Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 7 .Julij 1875. N°. 3601.

WEEKBLAD YAN HET REGT.

REGTSKUNDI6 NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF. EN- DER TI GS TE JAARGANG. JU8 ET VBRITA8,

*Htblad Verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging.— Prijs der adoertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers. — Agenten voor Duitschland: Haasenstein en Vogler, te Hamburg.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

"penbare algemeene verandering van Diiigsdag, 1 Julij 1833.

*er installatie van den Heer Mr. C. J. PHKMIiRT , als Substituut-Griffier.

Onder voorzitterschap van Mr. F. de Greve.

Ten twee nre wordt de vergadering door den Voorzitter geopend.

De nieuwbenoemde neemt voor den Voorzitter plaats.

De i oorzMer verleent het woord aan den Procureur-generaal.

De Procut ':ur-generaal Mr. F. F. Karseboom wenscht den nieuwenoemi e ~ ük en neeint het gebruikelijk requisitoir, strekkende artoe dat worden voorgelezen: lo. het Koninklijk besluit van 13 T "ffi ^ 'V"°' 1'' waarh« 'ieer C. J. de Fremery, Substituutumner bij tiet Provinciaal Geregtshof in Noordholland, benoemd ordt tot Substituut-Griffier bij den Hoogen Raad der Nederlanden ; • de acte v»n eedsaflegging door den nieuwbenoemde; en 3o. dat a Procureur-generaal acte zal worden verleend van het door hem Senomen requisitoir.

De Griffier doet hierop voorlezing van de bedoelde stukken.

De Voorzitter vat alsnu het woord op en houdt de volgende rede:

Edel Hoog Achtbare Heeren !

De langdurige en gewigtige beraadslagingen van de Tweede Kamer er ötaton-G<nieraal over eene nieuwe regterlijke inrigting, in het ijzon ei ov<:.' het aan den Hoogen Kaad toe te kennen karakter, zijn hp% ^roote ''«langstelling door ons allen gevolgd. De uitslag daarvan eett den teg< nwoordigen toestand, immers voorloopt, bestendigd. Hoe jaen echter daarover moge denken , ongetwijfeld 'zoude het zijn te etrcuren , bijaldien die afloop ons deed insluimeren en niet voortdurend verlangen naar algemeen gewenschte verbeteringen: zij het ook, dat de invoering daarvan eenige meerdere inspanning van ons zoude vorderen.

Ook in dat opzigt mogen wij wel een voorbeeld nemen aan onzen onlangs in vier-en-tachtig-jarigen leeftijd ontslapen ambtgenoot Crans, die niet heef*, geschroomd openlijk te verklaren zijne ingenomenheid ttet een ontwerp van wet, waarbij aan den Hoogen Kaad veel meer Werk werd opgedragen.

Dien onv.rgetelijken ambtgenoot hoop ik later, bij de installatie an zijn opvolger, te herdenken.

stit, .^r'>ePen t0' de inwijding van onzen nieuwbenoemden Subv 'u1.. jl1 " ^r* Casparüs Jacobüs de Fremery, den opvolger mii HUn ®e,701 ontslagen voorganger Mr. Carel Vosmaer, moet ik liiW aa' f6 , :Pa'en- "aarbij gevoel ik behoefte den afgetredene open«Jk een hartelijk vaarwel toe te roepen.

°P * December 1866 bragt ik eene welgebekpnf ' aan verdiensten van den man, toen reeds algemeen hoow^ ais "''"arid van uitnemenden smaak en fijnen kunstzin. Bij de tromvp"aa' .'"I" daarvan "arzelde ik echter niet te voegen ons verhei nn i! .. ,e^ele kunstzin hem nimmer zoude verlokken om mppóto ' * '""'toe hlJ in de eerste plaats was geroepen, niet met de meeste naauwgezeiheul waar te nemen.

Aan die verwachting heeft Vosmaer volkomen beantwoord, van op zicl1 zelf wat eentoonige der betrekking

IvL wplwil f h fer bij den Hoo-eu Raad> was hÜ echter de altijd I m I-6 ZGer zec*i&e man, steeds getrouw op zijn post,

n vervulde dien op zulk eene wijze, dat dit niets te wenschen

overliet.

