Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dingsdag, \7> Mei 1873.

N". 3582.

WEEKBLAD VAN HET REGT

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJ F-MN- DER TI GS Tl' JAARGANG,

JUS ET VER! TAS.

t\', i . - ' ~r— " ~ : •"

« oiad verschijnt des Maandags m Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentie*, 20 cents per regel. — Bijdragen., brieven, enz., franco aan de Uitgevers. — Agenten voor Duitschland: Haasenstei» en Yogler, te Hamburg.

WETGEVING.

overbrenging van enkele bevoegdheden der

arrondissements.regtbanken bij de kantonregters.

Verslag.

(Uitgeforagt in de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Van 3 Mei jl.)

(Zie het ontwerp in Weékbl. n°. 3545.)

§ !• Bij de overweging van het wets-ontwerp, houdende overbrenging van enkele bevoegdheden der arrondissements-regtbanken bij de kantonregters (1) , verklaarde men zich algemeen geenszins tegen gedeeltelijke wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek, maar wel laclden eenige leden bezwaar tegen den vorm van dit wets-ontwerp.

J vreesden, dat uit wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek, niet 315 ""etboek zelf opgenomen , ongerief en verwarring zouden ontstaan. Liever hadden zij gezien, dat dit ontwerp telkens bepaalde: •art. 169 enz. van het Burgerlijk Wetboek wordt gelezen als volgt." Die vorm is in der tijd aangenomen bij de verandering der bepalingen betreffende de boedelscheiding (wet van 31 Mei 1843, Staatsblad n0. 22), en wordt ook door dezen minister gehuldigd in de ontwerpen betrekkelijk de handligting en het pandregt, ja, wordt in art. 3 van dit wets-ontwerp ook toegepast op de verandering van art. 798 Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering. Andere leden deelden in deze bedenking niet. Wordt de inhoud der artikelen veranderd , het hezwaar, dat in elk geval slechts de eerste en tweede alinea van art. 1 geldt, ware in hun oog gegrond. Doch het ontwerp draagt slechts de bevoegdheid der regtbank over op den kantonregter, schaft de conclusie van het openbaar ministerie af, en laat voor het overige de betreffende bepalingen ongewijzigd. Zij merkten bovendien op, dat, werd aan het bezwaar toegegeven, het gansche wets-ontwerp, met name art. 2 , zou moeten worden omgewerkt, en wezen ook op den vorm der wet van 9 Julij 1855 (Staatsblad n». 67), dia de bepalingen betreffende de afwezigheid wijzigde.

§ 2. De overige algemeene beschouwingen , die in de onderscheidene a! ieelingen over de uitbreiding der vrijwillige regtsmagt van den kantonregter werden in het midden gebragt, laten zich vastknoopen aan do vraag, of niet, in afwachting der beslissing over de nieuwe regterlijne inrigting, dit wets-ontwerp ontijdig is ? Die vraag beantwoordde men bevestigend uit meer dan ee'n oogpunt.

Vooreerst werd door verschillende leden opgemerkt, dat het hun niet ge-Jukt was om, hetzij in het wets-ontwerp, hetzij in de memorie van toelichting , het beginsel op te sporen , waarvan de Regering bij de veranderde verdeeling van bevoegdheid tussehen regtbank en kantonregter uitging. Het ontwerp brengt alleen wijziging in sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek; maar behalve een enkel voorschrift uit het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, en een ander uit de wet van 29 Mei 1841 (Staatsblad n°. 20), worden de andere wetboeken, met name het geheele Wetboek van Koophandel en de li jzondere wetten, buiten de herziening gesloten en wordt deze ook tot bepaalde deelen van het Burgerlijk Wetboek beperkt. Men eikende , dat de bestaande regeling voor verbetering vatbaar is, en ook thans de verdeeling tussehen regtbank en kautonregter, waar het de zoogenaamde jurisdictio voluntaria geldt, niet van willekeur is vrij te pleiten; maar juist om die reden had men gewenscht, dat vooraf het lot der nieuwe regterlijke inrigting ware bepaald, en eerst daarna een voo>stel gedaan tot regeling"der vrijwillige regtsmagt in haren ganschcn omvang. De gevoelens liepen zeer uiteen over de vraag, in hoever het aanbeveling verdient verder te gaan dan de Regering in het we,.ontwerp voorstelt; er waren ook leden, die een bescheidener stap geraden achtten dan de Regering wil ; dit een en ander wordt bij art. l nader ontwikkeld; maar terwijl de nieuwe regterlijke inrigting b.j de wetgevende magt aanhangig is, kwam het, ook met het oog op dit verschil van meening , aan velé leden geraden voor, deze materie te laten rusten. ö

