Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 7 April 1873. N°. 3569.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF-EN-DERTIGSTM JAARGANG. JU8 ET VERITAS.

Bit blad verschijnt des Maandags m Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden franco per post mei f 1.00 verhooging.— Prijs der advertentie*, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.— Agenten voor Duitschland: Haasensteiu en Yogler, te Hamburg.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

liurgeriijke iututer.

Zitting van den 14 Maart 1873.

Voorzitter, Rlr. F. de Grëve.

Waabderiho. — Verzet. — Cassatie.

h tegen de vordering van het Bestuur der registratie tot waardering van vaste goederen, op grond, dat de in de acte opgegeven waarde beneden de koopwaarde is, verzet toegelaten? — Niet beslist.

Kan deze exceptie voor het eerst in cassatie worden voorgesteld ? — Neen.

Het Bestuur der Registratie en Domeinen, uitgeoefend wordende door 'ien minister van Finantiën, residerende te 's Gravenhage, eischer in cassatie, procureur Mr. C. J. Frasijois ,

tegen

F. J. Hallo c. s., verweerders, procureur Mr. M. Eyssell.

De adv.-gen. Römeu heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden I Het Bestuur der Registratie en Domeinen voert tegen het vonnis der Regtbank te Arnhem, op den 6 Mei 1872 in deze zaak gewezen, twee middelen van cassatie aan.

Het eerste middel luidt: schending en verkeerde toepassing van de ar't. 17, 18, 63, 64 en 65 der wet van 22 Frimaire an VH en vun art. 22 der wet van 31 Mei 1824 (Stbl. n°. 36).

De stelling van den req., waarop de schending en verkeerde toepassing der aangehaalde artikelen berust, is deze: dat de wet wel kent het middel van verzet tegen heffing of vordering van regt, wanne':r die werkelijk geschiedt bij dwangbevel, maar niet tegen eventuele vorderingen, die later naisschen wel, maar ook misschien niet 2ullen worden ingesteld; dat mitsdien zoodanig middel van verzet niet is gegeven tegen eene door het Bestuur gevorderde waardering Van onroerende goederen , welke altijd moet plaats hebben, in welk geval de taak van den regter zich eenvoudig daartoe bepaalt om ambtshalve een' deskundige te benoemen , indien de gesommeerde partij d't niet heeft gedaan.

Omtrent het middel van cassatie moet ik doen opmerken , dat het Te'zet niet is gerigi geweest of toegelaten tegen eene eventuele vordering , maar tegen eene sommatie tot waardering, krachtens art. 22 der wet van 31 Mei 1824, in verband met art. 17 der wet van Frimaire au VII; dat artt. 63 en volg. van laalstgemelde wet op deze zaak met toepasselijk zijn, omdat er hier geene sprake is van verzet tegen eeu uitgevaardigd dwangbevel, zoodat die artikelen noch geschonden, no<:h verkeerd toegepast kunnen zijn. Zij zijn bij het middel aangehold om te betoogen , dat de wet uitsluitend tegen het dwangbevel 'lf*' middel van verzet toelaat, en het daarom niet geeft in het geval, blJ art. 17 der wet bedoeld. Zoodanige gevolgtrekking is altijd hoogst gevaarlijk. De wetgever voorziet in de gevallen , zoo als zij zich gewoonlijk voordoen. Hij regelt daarom de procedure, wanneer het tuur opvordert regten en optreedt met dwangbevel. Waar daaruit niet, dat men zich tegen geene andere vorderingen van het -"'•^tuur met grond zou kunnen verzetten. Ik geef toe, dat de wetgever bij art. 17 voornoemd niet gedacht heeft aan een verzet tegen vordering van het Bestuur tot waardering van onroerende goederei,, maar de wetgever gaat uit van de onderstelling, dat het Bestuur bevoegd is om zoodanige waardering te vorderen. En nu ontken ik de stelling van den req. in cassatie, dat die waardering altijd moet Pl&nts hebben, zoo dikwijls het Bestuur die vordert, omdat aan het ■Bestuur de in de acte opgegeven waarde toeschijnt te zijn beneden de koopwaarde. De meening van het Bestuur is zeker voldoende, om eei.e vordering tot waardering te wettigen. Daartegen zoude niet kunnen worden aangevoerd , dat het Bestnur blijkbaar ongelijk heeft en dat de aangifte juist is. Maar die vordering moet geschieden binnen den wettigen termijn, en het moet vaststaan, dat er is eene acte als ln art. 17 der wet is bedoeld. Wanneer echter die termijn is verlooPetl en het Bestuur, ingevolge de wet, niet meer geregtigd is om de v°rdering te doen, welke zijn dan de regten der partij , die gesommeerd wordt om eeu deskundige te benoemen en over te gaan tot de *a"rdering, en welke is de taak van den regter, bij wien die vordering wordt gebragt ? Die vraag, E. H. A. H., is in art. 17 der wet met beslist; en door onder die omstandigheden aan de wederpartij toe te .aten om op dien grond zich te verzetten , dat aan de vordering van het Bestuur gevolg wordt gegeven, kan de regter m. i. de aange laaide artikelen noch geschonden, noch verkeerd toegepast hebben. 1- ictwist niet, dat de regelen van het proces behooren tot de openbar<3 orde; maar ik zie niet in, dat het strijdig is inet de openbare orde, dat aan de partij, tegen wie de waardering wordt gevraagd van onroerende goederen , daartegen verzet wordt toegelaten , indien het Bestuur, uit welken hoofde dan ook, niet bevoegd is die vordering te doen. Maar wat biervan ook zijn moge, zoo is het geval, zoo als dit zich hier voordoet, bij de artikelen, in het middel van cassatie aangehaald , niet voorzien. De Regtbank heeft derhalve bij analogie regt gedaan , en kan mitsdien die artikelen niet hebben geschonden.