Bij de, nu en dan zich daartoe voordoende gelegenheden (getuigenverhoor en soortgelijke) gaf hij blijken van groote gevatheid. Als secretaris ee.ier commissie uit ons midden tot het ontwerpen van een «dvies omtrent voorgestelde wijzigingen in het "Wetboek van BurgerSerlijke Regtsvordering bewees hij volkomen op de hoogte van het onderwerp t<-, zijn en de noodige regtskennis te bezitten, om het gedat •t'er e"mmiss'e naauwkeurig uit te drukken. Mogt er iets zijn, öen d We' eens onw'llekeiirig wenschten, dan was het, dat hij op Den UUr n'J-' meer tot zoodanige belangrijke verrigtingen mogt kun«orden geroepen.

van ,ussc ' verheugden wij ons, dat de naauwgezette waarneming z^el" a,"'Ft. naar onze meening, hem nog genoeg tijd overliet voor schreven 'st' verblÜdden ons> dat zÜne in de Fransche taal gedoen ki:niK:i ''^ri °Ver REMBttAKDT hem ook bniten1s lands hadden We' Nede-i eD waarderen. Wij waren er mede ingenomen, dat zootiek erke H a's België z'.)ne verdiensten op het gebied van aesthe■^■Oniiikliik" —' ons Vaderland, door zijne benoeming tot lid der kiez;n,r hf '^.cai'emie van Wetenschappen; België, door zijne ver-

1 ,:'i'eri iandsch lid zijner Academie.

^nsi-hte'T' ^'en ' ('at 11Ü allen mogelijken tijd aan die studiën lanffpn • , besteden. Verder echter dachten wii niet, dat zijn ver-

Jsven ZOHde «intrekken.

de kra ,VerfS6t als verbaasd waren wij derhalve, toen hij, de man in besla 'tU' **" z'j" leven > ons eensklaps mededeelde zijn onwrikbaar gin,,e Z'Jn 711111)1 neder te leggen , en hij , niettegenstaande onze pon n hem daarvan af te brengen, zich door niets liet bewegen J.°P teru • te komen.

110 'J eerbu-digen dit, voorzeker niet overijld genomen, besluit; met het"v 'eei'wezen wij ook van hem mogen scheiden. Men dient toch a , "'lei'l'-üd zoowel door stipte vervulling van een opgedragen ' als door de beoefening van wetenschap of kunst. Veel voor¬

zeker heeft het daarenboven voor, zich ook daaraan geheel en onverdeeld te kunnen wijden.

Te meer geldt dit bij den grooten omvang van het veld der studiën van onzen Vosmaeb.

Reeds als student aan de Leidsche hoogeschool was , naast zijne hoof. 1-.studie de regtsgeleerdheid , zijne liefhebberij-studie de Nederlandsche taal- en letterkunde. Later breidde deze zich meer en meer uit op het ruim gebied van letteren en kunst; hetzij voortbrengend als belletrist, hetzij bespiegelend als aestheticus. Als proeven daarvan behoef ik u slechts te wijzen op zijne, reeds vermelde, echt klassieke studiën over Rembrandt en zijne veelkleurig boek vogels van diverse pluimage, waarin evenzeer doorstraalt zijne hooge ingenomenheid met den vooruitgang onzer eeuw , als zijne bewondering der Grieksche kunst als voortdurende bron der hedeüdaagsche.

Thans, nu hij zich onverdeeld aan zijne studiën gaat wijden , uit ik den wensch, dat wetenschap en kunst nog menige heerlijke vrucht daarvan mogen plukken; en dat hij evenmin ons als wij hem zullen vergeten.

Het heeft den Koning behaagd tot zijn opvolger te benoemen Mr. Casparus Jacobus de Fremert , laatst Substituut-Griffier bij het Geregtshof in Noordliolland.

Van harte heet ik U als zoodanig welkom, Edel Hoog Achtbaar Heer! Uw naam herinnert ons uw onvergetelijken oud-oom, den uitnemenden Advokaat, naderhand Raadsheer de Fremery, dien ik mijn vaderlijken vriend mogt noemen.

U zelf kende ik niet, ofschoon Gij, na uwe aan de Leidsche hoogeschool volbragte studiën, hier drie jaren als Advokaat hebt gepractiseerd. Sedert zijt Gij in verschillende betrekkingen in de magistratuur geplaatst. Twee jaren waart Gij Substituut-Griffier bij de Arrondissements-Regtbank te Brielle; twee jaren bij die te Amsterdam; zeven bij het Geregtshof in Noordholland. Met den meesten ijver en de uiterste naauwkeurigheid hebt Gij al die betrekkingen vervuld.

Wel ervaren moet Gij derhalve geworden zijn in alles wat betreft het Griffieraat bij een regterlijk Collegie. En toch hebt Gij niet, bij de aanvaarding van het ambt van Substituut-Griffier bij den Hoogeu Raad, van eene zelfstandige tot eene eenigzins ondergeschikte betrekking behoeven af te dalen. Juist die omstandigheid strekte U tot een voorregt- bij de mededinging van zoovele, en daaronder zeer kundige, regters en griffiers, die, ter wille van eene betrekking bij den Hoogen Raad en van zijn zetel, het bekoorlijk 's Gravenhage, zich of eenen minderen rang of een minder zelfstandigen werkkring wel wilden getroosten.

