Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken. Het Hof overweegt, dat het hoofdmisdrijf regtens niet onherroepelijk vujitstaat, dewijl de uit.-praak daaromtrent nog niet in kracht van gewijsdt; i„ gegaan, en is het hoofdmisdrijf niet onherroepelijk bewezen , d*n kan de medepligtigheid daaraan ook niet regtens bestaan ; waaruit consequent zonde voortvloeien, dat de medepligtigheid, onder die omstandigheid, voor geen bewijs vatbaar is. Is de praemisse waar , dan kan ge n medepligtige ooit vervolgd, althans veroordeeld worden , da-, nadat de dader van het hoofdmisdrijf reeds is verooreed, en d t vonnis in kracht van gewijsde is gegaan , met andere woorden or,Herroepelijk vaststaat; dan is eene gezamenlijke beregting van een bcel. wegens diefstal en van zijn medepligtige falzoo van samenhangende misdrijven) voortaan onmogelijk, want hoe zal dan het on ei roe nel uit bewijs van het hoofdmisdrijf ooit kunnen geleverd worZe^ bekentenis van beklaagden? Hoe zoude het Hof beslist en, indien dief en heler te zamen voor zijne vierschaar hadden eregtgestaan ? Volgens 's Hofs eigen leer zoude het den dief hebben erooideeld (deze toch b kende), en den heler hebben moeten vrijspreen, op grond immers, dat het hoofdmisdrijf regtens nog niet onher- ; oepe ijk vaststond (want tegen 's Hofs veroordeeling van den dief !l".e no? c^satie mogelijk). Gelukkig heeft dit collegie bij zoodanige gelijktijdige beregting er anders over gedacht; welligt is het voor de consequente toepassing van de thans verkondigde leer teruggedeinsd. ^ aar tevens gelukkig voor onze zamenleving is deze leer s. r. ook geheel en n, onjuist en onhoudbaar. Het Hof negeert het vonnis der Regtbank tan eene male, waarbij op deugdelijke bewijsmiddelen als bewezen werd aangenomen, dat de diefstal onder de te laste gelegde omstandigheden als bewezen werd aangenomen , dat de diefstal onder c'e te laste gelegde omstandigheden heeft plaats gehad, en dat de eerste bekl. de schuldige was. Voor deze ter-zijde-stelling was geen de minste grond. Integendeel, de zaak betreffende het hoofdmisdrijf Was niet aan 's Hofs beslissing onderworpen; en het had dus het vonnis der Begtbank op dit punt slechts aan te halen en aan te nemen al? bewijs voor het bestaan van het hoofdmisdrijf; dit vonnis geldt, zOO^ang het niet vernietigd is. Bovendien vloeide het bewijs van het hoofdmisdrijf uit de verklaringen der getuigen voort, die even zoo den diefstal als het helen betroffen.

Het is te wenschen , dat het Hof deze leer late varen , daar zij den heler en medepligtige in de meeste gevallen een vrijbrief voor hun schandelijk bedrijf zoude verleenen. (Inz.)

aftron ü iss ements-regt b anke n.

ARBONDISSEMENTS-REGTBANK TE ALMELO.

Hurgerlijlte kamer.

Zitting van den 26 Februarij 1873.

Voorzitter, Mr. F. Dijckmeestes.

Regters, Mrs.: J. van Riemsdijk en C. F, G. de Menthon Bake

Kan de executant van onroerend goed de door hem aangewende executie-kosten, welke volgens art. 52 7 B. R. bij voorregt worden betaald uit den koopprijs, bij rau-actie terugvorderen van den hypotheekhouder met onherroepelijke volmagt, die de in besla(f genomen goederen verkocht en den koopprijs daarvan ontvangen heejt ? — Onbeslist.

Is de kantonregter bevoegd, kennis te nemen van zoodanige actie , wanneer zij geen f 200 beloopt ? — Neen.

(Vervolg van Weekbl. r.°. 3533.)

