Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RUPSENNESTEN.

(Uit het Handelsblad.)

Er is onlangs door den minister van Justitie een ontwerp ingediend, strekkende tot «intrekking der wet van 26 Ventóse jaar IV en van art. 471, 8"., van het Wetboek van Strafrecht (uitroeien van rupsennesten). «De bedoeling dezer voordracht is hoogst eenvoudig. Zij wil de uitroeiing van rupsen en andere schadelijke insecten niet langer door den algemeenen wetgever doen voorschrijven, maar het aan de gemeentebesturen overlaten »die maatregelen te nemen , welke, met het oog op de diersoort en de plaatselijke omstandigheden, het best doel kunnen treffen."

Wij vinden in deze voordracht aanleiding om eenige, niet algemeen bekende feiten in herinnering te brengen en vragen te beantwoorden, waartoe de titel van het wetsontwerp allicht leiden moet. Wat hebben wij Nederlanders te doen met een wet van 26 Ventóse jaar IV ? zal menigeen vragen. Er zullen zelfs velen zijn, die niets van die benaming begrijpen. Voor deze laatsten zij opgemerkt, dat de bedoelde woorden gelijk van beteekenis zijn met 16 Maart 1796, en dut zij dezen datum der gewone tijdrekening uitdrukken in de tijdrekening, ingevoerd tijdens de eerste Fransche Republiek, welke den 2'isten Sept. 1792 een aanvang nam.

Wat hebben wij echter te maken met een wet, door de Fransche Republiek! in 1796 afgekondigd? Meer dan menigeen denkt. Er zijn in ons land nog een vrij aanzienlijk getal wetten en besluiten van kracht, die hun oorsprong ontleenen aan den Fransehen wetgever. De reden waarom deze schijnbaar vreemde wetten ook voor ons land verbindend zijn, is te zoeken in de ongelukkige dagen van 1810, toen het pas opgerichte Koninkrijk Holland werd opgeslokt door het groote Fransche Keizerrijk. Nadat den 24 April 1810 de provinciën ten zuiden van den Rijn waren ingelijfd, volgde bij Keizerlijk decreet van 9 Juli 1810 de bepaling: «La Hollande est réunie al'Empire." Met 1 Jan. 1811 werden de Fransche wetten in het eerste gedeelte, met 1 Maart van dat jaar iii de overige deelen des lands ingevoerd. Het Keizerlijk besluit, waarbij die zoogenaamde «executoir-verklaring» werd voorgeschreven, somt al de wetten en besluiten achter elkander op, en alleen de opsomming der titels beslaat in de uitgave, door Mr. C. J. Fortuin in 1839 van die wetten gegeven, niet minder dan 60 bladzijden. Bijna onze geheele vroegere wetgeving werd door Fransche wetten vervangen; en zoo komt het, dat wij, ofschoon de Fransche overheersching nog geen uier jaren geduurd heeft, toch nog reeds meer dan zestig jaren onder Fransche wetten leven.

Bij het herstel onzer onafhankelijkheid ware zeker niets gemakkelijker geweest dan al die wetten van vreemden oorsprong dadel\jk af te schaffen. Te recht geschiedde dit echter niet. Wij zouden namelijk in dat geval, daar ook de wetten van Koning Lodewijk grootendeels als vreemde wetten te beschouwen zijn, tot het oud-vaderlandsche recht zijn teruggekeerd, dat voor ieder gewest, ja voor iedere gemeente verschillend was en daardoor geheel in strijd met de eenheid van den Nederlaudschen Staat. De Fransche wetten en besluiten werden derhalve gehandhaafd, totdat zij allengs door nieuwe zouden zijn vervangen.

Die vervanging echter is tot dusverre slechts zeer onvolledig geweest en heeft zelfs op zóó onregelmatige en onduidelijke wijze plaats gevonden, dat men op dit oogenblik van vele Fransche wetten niet weet, of' zij zijn afgeschaft, dan wei of wij er nog aan moeten gehoorzamen.

