Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En, krachtens art. 105 R. O., regt doende ten principale op de als bewezen aangenomen daadzaken ,

Verklaart dat die daadzaken opleveren:

1°. het afbreken van een gebouw aan de openbare straat te Sneek, zonder last of vergunning van Burg. en Weth.;

2o. het bij het afweken van een gebouw aan de openbare straat in die gemeente, niet met een behoorlijk staket afsluiten van de plaats van afbraak;

Verklaart den gereq. schuldig aan die overtredingen ;

Verklaart daarop van toepassing de artt. 151, 153 en 164 dei algemeene politie-verordening voor de gemeente Sneek, mitsgaders art. 1 aanhef en al. 9 der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n0. 29), luidende enz.;

Veroordeelt den gereq. te dier zake in twee geldboeten, elke van ƒ 3 ;

Bepaalt, dat, zoo de veroordeelde die boeten niet heeft betaald binnen twee maanden , ra daartoe te zijn aangemaand, elke boete zal worden vervangen door gevangenis-straf van één dag ;

Veroordeelt den gereq. wijders in de kosten , ook die in cassatie gevallen.

PÜOVINCIALE GEREGTS HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GELDERLAND.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 26 Februarij 1873.

Voorzitter, Mr. C. p. Henny.

qüALITEIT. elsch tot het afleggen van slot-reken1no en

verantwoording van het voogdij-beheer, ingesteld zoowel teqen den gewezen toezienden voogd, als tegen den oewezen voogd. gevoerd beheer van gelden eener minderjarige door den toezienden toogd, op verzoek OT met toestemming van den voogd. proceskosten.

J. B. K. en zijne door hem geadsisteerde en geauthoriseerde huisvrouw G. E. v. H., te Oosterbeek, appellanten, procureur Mr. ïï.

G. P. Kolfschoten ,

tegen

T. G. A. M., te Arnhem , eerste geïntimeerde, procureur Mr. F.

Böthlingk ,

en tegen

B. J. r. H., te Arnhem, tweede geïntimeerde, procureur Mr. N. S.

T. A. van Meurs.

Het Hof enz.,

Ten aanzien der daadzaken en procedure :

Wat het regt betreft:

Overwegende met betrekking tot het principaal appel, dat de daartegen door den eersten geïnt. geopperde exceptie van niet-ontvankelijkheid is ongegrond , en derhalve behoort te worden verworpen ;

0. toch, dat, hoewel deze geïnt. in eerste instantie is gedagvaard in zijne qnaliteit, zoo als het exploit luidt, van gewezen toezienden voogd van de tweede appellante, en de vermelding dier zoogewilde qualiteit in de dagvaarding in hooger beroep is weggelaten , evenwel in appel geenszins een ander persoon is gedagvaard, gelijk die geïnt. beweert, dan in eersten aanleg is in het proces geweest, aangezien een gewezen toeziende voogd als zoodanig geen eigenlijk gezegde van zijnen persoon onderscheidene hoedanigheid bezit, maar die integendeel heeft verloren, en dns de eerste geïnt. met de min juiste uitdrukking der introductieve dagvaarding: «in zijne qualiteit van gewezen toezienden voogd», niet in zulk eene eigenlijk gezegde hoedanigheid is in het geding geroepen , maar niettegenstaande die uitdrukking in eersten aanleg, even als in hooger beroep, pro se is gedagvaard, al is het dan ook ter zake van hetgeen hij tijdens zijne vroegere betrekking van toezienden voogd heeft verrigt;

O., dat het principaal appel zelf echter, evenzeer als de daartegen geopperde exceptie van niet-ontvankelijkheid , is ongegrond;

0. immers, dat der appellante vordering, blijkens de duidelijke bewoordingen der dagvaarding, strekt om aan beide geïntimeerden, van welke, zoo als bij alle partijen in confesso is, de eerste is geweest de toeziende voogd en de tweede de voogd van de door haar huwelijk met den eersten app. meerderjarig geworden tweede appellante, te verkrijgen de slot-rekening en verantwoording van het gevoerde voogdijbeheer ; dat echter bij de wet de voogd alleen, even als met de zorg voor den persoon van den minderjarige, zoo ook met het bestuur van diens goederen is belast en dienvolgens ook aan hem alleen, bij het eindigen van zijn beheer, de verpligting tot het doen van slot-rekening en verantwoording is opgelegd, en dat derhalve de vordering tot het afleggen dier rekening en verantwoording aan den meerderjarig geworden minderjarige slechts toekomt tegen zijnen gewezen voogd, maar niet tegen zijnen gewezen toezienden voogd, tenzij welligt ingeval van het opengevallen of verlaten zijn der voogdij de toeziende voogd , in plaats van eenen nieuwen voogd te doen benoemen, zelf het voogdijbeheer mogt hebben gevoerd en zijn blijven voortzetten , waarvan in casu geen sprake is ;

