Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

" e 'O

ni moisbow aisdDaia sb iflb , nsi8Bls2 nj ajjtufod jfnadijofl 10b larf sol-ia£w,bl91g8g n KA'NTiO.NGERË&TENitl'icnb nab (ISV jissd J: ias . imLic. jiimoy nsliov sl 3ad fiuv uilawza eb i»ttL "acTTïÏGÜïïrênT^ïPïïSsBn-aswT~Hsnïïin—TFisg-3ÏÏ-öês^nïöTj!IjJn7ïïöy_Tii

A»iC S'ili'"i'EA3NTd'NGEnBÖT'"!Pfi358EfIS4IOÏ!iN!tI [lab . «nuov u -jiwisv ai saiiv Jaa 1ü 3a«i nav-taab alaol nariris liM* " -bl9v-o3naaii!9j; Zitting^'pvnaUaw-26''Februarij 1873.

ebrn-n-*'

Kantonregter, Mr. J. Ganderheyden.

Lange jagt. — Jagen in gezelschap. — Groote jagtacte. — Proces-verbaal van een onbezoldigden rijks-veldwachter.

Is het door een onbezoldigden rijles-veldwachter opgemaakt procesverbaal van eene jagt-overireding wettig, «ij het ook, dat hij op het oogenblik der bekeuring alléén voorzien was van zijnen ambtspenning en niet van zijne aanstelling , wanneer die vertooning door de bekeurden niet is gevorderd, maar deze door het verloonen hunner jagtacte zijne qualiteit hebben erkend ? — Ja.

Verbiedt de tegenwoordige jagtwet het gelijktijdig uitoefenen van jagtbedrijven door twee partijen ? — Neen.

Behoeven de personen, die de houders dei- groote jagtacte, ter uitoefening van het jagtbedrijf der lange jagt, als helpers of handlangers vergezellen, wanneer zij zeiven niet jagen, voorzien te zijn van eene acte of vergunning ? — Neen.

Het Openbaar Ministerie, eischer,

tegen

1. W. G. Boersema, landbouwer, te Twijzel ,

2. H. J. Oosterhop, herbergier, oud acht-en-twintig jaren, geboren en wonende te Surhuizum ,

3. T. Klaver , landbouwer , te Twijzel, en

4. E. J. Fokkinga, koopman, oud zeven-en-vijftig jaren, geboren en wonende te Augustinusga, de eerste en derde beklaagden, comparerende bij daartoe speciaal gemagtigde, den heer J. P. Oostingh, deurwaarder te Buitenpost, de tweede en vierde beklaagden in persoon verschenen, geadsisteerd door denzelfden gemagtigde.

De kantonregter enz.,

Gezien de dagvaarding, in deze uitgebragt;

Gehoord en gezien een proces-verbaal van den 7 Dec. 1872 , opgemaakt door T. de Jong , onbezoldigd rijks-veldwachter, wonende te Opende, gemeente Grootegast, op den eed, bij den aanvang zijner bediening afgelegd ;

Gehoord onder eede genoemden verbalisant en één getuige, aan zijde van het Openb. Min. bijgebragt;

Gehoord de beklaagden in hunne antwoorden;

Gehoord het Openb. Min. in zijn schriftelijk genomen en ter tafel overgelegd requisitoir , daartoe strekkende, dat de beklaagden , ter zake daarbij omschreven , worden veroordeeld, de beide eersten in eene geldboete van f 40 tot f 60, met of zonder gevangenis-straf van zeven tot veertien dagen, de beide laatsten in twee boeten ieder van f 40 tot f 60, met of zonder gevangenis-straf van zeven tot veertien dagen, met bepaling, dat de boeten, zoo de veroordeelden haar niet betalen binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zullen worden door gevangenis-straf voor ieder van ten hoogste veertien dagen en ten minste twee dagen voor elke boete en solidair in de kosten van het regtsgeding;

Gehoord de beklaagden in hunne verdediging, zoo door hen zeiven als namens hen door hunnen gemagtigde ter audientie voorgedragen;

