Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

floog Achtbare Heeren , President en Raden! De Staat der Nedorlanden, gereq. in dit cassatie-proces, is in verzet gekomen tegen een dwangbevel, door het Bestuur van het polderdistrict Boemelerwaard uitgevaardigd, wegens het niet in orde brengen van een dijkwerk , breeder daarbij omschreven. Volgens de negende overweging in het bevestigde vennis der Regtbank te Tiel, berustte dat verzet daarop, dat de Staat ontkende zijne dijkpligtigheid; en het verzet is, ■ op grond van art. 15 der wet van 9 Oct. 1841, in verband met art. 17 der wet, gebragt ter beslissing van da Eegtbank te Tiel. Zoowel bij het vonnis dier Regtbank als bij het nu beklaagde arrest is het verzet van w aarde verklaard; on tegen die beslissing is als éénig middel van cassatie aangevoerd : schending en verkeerde toepassing van de artt. 275 , 276 en van het overgan^s-art. 4 van het rivierpolderreglement van Gelderland van het jaar 1856 , in verband met de artt. 23 en 24 van het reglement van 1837, en met de artt. 49, 51 en 52 van het reglement van 1846, en met art. 1-7 der wet van 9 Oct. 1841. De vraag omtrent do leggers, slag- en dijkcedullen, en hare kracht om de en lerhoudspligrigheid te bewijzen, is reeds zoo dikwijls bij den Hoogen Raad ter sprake gekomen, dat ik het overbodig acht haar op nieuw te behandelen. In het reglement van lS56 wordt ten allen overvloede in art. 275 uitdrukkelijk bepaald : »de dijkpligtigheid blijkt uit de dijkcedullen»; dat-artikel laat echter, even als art. 17 der wet van 9 Oct. 1841, het tegenbewijs toe.

En nu moet i-k al aanstonds dit doen opmerken, dat noch de Regtbank, noch -het-Hof aan dijkcedullen de kracht van bewijs heeft ontzegd. De vraag, die door beide collegiën is behandeld, is eenvoudig deze geweest, of de beide stukken, die door het Bestuur in het geding werden gebragt, als extracten uit den dijkcedul, werkelijk voor dijkcedullen konden worden gehouden. De Regtbank te Tiel beslist toch-in de achttiende overweging guoadjus, dat art. 275 van meergemeld reglement alleen toepasselijk is op zoodanige dijkcedullen, die, volgens de bestaande voorschriften , niet slechts het te onderhouden dijkvak , maar ook het land of pand, met het onderhoud besmet, en den eigenaar aanwijzen; en in de volgende overweging maakte de Regtbank uit, dat de poldermeesters, die deze dijkcedullen hebben opgemaakt, daartoe onbevoegd waren.

Diezelfde beslissing komt hoofdzakelijk weder voor in de derde overweging quoad jus in het beklaagde arrest, waarbij het Hof overweegt, dat art. 275 voornoemd, gelijk ook in den aard der zaak ligt, slechts op het oog heeft zoodanige dijkcedullen, welke overeenkomstig de reglementaire voorschriften zijn opgemaakt en casu quo herzien of gewijzigd, en dus alleen aan deze de kracht van bewijs van dijkpligtigheid toekomt.

Er moeten m. i. dus twee vragen beslist worden : vooreerst, of de judex facti teregt heeft beslist, dat art. 275 voornoemd alleen bedoelt de dijkeeduilen, opgemaakt ingevolge de reglementaire voorschriften ; en ten andere, of mede teregt is beslist, dat de extracten uit den dijkcedul, welke in deze zaak zijn overgelegd, niet zijn dijkcedullen, zoo als bedoeld worden in art. 275 voornoemd. Art. 17 der wet van 9 Oct. 1841 kan slechts dan geschonden zijn, wanneer blijkt, dat art. 275 voornoemd is geschonden; en de andere artikelen, bij het middel aangehaald, zullen bij de behandeling der tweede vraag ter sprake komen.

