Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stallen hunne regtvaardige vorderingen tegen Nederlanders te erlangen,

en de Japansche geregtshoven zullen gelijkerwijs voor Nederlanders I open zijn ter erlanging hunner regtvaardige vorderingen tegen Ja- ; panners; .dat bovengemeld geschil over de betaling van door de i eischeresse gekochte boomwas is gerezen vóo'r het tot stand komen ' van de wet van 25 Julij 1871 (Stbl. n°. 91), regelende de consulaire 1 regtsmagt; en dat in dien stand van zaken de consul der Nederlan- I den te Nagasaki, blijkens behoorlijk geregistreerd schrijven, thans in ! onginah geproduceerd, van den 18 Mei 1869, aan de eischeresse j lieett medegedeeld, dat, vermits de in het werk gestelde pogingen ! om ten aanzien van meergemeld geschil tot een regtvaardi<* oordeel ! te geraken, vruchteloos waren geweest, hij met hel Japansch Bestuur i was overeengekomen, de bedoelde quaestie aau de beslissing te onderwerpen van twee te benoemen consuls, wier uitspraak in deze voor beide partijen verbindende zoude zijn, waarna hij de eischeresse uitnoodigt om hem te doen toekomen eene schriftelijke uiteenzetting der gronden, waarop door haar de betaling der gekochte boomwas wordt geweigerd, en eene verklaring, dat zij zich onderwerpt aan de uitspraak der consuls, welke als scheidslieden zullen optreden;»

O., dat diezelfde consul voorts aan de eischeresse bij schrijven van den 21 Julij 1869 (behoorlijk geregistreerd; heeft berigt, welke consuls zich op zijn verzoek bereid hadden verklaard het bedoelde ge- , schil te beslissen, en bij haar later afschrift van de gevallen beslissing heelt doen toekomen, onder kennisgeving, dd. 7 Dec. 1869 (behoor- , lijk geregistreerd; , dat hij even als de gouverneur der haven zich 7 volkomen met die beslissing vereenigde; t

O., dat uit dit een en ander volgt, dat de Nederlandsche consul * zich bij zijne bemoeijingen omtrent de bewuste zaak niet op het 1 standpunt heeft geplaatst van iemand, die, op burgerregtelijk gebied, namens of ten behoeve van een ander als mandataris of als negoüo- f rum gestor optreedt, maar dat hij als consul heeft gehandeld , en als zoodanig, in overleg met het Japansch Bestuur, heeft geregeld, hoe, bij ontstentenis van de bij tractaat van 1858 vermelde consu- u laire geregtshoven, een surrogaat voor die aan zijne landgenooten gewaarborgde regtspraak zou kunnen worden verkregen;

O., dat nu wel grond bestaat om aan te nemen , dat daarbij aan r< vormen en elementen van arbitrale regtspraak is gedacht; doch dat niet ei blijkt, dat zoude zijn bedoeld de geheete beregting der zaak van een g te voren aan te gaan compromis en dus van de inwilliging der eische- IS resse afhankelijk te maken; dat, in stede daarvan, de opdragt door g uen Nederlandschen consul aan andere consuls en de daarop gevolgde Z bekrachtiging van de uitspraak der laatsten door den eersten blijk- k baar aantoonen , dat het hier geldt een consulair vonnis, steunende op de regtsmagt, aau consuls bij voorzegd tractaat toegekend; si

O., dat dus, ter beoordeeling van de eerste grief van de eischende gi firma, alleen in aanmerking kan komen de vraa^, of de Nederland- al sche consul te Nagasaki, door het bedoeld geschil op voorschreven w wijs te doen beslissen, de leden dier firma in een regt, hun in Japan ïr toekomende, heeft gekrenkt;

O., dat zulks het geval niet is; dat noch art. 149 Grondwet, o< noch art. 6 Alg. Bep. daarvoor eenigen grond opleveren, terwijl ee daarentegen de bij deze grief geïncrimineerde handeling reeds daar- te door wordt geregtvaardigd, dat voor de uitoefening' der regtsmagt k: van den Nederlandschen consul in Japan geene vormen hoegenaamd oi waren voorgeschreven, en anders de eischeresse, in strijd met alle be- dt ginselen van internationaal regt, het in hare magt zoude hebben v< gehad om zich te houden buiten het bereik van elke jurisdictie , en J 01 met name ook van die van het land, waar zij gevestigd is, name- ei lijk van Japan; st