Overwegende, dat de beklaagden zijn gedagvaard ter zake het in vereeniging met elkander en met nog drie onbekend gebleven personen , op 7 Dec. 1872 , des namiddags omstreeks drie uur, uitoefenen van de lange jagt in het jagtveld Westerdeel Langewold, vergezeld van acht honden, door, na eerst tegen elkander ingejaagd te hebben, daarna met elkander vereenigd, op ongeveer vijftien passen van elkander in den slag te loopen, en de honden door elkander te laten loopen, het wild opsporende, allen alzoo jagende; de derde en vierde beklaagden bovendien zonder voorzien te zijn van eene betrekkelijke jagtacte en zonder schriftelijke vergunning van den eigenaar of regthebbende van het jagtveld;

dat door het op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal van den verbalisant T. de Jong en de beëedigde ter teregtzitting afgelegde verklaringen van dezen en van den getuige Bosgraaf regtens is gebleken , dat de beklaagden op boven aangeduide tijd en plaats, vergezeld van vijf windhonden, de lange jagt hebben uitgeoefend;

dat een drietal andere personen, met drie honden hetzelfde jagtbedrijf uitoefenende, de beklaagden hebben ontmoet;

dat allen een tijd lang bij elkander waren blijven staan en daarna, met elkander in dezelfde rigting en onderling omstreeks vijftien passen van elkander verwijderd, terwijl de honden door elkander liepen, jagende verder waren gegaan, totdat zij door den verbalisant waren aangehouden;

dat de beklaagden Boersma en Oosterhof beiden waren voorzien van eene groote jagtacte en van de vereischte schriftelijke vergunning; en dat, toen de verbalisant de acte van den bekl. Boersma inzag, drie personen van den linkervleugel zich met drie honden in de rigting van Zurhuisterveen hadden verwijderd, welke personen hem ook onbekend zijn gebleven;

O. dat zoowel door als namens de beklaagden ter hunner verdediging is aangevoerd, dat de verbalisant niet voorzien was geweest van "zijne aanstelling; dat hij op dat oogenblik geen ambtenaar was en dus ook geen wettig proces-verbaal konde opmaken ; dat de bekl. Oosterhof toch den verbalisant naar zijne aanstelling had gevraagd, en deze had geantwoord : «zoo ge die wilt zien , dan kunt ge naar mijn huis gaan," hetgeen door verbalisant echter is tegengesproken, verklarende, dat geen der personen hem naar zijne aanstelling had gevraagd; dat hij deze echter niet bij zich had gehad, doch wel zijnen ambtspenning, en toen hij van hen wegging had gezegd: als zij zijne aanstelling wilden zien , zij maar mede naar huis moesten gaan ;

dat beider partijen jagers toevallig bij elkander gekomen waren , eenige oogenblikken met elkander hadden staan praten en een borrel gedronken, en dat daarna iedere partij zijns weegs was gegaan; dat zij niet in één slag te zamen hadden gejaagd, maar terstond in eene schuinsche rigting van elkander waren gegaan, terwijl de honden niet door elkander hadden geloopen;

0., dat alsnu in de eerste plaats dient te worden onderzocht, of het proces-verbaal wettig is opgemaakt; ten andere, of bewezen is de den beklaagden te laste gelegde overtreding van het jagen met windhonden (lange jagt) met meer dan vijf honden, en, zoo ja, dat die overtreding is begaan bij vereeniging van meer dan viei personen; en eindelijk of het aan de derde en vierde beklaagden bovendien te laste gelegde feit, het jagen, zonder voorzien te zijn van eene betrekkelijke jagtacte en zonder schriftelijke vergunning van den eigenaar of regthebbende van het jagtveld, mede is bewezen;

0. ad I11"1., dat als schriftelijke bewijsmiddelen gelden, volgens art. 437 Strafvord., de verklaringen , verbalen of relazen van hen, die in eenige openbare posten, ambten of bedieningen gesteld zijn, mits opgemaakt op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd , of wel daarna met eede bevestigd;

dat wel is gebleken, dat de verbalisant tijdens de bekeuring alléén voorzien was van zijnen ambtspenning en niet van zijne aanstelling , doch dat de vertooning van dat stak, volgens verklaring van den

