Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uonderdag, 17 Julij

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

V]JF- EN-DERTIGSTH JAARGANG.

- JUS ET VERITA8.

Dit blad verschijnt des Maandags en. Donderdags, en om. de veertien dagen, ook des Dingsdaqs. —• Prijs ner iaarnn*„ f on h 7 * * 7

tlM Prij, 20 oe.„ per re,el. - BijJ,a,„, iriln L fr.Z Z 2 7,7 ' J . *»>»*** ftm~ p*, fo.t mei

c V,tl.. g_.r.: • • ' "" ''< *S«HM n*U,<Ua.d: H.asen.teiü

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Haaner van Strafzaken.

Zitting van den 23 Junij 1873.

f' Voorzitter, Mr. J. IJ. W. Pape.

Moedwillige manslag. — Lijst tan getuigen. — Nieuwe ge-

tuioe. — abtt. 181 en 185 slilafvokd. — testimonium db auditu. — Aanwijzingen.

Is art. 181 Strafvord. geschonden wanneer tot het hooren van een nieuwen getuige, wiens naam niet voorkomt op de lijst der getuigen , van wege den proc.-gen. aan den beschuldigde beteekend de toestemming van den beschuldigde niet is gevraagd ? — Neen!

S, zoo al art. 185 Strafvord. in casu, ten opzigte van denzelfden getuige, met behoorlijk ware in acht genomen, op die niet-inacht-neming de straf van nietigheid bedreigd? — Neen.

Zjijn de artt. 442 en 443, in verband met art. 434, Strafvord. gesc muien door de verklaring der moeder, geene eigene waarneming in wadende, maar alleen bevattende hetgeen zij van hare dochter in betrekking tot de verslagene, daags na het gepleegde feit, heeft vernamen, als een testimonium de auditu te beschouwen? — Ja.

- 'logen a/mwijzingen door aanwijzingen worden bewezen ? — Neen.

™?VBe';klr",n' 0ud een-c'>-veertig jaren, landbouwer, geboren te Oldebroek, wonende te Hoorn, gemeente Heerde, is req. van cassatie tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Gelderland van den 20 Maart 18/3, waarbij hij, met vrijspraak van hetgeen hein meer bij acte van beschuldiging is ten laste gelegd, is schuldig verklaard aan de misdaad van doodslag; en, met toepassing der artt. 295 en 304 Strafregt en art. 2 der wet van den 29 Junij 1854 (Stbl. n«. 102), veroordeeld tot tuchthuis-straf van twintig achtereenvolgende jaren, en ii'h Je i'" Kl de kosten van bet geding, met last, dat het arrest bij i reksel zal worden gedrukt en aangeplakt binnen de gemeenten " ïern en lieerde, en bevel tot teruggave der voorwerpen, weJke hebbJnden^ n^S"S^U^^en bebben gediend , aan de eigenaars of regt-

Nadat te dezer zake door den raadsheer Schuorman het verslag wa3 ultgebr,gt en de advokaat van den req., Mr. G. Bbluwante ,

PoJs0dre'v(Tg 1 P1^001 had tO0«elicht> ^eft de adv.-gen.

rOLis de voigende conclusie genomen :

beSrf^ A°htl"":e Heerf"> p™ident en Raden ! De req. is bij het eeleldfl;, 'e T^VriJ?eSproken Vau eeu gedeelte der hem ten laste ontvInkfilHW n' voorziening is echter onbeperkt. Zij is dus nietontvankelijk V00r zooverre zij de vrijspraak betreft.

bij memorie m VaD cassat'e z'Jn aangevoerd, deels bij pleidooi, deels

din^van6'»!-! ' dat da geëerde pleiter voordroeg, heet: schen-

van ppn n-nt Strafvord., door het hooren ter openbare teregtzitting gen onthei' Se' ni6t door °Pgeroepen, maar door den adv.-

of 7iin vei- i' e" zouder dat daartoe de toestemming van den besch.

irt , lll<er is gevraagd.

is her linnl»''ICht'ng V8n het middel is gebleken, dat daarbij bedoeld on de liist ' Va" d?" getu'ge R' K°lk > wiens naam niet voorkomt wes?e den getuigen> die, overeenkomstig art. 174 Strafvord., van baal der tïr "*l~^e"' aan den besch. is beteekend. Uit het proces-ver-

krachtens ari T den 13 Maart bl«kt echter' dat bet Hof,

den eehoord" Strafvord., bevolen heeft.dat die getuige zou worhooren van ,"a den 21sten a«- 181 kan dus door het