Hagedoorn en Comp., te Almelo, appellante, procureur Mr. R. E. IIattink ,

tegen

B. J. Sehrader te Enschedé, geïntimeerde, procureur Mr. C. H. Stork.

De Regtbank enz.,

Gehoord den officier van justitie Jhr. Mr. R. Sandberg in zijne conclusie, strekkende tot bevestiging van het vonnis, waarvan appel, met veroordeling der appellante in de kosten;

Wat de daadzaken betreft:

Overwegende , dat de appellante, bij dagvaarding van 21 Sept. 1872, en geïnt. beeft doen dagvaarden voor het Kantongeregt te Enschedé kost eener som van f ®^.92 met de wettelijke interessen en

I5^n VOrde,'inS daarop werd gegrond: dat de appellante den

Dec. 18,o heeft geobtineerd een vonnis van het Kantongeregt te tnelo teg«-.n G. H. ten Dam , tapper en koopman te Hengelo, waarbij aatstgenoemde is veroordeeld tot betaling eener bepaalde geldsom met genten en oosten ; dat de appellante heeft opgedragen aan Mr. R. E. J-iATTiNK, procureur bij de Arrond.-Regtbank te Almelo, om van hetzelve v<„-.nis eene grosse te ligten , ten einde het vonnis voormeld ten uitvoer te leggen door executoriaal beslag op de onroerende goederen van H. ten Dam voornoemd; dat, ten verzoeke van ds appellante, uit kracht der voormelde grosse, bij proces-verbaal van den deurwaarder Wolters van 21 April 1871 , zijn in beslag genomen de onroerende goederen van G. H. ten Dam voormeld, gelegen in de gemeente Hengelo; dat de appellante het gelegde beslag heeft doen overschrijven in de registers van den bewaarder der hypotheken van het arrondissement te Almelo den 22 April 1871 ; dat deze onroerende goederen hypothecair verbonden waren aan den geïnt., weshalve appellante aan den geïnt., bij exploit van den deurwaarder Wol,ers v'an den 24 April 1871, heeft doen beteekenen het proces-veraal van beslagneming voormeld; dat de geïnt. voorts aan den pro*eur der appellante heeft te kennen gegeven , bij exploit van den v^-rd- Selhorst vrn 6 Mei 1871, dat hij gebruik wilde maken genotZ^n om » als eerste hypothecair schuldeischer, de in beslag gen me*n £<,ec*eren te verkoopen, als zijnde daartoe onherroepelijk Selh ^.tl^ ; datl &eint* vervolgens, bij exploit van den deurwaarder en h°!St Va° ® aan appellante heeft beteekend den dag

£eïnt UUl. 7an ^nzate en verkoop der gearresteerde goederen ; dat de en V ' ■ Potbecair crediteur de verbonden goederen heeft verkocht eisc' *00 penningen heeft ontvangen; dat een hypothecair schuldkan 6 WC ze*ven u't (*e opbrengst van het verkochte betalen hy ' maa de kosten der uitwinning, als zijnde bevoorregt boven aan°h eerSt d°°r hem vo5daan In°eten worden; dat de appellante w ' "aren procureur Mr. R. E. IIattink voornoemd heeft betaald, ëens kosten en executie, de som van /' 59.92 , ingevolge getaxeer|Gn ataat v«n geregtskosten, behoorlijk geregistreerd; dat de appelante alzoo het regt heeft om van ged. betaling te vorderen der door *aar, gelijk voormeld, betaalde kosten van uitwinning, welke kosten e geinc. weigert aan do appellante te vergoeden;