Tot «eene andere slotsom geraakten dezelfde leden , wanneer zij ten andere dit wets-ontwerp m verband beschouwden tot den werkkring er procureurs. De tegenwoordige minister van Justitie heeft f^gfnwoordiging van partijen in het

^ "««• ueDftt over de rep-tarliike inricrtin<?.

Dn hes cuinor nver dit vraagstuk ~ °

, , , i r " piuccsregt moest naar zijn oor-

deel met dan na de beshssmg over de organisatie genomen worden. Terwy; nu de regter ijke inngtmg nog niet tot wet is verheven, stelt

uo miMster ecu ^ ae afschaffing van den dubbelen

regtsbijstand in zich sluit. Dat dit een gevolg is van dit wets-ontwerp,

"i 'eyeiU* ^ u ontneemt aan de procureurs

een belangrijk gedeelte hunner werkzaamheden en treft hen eevoelia in hui.-.s middelen van bestaan. Niemand voorzeker wil de procureurs levoordeelen ten koste der burgers; maar het is de vraag -waarop alles aankomt, of, na de feitelijke afschaffing der procureurs^

de regtsbedeeling meer in het algemeen belang zal zijn geregeld. Thans geeft de onderteekoning van het verzoekschrift door den "procureur , die aan het disciplinair toezigt der regtbank onderworpen is, voor de aangevoerde feiten en de gebezigde qualiteiten en dien ten gevolge tegen sub- en obreptie eenen waarborg, die, waar partijen zelve onderteekenen hetgeen anderen voor haar opstellen , geheel wegvalt. Wel stelt zich de memorie van toelichting voor, dat het wets-ontwerp veel vereenvoudigen zal ; maar de Regering schijnt voorbij te zien , dat ook bij den kantonregter onvermijdelijk notarissen , deurwaarders , zaakwaarnemers als tusschenpersonen werkzaam zullen zijn, en werken deze beter, sneller en goedkooper? Trouwens, behalve de conclusiën van het openbaar ministerie, wordt geen enkele vorm, bij het wetboek ais verpligtend voorgeschreven , door dit ontwerp opgeheven. Het hooger beroep op de regtbank zal evenmin tot vereenvoudiging strekken. Ook zal aan de meerdere vertrouwdheid van den kantonregter met zijne justitiabelen , gevolg van hunne meerdere nabijheid , minder gewigt moeten worden gehecht dan de Regering blijkbaar doet. In grootere gemeenten en zelfs ten platten lande is die bekendheid niet zooveel grooter dan bij de regtbank, welke bovendien wojdt voorgelicht door het openbaar ministerie, dat over middelen van onderzoek beschikt, welke de judex loei juist mist. Daarentegen staat de regtbank op een vrijer en onpartijdiger standpunt. Gunst en ongunst, invloed van bepaalde personen en ambtenaren (men denke aan de verhouding tussehen kantonregters en notarissen) zijn bij het kantongeregt veel meer te duchten dan bij de regtbank. Kortom , is het waarlijk om vereenvoudiging te doen , dan dient meer te worden veranderd , dan in het wets-ontwerp geschiedt; doch met eene ingrijpende hervorming wachte de Regering tot de aanneming of verwerping van de nieuwe regterlijke inrigting.