Ien slotte wensch ik nog een paar opmerkingen over het middel te maken.

. 'k geloof vooreerst, dat het middel geen punt van onderzoek kan ""maken. Het betreft eene niet-ontvankelijkheid, welke voor den judex J°£ti niet ;s voorgesteld. Het Bestuur vorderde toch, dat het verzet en protest van onwaarde zouden worden verklaard. Zoodanige nietontvankelijkheid kan niet voor het eerst in cassatie worden aange¬

voerd. Wat er ook moge zijn van het verschil tusschen de cassatie in het Fransche en in ons regt, zoo kan de Hooge Raad toch uitsluitend onderzoeken , of de regter door zijne beslissing heeft geschonden of verkeerd toegepast de wetten en bepalingen, die als geschonden of verkeerd toegepast in het voorgedragen middel zijn vermeld. En omtrent de vraag, thans in cassatie behandeld, is bij het vonnis a quo geene beslissing gegeven.

Mijne tweede opmerking betreft het slot van het middel, waarbij de req. stelt, dat de wederpartij geen belang had om in verzet te komen tegen de sommatie. Ook omtrent dat belang, hetwelk eenigzins feitelijk is, bevat het vonnis geene beslissing; maar ik geloof, dat er altijd belang bestaat om zich te verzetten tegen eene handeling, waartoe de wederpartij onbevoegd is; en vooral tegen eene waardering , die wordt gevraagd, omdat het Bestuur meent, dat de in de acte uitgedrukte prijs de juiste waarde van het goed niet vertegenwoordigt ; en welke mitsdien invloed kan hebben op het te betalen regt, en in elk geval de mogelijkheid van ontduiking veronderstelt.

Het tweede middel van cassatie luidt: schending en verkeerde toepassing van de artt. 17 en 61 der wet van 22 Frimaire an VH, van art. 22 der wet van 31 Mei 1824 (Stbl. n«. 36), van de artt. 334 en 339 B. R. en van de artt. 1953 en 1954 B. W.

Het staat feitelijk vast, dat de acte, waarbij de overdragt van het goed zoude hebben plaats gehad , is geregistreerd den 1 Febr. 1867, en dat de aanvraag lot de waardering is geschied bij exploit van 30 Sept. 1871, en mitsdien na den termijn, bij art. 19 der wet van Frimaire, gewijzigd door art. 22 der wet van het jaar 1824, voor die aanvrage bepaald. En nu vloeit m. i. ontegenzeggelijk uit die wetsbepalingen voort, dat na dien termijn geen verzoek tot waardering meer kan worden gedaan; en indien de wederpartij tegen zoodanige sommatie kan komen in verzet, waarover bij het eerste middel is gehandeld, dan heeft de Regtbank, door de gerequireerden te verklaren goed opposanten, en door het Bestuur te verklaren niet-ontvankelijk, zeker die artikelen noch geschonden , nocli verkeerd toegepast. Het komt mij dan ook voor, dat de gronden van het tweede middel van cassatie meer zijn gerigt tegen de uitvoerige motieven dan tegen het dictum van het vonnis a quo. De hoofdgrond van het middel van cassatie is deze : dat het tusschen deze partijen vaststaat, dat geen verjarings-termijn tegen het Bestuur heeft kunnen aanvangen, vóórdat zeker vonuis van 12 Nov. 1868 tegen alle partijen zou zijn gegaan in kracht van gewijsde.

Bij het vonnis en door de geachte raadslieden is de vraag behandeld , of de termijn, in de bedoelde artikelen vastgesteld , werkt als déchéance, dan wel als verjaring. Zoowel Dalloz , voce Enrégistrement, n°. 5448 , als Rigaud en Ohampionnière , behandelen dien termijn als een veijaringstermijn, t. VI (supplément), § 992, p. 611, ofschoon eerstgemelde in § 4779 den termijn noemt »urc de'lai après lequel (1'administralion) serait définitivement déchue du droit d'agir.»

