Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangev erde feiten, zoodanige instantie te doen tot bewijs daarvan, als hij zal veriiieenen te behooren.

De Regtbank enz.,

Gezien de stukken, alle voor zoover noodig geregistreerd, en daaronder bepaaldelijk:

1°. een brief van Mr. B. Cohen van den 4 Mei 1872 (behoorlijk geregistreerd);

2°. een deurwaarders-exploit van den 6 Mei 11., ten verzoeke van den ged. aan den eischer uitgebragt;

3°. eene .nitantie voor betaalde huurpenningen, door den ged. aan den heer H H. Fenseling afgegeven te Groningen den 25 Oct. 1872 (behoorlijk geregistreerd).

Wat de iaadzaken betreft, zich refererende aan het daaromtrent vermelde b.j het op de expeditie geregistreerd vonnis, den 21 Junij 11. door deze Hegtbank gewezen in zake E. A. de Jong, broodbakker, wonende te Groningen , comparerende bij Mr. B. Cohen , procureur I

aar' a^s eifielier tegen den heer T. Reijenga, fabrikant, wonende te Groningen, comparerende bij Mr. Th. Haakma Theslino, procureur aldaar , als s;od.; bij welk vonnis de eischer is toegelaten om door alle middelen regtens en speciaal door getuigen de daarbij omschrevene eiten te bewijzen, met voorbehoud van de uitspraak omtrent de kosten tot aan het eindvonnis;

Overwegende, dat dien ten gevolge t9r teregtzitting dezer Regtbank Jan den 20 Sept. 11., ten verzoeke van den eischer tien, en den 25 "Ct. 11. ten verzoeke van den ged. vijf getuigen zijn gehoord, blijkens de daarvan opgemaakte , op de minuten geregistreerde, en in copijextract ten processe overgelegde processen - verbaal;

O., dat partijen vervolgens ter rolle de zaak over en weder hebben bepleit, en ten slotte uitspraak verzocht op de stukken;

Wat het fegt betreft:

O., dat het tusschen partijen in confesso is, dat de ter dagvaarding bedoelde hurir-overeenkoinst, wegens het niet-nakomen aan zijde van den verhuurder, den tegenwoordigen ged., moet worden ontbonden, met vergoeding van kosten, schaden en interessen; dat zij het evenwel over het bei rag dier vergoeding oneens zijn, en dit quantum derhalve door don refter moet worden vastgesteld;

0., dat ! : het algemeen, volgens de beginselen, in de artt. 1182 en volgg. B. W. gehuldigd , de vergoeding van kosten, schaden en interessen bevat, het geleden verlies en de wiustderving, welke een onmiddellijk en dadelijk gevolg zijn van de onregtmatige handeling; de nadeelen, die door de ontbinding zelve voor het vervolg worden te weeg gebragt, daaronder begrepen;

O., dat het niet wel mogelijk is, en dan ook door de wet niet Wurdt gevorderd, dat, zoo er schade is geleden en winstderving heeft plaats gehü4, de geledene schade en vooral de gedorven winst met Wiskundige zekerheid worden aangetoond en berekend; maar dat deze door den regter naar de omstandigheden ex aequo et bono moeten Worden beoordeeld en begroot;

0., dat de ged., ten einde aan de op hem rustende verpligting te voldoen, zoowel vóór als na de dagvaarding aan den eischer een aanbod heeft gwlaan, dat de ged., bij conclusie van antwoord, zich alsnog bereid heelt verklaard zijn eerste aanbod, namelijk van den 6 Mei 1872, gestand te doen, en dat het den regter daarom eigenaardig voorkomt 'n de eerste plaats te onderzoeken , of dat aanbod eene voldoende schadevergoeding oplevert;