Dit is volgens deze leden ten derde wenscbelijk met bet oog op het bestaande personeel der kantonregters. De voorgestelde overbrenging van bevoegdheden vergroot en verzwaart de taak dezer regterlijke ambtenaren in niet geringe mate. Nu kent de nieuwe regterliike

organisatie uitsluitend gepromoveerde en voor het leven aangestelde kantonregters , en breidt hunne contentieuse regtsmagt uit. Het laat

zien voiwacncen , dat de Kegermg, onder zoodanige nieuwe regeling, bij elke benoeming eene dubbele mate van omzigtigheid zal gebruiken , ten einde den regten man op de regte plaats te brengen. Doch ware het wel raadzaam reeds aan geheel het tegenwoordige personeel eene zoo ruime uitbreiding van voluntaire jurisdictie toe te vertrouwen ?

Eindelijk staat dit wets-ontwerp in naauw verband met het vraag- j

si.uk. utjr oezoiuigmg aer Kantonregters en der gritfters bij de regtbanken, waarvan de ontworpen organisatie eene nieuwe regeling voorstelt. Kan men in afwachting daarvan de werkzaamheden van den kantonregter vermeerderen en wel met ontneming der emolumenten ? Over de emolumenten wordt verschillend gedacht, en men zou dus wederom een betwist punt zijdelings en ter loops uitmaken. Hoe veel te zeggen valle voor het stelsel, dat de tnsschenkomst des regters niet door partijen moet worden betaald, de bedenking staat daar tegenover , dat onder eene uitbreiding van werk, zonder verhooging van bezoldiging, de welwillendheid , waarmede zich de kantonregter ten allen tijde voor de belanghebbenden toegankelijk stelt , misschien zoude lijden. Welk een zonderlinge en verkeerde toestand zoude het daarenboven zijn, dat de kantonregter voor andere werkzaamheden wè!, maar voor de in dit wets-ontwerp genoemde geen vacatieloon in rekening brengen kan. Wilde men deze wet vóór de nieuwe regteri'y'ke inrigting invoeren , dan zou reeds nu de bezoldiging van den kantonregter moeten worden verhoogd. En eveneens Me van de griffiers bij de regtbanken, daar niet vergeten mag worden ie verlies , dat zij in hunne emolumenten zullen lijden bij overbrenging der requesten naar het kantongeregt.

legenover het tot hiertoe ontwikkelde gevoelen stond de meening van andere leden , bij wio het bezwaar der ontijdigheid van het ontweip niet gerezen was en die zich met het stelsel dezer voordragt ingenomen verklaarden. Het zal naar hun oordeel besparing van tijd en kosten te wecg brengen; bepaaldelijk zal de opheffing der verpligting om het ministerie van procureurs te gebruiken , tot belangrijke veieenvoudiging leiden , en bij den alleen regtsprekenden regter zal, ook met het oog op het hooger beroep , de verantwoordelijkheid levendiger zijn dan bij een regtscollegie.

(1) In de aideelingen waren daarbij tegenwoordig de heeren : Luyben, Saaymans Vader, Uredius, van Kuyk, van Houten, Blussé van Oud-Aiblas, van Naamen van Eemnes, Rutgers van Rozenburg, Bergsnia, van Reenen , Hingst, van Kerkwijk, Godefroi, C. van Nispen iot Severiaer, Mackay, du Marehie van Voorthuysen, Cremers, Sandberg, Westerhoff, Oldenhuis Giatama, Idzerda, van Hardcnbroek van Loek horst, van Lyn.den van Sandenburg, Sniidt, Kappeyne van de Coppello, Gevers Deynoot, Heemskerk, Tak, Rombach, Brouwer, van Wassenaer van Catwijck, Jolles, de Jong, 'sJacob, Dam, van Akerlaken, de Brauw, van den Heuvel, van Loon, Lenting, Mirandolle, Dumbar, Nierstrasz en van der Linden.