De eerste vraag kan m. i. niet anders dan bevestigend worden beantwoord. Het opmaken van dijkcedullen is eene administratieve handeling, waarbij, wel is waar, geene onderhoudspligtigheid op een land wordt gelegd, maar toch als bestaande wordt erkend, en bewezen , behoudens tegenbewijs. Zij zijn mitsdien een titel voor het Bestuur, hetwelk krachtens die cedullen het dwangbevel uitvaardigt en leveren het bewijs op voor den regter; maar moeten dan ook op eene wettige wijze en door de bevoegde autoriteit -in het leven worden geroepen. Voor zijne stelling beroept het Hof zich m. i. teregt op art. 276 , waarbij wordt bevelen de herziening der bestaande, volgens hot gegeven voorschrift, opgemaakte dijkcedullen.

Volgens het middel van cassatie heeft het Hof drie punten feitelijk uitgemaakt, welke tot eene andere beslissing in jwe hadden moeten leiden: vooreerst, dat de gereq. is eigenaar van den dijk in quaestie, zoowel ala van den grond, waarop die dijk door hem is gelegd; ten tweede, dat hij op de dijkcedullen als onderhoudpligtige van dien <}ijk staat vermeld; en ten derde, dat hij bij het administratief gezag daartegen niet is opgekomen.

Wat den eersten grond betreft, zoo is bij het vonnis der Regtbank te Tiel, hetwelk, voor zooveel de feiten van het geding betreft, bij het arrest is overgenomen, beslist, dat de gereq. vroeger niet belast is geweest met het onderhoud van den ouden dijk. En in de achtste overweging quoad jus in het beklaagde arrest beslist het Hof, dat wel het eigendomsregt van den dijk bij den gereq. vaststaat, maar dat de eigenaar van een dijk in een rivierpolder in Gelderland nergens als zoodanig met het onderhoud is belast. Die beslissing is met geen der aangehaalde artikelen in strijd; terwijl het Hof nog daarenboven in de negende overweging opgeeft, welke beginselen betrekkelijk de onderhoudspligtigheid der dijken in Gelderland gelden; en die beslissing is in cassatie niet verder bestreden.

En nu staat wel vast, zoo als in de tweede plaats is beweerd, dat op de overgelegde extracten of dijkcedullen de gereq. is aangewezen; maar de kracht dier aanwijzing hangt geheel af van den aard van het stuk, waarop zij voorkomt, en mitsdien van de vraag, of hier werkelijk is een dijkcedul in den zin van art. 275 van het reglement, welke vraag door het Hof in de zevende overweging wordt ontkend.

In diezelfde overweging overweegt het Hof ook omtrent het derde punt, bij het n.iddel aangevoerd, en beslist, dat, daar de dijkcedullen, door het Hof zoo gewilde dijkcedullen genaamd, niet zijn opgemaakt

volgens de bestaande voorscnniten , nee onnooaig >>as uaariegeii uij de administratieve autoriteit op te komen. Het Hof stelt zelfs twijfelachtig, of voor een beroep op de Staten der provincie wel grond zoude zijn geweest in de artt. 5 en 6 van het reglement van I »5 6, w aarbij de geschillen worden vermeld, waarin door de Staten moet worden beslist.

Ik geloof mitsdien, dat het Hof, door te beslissen, dat de eigendom van een dijk in een rivierpolder in Gelderland niet insluit de onderhoudspligtigheid van dien dijk, en dat alleen aan dijkcedullen, volgens de reglementaire voorschriften opgemaakt, bewijskracht toekomt, art. 275 van liet reglement, en dien ten gevolge ook art. 17 der wet van 9 Oct. 1841 niet heeft geschonden. Over schending van artt. 5 en 6 van het reglement wordt bij het middel niet geklaagd; en bij de aangehaalde artikelen is niet bepaald, in hoeverre de regterlijko magt geroepen is om de wettigheid van een dijkcedul te beoorleelen. In dien vorm is de vraag dan ook niet bij den judex facit gebragt; maar ik moet daaromtrent alleen doen opmerken, dat elk verzet, met uitzondering van dat, omschreven in art. 13 der wet van .1841, moot worden gebragt voor den regter; en dat, volgens art. 17 dier wet, de schuldpligtigheid moet worden geconstateerd op zoodanige wijze als met de reglementen overeenstemt; zoodat door den regter m. i. kan worden onderzocht, of het aangevoerde bewijsmiddel overeenstemt met de reglementen van het collegie of bestuur, hetwelk er zich op beroept.