O. omtrent het beweren, dat in elk geval het verzuim der scheidslieden en later van den consul zelf om de eischeresse in hare mid- va delen van verdediging te hooren, de geheele beslissing zoude vitië- sp ren, dat de eischeresse door den consul bij diens boven aangehaald IS schrijven van den 18 Mei 1869 is uitgenoodigd geworden om eene ht schriftelijke uiteenzetting der gronden in te dienen, waarop door haar M de betaling der gekochte boomwas werd geweigerd; dat zij echter, hc blijkens hare erkentenis bij do memorie van grieven , onwillig is ge- in weest om aan die uitnoodiging gehoor te geven, en dat die onwil in vo deze procedure evenmin als in elke andere de uitwerking kan hebben om de beslissing der zaak onmogelijk te maken of de gevolgen ha dier beslissing te verijdelen; di<

O. derhalve, dat deze grond tot regtvaardiging van de eerste grief gr der eischeresse niets afdoet; vr

O. ten aanzien van de tweede, derde en vierde grief, dat, nu de tef beweerde onregtmatigheid van de ten deze bedoelde regtspleging en ve beslissing op grond van de voorafgaande overwegingen buiten aan- de merking moet blijven,— er van de onregtmatigheid der verdere ban- va delingen van den consul alleen dan sprake zoude kunnen zijn , wan- be neer die onvoorwaardelijk verboden, en dus ook als middelen, om de> aan een regtvaardig en regtmatig oordeel gevolg te doen geven, on- zij geoorloofd waren ; va

O. nu, dat noch door 'de uitnoodiging aan het Japansch Haven- vo bestuur om aan de eischeresse verlofbrieven voor het laden en lossen he van goederen te weigeren, noch door de kennisgevingen aan de ras eischeresse zelve, eerst, en wel bij schrijven van den 11 Jan. 1870 dei (behoorlijk geregistreerd), dat aan hare firma de consulaire bemoei- bei jingen niet zullen worden verstrekt om haar tot de incassering van dec schuldvorderingen ten laste van Japanners behulpzaam te zijn, en later hel tij mededeeling van den 11 Aug. 1870 (behoorlijk geregistreerd), de dat de zorg voor de invordering der bewuste schuld aan het Japansch hei Gouvernement werd overgelaten,— eenig wettelijk voorschrift is over- eer treden, terwijl het beroep der eischeresse op art. 7 van het Kon. ver besluit van den 21 Dec. 1846, hetwelk aan de consuls de verplig- dei ting_ oplegt om «bij elke gelegenheid de Nederlandsche handels- en ] fabrieksbelangen voor te staan,'/ tot het omgekeerde voert van hetgeen Ik de eischeresse daaruit afleidt, daar de genoemde belangen voorzeker (\\ niet zouden worden gediend, door aan Nederlanders, in den vreemde ( l\ gevestigd, gelegenheid te laten zich met betrekking tot de door hen (v. jegens inlanders aangegane verbindtenissen buiten het bereik te hou- 18; den van elke jurisdictie, waaraan zij niet verkiezen zich te onder- is; werpen ;

O. eindelijk, dat de beslissing bij het arrest a quo, dat het gevolg, de door het Japansch Havenbestuur aan de uitnoodiging van den consul 0f gegeven, is eene daad niet van den consul, maar van dat Bestuur, de steunt op de regelen van toerekenbaarheid, welke in deze materie bur gelden ; dat voorts bij dat arrest met betrekking tot de bij de derde wai grief bedoelde verklaring (thans bewezen door de productie van den het originelen brief van den II Jan. 1870, behoorlijk geregistreerd, gee waarin die verklaring is vervat) teregt is overwogen, dat de eische- daa resse, die zelve weigerachtig was eene door het consulaat regtvaardig niel geoordeelde schuld jegens eenen Japanner te voldoen, niet eens heeft An geposeerd, veelmin bewezen, dat zij vruchteloos de bemoeijingen van WOi den consul zou hebben ingeroepen om haar bij de incassering harer u;tE vorderingen ten laste van Japanners behulpzaam te zijn; terwijl, wat de laatste grief aangaat, de ongegrondheid daarvan nog hierdoor I wordt gestaafd, dat er aan «schade» niet te deuken valt, wanneer 0 de eischeresse moet geacht worden zich door hare belaling te hebben mei gekweten van eene schuld, die werkelijk ten haren laste bestond, 1 en er nu ten processe geen bewijs voorhanden is, dat dit laatste niet niet het geval zou geweest zijn; 2