Art. 1, al, 1. Ken aantal leden kwamen terug op de opmerking, dat mon hier voor zich heeft een greep in eenige artikelen van het Burgerlijk Wetboek, die niet door eene leidende gedachte is bestuurd. Bij de beoordeeling der volledigheid van het ontwerp, traden de volgende punten op den voorgrond :

lo. De memorie van toelichting beperkt de overbrenging der vrijwillige regtsmagt bij de kantongeregten, voor zoover zij betreft voorzieningen , uitsluitend in het belang van de personen , die het vrije beheer en de vrije beschikking over hunne goederen missen. Heeft de man een tegenstrijdig belang (art. 1G9 Burgerlijk Wetboek) , dan zal voortaan de kantonregter aan de vrouw de bevoegdheid kunnen verleenen om in regten te verschijnen. Maar weigert de man zijne vrouw te magtigen om eene actie aan te gaan of in regten te verschijnen (art. 167 Burgerlijk Wetboek) , dan blijft de regtbank tot die magtigiiig bevoegd. Waartoe dit onderscheid? De gevallen loopen dikwijls ineen. Behalve art. 167 zouden nog moeten worden opgenomen deze artikelen van het Burgerlijk Wetboek :

art. 401 , beklag der moeder voogdes, wanneer de raadsman toestemming tot eene daad , de voogdij betreffende, weigert;

art. 435 en art. 515, verzoek om ontslag uit voogdij of curatele wegens redenen tot verschooning ;

artt. 438—410 , afzetting en schorsing van voogden ;

art. 520 , beslissing omtrent beheer van goederen , aan afwezigen toekomende, door den bewindvoerder;

art. 526, al. 2, voorzieninor in het beheer der moederen van den

afwezige, nadat de gegeven volmagt en de gestelde orde van zaken

zijn geëindigd en voordat tien jaren sedert het vertrek verloopen zijn ;

art. 536, benoeming van deskundigen lot opneming van vaste goederen , die vermoedelijke erfgenamen in hun aandeel hebben gekregen.

Voorts: art. 692 Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, bevel om over te gaan tot verkoop in het openbaar van onroerende goederen eener erfenis.

Nog werd gevraagd, of met de aanhaling van art. 387 Burgerlijk Wetboek alleen het tweede lid of ook het eerste bedoeld wordt ? met andere woorden : zal de kantonregter ook over de regtmatigheid der verschooning oordeelen ?

20. Met het oog op de motieven van het ontwerp, bestaat er geene reden om sommige voorzieningen , thans behoorende tot de bevoegdheid der regtbank of van haren president, of wel tot die van den kantonregter, al naar gelang de verzoeker woont in eene arrondissements-hoofdplaats , dan wel elders, — niet alle tot de competentie van den kantonregter te brengen. Men zie bij voorbeeld :

de artt. 331 en 477 Burgerlijk Wetboek, die zelfs in het onzekere laten , welken regter de Hooge Raad kan delegeren;

de artt. 94, art. 34< coll. art. 748 Wetboek van Koophandel;

artt. 724 en 764 Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.

3o. Ter bereiking van het doel van het ontwerp verdient het overweging om sommige handelingen van voluntaire jurisdictie, thans aan den president der regtbank opgedragen, naar den kantonregter over te brengen. Als voorbeeld werden genoemd de artt. 303— — 311 , 563 , al. 3, 72*^, 727, 758 Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering. Men lette hier op het groote belang van spoedige voorziening , dat in vele gevallen veel beter door den kantonregter dan door den president zal kunnen worden bevredigd.

Indien dit wets-ontwerp met de nieuwe regterlijke organisatie verband houdt, dan vervalt het bezwaar, thans bestaande, dat de vorderingen tot van-waarde-verklaring der arresten bij de regtbank behooren. (Zie art. 48 van het nader gewijzigd ontwerp van wet, houdende eene nieuwe regterlijke inrigting. Zitting 1872—1872. 60. — N°. 12 der gedrukte stukken.)