0., dat door den ged. de actis causae is gemaakt een brief, door den raadsman des eischers op den 4 Mei bevorens aan den raadsman van den ge;. geschreven en hierboven vermeld, waarin gemeld wordt, dat de eisther de zaak met den ged. wil schikken onder deze voorWaarden : |o. dat Reijenga hem het huis van Fenseling bezorge , om d££r als huurder te kunnen blijven wonen, hetzij voor één, hetzij voor vijf ja/en, in het eerste geval onder verpligting van Reijenga de bosten van tiet herstellen van den oven te betalen; 2°. dat bovendien Voor het gemis van de gehuurde behuizing en de daarvan verwachte voordeelen , en voor de schade, dat hij de kermis werkeloos moet 'aten voortgaan en zijne klanten niet kan gerieven, hem door Reijenga worde betaald eene som van f 600; en 3». dat de behuizing dan ook dadelijk moet worden gehuurd; zijnde de echtheid van dezen brief door den eischer niet betwist;

0., dat de ged. daarop, bij exploit van den 6 Mei 1872, de zoo even bedoe.-le behuizing tot den 1 Mei 1873 ter beschikking van den eischer heeft gesteld, onder aanbod om bet jaar huur aan den eigenaar te betalen en om den bakkers-oven van eischer in meergemelde bemzing op zijne kosten te laten herstellen, zoodat de ged. heeft ingewilligd het verlangen van den eischer, zoo als dat aan hem door eo gemeld™ brief sub 1". en 2°. was kenbaar geworden;

•, dat, wanneer de eischer dit aanbod had aangenomen , hij kort a den 6 Mei zijn bakkersbedrijf weder had kunnen uitoefenen, hij g en gevasr had geloopen zijne klanten, door ze niet te kunnen belenen, te verliezen en, wegens zijne verlegenheid om eene woning, enen grooteren huurprijs te moeten betalen;

6 M ^ ie eischer wel beeft beweerd, dat hij het aanbod van den Mei niet kon aannemen , en dat het den ged. niet vrijstond den ischer op eene willekeurige wijze, in de plaats van de gehuurde oning, andere aanbiedingen te doen; doch dat hij , daargelaten de vraag , of iedere vergoeding van kosten, schade en interessen noodwendig in eene geldsom en in niets anders mag bestaan, vergeet, dat het aanbod was overeenkomstig het verlangen, door zijnen raadsman namens hem geuit, terwijl hij ontegenzeggelijk in den toestand, Waarin hij zich door de niet-levering der gebuurde woning bevond aan niets grootere behoefte had dan juist aan de door hem aangeduide woning, welke in die wijk gelegen is, waar de eischer, blijkens 2'jne schadeberekening in de introductieve dagvaardiug, het in zijn belang acht te wonen;

dat na, wel is waar, de ged. de geëischte som van ƒ600 niet beeft aangeboden; doch dat hij daartoe ook niet was verpligt, als hij overtuigd "as, dat hij met zijn aanbod kon volstaan, en hij niet vreesde at aanbod aan 's regters oordeel te zien onderworpen; aan ' 'at bovendien de eischer het aanbod had kunnen en behooren sotn 'a neril,n» c'es no°ds onder reserve van zijn regt op de geëischte 0nw-jVa", f 600, daar het toch gewis den eischer niet vrijstond, door Te 1 01 "*latigheid om het aanbod aan te nemen , de schade te zelvA°°ten' en 200 doende zijne wederpartij te benadeelen en zich

0 n d'a "<ivoordee'e[l; niet voM^'j"1 behoort te worden onderzocht, of dat aanbod al dan

heef j' da' de eischor in zijne schadebegrooting in de eerste plaats hakkel 6erC*' ^at gedurende een half jaar zijn bedrijf van v«n n;t't kan uitoefenen, en dat hij daardoor eene schade lijdt ^minst<;ns f 750.

een 'h' i^"' eene schade van f 750 Per half jaar per dag uitmaakt bow ^ van P'us minna f 4.10; dat de eischer echter tevens heeft en n' ri'' 'at z'j" bedrijf juist in de kermisweken stil moest staan , jaar- kermisdagen de meest winstgevende zijn van het geheele

Bit d' l'8t 'en reSter die bewering niet onaannemelijk voorkomt , en on doofde de schade per dag, in Mei geleden, vastgesteld wordt f £ 8 per dag, makende voor zes dagen de som van f 48; Ujd dat de eischer in de derde plaats heeft geposeerd, dat hij nadeel J . doordat hij niet in de gelegenheid is inkoopen te doen van 10,000 £ek'eiK en aDdere artikelen, welke in het voorjaar moeten worden te ''bt> "nadat zij in het najaar of in het geheel niet, 'of zeer duur verkrij^en zijn, welk nadeel door hem begroot wordt op f 200;