^verbalisant, niet door de beklaagdérTïs gevorderd, die ook, door het i;vertoo^n''&nWig&gl8cteü,VJiö|iiai,qatsHt8it ftebhe» erkend'; ns s 0., dat wel hunne instructie aan de onbezoldigde rijks-veldwachl*,tprs de verpligting oplegt om van hnnne aanstelling voorzien te zijn, tën einde deze des gevorderd te vertoonen; doch dat, zulks niet gevorderd zijnde , het door den verbalisant opgemaakt proces-verbaal uit dien hoofde niet kan geacht worden onwettig te zijn opgemaakt, terwijl, bijaldien zulks ook al twijfelachtig mogt zijn, de geheel met den inhoud van het proces-verbaal overeenstemmende beëedigde verklaring van den verbalisant als getuige ter teregtzitting voor dat stuk als voldoend bewijsmiddel in de plaats treedt;

0., wat het tweede punt betreft, dat de regter de overtuiging niet heeft bekomen, dat de vier beklaagden hebben gejaagd met meer dan vijf bonden;

dat toch uit de verklaring der beide getuigen, in overeenstemming met het beweren van de beklaagden , gebleken is, dat de beklaagden hebben gejaagd met vijf honden, terwijl eene andere partij jagers met drie honden van een tegenovergestelden kant naar hen toe waren komen jagen ;

dat nu wel is gebleken , dat die andere partij, mede de lange jagt uitoefenende jagers, daarna met de beklaagden hebben staan praten, en vervolgens aan den linkervleugel , in dezelfde rigting als de beklaagden, hun jagtbedrijf hebben voortgezet, en zulks terwijl de personen onderling vijftien passen van elkander waren verwijderd ; doch dat nergens in de jagtwet het gelijktijdig uitoefenen van jagtbedrijven door twee partijen is verboden , terwijl evenmin de afstand is bepaald, op welken die personen van elkander verwijderd moeten blijven, welke bepaling in de wet van 11 Julij 1814 (Stbl. n°. /9) voor het gelijktijdig uitoefenen der lange en korte jagt wel werd aangetroffen ;

0. , dat mitsdien, om de aan de beklaagden te laste gelegde overtreding daar te stellen, moest ziju bewezen, dat zij met de andere partij °(de drie onbekend gebleven personen) eene gemeenschappelijke jagt hebben uitgeoefend, hetgeen het geval niet is, daar het gebleken is, dat beide partijen zich eerst afzonderlijk in het jagtveld hebben bevonden, en de ééne partij zich ook heeft verwijderd, toen de beklaagden door den verbalisant werden aangehouden;

0., dat, het overtuigend bewijs voor de schuld der vier beklaagden aan de hun gezamenlijk te laste gelegde overtreding niet aanwezig bevonden zijnde, hierdoor van zelve komt te vervallen een onderzoek naar de verzwarende omstandigheid, waaronder die overtreding zoude zijn gepleegd;

O. eindelijk, wat betreft het aan den derden en vierden beklaagde bovendien te laste gelegde feit:

dat door de hiervoren vermelde bewijsmiddelen, in overeenstemming met de erkentenis van de beklaagden, is gebleken, dat de beklaagden Boersma en Oosterhof waren voorzien van do vereischte jagt-acte en vergunning, welke stukken de beklaagden Klaver en Fokkinga niet konden vertoonen ;

dat niet is gebleken , dat die beklaagden waren voorzien van een polsstok of van eene weitasch, en evenmin dat een of meer der vijf honden aan een hunner toebehoorden ;

O., dat de personen, die de houders der groote jagt-acte, ter uitoefening van het jagtbedrijf der lange jagt, als helpers of handlangers vergezellen, niet behoeven voorzien te zijn van eene acte of vergunning ;

dat toch niet is bewezen , dat de beklaagden Klaver en Fokkinga, zelfstandig, afgescheiden van de beide acte- en permissie-houders, hebben gejaagd, maar integendeel zonder weitasch of polsstok hebben vergezeld;