0., dat bij het arrest a quo mitsdien teregt de vordering is ont- tref zegd; (

Regt doende in revisie, mei

rs i MÏTSfa gewezen'' eSrS'en tUSS°heD partijen °P den 15 jja"end9 °P een stuk lands, toebehoorende aan den landbou-

a- I Veroordeelt de piwWeBSA Aa • • • ,, ?Ver Pei''er> gelegen in de gemeente Eemne3 en binnen het afgepaalde

^ . veroordeelt de eischeresse m de kosten, m revisie gevallen. jagtveld van Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden, terwijl de drie

in (Gepleit voor de eischeresse Mr. G. Belineante , en voor den ver- J eprs^®r' hunner van jagt-aete en schriftelijke vergunning van den grondre meerder Mr. G. van der Linden.) I eigenaar voorzien waren , doch geen bewijs van vergunning konden n- i I vertoonen van deu jagt-regthebbende op dien grond, en de vierde hen in j — — I als polsdrager en wegwijzer vergezelde;

se 1 14,»r , I dat > blijkens dat vonnis, de uitgesproken schorsing alleen

;n | stratzaken. daarop is gegrond, dat tot verdediging der gerequireerden is aange-

e] : Zittina van den 9 Tum-i iR7q I voe'd' dat ziJ van jagt-acten en vergunning van den grond-eigenaar

[1- 1 I voorzien waren en dns allezins bevoegd tot jagen, daar zij ontkenden,

1- Voorzitter, Mr. J. D W Pafe dat Z. K. H. voornoemd het heerlijk jagtregt bezat op de gronden

;e ... . m de gemeente ) waar z:j jagei](je waren > we]ke verdediging de kan-

ie Jagt. — Heerlijk jagtveld. — Geschilpunt van burgerlijk I tollreSter lleeft geoordeeld te betreffen een geschilpunt van burgerlijk rr regt. — Motieyen. I reSE| van wo'^s beslissing de waardering afhangt van het feit, aan de

° gerequireerden als misdrijf ten laste gelegd ;

e Is ten deze het vonnis voldoende met redenen bekleed ten aanzien I da^' €r m°ge zijn van deze beschouwing, en mitsdien ook der vraag, oj er sprake is van een geschilpunt van burgerlijk van de vraaf > °f de verdediging in deze betrof zoodanig geschilpunt n ragt ? — Neen. I van burgerlijk regt, ais waarover alleen door den burgerlijken en niet

.. , I 00^ door den strafregter kon worden beslist, de voormelde uitspraak

- e ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Amers- I met geenerlei redenen is omkleed; dat bepaaldelijk daarbij niet zijn , olt Z1C" ln eassatie voorzien tegen een vonnis van den kanton- I opgegeven de gronden, waarop de regter van oordeel is geweest dat

I alllaai' van den 11 Maart 1873 , waarbij de tegen S. C. H. I de waardering van het in deze ten laste gelegde feit afhing van de

1 ^rUiIiing, wonende te Amsterdam , C. van üillewijn, wonende te beslissing van een geschilpunt van burgerlijk regt, en dat die uitspraak Waaiden, Mr. i. A. Klinkhamer, wonende te 's Gravenhage, en W. derhalve niet voldoet aan het voorschrift van art. 211 Strafvord. volKoodhart, wonende te Kemues, ingestelde strafvordering is geschorst, gens hetwelk alle vonnissen met redenen moeten zijn bekleedtotdat door den burgerlijken regter zal zijn beslist, of Z. K. H.Prins O., dat het eerste middel van cassatie alzoo is gegrond 'en het Hendris der Nederlanden heeft het heerlijk jagtregt over de gronden, beklaagde vonnis uit dien hoofde moetende worden vernietigd , het gelegen in de gemeente iiiemnes, waarop beklaagden op den 25 Oct. I onderzoek van het tweede middel vervalt •