0., dat door de verklaringen der gehoorde getuigen regtens is bewezen, dat de Israëlitische bakkers meer eijeren gebruiken dan bakkers van eene andere gezindte, en dat de eijeren in het voorjaar goedkooper zijn dan in het najaar en in den winter; dat het in den aard der zaak ligt, dat de eischer, in de onzekerheid, waarin hij zich in de eerste dagen van Mei bevond, ophield en moest ophouden met het doen van de hier bedoelde inkoopen , en dat hij daardoor eenige schade heeft geleden;

0., dat de regter die schade voor zes dagen in Mei begroot op ƒ 21 ;

O., dat de eischer in de vijfde plaats heeft geposeerd, dat hij in de gehuurde woning een kruidenierswinkel had willen oprigten, en dat hij nu aan dat voornemen geen gevolg kan geven, waardoor hij over vijf jaren eene wiustderving lijdt van f 500;

0. , dat door de verklaringen der gehoorde getuigen voldoende is bewezen, dat de gehuurde woning grooter en ruimer was dan de woning, die de eischer wonschte te verlaten, en dat hij heeft doen blijken van zijn voornemen om bij zijne bakkerij een kruidenierswinkel op te rigten;

0. dat de eischer bij pleidooi heeft erkend, dat hij eene woning had "ekocht, om op den 1 Mei 1873 te aanvaarden; dat hij derhalve gedurende slechts een jaar verhinderd is den verlangden winkel op te rigten, en dat de schade, die de eischer daardoor lijdt, overeenkomstig zijne begrooting, wordt bepaald voor éeu jaar op ƒ 100;

0., dat, wanneer de eischer het aanbod van ged. van den 6 Mei had aangenomen, hij den bakkers-oven na verloop van een jaar zou hebben moeten afbreken, terwijl hij, wanneer hem de gehuurde woning was geleverd, zulks eerst zou behoeven te doen na verloop vap vijfjaren;

0., dat door die vervroegde afbreking de eischer eenig renteverlies lijdt, wat, volgens de berekening des regters, op verre na de som van ƒ31 niet kan bedragen;

0., dat, zoo als reeds boven is overwogen, wanneer de eischer gedaagdes aanbod van den 6 Mei 11. had aangenomen, er niet de rede had kunnen zijn van de posten, in de schadeberekening uitgetrokken sub 2J. en 4o.;

0., dat de schade, door den eischer geleden, ten gevolge van de niet-levering der gehuurde woning, alzoo door den regter wordt begroot op eene som beneden ƒ 200; wordende die schade slechts berekend over de zes eerste dagen van Mei, omdat de tijd, vereischt voor het weder-opmetselen van den afgebroken bakkers-oven , ook zou zijn verloopen, indien de eischer de gebuurde woning had kunnen betrekkeu;

0., dat, blijkens de ten processe overgelegde hierboven vermelde kwijting, wier echtheid niet is betwist, de ged. voor huur van de door hem den eischer aangebodene woning, loopende van den 1 Mei 1872 tot den 1 Mei 1873, aan den eigenaar heeft betaald de somma van f 200;

0., dat derhalve het genot der aangebodene woning nog een weinig overschrijdt de voor schadevergoeding verschuldigde som; en dat de ged., ten gevolge van het hem namens deu eischer kenbaar gemaakt verlangen, geacht moet worden bevoegd te zijn geweest da verschuldigde schadevergoeding in den vorm eener woning aan te bieden;

O., dat uit al het aangevoerde volgt, dat het door ged. op den 6 Mei 11. gedaan aanbod opleverde eene voldoende vergoeding van kosten, schade en interessen; en dat gevolgelijk al de schade, door eischer na dien dag geleden, ten zijnen laste blijft;

0., dat ten gevolge dier beschouwing alle verder onderzoek wordt overbodig;

Gezien art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Verklaart ontbonden de op den 5 Febr. 1872 tusschen ged. als verhuurder, en eischer als huurder, gesloten overeenkomst van huuren verhuur van het onderste gedeelte der behuizing, geteekend F 185, staande noordzijde op de Nieuwstad te Groningen;

Verstaat, dat de ged. met zijn aanbod van den 6 Mei 1872 en de werkelijke praestatie daarvan kan volstaan; en

Veroordeelt den eischer in de kosten des gedings.