O., dat naar deze beschouwing der appellanten vordering tegenover den eersten geïnt. hun geenszins toekwam, waarom hnn die door den eersten regter zeer teregt niet is toegewezen, en dat daarin geene verandering wordt gebragt door dat die geïnt., gelijk tusschen alle partijen vaststaat, de gelden der tweede appellante, gedurende hare minderjarigheid. op verzoek of met toestemming van haren voogd, den tweeden geïnt., heeft beheerd, naardien dit beheer in dier voege door hem voor dien geïnt. is gevoerd, en (daargelaten de vraag, of daaruit voor de appellanten eene actie tegen hem tot rekening en verantwoording van het beheer dier gelden kan zijn geboren) in allen gevalle hem niet, als het ware, mede tot voogd heeft gemaakt of aan diens verpiigtingen mede heeft onderworpen, ten efFecte, dat hij zou gehouden zijn met den voogd, zoo als is gevorderd, de slot-rekening en verantwoording van het voogdij-beheer te doen , hoedanige rekening strengere verpiigtingen medebrengt en meer omvattend is , daar zij ook moet loopen over de uitgaven voor den persoon van den minderjarige gedaan, dan de rekening en verantwoording enkel van het beheer van de gelden van eenen minderjarige door iemand, die niet zijn voogd is geweest;

~ 0., dat hiertegen aan de appellanten niet kan baten de niet betwiste omstandigheid, dat na hun huwelijk de eerste geïnt. hun heeft overgegeven een door hen als rekening en verantwoording geheel onvoldoend geacht ongeteekend stuk, tot opschrift hebbende : «rekening en verantwoording voor G. v, H. *. en houdende eenige opgaven omtrent het kapitaal der tweede appellante en eene vermelding van gedane uitgaven, vermits uit die omstandigheid niet noodwendig volgt, gelijk de appellanten schijnen aan te nemen , dat de eerste geïnt. zich tot het doen van slot-rekening en verantwoording van het beheer der voogdij van de tweede appellante zou hebben gehouden geacht, en bovendien zulk eene meening van hem toch niet zou hebben kunnen scheppen de regtsbetrekking, welke alleen hem tot het doen van zoodanige rekening aan de appellanten zou kunnen verpligten;

0., dat mitsdien de appellanten bij het vonnis a quo, voor zoover zij daarvan hebben geappelleerd, niet zijn bezwaard , en alzoo dit vonnis in zoover behoort te worden bevestigd, zonder dat het noodig is stil te staan, hetzij bij het sustenu van appellanten, dat, al competeerde hun hunne actie tegen den eersten geïnt. niet, toch het vonnis a quo verkeerd zou zijn gewezen , omdat de vordering zou zijn ontzegd, in plaats dat zij daarin niet-ontvankelijk werden verklaard, hetzij bij het aangevoerde door den eersten geïnt., dat appellanten er een grief tegen het vonnis a quo van zouden hebben gemaakt, dat, al ware het systeem der Regtbank juist, zij niet hadden moeten worden verklaard niet-ontvankelijk, maar hunne vordering hun had moeten worden ontzegd, en bij de door hem gevraagde acte, dat hij zich, wat aangaat de bewering van appellanten, dat zij in allen gevalle ten onregte zijn niet-ontvankelijk verklaard , maar hunne vordering hun had moeten worden ontzegd, refereert aan 's Hoves oordeel, aangezien zoowel aan voormeld sustenu der appellanten, als aan dat aangevoerde door den eersten geïnt. en aan de door hem gevraagde aete elke feitelijke grondslag ontbreekt, en dat alles uitsluitend op onverklaarbare dwalingen en misvattingen berust, wat betreft de appellanten, vermits bij het vonnis a quo hunne vordering tegenover den eersten geïnt. niet is ontzegd, maar zij juist daarin zijn verklaard niet-ontvankelijk, en wat betreft dien geïnt., omdat appellanten in hunne conclusie casu quo niet eene ontzegging hunner vordering tegenover hem, maar juist eene niet-ontvankelijk-verklaring daarin hebben regtmatig geoordeeld ;