*' (*at» '>ij vonnis van 17 Oct. 1872, het Kantongeregt te Enschedé, a den gei ,t. te hebben gehoord, zich, uit hoofde van het onderwerp es geschild, heeft verklaard onbevoegd van deze vordering kennis te 'einen , nist veroordeeling van de appellante in de kosten van het

regtsgeding;

dat de appellante, bij deurwaarders-acte van 25 Nov. 1872, van

dat vonnis is gekomen in hooger beroep bij deze Regtbank , en ten dienenden dage heeft geconcludeerd: dat het aan de Regtbank moge behagen, het vonni« voormeld van het Kantongeregt te Enschedé, waarvan hooger beroep , te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het Kantongeregt te Enschede, om op de hoofdzaak te worden beslist, of wel de zaak tot zich te trekken en, in het hoogste ressort vonnissende, de appellante hare in eersten aanleg gedane vordering j toe te wijzen, met veroordeeling van de geïnt. in de kosten van beide 1 instantiën ; bewerende : dat het vaststaat, dat de geïnt. heeft ontvangen den koopprijs der door hem krachtens onherroepelijke volmagt verkochte onroerende goederen van G. H. ten Dam voormeld, waarop de appellante executoriaal beslag had gelegd; voorts aanvoerende, dat de appellante, op grond, dat de geïnt. den koopprijs heeft ontvangen , van hem vorderde betaling der kosten van executie, door haar gemaakt, welke kosten bij voorregt uit den koopprijs moeten betaald worden, ingevolge de bepaling van art. 527 B. R., in verband met de artt. 1185 en 1195B. W.; dat zoodanige vordering rauwelijks moet worden ingesteld, als zijnde geene andere proces-orde ten deze voorgeschreven; bestrijdende den voornamen grond van het vonnis a quo, namelijk dat in casu van toepassing zoude zijn art. 551 B. li., waarbij aan ieder schuldeischer het regt is toegekend bij de Regtbank de benoeming van een regter-commissaris te verzoeken , voor wien tot regeling van den voorrang zal worden overgegaan;

G., dat door den geïnt. daartegen tot bevestiging van gemeld vonnis is geconcludeerd, met veroordeeling van de appellante in de kosten van het hooger beroep;

Wat het regt betreft:

G., dat dus hier te onderzoeken valt: of het Kantongeregt te Enschede al of niet bevoegd was kennis te nemen van de bij hetzelve door de appellante tegen den geïnt. ingestelde vordering;

Te dezen aanzien :

0., dat die vordering, hoe ook geformuleerd, de strekking beeft om door genoemd Kantongeregt te doen uitmaken , dat, naar de wet 9 de appellante, voor door haar aangewende kosten van uitwinning der hiervoren bedoelde onroerende goederen, den voorrang heeft boven het op die goederen gevestigde eerste hypotheek des geïntimeerden , en dienvolgens dezen te doen veroordeelen om van de opbrengst dier goederen , die hij , na die goederen , krachtens de daartoe aan hem verleende onherroepelijke volmagt, te hebben doen verkoopen , geheel heeft tot zich genomen, als zelfs nog niet toereikend tot voldoening der hoofdsom , waarvoor de hypotheek was verleend, eene som van f 59.92 of het bedrag der gemelde kosten van uitwinning aan den app. uit te keeren, met de wettelijke interessen en proceskosten ;

G., dat mitsdien de appellante beweert, dat de geïnt. de acte, waarbij aan hem eerste hypotheek met het genoemde beding is verleend, ten uitvoer leggende, zich daarbij niet heeft gedragen overeenkomstig de wet;

0., dat alzoo de appellante aan het oordeel van het Kantongeregt heeft onderworpen een geschil over de ten-uitvoer-legging van eene authentieke acte;

G. nu , dat van zulke geschillen de Arrond.-Regtbank in eersten aanleg kennis neemt, zoo als volgt uit art. 53 R. O., in verband met de omstandigheid, dat de kennisneming dier geschillen bij de wet niet is verklaard te behooren tot de bevoegdheid van eenigen anderen tak der regterlijke magt; terwijl bovendien de in dit opzigt aan de Arrond.-Regtbank opgedragen regtsmagt ten grondslag ligt aan ver- ' schillende bepalingen , voorkomende in het 2de boek van het Wetb. ! van B. R., bepaaldelijk ook aan die, vervat in art. 438;

G., dat dus het Kantongeregt te Enschedé was onbevoegd kennis te nemen van de bij hetzelve door de appellante tegen den geïnt. ingestelde vordering ;

G., dat derhalve het vonnis a quo is goed gewezen , zij het dan ook op eenigzins andere gronden , en dat vonnis uit dien hoofde moet worden bekrachtigd;

Gezien, nevens de aangehaalde wetsbepalingen, speciaal de 2de afdeeling der wet op de R. 0., den 7den titel en art. 56 B. R. ;

Bekrachtigt het vonnis , door het Kantongeregt te Enschedé tusschen partijen gewezen en waarvan ten deze is gekomen in hooger beroep;

Veroordeelt de appellante in de kosten in hooger beroep.