(Gepleit voor den eischer Mr. B. Cohen, en voor den gedaagde Mr. G. W. Wijckeuheld Bisdom.)

De eischer heeft tegen dit vonnis appel aangeteekend.

ARRONDISSEMËNTS-REGTBANK. TB MAASTRICHT.

Iturserlijke kanter,

Zitting van den 6 Maart 1873.

Voorzitter, Mr. A. Gordox.

Wanneer het bewijs is geleverd, dat eenig voorwerp op een openbaren verkoop van roerende goederen aan een kooper is toegewezen, en de notaris dat voorwerp niet ov zijn proces-virbaal heeft gebragt, is de overtreding van art. 5, al. 2, der wet van 22 Pluviose VIL begaan. Deze wordt niet weggenomen door het bewijs, dat degeen , ten wiens verzoeke de verkoop werd gehouden , aan den kooper den last had gegeven om bij den verkoop tegenwoordig te zijn, namens hem te bieden en al datgene in te trekken, wat niet een tevens bepaalden prijs zou bereiken.

Mr. J. P. Boots, notaris te Amby, eischer op verzet, tegen

het Bestuur der Registratie, gedaagde op verzet.

De heer officier van justitie, Mr. H. F. Th. van Sghakck, heeft in deze zaak de navolgende conclusie genomen:

Edel Achtbare Heeren, President en Regters! Het Bestuur der Registratie heeft tegen den thans opp. een dwangbevel uitgevaardigd, ter zake dat deze aan den Staat der Nederlanden zou verschuldigd zijn de som vari ƒ 76.45 voor registratieregten, boete, opcenten, interessen en kosten van vervolging, op grond, dat hij op het proees-verbaal van een ten zijnen overstaan als notaris gehouden openbaren verkoop van boeken niet gebragt heeft zeker boekwerk , dat voor de som van f 250 zou zijn toegewezen aan den advokaat Air. L.; welke vordering bij het dwangbevel wordt geschraagd op artt. 1, 2, 4, 14, nQ. 5, 64, 69, § V, n». 1, der wet van 22 Frimaire jaar VII (Buil. des lois n°. 248)', artt. 1, 5, al. 2, 7, al. 4, en 8, voorlaatste lid, der wet van 22 Pluviose jaar Vil (Buil. des lois n». 258), art. 2 der wet van 31 Mei 1824 (Sibl. n". 36), artt. 10, 12 en 16 der wet van 16 Junij 1832 (Stbl. n». 29), art. 1, n<>. 10, litt. d, der wet van 29 Dec. 1871 (Stbl. n°. 1921 en art. 1286 B. W.

'l egen dat dwangbevel is de notaris in verzet gekomen, op grond, dat in dat stuk ten onregte wordt beweerd, dat het daarin bedoeld boekwerk aan den advokaat Mr. L. zou zijn toegewezen voor de som van f 250, en dat, hetgeen ten aanzien van dat boekwerk, bij gelegenheid van den openbaren verkoop, waarvan de rede, is voorgevallen, geenszins een koop en verkoop tusschen de reijuirante der openbare verkooping en den advokaat Mr. L. zou hebben kunnen tot stand brengen.

' en verhuur van het onderste gedeelte der behuizing, geteekend F 185, i staande noordzijde op de Nieuwstad te Groningen;

Daarop heeft het Bestuur der Registratie verzocht, en is bij interlocutoir vonnis dezer Regtbank toegelaten om het feit, waarop het dwangbevel wordt gegrond, door getuigen te bewijzen.

Dienvolgens heeft een enquest, gevolgd door contra-enquest, plaats gehad, waarna partijen tot handhaving en vernietiging van het dwangbevel, bij hare memoriën, over en weder hebben geconcludeerd.