In de tweede plaats moet derhalve de vraag worden beantwoord , of het Hof, door aan de overgelegde bescheiden bewijskracht te ontzeggen . de overige bij het middel aangehaalde artikelen heeft geschonden of verkeerd toegepast.

In de vierde overweging quoad jus zegt het Hof, dat het reglement van 1856 geene voorschriften inhoudt over het opmaken van dijkcedullen; maar leidt het karakter van deze stukken af uit de artt. £3

£n 24 van het regiement van 1837, in verband met de artt. 49, 5 1

en 52 van dat van 1S46 , en in verband met art. 4 der overgangsbepalingen in het reglement van 1856. liet zijn dan ook deze artikelen, welker schending of verkeerde toepassing wordt beweerd.

Ik geloof niet, dat de aangevoerde artikelen in eenig opzigt zijn geschonden of verkeerd toegepast. Het Hof moest, naar aanleiding van art. 17 der wet van 9 Oct. 1841, beslissen omtrent den aard der dijkcedullen in de Geldersche rivierpolder-reglementen. Het reglement van het jaar 1?56 verouderstelt, dat de dijkcedullen zijn opgemaakt ingevolge de voorschriften der vroegere reglementen. Dit volgt m. i. uit art. 4 der overgangsbepalingen en uit het bevel, in art. 51 van het reglement van 1846 gegeven, om de opgemaakte dijkcedullen te bewaren in het archief. En nu moest het Hof de overgelegde extracten, waaruit de schuldpligtigheid in regten moest blijken, toetsen aan die vroegere bepalingen.

In zooverre kan dus art. 4 voornoemd niet verkeerd zijn toegepast.

Indien aan art. 4 een andere zin wordt gehecht, dan zoude iedere regel om overgelegde stukken te toetsen -ontbreken. En nu geeft het Hof het resultaat van zijn onderzoek in de zes Ie overweging quoad jus; en bes li t, dat de overgelegde stukken geene dijkcedullen zijn, omdat daarin wordt gemist de vermelding der landen of panden, met het onderhoud van den bedoelden dijk besmet, omdat zij zijn opgemaakt door personen, die daartoe iiiet bevoegd waren ; en omdat zij geene aanteekening inhouden van overgang van met dijksonderhoud besmet land op den geïnt., thans verweerder in cassatie.

De eerste en derde grond, waarop de beslissing berust, zijn feitelijk,

als betreffende üen mnoua uer overgelegde extracten, nn nu noemt art. 23 van het reglement van 1837 de dijkcedullen: leggers der dijkpligtige landen en dijkvakken, waarmede de landen besmet zijn. En art. 24 bepaalt, dat zij moeten worden opgemaakt ingevolge het voorschrift, sub tabel A bij het reglement gevoegd. Die tabel geeft in de drie eerste kolommen de grootte en den aard van het onderhoud van elk dijkvak; en voorts den naam, de grootte, belending en eigenaars van het land, met het onderhoud van het in de eerste kolommen uitgedrukte dijkvak besmet. En nu beslist het Hof volkomen teregt, dat een stuk, waarin niet is opgenomen het land, met het onderhoud besmet, en hetwelk mitsdien geen legger is, waaruit het dijkpligtige land blijkt, niet voldoet aan den aard eenor dijkcedul, welke, om mij zoo uit te drukken , zoowel het onderwerp als het voorwerp van het onderhoud moet aanwijzen. Ik geloof, dat deze grond reeds voldoende zoude zijn om aan de overgelegde stukken bewijskracht te ontzeggen; en dat het Hof althans, door zulks te doen, de aangehaalde artikelen niet heeft geschonden.