Vol vertrouwen, dat Gij onzen welmeenenden raad gaarne znlt aannemen, wekken wij U op tot levendige belangstelling in de vele gewigtige regtsgedingen, die Gij voor den Hoogen Haad zult hooren behandelen; en sporen wij U aan tot kennismaking met de jurisprudentie van ons Collegie, niet minder echter tot de voortzetting van eigen zelfstandige beoefening der regtswetenschap. Daardoor zal uwe nieuwe betrekking dagelijks aantrekkelijker voor U worden, en tevens nut aanbrengen zoo aan U zelf ais aan ons.

De welwillendheid , waarmede Gij door ons allen, ook door den Griffier, zijt ontvangen , zal TJ gereedelijk doen medewerken tot bevestiging der aangename verhouding tusschen allen, die tot ons Collegie behooren.

Moge de gunstige verwachting U aangaande, met Gods zegen, niet slechts worden verwezenlijkt, maar zelfs overtroffen!

Ter verdere voldoening aan het requisitoir van den Procureurgeneraal verklaar ik Mr. Casparus Jacobus de Fremery wettig erkend en geïnstalleerd als Substituut-Griffier bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Voorts, wordt den Griffier gelast het Koninklijk besluit van benoeming in te schrijven in het bijzonder, tot zoodani» eind bestemd register; en wordt bepaald, dat van deze plegtige installatie zal worden kennis gegeven aan het Departement van Justitie.

Bn hiermede sluit ik deze plegtige openbare zitting van den Hoogen Raad der Nederlanden.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 26 Mei 1873.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Veeziekte. — Verdacht vee. — Afzondering. — Uit de weide. — Uit den stal.

Is de bewering gegrond, dat zelcere weide, waarin reeds vroeger een aan longziekte gestorven stuk vee was afgemaakt, ingevolge art. 29 der wet van 20 Julij 1870 (Stbl. m. 131) op last van den burgemeester als besmei was afgesloten, dat daardoor al het zich in die weide bevindende vee moest geacht worden te zijn verdacht en er daarom ten deze geene verpligting meer bestond tot afzondering, terwijl verwijdering van dat verdachte vee uit dien afgesloten kring op grond van de artt. 29 en 32 der wet is verboden ? — Neen.

C. van Bruc'nem, oud vier-en-vijftig jaren, veehouder, wonende te IJsselstein, heeft zich in cassatie voorzien tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Utrecht van den 18 Febr. 1873, waarbij in hooger beroep is bevestigd een vonnis van de Arrorid.-Kegtbank te Utrecht van den 7 Nov. >872, bij hetwelk hij is schuldig verklaard aan het wanbedrijf van het als eigenaar van vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte vertoonde, dit niet onmiddellijk van het overige vee verwijderd en afgezonderd te hebben gehouden ; en te dier zake, met toepassing van de artt. 14 en 35 der wet van den 20 Julij 1870 (Stbl. n°. 131) en van art. 1, eerste en negende lid, der wet van den

22 April 1864 (Stbl. n°. 29), veroordeeld tot betaling eener geldboete

van f 25 en in de kosten, met bepaling, dat de boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn da''enmaarld' 281 W°rden vurva,1oen door gevangenis-straf van vijf

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Gockinga heeft de adv. gen. Smits de volgende conclusie genomen :

Ede' Boog Achtbare Heeren, President en Kaden! In de vierde overweging van het vonnis, dat bij het beklaagde arrest geheel werd bevestigd, wordt op behoorlijke motieven als bewezen aangenomen, dat de req. in het laatst der maand Sept. 1872 twee zijner runderen, die lijdende waren aan do longziekte, en liepen in eene weide in de Achtersloot onder de gemeente IJsselstein, niet onmiddellijk van de overige mede aldaar aanwezige runderen heeft verwijderd en afgezonderd gehouden.

De longziekte wordt, volgens art. 1 van het Kon. besluit van 4 Dec. 1870 (Stbl. n». 190), gehouden voor eene besmettelijke ziekte van het vee; en de Regtbank achtte den req. dus in overtreding van art. 14 der wet van 20 Julij 1870 (Stbl. n<>. 131), bepalende, dat een stuk vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte vertoont, onmiddellijk' door den eigenaar, houder of hoeder van het overige vee moet worden verwijderd en .zoolang afgezonderd gehouden , totdat daaromtrent door den burgemeester, in overleg met den districts-veearts enz., zal beslist zijn; en veroordeelde op grond van art. 35 van gemelde wet.

Voor den regter a quo was de verdediging gevoerd, dat de bedoelde weide, waarin reeds vroeger een aan longziekte lijdend rund was afgemaakt, ingevolge art. 29 der wet, op last van den burgemeester als besmet was afgesloten; dat daardoor al het zich in die weide bevindende vee moet geacht worden te zijn verdacht, en er daarom in casu geene verpligting meer bestond tot afzondering.