Indien het regt van het Bestuur is vervallen na den vastgestelden termijn , geloof ik niet, dat door de toestemming van partijen het regt kan blijven voortduren. De woorden der wet zouden mij evenzeer doen denken aan een vervallen zijn van het regt, dan wel aan verjaring. Indien er aan laatstgemelde moet worden gedacht, dan kan daaraan worden gerenonceerd door de partij, en de regter kan haar niet suppleren. Maar dan is de partij ook bevoegd haar in te roepen en zich op dien grond tegen eene sommatie te verzetten. Het blijkt niet, dat de wederpartij stilzwijgend of uitdrukkelijk van het inroepen der verjaring afstand heeft gedaan. Dit is dan ook niet beweerd, maar wel, dat in casu geldt de regel: contra agere non valentem non currit praescriptio, en dat de Regtbank dien regel heeft geschonden. De Regtbank beslist echter, dat het onnoodig is de toepasselijkheid van dien regtsregel te onderzoeken, omdat in eik geval het vonnis van 12 Nov. 1868 moet worden gerekend in kracht van gewijsde te zijn gegaan op 24 Julij 1869, zoodat, toen op 30 Sept. 1871 de sommatie geschiedde , meer dan twee jaren waren verloopen.

De Regtbank heeft dus den regtsregel niet toegepast; en daar hij in geen der bij het middel aangevoerde artikelen is uitgedrukt, kunneu zij reeds uit dien hoofde niet zijn geschonden. Maar daarenboven is over de toepasselijkheid van dien regtsregel in zaken van registratie getwist. De Raad vergelijke Ohampionnière , 1. 1., t. VI, § 996, waar twee verschillende uitspraken worden vermeld, naar mate regten worden geheven of teruggevorderd.

En waarop berustte nu de bewering, dat die regtsregel zoude zijn geschonden 1 De Hoogo Raad zal zich herinneren, dat hierbij vooral ter sprake is gekomen het vonnis van 12 Nov. 1868. Wat nu van de kracht van dat vonnis ook zijn moge om den overgang van onroerende goederen te bewijzen, zoo moest toch altijd de termijn loopen van de registratie der acte. De Regtbank heeft echter aan dat vonnis eene andere, als het ware schorsende kracht van den termijn, in de artt. 17 en 22 bepaald, toegekend, maar beslist, dat het, door de beteekening in Jan. 1869 , op 1 Mei 1869 voor de overige partijen en voor eene partij op 4 Oct. 1869 in kracht van gewijsde zoude zijn gegaan; doch dat deze laatste in het vonnis heeft berust, zoodat het reeds op 24 Julij 1869 moet gerekend worden voor alle partijen kracht van gewijsde zaak te hebben bekomen, en mitsdien op 30 Sept. 1871 geene sommatie meer kon geschieden.

In hoeverre zijn nu door die beslissing geschonden de artikelen van het Burgerlijk Wetboek of van dat van Burgerlijke Regtsvordering, bij het middel aangehaald? Do schending van art. 339 B. R. is niet verder aangewezen ; maar vooral is betwist de beslissing der Regtbank betrekkelijk de berusting door eene der partijen in het gewezen vonnis. Het komt mij echter voor, dat die beslissing, zoo als zij bij het vonnis is gegeven , grootendeels feitelijk is. De Regtbank leidt haar af vooreerst uit de verschijning bij procureur bij het aanhooren van — en dien ten gevolge medewerken tot de aflegging der rekening en verantwoording, welke ook aan die partij (de éénige, voor welke door de latere beteekening van het bedoelde vonnis de termijn van hooger beroep eerst zoude zijn verstreken geweest op den 4 Oct. 1869) uit kracht van meergemeld vonnis moest geschieden en waarbij zij geïnteresseerd was; en ten andere uit het zich niet-voorbehouden van

het regt van hooger beroep, en beslist: »dat deze daden van genoegzaam gewigt zijn om daaruit af te leiden , dat het de bedoeling dezer partijen is geweest zich aan die beslissing te onderwerpen en daartegen niet in appel te komen.»

Wanneer nu die daden aan een later ingesteld hooger beroep waren tegengeworpen als eene berusting, kon welligt worden beweerd, dat zij niet vallen onder het begrip, daaraan in art. 334 gehecht. Nu echter partijen die bedoeling niet betwisten en zelfs door den req. niet is ontkend, dat ook door deze partij na 4 Oct. 1869 geen appel is ingesteld, geloof ik niet, dat de regter art. 334 voornoemd heeft geschonden of verkeerd toegepast.