En nu geeft het Hof als tweeden grond voor zijne beslissing, dat de poldermeesters in Mei 1869 , toen de extracten zijn opgemaakt, geene bevoegdheid meer hadden om dergelijke stukkea in het leven te roepen. De req. meent, dat daardoor art. 4 der overgangsbepalingen in het reglement van 1856 verkeerd is opgevat. Ook die meening kan ik niet deelen, omdat de bepalingen over het opmaken der dijkcedullen en den afkoop der waterwerken, in het vroegere reglement voorkomende , niet langer konden gelden dan gedurende twee jaren na de invoering van het reglement van 1856. De bevoegdheid, in art. 50 van het reglement van 1846 aan poldermeesters gegeven, was dus slechts voor een bepaalden tijd op hen verstrekt ; en door nu te beslissen , dat zoogenaamde diikceJullen, na het verstrijken van dien

termijn, door hen opgemaakt, geene regtsgeldige kracht hadden, heeft het Hof zeker art. 4 voornoemd niet geschonden. Niet onbelangrijk is in dit opzigt eene beslissing van den Hoogen Raad in het arrest van 2~> Sept. 1860 ( Weekbl. ri°. 2209, Ned. Reijtspr., d. 65, bl. 279, v. d. Honekt , Cr. Z., d. 17, bl. 177), bij de beoordeeling, of eene verordening was vastgesteld door de bevoegde magt, en of de judex facti, door zulks te ontkennen, een constitutief artikel van het reglement had geschonden. Ook de derde grond., waarop 's Hofs beslissing berust, dat namelijk de .stukken , als dijkcedullen in het geding gebragt, geene aanteekening inhouden van overgang van met dijksonderhoud besmet land op den Staat, en dat zij mitsdien niet kunnen gelden als herziene of gewijzigde dijkcedullen, is met geen der bij het middel aangehaalde artikelen in strijd. Ik moet echter aan den Raad herinneren, dat, volgens de feitelijke beslissing in het vonnis der Regtbank te Tiel, de Staat vroeger met het onderhoud van den ouden dijk niet is belast geweest; dat, volgens de zoo evenvermelde beslissing, geen met dijklast besmet land op den Staat is overgegaan , en dat uit de aangehaalde artikelen niet blijkt, dat dz judex facti ten onregto zoude hebben beslist, dat de dijklast moet rusten op eenig daarmede besmet land, zoo als do voorgeschreven inhoud der dijkcedullen mede schijnt aan te wijzen , en dat de vermelding van den persoon , die met het onderhoud belast is, niet voldoende is, met andere woorden, dat dijklast is een onus reale en niet een onus personale.

Ik houd het ée'nig aangevoerde middel voor ongegrond; en heb de eer te concluderen tot verwerping der voorziening en veroordeeling van den req. in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat als éénig middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing der artt. 275, 276 en het overgangsart. 4 van het Geldersch rivierpolder-reglement van 1856, goedgekeurd bij Kon. besluit van den 3 Sept. 1856, n°. 111, der artt. 23 en 24 van het reglement van 1837 en der artt. 49 , 51 en 52 van dat van 1846, goedgekeurd het eerste reglement bij Kon. besluit van den 23 Sept. IS37, n°. 57, en het laatste bij dat van den 4 Febr. 1847, n°. 9.2, alsmede van art. 17 der wet van den .9 Oct. 1841 (Stbl. n°. 42), door de beslissing, dat de overgelegde dijkcedullen tot het bewijs, behoudens tegenbewijs, van des verweerders dijkpligtigheid niet in aanmerking kunnen komen; niettegenstaande feitelijk vaststaat, dat de verweerder is eigenaar van den dijk, zoowel als van den grond, waarop die dijk door hem is gelegd; en dat hij op de genoemde dijkcedullen als onderhoudpligtige van den dijk staat vermeld en bij het administratief gezag daartegen niet is opgekomen ;

O., dat het eischend Bestuur de dijkpligtigheid van den verweerder grondt op zekere dusgenaamde dijkcedullen, waarop deze als onderhoudpligtige staat vermeld, en zulks, zonder dat hij daartegen is opgekomen bij het administratief gezag, en terwijl het vaststaat, dat hij is eigenaar van den dijk; doch dat het Hof bij het beklaagde arrest het daaraan ontleend bewijs verwerpt en daaraan ontzegt het karakter van wezenlijke dijkcedullen, en zulks op drie gronden, omdat: 1°. daarop wordt gemist do vermelding der landen, met het onderhoud van den dijk besmet; 2». zij opgemaakt zijn door onbevoegde personen; en 3». zij niet inhouden aanteekening van -overgang van met onderhoud besmet land op den verweerder;