Te dien aanzien werd bij het vonnis der Regtbank teregt opgemerkt dat in art. 459 C. P. en art. I der wet van 19 April 1867 (Stbl. n\ 30) verdacht vee beteekende vee, dat men vermoedt ziek te zijn; dat daarentegen dat woord in do wet van 20 Julij 1870 eene veel ruimere beteekenis heeft en men een juridieken toestand uitdrukt, zoodat al het vee, verkeerende in een der gevallen van art. 22 der wet, al is het zoo gezond mogelijk, en rust daarop ook niet de minste verdenking van door eene ziekte ta zijn aangetast, als verdacht door de wet wordt verklaard, en dat ook van het vee, dat in dien juridieken toestand

verkeert, het vee, dat verschijnselen van eene besmettelijke ziekte vertoont, moet afgezonderd gehouden worden.

Op dezen verdedigingsgrond wordt dan ook minder bij de memorie teruggekomen; maar er wordt beweerd in de eerste plaats verkeerde toepassing van art. 14 voormeld, en schending der artt. 206 en 211 Strafvord., in verband met art. 14, om lat uit de besmette weide noch de zioke runderen, noch het overige vee mogt worden verwijderd en afzondering en verwijdering binnen de weide niet verpligtend, en daarenboven onmogelijk zou zijn.

Het is waar, uitvoer uit de besmette weide van runderen werd belet door de bepaling van art. 29 der wet van 20 Julij 1870 jStbl. n°. 131) j\ art. 7 van het Kon. besluit van 4 Dec. van dat jaar (Stbl. no. 190); en hierdoor was het gevaar voor besmetting van het gezonde vee grooter dan het anders zou ie geweest zijn. Maar ook voor dat geval brengt m. i. art. 14 de verpligting mede om zooveel mogelijk het gevaar te bestrijden door afzondering van het zieke vee binnen de weide.

De memorie beweert: dit is niet verpligtend; en wel, omdat de wetgever met het voorschrift van art. 14 der wet van 1870 niets anders of meer heeft gewild dan hetgeen reeds in de artt. 459—461 C. P. was bepaald; en daaruit volgt, dat met verwijdering en afzondering zijn bedoeld de verwijdering uit de weide, of van den stal van het zieke vee naar eene andere weide of naar een anderen stal, en het op dien stal of in die weide afgezonderd houden van het zieke vee.

Ik kan uit de woorden van de memorie van toelichting, bedoeld bij de memorie van cassatie (Bijblad tot de Staatscourant, 1869/70, bl. 126): »dat het gebod van aangifte en afzonlering van vee, hetwelk aan eene besmettelijke veeziekte lijdt, volstrekt niet nieuw is, en de artt. 459—461 C. F. reeds voorschriften bevatten, die volstrekt niet strenger zijn dan de thans voorgestelde», — niet opmaken, dat de wetgever van 1870 de bepalingen van artt. 459—461 C. 1'. in de wet heeft willen overnemen. Reeds dadelijk blijkt het onderscheid, daar het Wetboek van Strafregt spreekt van vee, dat men verdenkt aan eene besmettelijke ziekte te lijden, terwijl artt. 13 en 14 der wet van 1870 (Stbl. n». 131), tbans op grond, dat het Hof had moeten onderzoeken , of in de weide, zonder tot het maken van eenige inrigting of" het stellen van eenig gebouw over te gaan , afzondering mogelijk was.

^ Ik acht het bepaald onnoodig, dat dit onderzoek plaats hebbe. Beslaat er geene gelegenheid tot afzondering in de weide, dan zal die moeten gemaakt worden. Keu gebouw daarvoor op te rigten, zal wel nimmer gevergd worden voor den korten tijd tusschen de aangifte bij, en de beslissing van den burgemeester , die volgens de artt. 16 en volgende der wet zeer spoedig zal volgen. Maar eene eenvoudige inrigting om het zieke vee, zooveel de omstandigheden toelaten, af te zonderen en zooveel mogelijk de verspreiding van de smetstof tegen te gaan, zal gemaakt moeten worden.

Ik acht het vonnis, bij het arrest bevestigd, zeer juist gewezen; en ik heb de eer te concluderen tot verwerping der voorziening, met veroordeeling van den req. in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorgesteld bii memorie, als: 6 ^

10. verkeerde toepassing van art. 14 der wet van den 20 Tulii 1870 (Stbl. «O. 131), omdat in het gegeven geval de req. niet verpligt was zijne zieke runderen van het overige vee te verwijderen en af te zonderen, als moetende het daarvoor worden gehouden, dat in gemelde *7 ver7'Jdf'«S en afzondering wordt bedoeld de verJ ng ui de weide ot wan den stal van het zieke vee naar eene

Sluiten