Toen namelijk in 1838 onze nationale wetboeken zijn ingevoerd, werd tevens bepaald, dat de Fransche wetboeken tegelijkertijd werden afgeschaft «met al de daartoe behoorende besluiten en verordeningen.» Men vergat echter niet alleen nauwkeurig op te geven, welke die besluiten en verordeningen waren; maar door niet te spreken van de «daartoe behoorende wetten,' gaf men aanleiding tot den twijfel, of

ook de Fransche wetten, die naast de Codes onderwerpen van burgerlijk en handelsregt regelden, buiten werking waren gesteld.

Een merkwaardig voorbeeld van dien aard heeft de wet van 11 Germinal An XI (1 April 1803) opgeleverd. Behalve bepalingen over de wijze, waarop men zijn vóór-en familienaam kon veranderen — thans geregeld bij artt. 63 -69 van het burgerlijk wetboek — bevatte die wet het verbod om andere voornamen bij de geboorteakte te bezigen dan «les noms en usage dans les differens calendriers et ceux des personnages connus de L'histoire ancienne.» Bestaat die wet nog? Is de Nederlander, bij het «doopen« zijner kinderen, nog altijd gebonden aan de namen der heiligen, die in de almanakken voorkomen en de namen die hij in de oude geschiedenis kan vinden? Groot verschil van meening bestaat hierover onder de regtsgeleerden en menigmaal heeft de rechter moeten beslissen tusschen een vader, die vrij beweerde te zijn in den voornaam dien hij zijn jonggeborene wilde geven, en den ambtenaar van den burgerlijken stand, die zich aan de wet van 11 Germinal, An XI hield. Zoo heeft b. v. de rechtbank van Arnhem den 20 Sept. 1842 uitgemaakt dat de voornamen Stouwe en Boanerges niet onder de verloren namen vielen.

Ook omtrent andere Fransche wetten en besluiten bestaat dezelfde twijfel en die omstandigheid is zeker niet geschikt om rechtszekerheid te bevorderen. Bovendien is het van de burgers, die gehouden zijn de landswetten te gehoorzamen, zeer moeilijk te vergen , dat zij een aantal bepalingen kennen, geschreven in een taal die de hunne niet is. Zeer duidelijk blijkt dit o. a. bij de wet, die ons aanleiding geeft tot het schrijven van dit artikel. «Volgens art. 1 der wet,« zegt de

minister van Justitie in zijne memorie van loencnuug, «moei zij jaarlijks op den Ibten Pluviose (20 Febr.) door de gemeentelijke autoriteit worden afgekondigd en er heeft zich de vraag opgedaan, hoe dit voorschrift is uit te voeren. Dit nu is slechts mogelijk op zeer onvoldoende wijze. Immers een officieel Neaerlandsche vertaling bestaat niet. Men heeft dus slechts de keus, om of aliéén den oorspronkelijken Franschen tekst af te kondigen — waardoor het doel der publicatie geheel wordt gemist, — of daarnevens een overzetting te plaatsen, waaraan geenerlei rechtskracht toekomt.'' Als men bedenkt, dat zelfs nog eene Fransche ordonnantie van 1669 (op de wateren en bosschen) hier te lande van kracht is, dan zal men eerst recht begrijpen , hoe onhoudbaar die toestand is, en hoeveel recht men heeft op een afdoende afschaffing en vervanging der Fransche wetten en verordeningen aan te dringen. (1)

Is er dan nooit een poging daartoe gedaan? zal men vragen. Het antwoord moet bevestigend luiden, maar geeft ook stof genoeg tot teleurstelling. In Febr. 1849 is namelijk door den Koning eene commissie benoemd, bestaande uit de heeren Mr. L. Metman, A. de Pinto en N. Olivier, «om te onderzoeken, welke algemeene wetten en verordeningen van vroegeren oorsprong reeds dadelijk behooren te worden afgeschaft, welke behouden of gewijzigd behooren te worden, en in het algemeen wat zou kunnen worden gedaan om zekerheid te erlangen omtrent het bestaan en het verband van algemeene wetten en besluiten.» Men ziet, aan de commissie werd een omvangrijke taak opgedragen, welker nauwgezette vervulling er toe on leiden om aan de kracht niet alleen van de Fransche wetten, maar

ook van de nog niet afgeschafte oudere bepalingen, een einde te ma en.