| 1872 hebben gejaagd. Gezien art. 106 R. O.-

. S.I., . to, den het re„,„e 'feïf,'",™"™ ™° » a»»' uitgebragt, hee.t de adv.-gen. Polis de volgende conclusie genomen : Verwijst de zaak naar de Arrond.-Regtbank aldaar, om op de beEdel Hoog Achtbare Heerenl De strafvordering tegen deze eerenui faafnde, «lagvanrding op nieuw te worden onderzocht en beslist; de reerden, die te regt stonden ter zake v„der doorzien te ^^n k°Ste" 16 V°6gen b'J ^ eind"u»sP'"aak; een schriftelijk bewijs van vergunning van den jagt-regthebbende I " ;=— - — - - —

gejaagd te hebben in het jagtveld van Z. K. H. Prins Hendrik der PROVIWM A I V P ff R ff PTS nn V uw

Nederlanden, onder de gemeente Eemnes, is bij het beklaagde vonnis irKU ViJNOI AJjÜi (iTi ti(UiTSHO V ii,N.

geschorst, totdat door den burgerlijken regter zal zijn beslist, of

Z. K. H. heeft het heerlijk jagtregt op de gronden, waarop de be- I

klaagden hebben gejaagd. I PROVINCIAAL GERKGTSHOF IN ZUIDHOLLAND.

iJe heer req. beweert in de eerste plaats, dat de uitgesproken schor- I sing niet is gemotiveerd, en dus de artt. 206 en 211 Strafvord. zijn «eerste kamer,

geschonden; en in de tweede plaats, dat omtrent de vraag, of Z. K. H„ , ,n,„

als eigenaar van Soestdijk, het heerlijk jagtregt heeft op de gronden, "ittmg van den 24 Jumj 18,3.

waarop door de gerequireerden is gejaagd, door den strafregter had Voorzitter, Jhr. Mr. F. W. A. Beelaerts van Blokland. moeten zijn beslist, en dus art. 6 Strafvord. verkeerd is toegepast. i

Dit laatste beweren steunt op 's Kaads arrest van 8 Febr. 1859 a I Raadsheeren , Mrs. : B. H. M. Haklo , H. J. A. Raedt van Oldenook te vinden bij y. d. Honert, Jagt en Visscherij, VI, p. 7. Met I barnevelt en S. H. Lette van Oostvoorne.

een beroep op dat arrest beweert de heer req., dat de vragen , of de

tegenwoordige eigenaar van Soestdijk het heerlijk jagtregt heeft ver- Tabel XIV, no. 42, der wet op het patentregt. —

kregen op den grond , waarop de gerequireerden hebben gejaagd , en Patentpligtiqheid van societeiten

ot dit regt onder de tegenwoordige wetgeving nog bestaat, geen zoodanig onderwerp van burgerlijk regt uitmaken, dat daarover eene Wordt ergens bij de wet aan het regt van patent onderworpen het voorafgaande beslissing van den burgerlijken regter gevorderd wordt, vormen van vereenigingen of societeiten; dan wel het houden van | omdat die vragen, als behoorende tot het gebied van het publiek regt de plaatsen, waar die vereenigingen of societeiten bijeenkomen, en het jagtregt, voor een onderzoek en beslissing van den regter in e" is alzo° patentpligtig degeen, voor wiens rekening dat lokaal strafzaken vatbaar zij». I gehouden wordt, hetzij de vereeniging zelve, hetzij een bijzonder

Dat is ook mijn gevoelen ; en de Hooge Raad, die bij zijn arrest I persoon ? — In laatstgemelden zin beslist.