0., wat betreft den eersten grond , dat bij het beklaagde arrest is erkend, dat het vigerend reglement op het beheer der rivierpolders in Gelderland niet met name voorschrijft, dat de dijkcedullen moeten inhouden de met dijkpligtigheid besmette landen; doch dat niettemin de noodzakelijkheid dier aanwijzing daarbij met juistheid is afgeleid uit art. 276 van dat reglement, in verband met art. 4 der overgangsbepalingen en de verder daarbij aangehaalde artikelen van vorige reglementen ;

O. toch, dat de bepaling van het aangehaald art. 276 omtrent de

jaarlijksche herziening der bestaande, volgens het gegeven voorschrift opgemaakte, dijkcedullen, met name het daarin voorkomende bevel tot het nagaan j welke overgangen van met dijksonderhoud besmette landen gedurende het afgeloopeu jaar hebben plaatsgehad, —duidelijk aantoont de kennelijke bedoeling der handhaving niet slechts van het van oudshor in Gelderland bestaan hebbend verband tusschen de ver-

pligting tot het onderhoud van zeker dijkvak en het daarmede basmette land, maar ook van dc bestaande, in de vorige reglementen gegeven voorschriften omtrent den inhoud dar dijkcedullen; en dat derhalve, door de ontzegging der bewijskracht aan do overgelegde zoogenaamde dijkcedullen qp dezen eersten grond, noch zijn geschonden, noch verkeerd zijn toegepast de daarop betrekkelijke aangehaalde artikelen ;

O., dat, nu dit vaststaat, vervalt het onderzoek naar de beide overige daarvoor door het Hof aangevoerde gronden , of namelijk daardoor zijn geschonden of verkeerd toegepast de aangehaalde, daarop betrekkelijke bepalingen , vermits, al mogten die gronden , of beide of één derzelve, daarmede zijn in strijd, dan nog in cassatie zoude moeten worden gehandhaafd de beklaagde uitspraak;

O., dat alzoo liet éénig aangevoerde middel van cassatie is ongegrond ;

Verwerpt het beroep e.i veroordeelt het eischend Bestuur in de kosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. B. M. Vlielander Hein , en voor den verweerder Mr. G. M. van der Linden.)

PRO VING fALE GEREGTS HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSIIOF IN ZUIDHOLLANiD.

ESna-g-erUjUe kassier.

Zitting van den 31 Januari'j 1872.

Voorzitter, Jhr. Mr. F. W. A. Bef. la erts vax Blokland.

Terugvordering op eigen naam van het vooit rekening van een derde betaaldb.

De Rotterdamsche Bank, appellante, procureur Mr. J. van dih

Jagt ,

tegen

de firma Suermondt Labouchère en Comp., in liquidatie, geïntimeerde,

procureur Mr. C. J. Fkanjois.

(Zie het vonnis a quo in Weekbl. n°. 3442.)

Het Hof enz.,

Met opzigt tot de in eersten aanleg geblekene feiten en gevoerde procedures, zich gedragende aan en alzoo overnemende, wat daaromtrent in het vonnis a quo is vermeld; bij welk vonnis aan de toen eischeresse, thans appellante., hare vordering,is ontzegd en zij veroordeeld in de kosten ,;

Overwegende, dat zij van dat vonnis is gekomen in hooger beroep, concluderende: dat het den Hove moge behagen , bij het te vellen arrest te niet te doen het hooger beroep, mitsgaders het vonnis der Arrond.-Regtbank te Rotterdam van den 31 Jan. 1872, waarvan ten deze is geappelleerd ; en, op nieuw regtdoende, alsnog aan de appellante toe te wijzen haren in eersten aanleg gedanen eisch, en alzoo b:j arrest van den Hove, uitvoerbaar bij voorraad, zelfs bij lijfsdwang van alle de leden der liquiderende firma, niettegenstaande «voorziening in cassatie of verzet, da geïnt. zal worden veroordeeld om aan de appellante, oorspronkelijke eischeresse, ter zake bij hare conclusie in eersten aanleg gemeld, tegen bewijs van kwijting , terug te betalen de som van f 11,200, met de renten sedert den dag der dagvaarding, tot aan de voldoening, en in de kosten der beide instantiën;