De regeering was toenmaals zelfs zóó voortvarend, dat zij de com-

(1) Zoo is o. a. nog jl. Donderdag een persoon door de rechtbank te Zwolle veroordeeld tot ée'n dag gevangenis-straf wegens het dragen van verborgen wapenen (een zakpistool), een feit strafbaar gesteld bij eene Fransche wet VftU . . • . 1728 1

missie uitnoodigde, zoo mogelijk, nog voor het einde des jaars verslag uit te brengen. En de commissie kweet zich met den meesten ijver van hare taak. Nog vóór dat het jaar 1849 was afgeloopen, had

de regeering het verslag in handen. Den 24 Febr. 1850 werd de com¬

missie onder dankbetuiging ontslagen en het drukken en openbaar maken van haar rapport bevolen. Inderdaad v erscheen het rapport in 1850 en 1851 iu druk, maar daarbij is het dan ook gebleven. Meer dan 20 jaren zijn sedert dien tijd vervlogen, reeds zijn twee leden der commissie overleden, maar nog altijd ontbreken de wets-ontwerpen, die ons van de Fransche wetten en verordeningen moeten verlossen.

Ziehier dus eeu «rupsennest*», dat nog altijd op uitroeiing wacht en aan welks al te langdurig bestaan het zeker niet ongepast is te herinneren. Het strekt onze wetgevende macht niet tot eer, dat wel reeds meer dan een halve eeuw verloopen is sedert wij de Fransche overheersching hebben afgeschud, maar dat wij nog altijd door een aantal Fransche wetten beheerscht worden. De minister van Justitie vergete niet, nu hij de rupsenwet wil afschaffen, dat er bij de uitroeiing van een veel grooter rupsennest eer te behalen is.

HOOGE RAAD. — Burgerlijke fcainer.

Zitting van Donderdag, 6 Maart.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

I. Conclusie door partijen genomen in zake:

(cassatie) N. Pruimers, verweerder, nu declarant, procureur P. J. van der Burgh, tegen de Baronnesse van Dedem , wed. D. Pruimers, eischeresse, nu gedeclareerde, procureur Mr. C. .T, Franpois. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 14 Maart.

II. Gepleit in zake:

(cassatie) Mr. A. N. van Pellecom, eischer, procureur Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. B. M. Vlielander Hein, tegen W. Collard, verweerder, procureur Mr. A. Q. Kraijenhoff van de Leur, advokaat Mr. A. M. van Stipriaan Luïscius. Conclusie bepaald op 20 Maart.

Zitting van Vrijdag, 7 Maart.

i. Uitspraak gedaan in zake:

1°. (cassatie) het Bestuur van het polderdistrict Boemelerwaard, eischer, procureur Mr. J. van der Jagt, tegen het Rijk der Nederlanden, verweerder, procureur Mr. C. J. Fran^is. Verworpen.

2°. (id.) the Great Eastern Railway Company, eischeresse, procureur Mr. C. J. Fran?ois, tegen den burgemeester van Rotterdam, verweerder, procureur Mr/ J. van der Jagt. Het arrest van het Hof in Zuidholland vernietigd, en de zaak op nieuw naar dat Hof verwezen.

II. Gepleit in zake :

(cassatie) N. Barends, eischer, procureur Mr. A. Q. Kraijenhoff van dc Leur, advokaten Mrs. D. van Eek en J. G. Vogel, tegen Jhr. Mr. A. W. van Holthe tot Echten , verweerder, procureur Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. M. S. Pols. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 20 Maart.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 3 dezer, n". 12, is benoemd tot subst.griffier bij de Arrond.-Regtbank te Rotterdam, Mr. J.G. Brillen burg, advokaat en leeraar aan de hoogere burgerschool te Schiedam.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 8 Maart.