0. ten aanzien der kosten van het principaal appel, dat die in haar geheel behooren te komen ten laste van de appellanten, hoezeer de tegen dat appel door den eersten geïnt. geopperde exceptie van nietontvankelijkheid is ongegrond bevonden, en zulks, omdat die exceptie, door hem in dezelfde conclusie met zijne tegenspraak ten principale voorgesteld en vervolgens door partijen te gelijk met de hoofdzaak behandeld, geene afzonderlijke of meerdere kosten heeft veroorzaakt;

0. alsnu ten opzigte van het incidenteel appel van den tweeden geïnt., dat hij , volgens de wet, als voogd van de tweede appellante is belast geweest, behalve met de zorg voor haren persoon, ook met het bestuur harer goederen en thans, na het eindigen van zijn beheer, tot het doen van slot-rekening en verantwoording is verpligt, onverschillig of hij hare gelden zelf heeft beheerd of door den eersten geïnt. heeft lateu beheeren, en dat ook de door appellanten ten onregte mede tegen den eersten geïnt. gerigte vordering niets aan zijne verpligting kan veranderen, weshalve hij niet kan volstaan met zijne bereidverklaring om de appellanten behulpzaam te zijn in het verkrijgen van rekening en verantwoording van den eersten geïnt. en hun alle daartoe noodige iniichtingen en aanwijzingen te verschaffen, maar teregt dooiden eersten regter tot het afleggeu der gevraagde rekening en verantwoording is veroordeeld, zoodat hij bij diens vonnis niet is bezwaard, en dit ook, voor zooveel zijn appel betreft, moet worden bevestigd;

Cp voorschreven gronden ,

Regt doende enz.,

Gezien art. 56 B. R.;

Verwerpt de door den eersten geïnt. voorgestelde exceptie van nietontvankelijkheid van het principaal appel;

Doet te niet dat appel;

Bevestigt het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Arnhem op den 27 Mei 1872 tusschen partijen gewezen, voor zoover daarvan principaal is geappellerd;

Veroordeelt de appellanten in alle de kosten van het principaal appel, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Doet te niet liet incidenteel appel;

Bevestigt voorzegd vonnis, voor zooveel daarvan incidenteel is geappelleerd ; en

Veroordeelt den tweeden geïnt. in de kosten van het incidenteel appel, mede op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

(Gepleit voor de appellanten Jhr. Mr. L. van Nispen ; voor den eersten geïntimeerde Mr. E. Scheidius , en voor den tweeden geïntimeerde Mr. J. U. de Kempenaer.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Derde kamer.

Zitting van den 16 November (871.

Voorzitter, Mr. C. Dronsbekg.

Regters, Mrs. Jhr. E. Lintelo de Geer en Jhr. B. de Bosch Kemper. PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDHOLLAND.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 27 Maart 1873.

Voorzitter, Mr. J. M. van Maanen.

Raden, Mrs. C. D. Asser, Abr. de Vries en P. S. Noyon.

Beteekent de uitdrukking: op straffe van verstek, in art. 251, 3°., Strafvord. voorkomende, op straffe van verstoken te zijn van het hangende appel, of van alle appel? — In eerstgenoemden zin beslist.

Behoort het omsmelten van zeep tot het bereiden of zieden van zeep ? — Ja.

De Regtbank enz. ,

Overwegende, dat door de twee eerste getuigen onder eede is verklaard , dat op 12 Aug. 1871, bij het doen van eene visitatie in het pakhuis de I.Jzerstaven, in gebruik bij den bekl. en gelegen hier ter stede Nieuwe Zijds Voorburgwal, n(>. 501, is gebleken, dat op eene afgesloten plaats aanwezig was een houten vorm, gevuld met nog warme harde geparfumeerde zeep, terwijl tevens daar ter plaatse aanwezig waren een aantal voorwerpen , bij bet proces-verbaal omschreven , die blijkbaar hadden gediend en nog de sporen droegen van zeep-fabrikaadje;

dat de bekl. hetzij persoonlijk , hetzij bij monde van zijn verdediger, heeft verklaard, dat hij is grossier in zeep en niet fabrikant; dat hij slechts nu en dan afval of kantzeep omsmelt, maar nooit zeep vervaardigt; dat hij titulo legitimo in het bezit was van voorwerpen tot zeep-fabrikaadje bestemd, en wel op grond, dat hij van den minister van Finantiën de vergunning heeft gekregen, noodig tot het uitoefenen van het beroep van zeep-fabrikant, en dat de bij hem gevonden grondstoffen dienen tot verkoop, daar hij ook koopman is in grondstoffen voor de zeepbereiding;

dat de verdediger heeft gevraagd acte van de door de beide eerste getuigen onder eede afgelegde verklaring, dat zij niet kunnen opgeven of de door hen gevonden zeep omgesmolten , dan wel versch bereid was , en dat hij , op grond , dat omsmelting van zeep niet verboden is aangaande de gesteldheid van die zeep, omtrent wier identiteit geene quaestie kan zijn , een onderzoek door deskundigen heeft gevraagd ;