4°. Sommigen wenschten de legalisatie van acten den kantonregter op te dragen en herinnerden, dat die opdragt in Frankrijk plaats had bij eene wet van Mei 1861 , en in België bij eene wet van 1866. 5o. Vervolgens komen in aanmerking:

kantteekening en waarmerking der registers van den burgerlijken stand, art. 15 Burgerlijk Wetboek;

toestemming tot verandering van voornamen , art. 68 Burgerliik Wetboek; b J

benoemingen van bewindvoerders, als in de artt. 1027, 1067, 1117 Burgerlijk Wetboek, en van den curator over eene onbeheerde nalaschap als in art. 1173 Burgerlijk Wetboek;

beëediging als in art. 92 Wetboek van Koophandel ;

beschikkingen als in de artt. 32, 35, 494 en 495, 518 en 519 van dat wetboek.

Verlangden sommige leden de uitbreiding van dit wets-ontwerp op de hier genoemde punten , die bij wijze van voorbeeld werden vermeld , andere leden zouden zoodanige uitbreiding afkeuren; en er waren er , die, veeleer tot eene inkrimping van het regeringsvoorstel overhellende, de bevoegdheden der regtbanken uitsluitend ten aanzien van de opdragt der voogdijen en van boedelzakeu aan de kantonregters wilden overdragen. Zij vreesden, dat anders de kantonregters door werk zouden worden overladen, en achtten het behoud van de waarborgen der collegiale regtspraak voor de overige onderwerpen noodig. Bepaald hadden zij er bezwaar tegen , de magtiging tot verkoop van vast goed door den judex unicus te laten verleenen.

AL 2. Eenige leden wenschten te lezen :

»In de gevallen, bedoeld bij de vorige artikelen, vervallen de conclusiën van het openbaar ministerie.»

Doch waartoe deze bepaling? Er schijnt geene reden de conclusie van het openbaar ministerie in appel te doen vervallen. Of loopt men hier wederom vooruit op hetgeen in beginsel bij de nieuwe regterlijke inrigting moet worden beslist ?

Al. 3. Men verklaarde zich van verschillende zijden tegen de afschaffing dezer nuttige bepaling, die trouwens tot de conclusiën van bet openbaar ministerie in burgerlijke zaken in geenerlei verband staat.

Art. 2, al. 1. Waartoe die bepaling van den dag? Hoe geschiedt de beschikking ? Door haar te stellen oo het verzoekschrift ? Of kan

( het verzoek mondeling worden gedaan ? Wordt dan de beschikking

iu net, openoaar uitgesproten f is de dagbepaimg een nuaum praeceptum of een dies fatalis ? Dat wil zeggen: moet de kantonregter aan zijne, hetzij dan mondelinge of schriftelijke, beschikking altoos op straffe van nietigheid de bepaalde dagteekening geven, of mag bij ook , hetzij vroeger, hetzij later, beschikken ?

Sommige leden zouden een mondeling verzoek zeer afkeuren en wenschten in de wet de bepaling te hebben opgenomen, dat er altijd

j een verzoekschrift moet worden ingediend. In verband hiermede

achtten zij de bepaling overbodig.

Af. 2. Eenige leden meenden , dat de bedoeling duidelijker werd uitgedrukt, door in de plaats van »der beschikking* te lezen: "waarop de beschikking genomen is».

Het kwam velen raadzaam voor, de bevoegdheid tot het in>tellen van hooger beroep ook aan niet gehoorde bloedverwanten ie verleenen , omdat de oproeping voor de eerste instantie mogelijk niet met de gewenschte onpartijdigheid is geschied.

Is aan hen, die in hooger beroep kwamen of gehoord werden, beroep in cassatie toegelaten ? Indien niet, hoe ware dit te rijmen met de bekende strenge opvatting van art. 162 der Grondwet? Indien wel, wat blijft er dan over van de beoogde vereenvoudiging in de procedure ?

Nu de termijn van drie maanden, voorgeschreven in art. 345 Wetboek van Burgerlijke Kegtèvordering , on veertien dan^n wordt ince-

| kort, zal de wijziging van dat artikel hier uitdrukkelijk moeten

vvuiucw vciuieiu.

I

Sluiten