Wij hebben al weder een eind-verslag van 59 bladzijden over de regterlijke organisatie doorgeworsteld, zonder dat het ons veel wijzer gemaakt heeft dan wij waren. — 38 van de 80 leden, dus de kleine helft, namen deel aan het onderzoek; en over te groote belangstelling in eene zoo gewigtige zaak valt dus zeker niet te klagen. Voor het overige kan men aan hen, die het niet beneden zich geacht hebben zich met de zaak in te laten, noch grondigheid noch volledigheid ontzeggen. Met een taai geduld hebben zij zich gekweten van hunnen pligt, om nog eens alle de oude en bekende beginselen met meer of minder nitvoerigheid te bespreken; en om daarenboven de meeste onderdeelen van het ontwerp, naar vorm en inhoud, tot een opzettelijk onderwerp van onderzoek te maken. — Maar het resultaat? — ja, vraag daar niet naar. Voor zeer enkele zaken schijnt nog slechts eene besliste meerderheid te bestaan, namelijk van de acht-en-dertig. Maar voor het overige nnn- flltüd dissentiunt viri docti. — "Enkelen» vonden

dit//velen» denken dat; //sommigen, anderen, een groot, een klein aantal» weder wat anders. Kortom, over het vermoedelijk lot van het ontwerp valt niets te voorspellen; en het is niet te hopen, dat dit voor een groot deel door het toeval zal worden beslist. Wij voor ons blijven de aanneming wenschen, indien ten minste het ontwerp eenige noodzakelijke wijziging ondergaat. Maar toch kunnen wij het ons verklaren, dat de lezing van dat verslag de vraag doet ontstaan, of de geheele zaak nog wel rijp voor eene beslissing is ? misschien zelfs of zij dat wel ooit worden zal ? Ééne zaak echter zou meer dan alles te betreuren zijn, indien men het ontwerp, zonder het goed te keuren, maar aannam, alleen om een einde te maken aan »deze vervelende» zaak. Zulk eene wet mag alleen worden aangenomen door hem, die overtuigd is, dat hij er onze instellingen mede verbetert.

Wij hebben nog een paar woorden te zeggen over een paar zaken, die in het eind-verslag zeer onze aandacht troffen.

De eerste is art. 3, dat de beslissing van alle staatsregtelijke geschillen wil opdragen aan de regterlijke magt. Wij zien met genoegen, dat er hoop bestaat, dat die bepaling niet zal worden aangenomen; want zij zou ons op een gevaarlijken weg brengenHet artikel »dat het uitvoerend gezag stelt onder de voogdij van den regter;» en »dat zich begeeft op een pad, dat op de verheffing van den hoogen raad der Nederlanden tot de hoogste staatkundige raagt uitloopt,» vond gelukkig maar «enkele voor¬

standers.» Wij voegen ons onvoorwaardelijk bij de groote meerderheid.» De stelling, dat het voorstel ongrondwettig en daarom ongeoorloofd zou zijn, laten wij in het midden. Zij moet zeker zeer vallen in den smaak der cassatie-vrienden, die nu beginnen te leeren, dat de wet de verschillende regterlijke collegiën met geene andere werkzaamheden mag belasten dan met die, welke haar bij de grondwet uitdrukkelijk zijn opgedragen. Wij zullen er alleen dit van zeggen, dat, al is in de grondwet geen bepaald verbod te vinden, het zeker niet in haren geest of in hare bedoeling heeft gelegen, den regter te maken tot de hoogste staatsmagt in het land. Maar, wat er zij van de grondwet, de zaak komt ons ten hoogsté bedenkelijk voor. Zulk eene aanzienlijke en onnatuurlijke uitbreiding van de grenzen der regterlijke magt is in ons oog te gevaarlijk om er de proef van te nemen; de gevolgen daarvan zijn niet te overzien, en men zou er zich over beklagen, als het te laat zou zijn. Naar ons oordeel zou er veel meer grond bestaan tot beperking van de bevoegdheid van de regterlijke magt, zoo als de wet, maar zeer zeker zoo als de praktijk die nu geeft. Wij zouden even weinig als de meerderheid van de acht-en-dertig gaarne //bestendigen wat thans grootendeels reeds bestaat, of ten minste geacht wordt regtens te wezen.« Maar men wachte zich ten minste voor nog meer overdrijving! Het kan zijn, dat wij hierop later nog terugkomen, omdat wij het niet voor onmogelijk houden, dat hier misverstand plaats heeft en dat men niet bedoeld heeft wat de kamer en wat ook wij gemeend hebben er uit te moeten begrijpen.