O., dat de lange jagt wel door een persoon, vergezeld door windhonden, zoude kunnen uitgeoefend worden , doch zulks niet wegneemt de bevoegdheid van den acte- en permissiehouder om zich, ter zijner adsistentie, door meerdere personen als helpers te doen vergezellen , welke bevoegdheid hun door de bepalingen der tegenwoordige jagtwet, welke voor het jagtbedrijf der lange jagt wel het aantal nonden, doch niet het aantal personen heeft gelimiteerd, niet is ontnomen, dienende, voor zooveel betreft de vereischte verzekering der bevoegdheid om zich als houders eener groote jagt-acte te mogen doen vergezellen door personen , geene acte hebbende, er, ook overeenkomstig eene deswege in 1862 door den toenmaligen minister van Justitie gegevene verklaring alleen op te worden gelet, dat de personen, die de jageuden vergezellen, als helpers of handlangers daarbij slechts werktuigelijk dienst doen , en niet als mede-jagenden zijn te beschouwen ;

O., dat derhalve ook het aan den derden en vierden beklaagde bovendien te laste gelegde feit niet is bewezen;

0. in regten: dat de beklaagden behooren te worden vrijgesproken, bijaldien hunne schuld aan de hun ten laste gelegde feiten niet wordt bewezen;

Gezien artt. 210, 252, jo. art. 227 Strafvord.;

Eegt doende enz. ,

Verklaren, dat de schuld van de beklaagden aan de hun te laste gelegde feiten niet is bewezen ;

Spreken hen mitsdien vrij ;

Verstaan, dat de kosten van dit geding zullen komen ten van den Staat.

HOOGE RAAD. — Hamer van Vacantie.

Zitting van Zaturdag, 9 Augustus.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake:

(cassatie) M. B. Starke, eischer, procureur Mr. M. Eyssell, tegen het Hoofdbestuur van het waterschap Reiderland, verweerder, procureur Mr. J. van der Jagt, en tegen H. A. Hesse c. s., mede-verweerders. Adv.-gen. Polis concludeert tot verwerping. Uitspraak 18 Augustus.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. besluit van den 23 Julii jl-, n°. 53, is ten laste van den Staat aan H. Moorhoff, gewezen rijks-veldwachter der 3de klasse te Warmenhuizen, een pensioen verleend van f 159 'sjaars; en zulks op grond van art. 5 der wet, betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 [Stbl. n°. 64),

— Bij Kon. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 58, is ten laste van den Staat aan Jhr. W. F. de Mauregnault, gewezen kantonregter te Naaldwijk, een pensioen verleend van ƒ 484 'sjaars;. en zulks op grond van de artt. 5 en 43 der wet, betreffende de burgerlijke pensioenen, laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 (Stbl. n°. 64).

— Bij Z. M. besluit van den 3 dezer, n°. 9 , is aan Mr. J. J. Frmerins, op zijn daartoe gedaan verzoek, met ingang van 1 Sept. aanst., eervol ontslag verleend als notaris te Zierikzee.

ï blBadaggaw enojfeb ■>* " BERIGTEN.

's Gravenhage, den 9 Augustus.

Den 6 dezer is te Utrecht overleden Mr. W. F. M. Selle, advokam aldaar.

*'s Bosch, den 5 Aug. — Heden voltrok de griffier van de Arrond.Regtbank zijn veertig-jarige dienst. De heer Baron van Hugenpoth werd, na reeds eenige jaren ambtenaar te zijn geweest bij het kadaster, den 5 Aug. 1833 benoemd tot commies-griffier bij de toenmalig'; Regtbank van eersten aanleg te Eindhoven, en ging in 1838 als griffier over bij de Arrond.-Regtbank alhier. De dag was vooral gedenkwaardig om de voortreffelijke wijze, waarop de heer van Hugenpoth zijd gewigtig ambt steeds heeft waargenomen en voortdurend blijft waarnemen, — eene wijze, waardoor hij, ook in die betrekking, even a;? in alle overige relatiën , de algemeene achting heeft verworven. De voorzitter der Regtbank, de officier en subst.-griffier , de regters eu subst.-griffier begaven zich te zamen ten zijnent, om hem hunne gelukwenschen aan te bieden en eene blijk te meer te geven, hoe hoog hij door hen, èn als ambtgenoot, èn als vriend, gewaardeerd wordt.