O., dat alzoo door een door de daartoe bevoegde beambten , op den 14 Aug. 1871 opgemaakt, behoorlijk beëödigd en geregistreerd proces-verbaal, en door de onder eede ter teregtzitting gehoorde getuigen, bewezen is, dat de bekl. zeep beeft bereid of gezied op eene plaats daarvoor niet bestemd of aangewezen en zulks met gereed-

i schappen daarvoor benoodigd, welke aldaar verspreid en voor een

gedeelte verborgen gevonden zijn ;

p dat deze bereiding , volgens zijne eigene bekentenis , heeft plaats I gehad zonder daarvoor op de bij de wet voorbeschrevene wijze aanvrage gedaan of permissie verkregen te hebben, en wel in zijne betrekking van grossier in zeep, in welke geene fabrikaadje of zieden van zeep hoegenaamd wordt toegelaten;

dat ook van geene omsmelting van zeep door den bekeurde ten deze iets was opgegeven , terwijl zulks ook door hem later evenmin bewezen als nu ten deze bewijsbaar is;

dat in allen gevalle de wet ook geene omsmelting van zeep, dat is overbrenging en verbetering in een nieuwen vorm, aan grossiers in zeep toestaat, daar zulks de gevorderde contröle tot het fabriceren van zeep allezins ondoenlijk zou maken en het alleen bij art. 37 der wet van 4 Mei 1832 {Stbl. n°. 13), in verband met art. 17 derzelfde wet, aan zeepmakers en zeepzieders als een gunst is toegestaan, kwade of bedorven zeep, waarvoor zij in rekening zijn aangeslagen, onder genot van afschrijving, op die rekening op nieuw in te steken, en ook om door hen zeiven uitgeslagen zeep, welke bedorven rao<*t zijn geraakt, ten zelfden einde wederom in te slaan en die na herzieding, zonder betaling van accijns, wederom uit te slaan;

0., dat alzoo het vinden van werktuigen, op eene plaats voor fabrikaadje van zeep niet bestemd , in verband met het aldaar door die werktuigen bereiden, zieden of omwerken van zeep (zonder daartoe op wettige wijze permissie te hebben aangevraagd of verkregen), het strafschuldige ten deze daarstelt;

Verklaart voorschrevene daadzaken aan den bekl. ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen, en dat zij daarstellen overtreding van artt. 6, 15 en 38, al. 1, der wet van 4 Mei 1832 {Stbl. n:. 13), en wel het zich op eene verbodene wijze, en zonder de bij de wet voorgeschreven aangifte te hebben gedaan, ophouden met bereiden of zieden van zeep;

Verklaart den bekl. schuldig aan de overtreding;

Gezien de acte enz.;

Verklaart verbeurd de ten deze aangehaalde zeep, grondstoffen, gereedschappen en werktuigen;

Veroordeelt J. W. Merkelbach tot betaling eener geldboete ten bedrage van f 400 en in de kosten van het regtsgeding, even als de boete ten behoeve van den Staat en invorderbaar bij lijfsdwang i althans wat de boete betreft bij niet gebleken onvermogen.

(Gepleit voor de administratie Mr. J. C. de Koning, rijks-advokaat, en voor den beklaagde Mr. Ph. A. Haas Azn.)

Het Hof enz.,

Gezien het vonnis door de Arrond.-Regtbank te Amsterdam , regt doende in correctionnele zaken, op den 16Nov. 1871 in eersten aanleg gewezen tusschen Z. Exc. den minister van Finantiën, eiscber ten eenre, en J.W. Merkelbach, oud vier-en-twintig jaren, van beroep zeepgrossier, geboren en wonende te Amsterdam , bekl. ter andere zijde, waarbij deze — ter zake van overtreding van artt. 6, 15 en 38, al. 1, der wet van 4 Mei 1832 {Stbl. no. 13), en wel "het zich op eene verbodene wijze en zonder de bij de wet voorgeschrevene aangiften te hebben gedaan, ophouden met bereiden of zieden van zeep», met toepassing van artt. 6, 15 en 38, al. 1, der wet van 4 Mei 1832 (Stbl. no. 13), 52 Strafregt en 207 en 227 Strafvord., met verbeurdverklaring der ten deze aangehaalde zeep, grondstoffen, gereedschappen en werktuigen, — is veroordeeld tot betaling eener geldboete van f 400 en in de kosten van het regtsgeding, even als de boete ten behoeve van den Staat en invorderbaar bij lijfsdwang, althans wat de boete betreft bij niet gebleken onvermogen;