De tweede zaak, die wij bedoelen, is de derde instantie voor kantongeregts-zaken. »De slotsom der overweging van het nieuwe regtsmiddel was deze, dat men het nagenoeg algemeen afkeurde, voor zooverre men het begreep.» Wij willen dat waarlijk wel gelooven. Al ontkennen wij niet, dat er tegen het appel van die vonnissen bij den hoogen raad eenige practische moeijelijkheden kunnen bestaan, die men echter niet moet overschatten; wij weten niets beter. Kan men ons een beter middel aan de hand doen, laat men het dan zeggen. Maar in ieder geval zijn die bezwaren oneindig minder gewigtig en minder talrijk dan het geneesmiddel, dat ons wordt voorgesteld. Wij zullen daar nu niets meer van zeggen. Wij hebben de zaak reeds breedvoeriger besproken in lVeekbl. n». 3526. Wij volharden bij hetgeen wij toen zeiden, en wij meenen te kunnen volstaan met daarnaar te verwijzen; wij vleijen ons, dat er een middel zal kunnen gevonden worden om het ontwerp in dit opzigt te verbeteren.

i

Den 1 dezer is overleden de heer J. H. Lexau Rijsterborgh , generaal-majoor en lid van het Hoog Militair Geregtshof, ridder van de beide Nederlandsche orden.

— Den 5 dezer is overleden Mr. J. W. L. Raven , advokaat bij het Prov. Geregtshof van Utrecht en archivaris van do gemeente Utrecht.

In de zitting van den Gemeenteraad van Amsterdam, van den

5 dezer , werd na eenige discussie met eenparige stemmen besloten, aan het verzoek van de Kamer van Koophandel en Fabrieken aldaar, tot het verleenen van adhaesie aan haar adres aan den minister van Justitie in zake de makelaardij , in zooverre te voldoen , dat de Gemeenteraad zich bij adres tot den minister zal wenden , met verzoek eene herziening der bepalingen van het Wetboek van Koophandel aangaande die zaak te provoceren. Doch slechts in dien zin, dat de gemeentebesturen worden ontheven van de aanstelling en de beëediging van en het toezigt op de makelaars , d. i. van alle bemoeijingen in zake de makelaardij. Ofschoon zeer werd afgekeurd het aan de makelaars opgelegd verbod van eigen handel, hetgeen , niettegenstaande den daaromtrent door hen afgelegden eed, onhoudbaar is en nagenoeg niet wordt nageleefd, besloot de Raad met algemeene stemmen het deswege door de Kamer van Koophandel en Fabrieken tot den minister gedane verzoek niet te ondersteunen , en zulks op grond, dat hij zish in deze handclsmaterie onbevoegd rekende eene officiële meening aan de Regering kenbaar te maken. Wat eindelijk betrof het verzoek dierzelfde Kamer aan den Raad , om van de verpligting tot het geven van praeadvies over de benoeming der makelaars te worden ontheven , als zijnde zij in de onmogelijkheid zich positief over de kunde van iemand voor de uitoefening van een bepaald vak van makelaardij te verklaren, besloot de Raad evenzeer met eenparige stemmen haar te untwoorden, dat, zoolang de tegenwoordige wet iu stand bleef, zij geene termen vond om haar van die verpligting te ontheffen.

A D V E RTENTIEN.

Door GE BR. BËIJNEANTE, te V f/age, is aan de inteekenaren verzonden het

SUPPLEMENT

op de afdeeling: (Koophandel),

VAN

LÉON'S REGTSPRA.AK,

DOOll

Mr. J. A.. LEVY.

Prijs f 0.75.

Deze afdeeling is dus thans weder tot en met 1872 geheel byge werkt en a ƒ12 afzonderlijk verkrijgbaar.

Prijs van LÉON'S REGTSPRAAK:

Deel I (Staatregt), met drie vervolgen f 26,0®t

» II, 1ste afl. (Regt. Org.) ',5'

» II, 2de en 3de afl. {Burg. Wetb.), Iste ged. . . •

» II, 4de afl. (Koophandel.), met twee suppl 12.00

« II, 6de afl. (Strafvordering) 10.00

Dnelpemdruk eu lTlts»ve van CiEB»«K*»F,,S HKfjl.VF.tVTR, te '• firaïeahage.

Sluiten