O., wat betreft de regtsgronden, in hot vonnis a quo naar aanleiding van vo irnoemde feiten en procedures bijgebragt, dat deze in hooger beroep tot geene andere beschouwingen hebben geleid dan die des eersten regters ; en dat het Hof zich daarmede vereenigt en die overneemt, met uitzondering nogtans van de gevolgtrekkingen, dia de regter a quo schijnt te willen afleiden .uit het niet betwiste feit, dat het hij de appellante gebruikelijke, bij het vonnis breeder 0111senrevene formulier, niet bij den aangeboden wissel ia gevoegd geweest, omdat het den Hove niet is gebleken, dat ten tijde, waarvan hier sprake is , dat formulier reeds bij de appellante in gebruik was;

O. verder, dat, nadat de appellante in eersten aanleg had verklaard niet zeker te weten, óf de wissel ad /' 11,959.06 wel gelijktijdig met do betaling der f 11,200 ter acceptatie is aangeboden , de geïnt. thans in hooger beroep heeft erkend, dat zij (geïnt.) ton haren kantore op den 4 Aug. 1870 aan de stoomweverij Java, uit handen der appellante, of wel van haren bediende, geheel onvoorwaardelijk do betaling togen quitantie ontvangende van f 11,200 , gelijktijdig nit handen van dien bediende der appellante heeft overgenomen de traite der stoomweverij Java ad ƒ 11.959.06;

O., dat de appellante 1". aan twee brieven, beiden van den 3 Aug. 1870t, geschreven door de stoomweverij .Java , respectivelijk aan de geïnt. en aan de appellante, en 2°. aan de gelijktijdigheid der uitbetaling van de f 11,200 , onder overgave des ongeaecepteerden wissels ad f 11,959.06 , zoo op zich zelf als in verband met die brieven, in hooger beroep het bewijs heeft willen ontleenen, dat de gedanö betaling plaats heeft gehad tegen aanneming des wissels ter acceptatie, en, deze niet gevolgd, ja zelfs geweigerd zijnde, de betaalde som teruggevorderd wordt;

O., wat betreft die brieven, waarop zich de appellante reeds in eersten aanleg heeft beroepen,, dat zij noch alleen, noch in verband mot andere ten processe in eersten aanleg of hooger beroep bekende omstandigheden kunnen opleveren eenig bewijs voor de stelling der appellante, omdat, zoo als bij het vonnis a quo op goede gronden juist is uiteengezet, dia brievon deels zonder grond met elkander zijn in verband gebragt, deels ten onregte buiten verband met andero correspondentie, waarvan een hunner deel uitmaakte, zijn beschouwd;

O., wat betreft de gelijktijdigheid der bovengemelde verrigtingen, dat daaruit, op zich zelf, noch uitdrukkelijk, noch stilzwijgend, eenig bewijs voortvloeit, dat de geïnt. door of bij de aanneming der betaling van f 11,200, te gelijk met den wissel, zich heeft verbonden, of willen of moeten verbinden tot de acceptatie der traite, omdat, zoo als teregt door de geïnt. is aangemerkt, niet uit do gelijktijdigheid van, maar wel uit het verband tusschen de beide verrigtingen, het obligo voor den geïnt. kan voortspruiten, en dat verband zeker geen noodzakelijk gevolg is van de gelijktijdigheid;

0. bovendien, dat, zoo als door do geïnt. in hooger beroep 's aangevoerd, de appellante in gebreke is gebleven eenig bewijs te leveren, dat zij geregtigd is om op eigen naam terug te vorderen eene som, die zij, zoo als in confesso is, voor rekening van een derde , geheel vreemd aan dit proaas , de stoomweverij te Almelo > uitbetaalde, zoodat reeds alleen uit dezen hoofde der appellante vordering niet voor toewijzing vatbaar is ;

Gezien art. 56 B. R.;

Regt doende op het hooger beroep,

Doet het te niet en bevestigt het vonnis der Arrond.-Regtbank 'c Rotterdam, op den 31 Jan. 1872 tusschen partijen gewezen, waarvan is geappelleerd, en beveelt, dat het geheel en volkomen gevolg

hebben ;

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor de appellante Mr. P. L. F. Blussé , en voor da geïntimeerde Mr. A. M. van Stipriaan Lüïscids.)

Sluiten