=en2r'Jr z«n geschonden, om het even of hij ,

absent was •rÏ2or door het Hof werd gelast, reeds aanwezig of nog

deurwaarder Z*l 06 b/paUng Va" art" 181 Strafvord: dat df deurwaarder ,,al kunnen worden gelast om zelfs andere getuigen dan

die, welke <,p de lijst zijn vermeld, dadelijk ter teregtzitting mede te brengen, Uit den aard der zaak alleen betrekkelijk is tot niet aanwezige personen , en daardoor niet is uitgesloten 's Hofs bevoegdheid tot het hooren van getuigen , die aanwezig zijn , en wier oproeping of medebren^ing door een deurwaarder dus onnoodig is, — besliste de Hooge Raad reeds bij zijn arrest van 27 Mei 1845 , v. d. Honebt, Strafr. en Strafvord., XIII, p. 312, op grond o. a., dat door de bevoegdheid van het Hof getuigen te hooren, die niet op de lijst voorkomen, te Inperken tot niet aanwezige personen, aan art. 181 Strafvord. eene uitlegging zou gegeven worden lijnregt in strijd met des wetgevers bedoeling, de aanwending namelijk van alle mogelijke be°T) t mi('de'en ter ontdekking der waarheid.

toestemmin!?'*" ' verh°or door het Hof bevolen is, slechts met

gehoord bf' 'a".dei! besch. of zijn verdediger zouden kunnen worden Strafvord. t.,'„"ï!' "ïets l)oegenanmd; en de aan het Hof bij art. 181 de besch. het' • e"de bevoegdbeid zou dan ook illusoir zijn, indien te maken. 'a zl-) "e magt had het Hof te verbieden daarvan gebruik

Het tweede bii .

art. 185 Str;,fVOrd do r VÜOTgesteIdli middel heet: schending van de president heeft verzuim Tntdat diezelfJe getuige was gehoord, getuigenis iet, had in te brengén. ^ VmSSa' °f hÜ die°S

Het middel mist allen feiteliikó^ , TT. , , , ,

teregtzitting van den 14 Maart bhikTT; liet proces-yerbaa der R. Kolk wah gehoord, op het bezwarende besch nadat de getuige raam „ i . i '■ .. "arende van die getuigenis opmerkbaren n ? L* Z,Jne rninente or,tkenteriis is blijven vol-

- Dte be^h- ,s..dus 111 de .tegenheid gesteld geweest zijne brele i?e," de verklannSJan den getuige Kolk in het midden te V r-'rf daard0ür 18 aan het voor8ch"ft van art. 185, 1ste lid, or. ta"ff overigens de nal°v,ng van bet voorschrift den regter niet

P straue vati nietigheid bevolen is, besliste de Hooge Kaad, behalve j de arresUm, aangehaald bij LÉon, ad art. 185, sub n°. 3,' p. 1300,

' 3 uu/iw /«et U,l l. rr j OirajUOrU. C/e-

sc on/len door de verklaring der moeder, geene eigene waarneming

ook bij arrest van 17 Oct. 1871 ( Weekbl. no. 3395 , v. d. Honert Strafr. en Strafvord., 1871 , p. 287).

Als derde middel voerde de pleiter aan : schending van artt. 442 443 , 1ste al., in verband met artt. 445 en 190, 1ste al., Strafvord.! door indirect eene aanwijzing te putten uit eene onbeëedigde verklaring.'