(Gepleit voor de appellante Mr. R. E. Hattink , en voor geïntiI meerde Mr. C. H. Stork.)

HOOG MILITAIR GEREGTSHOF.

Sententie van den 29 Maart 1873.

Voorzitter, Mr. J. H. Telders.

Milicien met groot verlof. — Desertie. — Diefstal. — Onbevoegdheid van den militairen regter.

Waar art. 145 der wet op de nationale militie bepaalt, dat de verlofganger der militie, die niet voldoet aan eene oproeping voor de werkelijke dienst, als deserteur behandeld zal worden, is de militaire regter alleen bevoegd daarover regt te spreken.

Zulk een als deserteur afgevoerde milicien kan echter niet beschouwd worden daarom ook onder de wapenen te zijn [art. 130 van genoemde wet), zoodat de militaire regter niet bevoegd is kennis te nemen van andere inmiddels door zulk een milicien gepleegde misdrijven (in casu diefstal).

In de zaak, aanhangig tusschen den advokaat-fiskaal voor 's Konings zee- en landmagt, ambtshalve en als bij resolutie van den 15 Febr. jl. geautoriseerd aan den Hove te provoceren van het vonnis van den Krijgsraad in de 4de militaire afdeeling voor de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe, standplaats Leeuwarden, van den 7 Febr. jl.j gewezen in de zaak van A. v. D., oud volgens opgave vijf-en-twintig jaren, geboren te St. J., provincie F., milicien van de ligting van 1867, bij de 1ste kompagnie, 3de bataillon , 1ste regiment infanterie, in hechtenis te L., welke bij gemeld vonnis, met inroeping der artt. 386, n°. 4, Strafregt, 11 en 14, n°. 7, der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. n°. 102), 130 en 145 der wet van 19 Aug. 1861 (Stbl. n°. 72), 13, 18, 21, 134 en 193 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande, 19 van het reglement van krijgstucht en 185 van de regtspleging bij de landmagt, is schuldig verklaard aan: lo. diefstal van een paar schoenen met elastiek in eene slaapsteê, jegens iemand, die met hem aldaar verblijf hield, na reeds te voren tot eene eenzame opsluiting voor meer dan zes maanden te zijn veroordeeld geweest; 2°. desertie in tijd van vrede voor de eerste maal, gevolgd van aanhouding als achterblijver van verlof; en 3°. verkoop, immers te zoek maken van groote kleeding- en equipementstukken ; en te dier zake vervallen verklaard van den militairen stand, veroordeeld tot eene correctionnele gevangenis-straf voor den tijd van twee jaren, en verwezen in de kosten enz.

Welke advokaat-fiskaal, met betoog, dat voorschreven vonnis is gewezen ter zake van de navolgende als bewezen aangenomen omstandigheden :

1°. dat de gedetineerde in den morgen van den 31 Dec. 1872, in de woning van den slaapsteêhouder J. K., te F., aldaar in den nacht op dezelfde kamer verblijf gehouden hebbende met den getuige G. T., van dezen zich arglistig heeft toegeëigend en later op den dag voor f 1 heeft verkocht een paar schoenen met elastiek, toebehoorende aan den getuige T.;

2°. dat verder bij het gehouden onderzoek is gebleken : dat de gedetineerde in 1871, tijdens hij met groot verlof was geweest, niet heeft voldaan aan eene oproeping om onder de wapenen te komen , waarop door den Krijgsraad is overwogen, dat hij daardoor in den zin der wet de desertie heeft gepleegd en teregt als deserteur is afgevoerd ;