van 11 April 1854 (v. D. Honert, .7. en V. IV, p. 240, in de Regtspraak, d. 47, p. 155, voorkomende onder dagteekening van 28 Maart I van Buren, oud negen-en-veertig jaren, notaris en wethouder, 1854) anders geoordeeld had, is op de bij het arrest van 1859 ge- I geboren te Meeuwen, c. s., allen wonende te Charlois, appellanten, huldigde leer, voor zooverre mij bekend, nog niet teruggekomen. bijgestaan door den advokaat Mr, J. Knottenbelt, hun gemagMaar ik behoef mij bij deze regtsvraag niet op te houdenomdat, l'§de >

hoe men ook daarover moge denken, het niet twijfelachtig is, dat dé tegen

in deze uitgesproken schorsing is ongemotiveerd, en het beklaagde den minister van Finantiën , geïntimeerde, comparerende bij den vonnis dus op dien grond zal behooren te worden gecasseerd. rijks-advokaat Mr. J. G. Rochdssen.

De gerequireerden zijn met eigenaars van den grond, waarop zij hebben gejaagd, en zij hebben niet beweerd, dat over het jagtregt op (Zie het vonnis der Ragtbank te Dordrecht van 31 Maart 1873 in dien grond geschil bestaat tusschen Z. K. H. en den eigenaar van den I Weekbl, n°. 3598.)

grond. Zij hebben ook niet de schorsing van de strafvervolging gevraagd , evenmin als het Openb. Min., dat, zonderling genoeg, wel I Het Hof enz.,

tegen de niet verschenen beklaagden verstek heeft gevraagd^ ' doch Gezien de acte van hooger beroep van den 1 Mei 11.;

verder geen requisitoir genomen heeft, en, blijkens het proces-verbaal Gehoord de gedaagden en appellanten in hunne antwoorden en der teregtzitting, nadat de éénig verschenen derde bekl. was gehoord, I middelen van verdediging, door en namens hen aangevoerd;

van het woord heeft afgezien. Tegen den eersten, tweeden en vierden Gehoord de conclusie des geïntimeerden , schriftelijk overgelegd en bekl. is verstek verleend; die beklaagden hebben zich dus niet ver- mondeling toegelicht door den rijks-advokaat, strekkende tot verniededigd. Alleen de verschenen derde bekl. heeft beweerd, dat hij en l'ging van bet appel en tot bevestiging van het vonnis a quo, met zijne mede-beklaagden, permissie tot jagen hebbende van den eigenaar veroordeeling der appellanten solidair in de kosten van het hooger van den grond, waarop zij gejaagd hebben, moeten geacht worden beroeP;

voorzien te zijn geweest van een schriftelijk bewijs van den jagt-regt- I Gehoord den proc.geu., bij monde van den adv.-gen. Mr. van hebbende, die niet zoude zijn Z. K. H., de eigenaar van Soestdijk, I Maanen, strekkende tot vernietiging van het appel en van het vonmaar de eigenaar van den door hen bejaagden grond. De verschenen ! ri's a quo, en verder tot vrijspraak der appellanten van het hun te derde bekl. heeft dus niets anders gedaan dan het feit ontkend, dat laste gelegde, met veroordeeling der administratie in de kosten van hem en zijnen mede-beklaagden was ten laste gelegd. Waarom die ver- I bet geding:

dediging een geschilpunt van burgerlijk regt zou betreffen, wordt in Overwegende, dat de appellanten iu eersten aanleg zijn gedagvaard het vonnis niet gezegd. Het bloote beweren van den derden bekl., dat en bij het vonnis a quo ieder tot eene geldboete van f 25 zijn verde eigenaar van Soestdijk het heerlijk jagtregt niet heeft op den door oordeeld, ter zake dat zij, in den loop van het dienstjaar 1872/1873 hem bekl. bejaagden grond, van welk beweren de aannemelijkheid niet en we' bepaald op 23 Nov, 1872 , als bestuurders eener vereeniging eens is onderzocht, is voor den regter voldoende geweest orn de straf- Tan onderscheidene leden , die, onder den naam van de Eendragt te vervolging te schorsen; en die schorsing is dus ook, voor wat den Charlois , te zamen vormen eene societeit tot uitspanning en gezellig derden bekl. betreft, niet geregtvaardigd. verkeer, van welke societeit de kosten van zaalhuur als anderzins