Het middel betreft de zesde der aanwijzingen , door wier bestaan en overeenstemming, zoo onderling als met het bewezen misdrijf zelf, het Hof in de 35ste overweging bewezen oordeelt, dat de besch. op den 28 Nov. 1872 omstreeks schemeravond in zijne woning te Hoorn, gemeente Heerde, zijne vrouw moedwillig van het leven heeft beroofd; en die aanwijzing is, dat de vrouw van den besch. tot aan en ook na zijne terugkomst inet de kar ongedeerd is geweest. Die aanwijzing is, blijkens de 32ste overweging, bewezen door de beëedigde verklaringen van getuigen, in onderling verband beschouwd, d. i. door d: getuigenissen, opgenomen in de 27ste, 29ste, 30ste en 31ste overwegingen , zoodat tot vestiging van 's Hofs overtuiging, dat de verslagene nog leefde, toen de req. met de kar te huis kwam, ook heeft medegewerkt de beëedigde verklaring van de weduwe Regterschot, dat, toen in den morgen van den 29 Nov. de op vrouw Beekman gepleegde moord ten haren huize werd verhaald , hare dochter Hendrikje haar terstond hare bevinding van den vorigen avond heeft medegedeeld: bevinding, die opgenomen is in de 28ste overweging van het arrest, waarin vermeld wordt, wat omtrent dit punt door de veertien-jarige, tot inlichting gehoorde, H. Uegterschot, als door haar in den avond van 28 Nov. ondervonden, is opgegeven.

Maar nu geloof ik niet, dat dit is het indirect putten van eene aanwijzing uit eene onbeëedigde verklaring, of het bezigen van eene getuigenis de auditu , maar wel het als bewijsmiddel eener aanwijzinsj gebruiken van eene andere aanwijzing, namelijk van het feit dat de veertien-jarige H. Regterschot, daags na het voorval, aan hare'moeder heeft verhaald, wat zij, tot inlichting geboord, ook voor het Hof heeft opgegeven. En dit is dan ook niet de éénige aanwijzing, die als bewijsmiddel der zesde aanwijzing gebezigd is, vermits, blijkens de 31ste overweging, daartoe ook heeft gediend de, blijkens de 8ste overwegina door den burgemeester in den avond van den 28 Nov. geconstateerde toestand der keuken. M. i. zijn, voor wat de zesde aanwijzing betreft, de voorschriften der wet omtrent het bewijs van aanwijzingen niet in acht genomen; en vermits de schuldigverklaring en veroordeeling van den req. ook op die aanwijzing berust, zoo zijn bij het beklaagde arrest geschonden de artt. 427 jo. 443 Strafvord., en is het derde middel in zooverre gegrond.

Het vierde door den pleiter voorgedragen middel heet: schending van de artt. 442, 443, Iste al., in verband met art. 434, 2de al., Strafvord., door onderscheidene aanwijzingen te putten uit bijzondere meeningen, redeneringen en indrukken.

De pleiter deelde ons mede, dat hij bij dit middel op het oog had de zesde, de zevende en de derde van voorbedoelde aanwijzingen.

Hoe de zesde aanwijzing bewezen is, heb ik reeds gezegd. De 2de overweging, waarop de pleiter gewezen heeft, komt daarbij niet in aanmerking, en ook niet de 25ste; en meeningen, gissingen of indrukken van getuigen heb ik in de 27ste, 29ste, 30ste en 31ste overwegingen niet gevonden.

De zevende aanwijzing is, dat kort na de terugkomst van den besch. het gekerm eener vrouw in zijne woning is gehoord. Die aanwijzing is verkregen door de beëedigde verklaring van den getuige Kroese, opgenomen in de 31ste overweging: «dat hij gepiep en gekerm, als van eene vrouw afkomstig, heeft waargenomen», doch dat is geene gissing, maar wel de mededeeling van hetgeen de getuige zelf heeft ondervonden.

De derde aanwijzing, dat de besch. onmiddellijk na het ontdekken van het misdrijf en ook in de volgende dagen geheel tegenstrijdige opgaven heeft gedaan omtrent zijne eerste bevinding bij zyne tehuiskomst, berust niet, zoo als de pleiter beweerde, op indrukken van getuigen , maar, voor wat betreft de opgaven van den req. onmiddellijk na het ontdekken der misdaad, op pertinente verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de req. hun in den avond van den 28 Nov. heeft medegedeeld (men zie de 5de, 7de en 8ste overwegingen). Andere opgaven van den besch. omtrent ditzelfde punt, »in de volgende dagen» gedaan, zijn in het arrest niet te vinden, en zijn dus ook daarbij niet op grond van onwettige bewijsmiddelen bewezen verklaard. Wat de besch. heeft voorgewend en later weêr heeft ontkend omtrent een diefstal, die ten zijnen nadeele zou zijn gepleegd, vormt eene afzonderlijke aanwijzing, nl. de vierde. Daartegen is het middel niet gengt, en die aanwijzing is ook wettig bewezen , zoo als blijkt uit de 1ste, 5de, 6de, 8ste en 11de overwegingen.