3°. dat voorts de gedetineerde , die in zeer behoeftige kleeding is aangekomen, ook heeft bekend alle zijne met verlof medegenomen militaire kleedir.gstukken te hebben afgedragen en die niet meer te bezitten, zijnde de gedetineerde op den 1 Jan. 1873 te L. als verdacht op straat aangehouden ; terwijl eindelijk ten

4°. ten laste van deu gedetineerde zijn vermeld verschillende veroordeelingen, welke hij, wegens diefstal en misbruik van vertrouwen, voor deu burgerlijken regter heetl ondergaan ;

dat, wat in de eerste plaats de schuldigverklaring aan desertie door achterblijven van verlof aangaat, in het vonnis wel werd vermeld, dat de gedetineerde niet had voldaan aan eene oproeping onder de wapenen, welke oproeping was geschied krachtens eene aanschrijving van den minister van Oorlog van den 18 Oct. 1871, n°. 30 F, voor den tijd van drie maanden, en op grond van art. 144 der militiewet, zijnde deze oproeping, blijkens de missive van den burgemeester van S. dd. 11 Jan. 1873, n°. 66/41, bij openbare kennisgeving dd. 24 Oct. 1871, aan het gemeentehuis te Heerenveen aangeplakt geweest, en voorts nog in het Advertentieblad van het arrondissement Heerenveen van den 25 Oct. daaraanvolgende geplaatst geworden; doch dar, behalve dat niet was vermeld, tegen welken dag de oproeping onder de wapenen was gelast, waardoor niet was geconstateerd, tegen welken dag het verlof als geëindigd moest worden beschouwd , niet was opgegeven , in welke van de verschillende gevallen, in art. 144 der militiewet opgenoemd , de gedetineerde had verkeerd; welke opgave daarom te noodzakelijker is, omdat de wettigheid van de toepassing van art. 145 der militiewet, waaruit hier het bestaan van het misdrijf van desertie voortvloeit, geheel afhankelijk is van de wettigheid der gedane oproeping onder de wapenen , en deze wederom , wat het wezen der zaak aangaat, afhankelijk is van het geleverde bewijs der nalatigheid, in een der in art. 144 gestelde gevallen, waarop de oproeping feitelijk is gegrond geworden;

dat, nadat deze bedenkingen aan den voornoemden Krijgsraad waren medegedeeld, dezelve de instructie heeft uitgebreid, het vonnis met de verkregen resultaten aangevuld en hetzelve alsnu, gedagteekend 7 Febr. 1873, aan het Hof heeft opgezonden ;