De jurisprudentie van den Hoogen Raad is in dien zin gevestigd, worden gedragen door de leden der vereeniging , die daartoe aan het Ik bepaal mij tot eene verwijzing naar de arresten van 6 Dec. 1847 ' Bestuur (zijnde de appellanten), op dezelfde quitantie hunne contri( Weekbl. n°. 884, v. D. Honert, 1847, II, p. 367), 21 Nov. 1848 butiën fourneren, ter zake daarvan niet waren voorzien van patent, ( Weekbl. n°. 1001, v. D. Honert, 1848, 11, p. 3i4) , 15 Nov. 1853 noch aangifte hadden gedaan voor het regt van patent, over het dienst(v. D. Honert, 1853 , II, p. 133), 17 Oct. 1854 (v. D. Honert, jaar 1872/1873, voor eene societeits-zaal, waarin eene societeit wordt 1854, II, p. 56), 21 Nov. 1865 (Regtsprd. 81, p. 174), 30 Julij gehouden, gevormd door eene vereeniging van onderscheidene leden, 1870 (Weekbl. n». 3239, v. D. Honert, 1870 , p. 339). die de kosten onderling diagen;

Art. 6 Strafvord. verbiedt den strafregter niet de gegrondheid van te dien aanzien , dat door de volledigo bekentenis der drie

de aanklagt of verdediging te toetsen aan de wet of aan het regt, appellanten , in verband met het door den commies-deurwaarder dei of aan de burgerlijke wet of het burgerlijk regt, maar legt hem slechts directe belastingen te Charlois J. G. F. Stevens den 23 Nov. 11. op de verpligting op de strafvervolging te schorsen , wanneer over het den ambtseed opgemaakt en ten processe overgelegd en voorgelezen burgerlijk regt, waarop de bekl. zich tot zijne verdediging beroept en I proces-verbaal, en met de in eersten aanleg onder eede afgelegde verwaarvan de waardering van het feit afhangt, geschil bestaat. Voor klaringen der aldaar gehoorde getuigen, wettig en overtuigend is het in casu bestaan van zoodanig geschil zijn in het beklaagde vonnis bewezen, dat de appellanten, ten tijde in de aanklagt vermeld , uitgeen gronden hoegenaamd aangevoerd, art. 211 jo. 6 Strafvord. is dus maakten het Bestuur eener vereeniging tot uitspanning en gezellig daarbij geschonden; en ik heb mitsdien de eer te concluderen tot ver- verkeer te Charlois, genaamd de societeit de Eendragt, en dat de nietiging van het beklaagde vonnis en verwijzing der zaak naar de | leden dier vereeniging daartoe twee avonden in de week gedurende Arrond.-Regtbank te Amersfoort, om op de bestaande dagvaarding te eenige uren te zamen kwamen en nog komen ten huize van den worden beregt en afgedaan; de kosten te voegen bij die der eind- get"ige A. van der Hilt, te Charlois, in eene kamer of zaal, -10 uitspraak. gedurende deze uren alleen voor dien besloten kring, maar buiten

die uren als herberg of koffijhuis voor het publiek toegankelijk is > De Hooge Raad enz., of voor andere einden gebruikt wordt; dat de leden dier vereeniging

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij of societeit, om dat gezellig verkeer gedurende die uren in dien bememorie , bestaande in : sloten kring te smaken , aan gezegden getuige als huur voor zijne

_ 1°. schending van de artt. 206 j°. 211 Strafvord., omdat het vonnis zaal jaarlijks betalen 1e som van f 100, welke f 100 door het niet genoegzaam met redenen is bekleed; Bestuur over de leden wordt aangeslagen en aan dien getuige wordt

2°. verkeerde toepassing van art. 6 eod., omdat het hier niet be- uitgekeerd, zonder dat er eenige andere of verdere uitgaaf voor da treft een geschilpunt van burgerlijk regt; vereeniging gedaan wordt; dat'stoelen, tafels, billard en verdere nieu-

Overwegende, dat bij het beklaagde vonnis als bewezen is aangeno- beien, alsmede licht, verwarming en bediening, kortom al wat er men, dat de gerequireerden, ten tijde bg dagvaarding vermeld, zijn j noodig is, door dien getuige wordt verschaft, en dit alles onder da

Sluiten