Het blijkt duidelijk uit de verklaringen der vijf getuigen van het enquest, dat het quaestieuse boekwerk, op de voor den opp. als notaris gehoudeue openbare verkooping, in het dwangbevel bedoeld, werkelijk is toegewezen, volgens twee hunner voor ƒ250, volgens een voor f 200 en volgens een ander voor ƒ260 , zoodat men het uit de overeenstemming tusschen twee getuigen er voor kan houden, dat die toewijzing voor het in het dwangbevel bedoeld bedrag van f 250 heeft plaats gehad, terwijl, mijns inziens, even duidelijk door het contra-enquest en ook deels door het enquest is daargesteld:

1°. dat die toewijzing (welke, gelijk tusschen partijen is buiten geschil, niet op het proces-verbaal der verkooping door den notaris is gebragt) niet is gedaan aan den advokaat Mr. L., maar aan diens broeder, den heer L. L.; en

2". dat die toewijzing slechts fictief is geweest, gelijk, volgens twee getuigen van het enquest, meermalen op openbare verkoopingen te dezer stede pleegt te geschijden, en dat door die toewijzing geen eigendoms-overgang heeft plaats gehad, daar de heer L. L. niet voor zich, doch, in het belang der verkoopster, op haren last heeft gehoogd, zoodat, na de hem gedane toewijzing, de eigendom van het quaestieuse boekwerk bij de verkoopster is gebleven, niettegenstaande hij gehoogd had en het boekwerk hem was toegewezen op de gewone wijze, en dus alsof hij voor zich gehoogd en gekocht had.

Dat de toewijzing is geschied aan een anderen persoon dan in het dwangbevel wordt genoemd, zal wel geen ernstig bezwaar opleveren, omdat die verkeerde opgave den opp. in zijn verzet geenszins heeft belemmerd, en dewijl de naam van den persoon, aan wien de toewijzing geschiedt, volgens de wet van 22 Pluviose jaar VII (Buil. des lois n°. 258), regelende de formaliteiten, bij openbare verkoopingen van roerende goederen in acht te nemen, als eene zoo onbeduidende omstandigheid wordt beschouwd, dat .die naam, volgens art. 5, al. 2, dier wet, niet eens behoort te worden vermeld op het proces-verbaal, dat de ambtenaren, met het houden van verkoopingen belast, verpligt zijn pp te maken.

Het Bestuur der Registratie was dus niet gehouden den naam van den adjudicataris in het dwangbevel op te geven; heeft het nu een verkeerden naam vermeld, dan heeft het gedwaald op een volgens de wet onbeduidend punt, waarop het stilzwijgen had kunnen bewaard worden.

Die dwaling heeft den opp. niet verhinderd in verzet te komen, getuigen te doen hooren, memoriën in te leveren; die dwaling heeft hem dus in dit geding in het minst niet benadeeld. Te vergeefs bij gevolg vindt hij daarin aanleiding om te beweren, dat thans, door de stelling van den heer L. L. in de plaats van zijn broeder, eene «ongeoorloofde verandering van eisch» zou ziju tot stand gekomen; die eisch is bestaanbaar zonder eenigen naam van adjudicataris; die eisch zal dus blijven bestaan, niettegenstaande de verkeerde opgave van dien naam.

Kunnen nu registratieregten geheven worden op eene toewij zing bij openbaren verkoop van roerend goed, wanneer die toewijzing, zoo als de onderwerpelijke, geen eigendoms-overgang heeft ten gevolge gehad; en, is de openbare ambtenaar, die zulk eene toewijzing heeft gedaan, strafbaar met de boete van 100 fr., bedreigd bij art. 7, al. 4, der voormelde wet van 22 Pluviöse jaar VII, wanneer hij van die toewijzing geene melding maakt op het proces-verbaal, dat hij, volgens art. 5, al. 2, dier wet, moet opmaken, opdat, ingevolge art. 6, al. 2, derzelfde wet, op het bedrag der in dat stuk uitgetrokkene sommen het proportionneel registratieregt geheven worde, bedoeld bij art. 69 § V, 11'. 1, der wet van 22 Frimaire jaar VII (Buil. des lois n°. 248) en bij art. 12 der wet van 16 Junij 1832 [Stbl. n°. 29)?