Ook deze grief, die meer de motieven dan het dispositief betreft, kan m. i. niet leiden tot cassatie; en slechts in dat geval zou er sprake kunnen zijn van schending of verkeerde toepassing van de artt. 1953 en 1954 B. W., in de laatste plaats bij het middel aangevoerd.

Ik acht het beroep niet gestaafd, en heb de eer te coucluderen tot verwerping der voorziening en veroordeeling van den req. in de kosten , in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Partijen gehoord;

Overwegende, dat als eerste middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeorde toepassing van de artt. 17, 18, 63, 64 en 65 der wet van 22 Frimaire VHae jaar en van art. 22 der wet van 31 Mei 1824 (Stbl. n°. 36), omdat de wet wel kent het middel van verzet tegen wezenlijk plaats gehad hebbende heffing van regt, maar niet tegen eventuele vorderingen, waaromtrent het nog is ouzeker, of zij zullen worden ingesteld, met name niet tegen eene hloote sommatie om zijnerzijds te benoemen een deskundige, omdat aan het Bestuur de in eene acte opgegeven waarde toeschijnt te zyn beneden de koopwaarde ;

0. daaromtrent, dat dit middel strekt tot het alsnog uitspreken der niet-ontvankelijkheid van het ingesteld verzet; dat echter dit middel van verdediging, als niet voorgesteld voor de Arrond.-Regtbank, en niet onderworpen aan haar oordeel, noch uitgemaakt hebbende een punt harer beslissing, niet voor het eerst in cassatie mag worden opgeworpen , en mitsdien het al of niet gegronde daarvan niet mag worden onderzocht; en dat daarmede vervalt het geheele middel;

O., dat als tweede middel van cassatie is voorgedragen : schending en verkeerde toepassing van de artt. 17 en 61 der wet van 22 Frimaire Vilde jaar, van art. 22 der wet van 31 Mei 1824 (Stbl. n°. 36;, van de artt. 334 en 339 B. R. en 1953 en 1954 B. W., omdat, na het vonnis van den 2 Dec. 18ti9 en het arrest van den 2 7 Me! 1870, tusschen deze partijen vaststaat, dat geen verjaringstermijn tegen het Bestuur der Registratie heeft kunnen aanvangen , vóórdat het vonnis van den 12 Nov. 1868 tegen al de partijen is gegaan in kracht van gewijsde , dit echter niet heeft kunnen geschieden door stilzwijgende berusting, zelfs deze niet zoude kunnen worden afgeleid uit het niei-voorbehoud van hooger beroep bij zekere handelingen , en zoodanige berusting in allen gevalle niet zoude kunnen worden afgeleid uit het verschijnen van den procureur van eene der partijen bij het doen der rekening;

O., dat tegen de bij het beklaagde vonnis aangenomen niet-ontvankelijkheid der door het Bestuur ingestelde vordering, uit hoofde van verjaring, is gerigt dit middel van cassatie; dat, ter adstructie daarvan, in de eerste plaats is aangevoerd de regtsregel: »contra non valentem agere non currit praescriptio» , als zij.ide deze door de Regtbank geschonden, door toelating der verjaring; dat echter de Regtbank de al of niet toepasselijkheid van dien , bij geen der aangehaalde artikelen uitgearukten , regtsregel in deze heeft in het midden gelaten , en zij mitsdien niet kan worden gezegd dezen regel door niet-toepassing te hebben geschonden ; maar dat zij de verjaring heeft aangenomen, op grond, dat, tijdens de sommatie van het Bestuur der Registratie tot het benoemen van een deskundige , meer dan twee jaren waren verloopen, sedert het vonnis van den 12 Nov. 1868 moet worden geacht te zijn gegaan in kracht van gewijsde;

O., dat in de tweede plaats voor dit middel is aangevoerd, dat door de Regtbank ten onregte zoude zijn aangenomen de berusting van al de partijen in het vonnis van den 12 Nov. 1868 en wel het laatst op den 24 Julij 1869 , en mitsdien mede ten onregte door haar zoude zijn aangenomen de verjaring van het voorzegde regt tot sommatie , als reeds vervuld den 30 Sept. 1871; dat echter ook deze bewering is ongegrond;

0. toch, dat de berusting van alle partijen is aangenomen op grond van eenige, zonder voorbehoud van hooger beroep, door haar verrigte daden, door de Regtbank geacht «van genoegzaam gewigt om daaruit af te leiden de bedoeling dezer partijen zich aan die beslissing te onderwerpen en daartegen niet in appel te komen»; en dat op deze geheel feitelijke beslissing in cassatie niet kan worden teruggekomen;

O., dat alzoo beide middelen van cassatie zijn ongegrond;

Verwerpt het beroep en veroordeelt het eischend Bestuur in de kosten.

(Gepleit voor het eischend Bestuur Mr. G. M. van der Linden , en voor de verweerders Mr. A. M. van Stipriaan Ddïsciüs.)

Sluiten