Zoo als het vierde middel is geformuleerd acht ik het ongegrond Op de daarbij besproken derde aanwijzing kom ik echter nog later terug.

Ik ga thans over tot de behandeling der bij de memorie voorgestelde middelen.

Het eerste luidt: schending van de artt. 211 j'. 206 Strafvord. omdat het arrest op verschillende punten niet voldoende is gemotiveerd. Die punten worden in de memorie aangewezen sub litt. a tot en met f. Ik zal ze kortelijk onderzoeken.

Sub a wordt beweerd , dat in de 1ste overweging de verklaringen van de getuigen van den Berg, Brinkhuis, Augustinus, Vorstelman en Draaijer in e'e'n adein genoemd worden, zonder dat blijkt, wat uit de verklaringen dezer vijf getuigen, die, volgens den steller'der memorie, geenszins eensluidende verklaringen hadden afgelegd, is gerelateerd, zoodat eene voor de verdediging belangrijke omstandigheid, door een der getuigen opgegeven , is verzwegen.

De bewering is in strijd met de overweging, waartegen zij is gerigt (de 2de, niet de 1ste); want daaruit blijkt, dat de getuigen van den Berg, Brinkhuis, Augustinus, Vorstelman en Draaijer hebben bevestigd , als door hen waargenomen en ondervonden , wat door den getuige Hofineijer was verklaard omtrent de ontdekking der misdaad, en de houding van den besch. daarbij. Of die getuigen die opgave werkelijk bevestigd, en of zij niet meer of anders verklaard hebben, kan in cassatie niet worden onderzocht, daar bjj geene wetsbepaling

is voorgeschreven, dat alle getuigenissen in extenso in het arrest van vei oordeeling moeten worden opgenomen.

, ,Watb W0Jdt aangevoerd is van feitelijken aard. De vraag, of vo!=i !T -ten onregte heeft aangenomen, dat vrouw Beekman

ag«n is door iemand, die linksch is, staat niet ter beantwoording

2 w"wrefe,r ln KCaSSatie" Hier is het s'ecbts de vraag, of het feit Rppt ° achtste aanwijzing van schuld laat gelden, dat vrouw Beekman is verslagen door iemand, die, gelijk de rea linksch i« on zij zich met den regterann heeft verwed fopVe&ge S i^be

SS*; het geval] ^ ^ ^ 25St6 35ste --wegingen

Onjuist is, wat sub c wordt beweerd, dat het Hof, zonder eenuren grond op te geven, in de 12de (zegge I3de) overweging zou hebben aangenomen, dat in casu aan geen zelfmoord te denken viel want dit IS in die overweging slechts eene gevolgtrekking uit het 'in den voorafgaanden considerans bewezen geoordeelde feit, dat al de wonden, op het lijk der verslagene gevonden, en die, volgens 's Hofs beslissing, den dood der verslagene veroorzaakt hebben, haar door iemand zijn toegebragt, tegen wien zij zich heeft verweerd.

Sub d wordt geklaagd, dat de opgaven van den req. terstond na het ontdekken der misdaad tegenstrijdig genoemd worden, zonder dat van zoodanige tegenstrijdigheid blijkt, en niet blijkt, welke tegenstrijdige opgaven en aan welke getuigen worden bedoeld. "

De opgaven, door den besch. onmiddellijk na het ontdekken der misdaad gedaan, zijn in het arrest, als door getuigen gehoord en voor het Hof verklaard, opgenomen; en of de judex facti die opgaven teregt tegenstrijdig heeft genoemd, kan hier niet worden uitgemaakt Ik heb het eemer reeds gezegd, en ook de pleiter heefc er op gewezen, dat van opgaven des beschuldigden, gedaan in de op de ontdekking der daad volgende dagen, in het arrest geene sprake is. Niettemin zijn ook die opgaven in de derde aanwijzing opgenomen, zoodat, vermits niet kan worden nagegaan, hoe die omstandigheid tot de kennis des regters gekomen is, het arrest, wat dit punt betreft, niet voldoende is gemotiveerd, en iu zooverre het eerste der bij memorie voorgestelde middelen is gegrond.