Ik geloof, dat deze tweeledige vraag niet dan voor toestemmende beantwoording vatbaar is.

Wel is waar, is eene toewijzing of adjudication bij verkoop in den regel eene acte, eigendoms-overgang ten gevolge hebbende. Wel is waar, wordt zoodanige toewijzing onder de acten van eigendomsovergang gerangschikt bij de twee laatstgemelde artikelen uitsluitend tot acten, die overgang van eigendom bewerkstelligen, betrekkelijk , op welke artikelen de vordering tot betaling van proportionnele registratieregten geschraagd wordt; doch ik geloof, dat, zoodra toewijzing heeft plaats gehad, het Bestuur der Registratie het er voor mag houden, dat eigendoms-overgang is bewerkstelligd. Hebben partijen zoodanigen overgang niet gewild, niet bedoeld, daarmede heeft de Registratie niets te maken. Zij kent en kan niet kennen de van den gewonen aard der toewijzing afwijkende bedoelingeu van partijen, die dikwijls niet dan op mondelinge overeenkomsten gegrond zijn. Zij kent slechts de openbare toewijzing; deze alleen kan zij constateren, aan deze alléén kan zij zich houden. Waar zou het heen, indien de Registratie , alvorens regten te mogen heffen, het ernstige , het niet-fictieve der toewijzing zou moeten daarstelleu? Die verpligting, indien zij bestond, zou de heffing van de regten b.jna onmogelijk maken en zou zich, indien zij ten aanzien der toewijzingen, waarvan thans de rede, mogt worden aangenomen , ook moeten uitstrekken tot alle handelingen en acten, in de twee laatstgemelde wets-artikelen bedoeld. De Registratie zou dus steeds moeten bewijzen, dat verkoopingen, afstanden, verbruikieeningen en andere acteu, waarop zij regten zou willen heffen, werkelijk eigendoms-overgang hebben ten gevolge gehad. Zoo iets kan de wet niet vorderen; en men mag dus ongetwijfeld aannemen, dat het materieel feit van toewijzing, verkooping, verbruikleening of andere soortgelijke acte voor de Registratie voldoende is, om, op grond van eigendoms-overgang, proportionnele regten te eischen

Dit is dan ook zoo begrepen door het Hof van cassatie in België en bij een vonnis der Regtbank te Brussel van 2 Nov. 1872, aangehaald in het Weekbl. voor Notaris-ambt en Registratie, n°. 15 7, waarin de volgende overweging voorkomt:

«Attendu, ainsi que 1'a jugé la cour de eassation dans sonarrêtdu 19 Mai 1859, que le droit est dü par le fait de 1'adjudicalion; que ce fait établit, aux yeux de Tadministration, la présomption légale de la transmission de la propriété et que 1 huissier, en insérant a son proces-verbal des énonciations contraires & ce fait, contrevieut a

la loi.» . . , ,,.

In casu was dus, volgens die leer, registratieregt verschuldigd, en heeft alzoo de notaris, door niet-vermelding der adjudicatie, gelijk hij, ingevolge art. 5, al. 2, der wet van 22 PluviÖ.>e jaar VU, verpligt was te doen, in zijn proces-verbaal een verzuim gepleegd, waarop bij art. 7, al. 5, dier wet eene boete van 100 fr. is bedreigd, welke boete thans, met het registratieregt en de accessoria, mijns inziens teregt door de administratie wordt gevorderd ; in welk gevoelen ik 'nog be vestigd word, wanneer ik naga, dat de notarissen en andere ambtena ren, volgens gemeld art. 5, al. 2, der wet van Pluviöse, verolist ziin ieder toegewezen voorwerp onverwijld (de suite, op hun proces verbaal te brengen, waaruit volgt; lo. da[ aie ambtenaren dit moeten doen, voordat Zij hebben kunnen nagaan en onderzoeken, of de toewijzing al dan met fictief is geweest; en 2». dat, daar, volgens art. 6, al. 2,

ier wet, het registratieregt op het bedrag der somuien, op het proces-

;Op te maken.

Sluiten