni 1 iiffii

door

M\ A. OUDEMAN,

Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Groningen.

Peijs f 2.50.

Bij GEBR. BELINEANTE, te '« Ilage, is voorhanden:

OSCAR DEJEAN.

TRAITÉ

THÉORIQUE ET PRATIQUE

DES

EXPERTISES

EN

Matières CiviJes Administratives et Coniïïierciales

MANUEL DES EXPERTS.

ƒ-».*©. .

Siielgjersdrrali en Uitgave vaa GSS S* BIïï K -' BElilXfAMTil» te '0 öraven!ﻫe.

Sluiten