Gezien de aanteekening tot hooger beroep van gemeld vonnis door den officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Amsterdam dd. 12 Jan. 1872, voor zooveel daarbij is verzuimd regt te doen op zijn genomen requisitoir omtrent de subsidiaire gevangenis-straf;

Gezien de acte, houdende intrekking van dat appel dd. 21 Jnnij 1872 ;

Gezien de aauteekening tot hooger beroep van gemeld vonnis door den officier van justitie en den veroordeelde ter griffie van voormelde Arrond.-Regtbank op den 11 en 17 Nov. 1872 gedaan;

Gezien de dagvaarding van wege den bekl. aan Z. Exc. den minister van Finantiën den 2 7 Nov. 1872 beteekend;

Gezien de dagvaarding, van wege den proc.-gen., aan den bekl. beteekend dd. 27 Nov. 18 72 ;

Gehoord het verslag, ten deze uitgebragt door den rijks-advokaat in Noordholland en Utrecht;

Gelet op het onderzoek in de openbare teregtzitting ;

Gehoord de conclusiën, namens den minister van Finantiën, strekkende : dat het vonnis door de Arrond.-Regtbank te Amsterdam op 16 Nov. 1871 tegen den bekl. gewezen, zal worden bekrachtigd, met veroordeeling van den app. in de kosten op het appel gevallen en of nog te vallen, invorderbaar bij lijfsdwang;

Gehoord de conclusie van den proc.-gen., strekkende : dat het Geregtshof voornoemd, regt doende op het hooger beroep, het voormeld vonnis zal vernietigen, en, op nieuw regt doende, den bekl. zal schuldig verklaren aan "het zich op eene verbodene wijze en zonder de bij de wet gevorderde aangifte te hebben gedaan, ophouden met het bereiden of zieden van zeep», en hem veroordeelen tot betaling eener geldboete van ƒ400 en in de kosten, op de vervolging der administratie in beide instantiën gevallen, met verbeurdverklaring van al het aangehaalde, en het requisitoir van den proc.-gen., daartoe strekkende: dat de heer officier van justitie zal worden verklaard ontvankelijk in het bij acte dd. 11 Nov. 1872 ingestelde hooger beroep en de bekl» zal worden veroordeeld tot eene gevangenis-straf van minstens zes dagen en hoogstens twee jaren, ingeval van onvermogen om de geldboete te voldoen, waarin bij mogt worden verwezen, alles met veroordeeling van bekl. in de kosten op de vervolging door het Openb. Min. gevallen , alle kosten invorderbaar bij lijfsdwang, ten behoeve van den Staat;

Gelet op de verdediging door of van wege den bekl. daartegen ingebragt;

Overwegende, dal, blijkens de processen-verbaal der behandeling van de onderwerpelijke zaak bij de Regtbank te Amsterdam, daarvan op 12 Oct. 1871 hebben kennis genomen en daarin op 16 Nov. 1871 hebben vonnis gewezen Mrs. Dronsbekg , viee-president, Jhr. Geer, regter, en Jhr. de Bosch Kemper, plaatsvervangend regter;

dat echter, blijkens het proces-verbaal der zitting van voornoemde Regtbank van 25 Oct. 1871, waarin het Openb. Min. zijne conclusie in deze zaak nam, de regter de Geer wegens verhindering afwezig was en in diens plaats zitting had de regter Mr. Ldden;

dat alzoo de regter de Geer , die over de zaak zat, bij een deel der tot de uitspraak gevorderde behandeling afwezig blijkt geweest te zijn, dat het boven alle bedenking is, dat, waar art. 230, lid 2 , Strafvord. voorschrijft, dat de Regtbank de stukken in handen van den officier stelt, en art. 230, lid 3, den bekl. het regt geeft tegen de conclusie bedenkingen aan de Regtbank aan te bieden , in beide leden van het artikel eene uit dezelfde leden zamengestelde Regtbank bedoeld en gevorderd wordt, weshalve de onderwerpelijke onregelmatigheid in den vorm der beregting door de straffe van nietigheid moet worden gevolgd;

Gezien artt. 211 en 248 Strafvord.;

Vernietigt het vonnis, op 16 Nov. 1871 tusschen Z. Exc. den minister van Finantiën en J. W. Merkelbach, en het Openb. Min»

Sluiten