dat alsnu door overlegging eener missive van den burgemeester van S. en van den militie-commissaris van H. is bewezen, dat de gedetineerde tegen den 30 Oct. 1871 is onder de wapenen geroepen, van welke oproeping behoorlijke afkondiging was geschied, en dat die oproeping heeft plaats gehad, wegens het niet-verschijnen van den gedetineerde ter inspectie en ter na-inspectie, na daarvan behoorlijk te zijn verwittig 1; en dat mitsdien de oproeping onder de wapenen geschied zijnde ingevolge art. 143 der militiewet, deze wettig is geschied en de gedetineerde alzoo, door het niet-voldoen daaraan, ingevolge de artt. 144 en 145, teregt als deserteur is aangemerkt, zoodat de uitgesproken schuldigverklaring behoorlijk is geregtvaardigd; dat evenwel den gedetineerde voor dit misdrijf geene straf is opgelegd, vermits hij bij dit vonnis ook is schuldig verklaard: 1°. aan diefstal van een paar schoenen in eene slaapsteê, jegens iemand, die aldaar met hem verblijf hield, na reeds te voren tot eenzame opsluiting van meer dan zes maanden veroordeeld te zijn geweest; 2°. aan verkoop, immers te zoek maken van groote en kleine equipementstukken; en voor het eerste misdrijf, als valiende in art. 386, no. 4, Strafregt, artt. 11 en 14, no. 7, der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. n<>. 102), op grond van art. 18 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande, is veroordeeld tot eene correctionnele gevangenis-straf voor den tijd van twee jaren , met vervallenverklaring van den militairen stand; dat geene van deze beide schuldigverklaringen tot de bevoegdheid van den militairen regter behooren; dat de beregting van het op 31 Dec. 18 72 begane burgerlijke misdrijf aan den burgerlijken regter had moeten zijn overgelaten, en dat ook het misdrijf van den verkoop van kleeding en equipeinent bij den met groot verlof gezonden milicien, ingevolge de militiewet, is toevertrouwd aan den militie-commissaris ter beoordeeling en bestraffing; dat tot staving van het eerste punt moet worden opgemerkt, dat, blijkens het extract-stamboek, de gedetineerde den 25 Junij 1868, als achterblijver-loteiing van de ligting van 1867, uit de gemeente S. ingedeeld, laatstelijk den 30 Sept. 1870 met groot verlof is vertrokken , toenmaals in dienst gesteld bij het lste regiment infanterie; dat de gedetineerde tegen deu 30 Oct. 1871 voor den tijd van drie maanden is onder de wapenen geroepen, omdat hij in overtreding was bevonden van art. 144 der militiewet, maar daaraan niet heeft voldaan, zoodat hij den 1 Dec. 1871 als deserteur is afgevoerd, terwijl hij eerst den l Jan. 1873, bij het bekend worden van den diefstal, is gearresteerd te L. en naar den militairen regter is verzonden , waardoor de vraag ontstaat, of hij voor dat delict wel voor den militairen regter kon zijn beregt; dat wel door de gedane oproeping het verlof moet geacht worden te zijn geëindigd, maar dat de vraag moet worden beantwoord, of de wetgever, die in art. 130 der militiewet het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande heeft toepasselijk verklaard op de manschappen der militie te land «die zich onder de wapenen bevinden f, geacht moet worden daarmede ook zoodanige miliciens te hebben bedoeld, wier verlof door de oproeping onder de wapenen als straf regtens heeft opgehouden , maar die feitelijk nog niet onder de wapenen zijn teruggekeerd; dat door de bepaalde opnoeming der gevallen, in art. 130 vermeld, waarin de manschappen geacht moeten worden onder de wapenen te zijn, eene legale praesumtie is aangenomen , welke niet tot andere, daarin niet opgenoemde gevallen kan worden uitgestrekt; dat de manschappen geacht moeten worden onder de wapenen te zijn: 1°. zoolang zij zich bij hun korps bevinden ; 2°. gedurende den tijd, dien het in art. 138 bedoeld onderzoek duurt; 3°. in het algemeen, wanneer zij in uniform zijn gekleed;

dat.de met verlof gezonden milicien, die aan de oproeping onder de wapenen niet heeft voldaan en daardoor als deserteur kan wordeu aangemerkt, onder deze gevallen niet wordt vermeld, hoezeer de wetgever over dien toestand verder voorzieningen gemaakt heeft; en dat mitsdien de milicien , die aan zoodanige oproeping onder de wapenen nog niet heeft voldaan , ook niet kan gezegd worden onderworpen te zijn aan de bepalingen van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande, waardoor hij, ingevolge art. 13 van dat wetboek , voor een burgerlijk misdrijf onderworpen zou zijn aan den militairen regter, zoodat de Krijgsiaad voor het burgerlijk misdrijf, in dien toestand door den gedetineerde begaan, zich onbevoegd had behooren te verklaren over dit punt van beschuldiging regt te spreken, en den gedetineerde had behooren te verwijzen naar den burgerlijken regter des competent;

dat dit door het Hof alsnog zal moeten geschieden, evenzeer als het Hof die onbevoegdheid van den militairen regter zal behooren uit te spreken omtrent de schuldigverklaring van art. 193 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande en art. 19 van het reglement van krijgstucht; dat het Hof nopens de schuldigverklaring

Sluiten