Dat dit ook, zoo als de pleiter beweerde, zou gelden voor de tweede aanwijzing, voor zooverre betreft het mede daarin opgenomen feit, dat de besch. zich niet ontzag zijne vrouw te mishandelen , kan ik niet toegeven, omdat, blijkens de 16de overweging, een getuide heeft verklaard gezien te hebben, dat de besch. zijne vrouw met een hulpzeel sloeg.

Van feitelijken aard is ook de in de memorie sub e vermelde grief dat het Hof niet heeft aangewezen het verband , dat zoude bestaan tusschen het vinden van het lodorijndoosje en het bewijs van schuld want daartoe was het Hof niet krachtens de wet verpligt, indien he't al het vinden van het lodorijndoosje als eene aanwijzing van schuld had laten gelden , wat echter ook het geval niet is , zoo als uit de 35ste overweging blijkt.

Eindelijk kan de bewering sub f, dat het Hof had moeten overwegen , hoe het niet-vinden van mes en geld te rijmen is met het aangenomen bewijs van schuld, niet tot cassatie van het arrest leiden omdat bij de wet den regter wel de verpligting is opgelegd de grou-' den op te geven , waarop zijne beslissing berust, maar niet om alle bedenkingen op te lossen , die tegen zijne uitspraak zouden kunnen worden geopperd, en het in cassatie dan ook slechts de vraag is : of 's regters beslissing, dat het misdrijf is gepleegd en de veroordeelde zich daaraan heeft schuldig gemaakt, steunt op wettige bewijsmiddelen, zonder dat do innerlijke waarde dier bewijsmiddelen kan worden onderzocht.

Als tweede en laatste middel wijst de memorie aan: schending van de artt. 443 , lo#J jo. art. 183 , al. 2 , Strafvord., omdat een aantal in het arrest bewezen verklaarde feiten en omstandigheden tot het bewijs van schuld hebben medegewerkt, terwijl deels niet blijkt, hoe het Hof tot de wetenschap daarvan is gekomen, deels niet blijkt, dat die aanwijzingen zijn geresulteerd uit beëedigde verklaringen. Gewezen wor t op de 2de, 14de, 15de, 19de, 22ste overwegingen (zegge de dde, I5de, 16de, 20ste en 23ste overwegingen). Maar daaruit blijkt luce clarius, hoe het daarin vermelde ter kennis van den regter gekomen is , nl. doordien dit door getuigen is verklaard ; en dat die getuigen allen beëedigd waren, het blijkt uit het proces-verbaal der teregtzitting en het behoeft niet te blijken uit het arrest. ''Men zie het arrest van den Hoogen Raad van 28 Maart 1871, Weekbl. no. 3319.ï Het tweede middel acht ik dus niet gegrond.

Mijn gevoelen is , dat bij het beklaagde arrest regt is gedaan op eene aanwijzing, die niet op wettige wijze bewezen is, en op eene andere, waarvan niet blijkt, hoe zij bewezen is; dat dus de motivering en de bewijsvoering niet in alle opzigten voldoen aan den eisch der wet, en op die gronden het arrest zal behooren te worden vernietigd.

Ik heb de eer te concluderen tot niet-ontvankelijk-verklaring der voorziening, voor zooverre zij de vrijspraak betreft; overigens tot vernietiging van het beklaagde arrest en verwijzing der zaak naar een aangrenzend Hof, om, met instandhouding der gegeven vrijspraak , op de bestaande acte van beschuldiging te worden beregt en afgedaan; de kosten te voegen bij die der tind-nitspraak.

De Hooge liaad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi, alsmede bij memorie, bestaande in :

1°. schending van art. 181 Strafvord., door het hooren ter openbare teregtzitting van een getuige, niet door het Hof opgeroepen maar door- den adv.-gen. ontboden , en zonder dat daartoe de' toestemming van den besch. of zijnen verdediger is gevraagd •

20. schending van art. 185 Strafvord., omdat, nadat diezelfde getuige was gehoord, de president heeft verzuimd den besch. te vrairen of hij tegen diens getuigenis iets had in te brengen •

3«. schending van de artt. 442 en 443 lat» „1 ' • u j de artt 445 en 1 Qfl 1 „1 es. r T ' a'*< ln verband met

zino- te nutten uit ppnp k ® a ord-> door indirect eene aanwijzing te putten uit eene onbeeedigde verklaring •

4". schending van de artt. 442, 443, iste £ iu verband mot art.

Sluiten