Middelburg, den 5 Aug. — Heden werd alhier in het Concertgebouwde jaarlijksche vergadering der Broederschap van notarissen in Nederland gehouden, onder het presidium van den heer Mr. J. H. vu;. Roijen, uit Zwolle. Ongeveer honderd leden waren tegenwoordig. AIï plaats voor de eerstvolgende algemeene vergadering is aangewezen Breda. In den namiddag vereenigden de leden zich aan een maaltij'1 in het Schuttershof, terwijl velen hunner morgen Vlissingen en de werken aldaar en daarna door een rijtoer naar Domburg onze omstreken zullen bezoeken.

— De Broederschap der notarissen in Nederland bood , op hare laatste jaarlijksche algemeene vergadering, den heer J. F. Pool, notaris te Druten, mede-oprigter, sedert 1842 correspondent van den ring Nijmegen en dikwerf medelid van het hoofdbestuur, het honoraire lidmaatschap van dat bestuur aan, bij gelegenheid dat zijne benoeming tot notaris voor de vijftigste maal verjaarde.

Frankrijk. — De heer Odilon-Barrot is den 6 dezer, op zijn lanegoed Bouginval, in 82-jarigen onderdom overleden. Als regtsgeleerd'; en lid van de wetgevende vergaderingen hier te lande, gedurende langer dan eene halve eeuw, was hij bekend; veel droeg hij te gelijk lot de opkomst en tot den val der Julij-monarchie bij; doorgaan* bevond hij zich in de gelederen der oppositie: in het begin van bc'. presidentschap van Prins Lodewijk Napoleon was hij minister van Justitie, doch hij was al vroeger door de jongeren der tegenpartij overvleugeld.

Door de commissie van onderzoek naar de grondslagen van

een nieuw strafstelsel is aan de regering een wets-ontwerp aangeboden, waarin de volgende bepalingen voorkomen :

«Art. 1. De preventief-gevangenen zullen des daags en des nachw van elkander afgezouderd worden gehouden.

«Art. 2. De veroordeelden tot gevangenis-straf voor minder dan een jaar en eenen dag zullen des daags en des nachts afgezonderd worden gehouden. Zij zullen hunne straf in de departementale gevangenissen

ondergaan. .... ...

«Art. 3. De veroordeelden voor een langeren tijd dan van een jaar en éénen dag zullen , indien zij zulks verlangen , afzonderlijk worden opgesloten.

«Zij zullen in dat geval in de departementale gevangenissen hunne straf ondergaan ; in het tegenovergestelde geval worden zij in de centrale gevangenissen opgesloten.

«Art. 4. De duur der in afzondering ondergane straffen zal vari regtswege met een vierde gedeelte worden verkort. Die verkorting wordt echter niet toegepast op gevangenis-straffen voor drie maanden of korter." .

Verder houdt het wets-ontwerp in, dat deze bepalingen in toepassing worden gebragt, naar gelang daarvoor in de departementale gevangenissen de vereischte ruimte beschikbaar wordt, en dat de aanbouw van nieuwe of uitbreiding van bestaande gevangenissen voor de helft voer rekening van den staat en voor de wederhelft voor rekening van dc departementen komt. De regeling der werkzaamheden geschiedt J-J eenen maatregel van inwendig bestuur.

ADVERTENTIEN.

NEDERLANDSCHE PASICRISIE.

Wordt verzonden de lO^e afl. van liet Alphabetiscn gedeelte, waarmede de uitgaaf is gevorderd tot het woord Testament.

Prospectussen zijn te bekomen bij den drukker M. Ai.berts , te Gulpen.

te koop:

GROOT PLACAET-BOECK met register, zeven deelen, in perkament gebonden.

Aanbiedingen worden met franco-brieven ingewacht onder de letters Q. N. aan het Postkantoor te. Oldenzaal-

LÉON'S REGTSPRaAK.

In 1873 zijn hiervan bij GEBR. BE.LINEANTE, tf' 'sBage, verschenen:

Mr. J. A. Levï, 2e supplement op: Koophandel f 0.7 Mr. G. Asser, 2e ged. van: Burgerlijk Wetboek Mr. E. L. yan Emden, Reglerlijke Organisatie,

Overgang enz - ^

Al de afleveringen van dit werk zijn afzonderlijk verkrijgbaar.

Snelpersdruk en Vitgare van

BKLISFAWTG • te '8 GravenhaX«>

Sluiten