Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat feit door den regter bewezen geoordeeld, de straf, bij art. 164

bedreigd , zou op den bekl. moeten zijn toegepast.

Het feit, bij de dagvaarding ten laste gelegd, bestaat dus niet, zoo als door den kantonregter in den achtsten considerans wordt overwogen, in het door den gereq. vernieuwen van een voormuur van een gebouw aan do openbare straat, zonder dat hij daartoe vergunning van Burgemeester en Wethonders verkregen, en zonder dat hij aangifte tot rooijing gedaan had; maar in het wederopbouwen van een gedeeltelijk afgebroken gebouw zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, en zonder dat door of namens Burgemeester en Wethouders de rooijing voor dat gebouw was aangegeven.

Het is dus onjuist, wat in de elfde overweging gezegd wordt, dat het negatieve element der overtreding van art. ISO in de dagvaarding ontbreekt, en dat de regter, wilde bij daarop acht slaan, de dagvaarding zoude moeten aanvullen. Ook dat negatieve bestanddeel der overtreding, ook het vóór de bouwing niet gegeven zijn van rooijing door of namens Burgemeester en Wethouders is in de dagvaarding opgenomen ; ook over het bewezene of niet-bewezene daarvan had de regter behooren te beslissen; en hij heeft derhalve, door, zonder omtrent dit punt vau aanklagt uitspraak te doen, den bekl. te ontslaan van alle regtsvervolging, de artt. 206 en 211 Strafvord. geschonden.

Ik heb de eer te concluderen tot vernietiging van het beklaagde vonnis, en verwijzing der zaak naar de Arrond.-Regtbank te Sneek, om op de bestaande dagvaarding te worden onderzocht en afgedaan; de kosten te voegen bij die der eind-uitspraak.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie , door den req. voorgesteld bij memorie, en bestaande in schending van art. 150 der algemeene politie-verordening voor de gemeente Sneek, door dit artikel niet van toepassing te verklaren op het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit;

Overwegende, dat bij het beklaagde vonnis het ontslag van regtsvervolging is uitgesproken , op grond, dat in art. 150 der verordening, waarvan ten deze de rede is, van vergunning van Burgemeester en Wethouders in het geheel geen sprake is, en op grond, dat bij de dagvaarding niet was ten laste gelegd het opbouwen bij gebreke van of in strijd met rooijing door of namens Burgemeester en Wethouders , maar dat was ten laste gelegd het opbouwen, zonder van dit collegie daartoe vergunning te hebben verkregen en zonder aangifte te hebben gedaan tot rooijing;

O., dat echter bij de dagvaarding niet was ten laste gelegd, dat de nu gereq. had opgebouwd zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, en zonder aangifte te hebben gedaan tot rooijing, maar dat hij had opgebouwd zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders , en zonder dat door of namens dezelve de rooijing was aangegeven;

O., dat het woord dezelve in dien zamenhang niet anders kan terugslaan dan op Burgemeester en Wethouders, van wie onmiddellijk te voren in de dagvaarding wordt melding gemaakt, zoodat wel degelijk is ten laste gelegd het opbouwen, zonder dat daartoe door of namens Burgemeester en Wethouders rooijing was aangegeven;

O., dat bij gevolg bij het beklaagde vonnis niet is beraadslaagd over eene bij dagvaarding ten laste gelegde omstandigheid , welke een bestanddeel uitmaakt der overtreding, waarvan ten deze de rede is, en daarentegen wel is beraadslaagd over eene niet ten laste gelegde omstandigheid, het gebrek namelijk van aangifte door den nu gereq. tot rooijing en over het regtsgevolg, dat dit gebrek van aangifte door hem zou moeten hebben op de toepassing van meergemeld art. 150;

O., dat het vonnis bij gevolg niet voldoet aan het voorschrift van art. 206 Strafvord., op het verzuim waarvan bij art. 211 eodem nietigheid is bedreigd;

O., dat het beklaagde vonnis uit dien hoofde behoort te worden vernietigd, en dat daardoor vervalt de behandeling van het voorgestelde cassatie-middel;

Vernietigt het beklaagde vonnis;

En, krachtens art. 106 R. O.,

Verwijst de zaak naar de Arrond.-Regtbank te Sneek , om op de bestaande dagvaarding te worden onderzocht en afgedaan ;

De kosten, ook die, in cassatie gevallen, te voegen bij die der einduitspraak.

PBOYINCIALE GEREGTSHOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN LIMBURG. Burgerlijke hamer,

Zitting van den 30 Junij 1873.

Voorzitter, Mr. R. J. E. Capitaine.

Bij het vaststellen in het decreet van 22 Fructidor XIII van algemeene regels betreffende de administratie van alle de met kerkelijke diensten belaste goederen, bij de vroegere arrêtés van 7 Thermidor XI en 25 Frimaire XII aan de kerk/abrieken teruggegeven, is het de bedoeling van den wetgever geweest, dat, wanneer alle of een bepaald aangewezen gedeelte der inkomsten van gefundeerde goederen of renten, volgens den stichtingsbrief, moeten dienen tot het lezen van bepaalde missen, dan ook alle inkomsten of het bepaald gedeelte derzelve, overeenkomstig den wil van den stichter (conformément au titre), moeten uitgekeerd worden aan den geestelijke , die de missen zal gelezen hebben; en dat, wanneer het geldt goederen of renten, aan eene kerk gegeven , onder de voorwaarde, dat missen zullen gelezen worden, zonder dat de daarvoor te betalen som in den stichtingsbrief bepaald zij, alsdan het bedrag der voor het lezen dier missen uit te keeren som door het diocesaan reglement zoude bepaald worden, en naar dat reglement (selon le règlement du diocese) aan den geestelijke, door wien die missen gelezen zijn, betaald worden. — In strijd met Maastricht 14 Nov. 1872 en met de daarbij behoorende conclusie van Mr. van Schaeck (Weekbl. n°. 3534).

De Kerkfabriek van Holtum, gemeente Bom, appellante, procureur Mr. Euo. tan Oppen ,

tegen

J. H. Smeets, pastoor der parochiale kerk van Holtum, geappelleerde, procureur Mr. T. Micheels.

Het Hof enz.,

Gehoord de conclusiën der partijen, bij slotsom luidende:

die der appellante, genomen ter teregtzitting van den 24 Febr. 1873: dat het Hof moge vernietigen het vonnis, door de Arrond.Regtbank te Maastricht tusschen partijen gewezen den 14 Nov. 1872, voor zooverre daarvan is geappelleerd; en, doende wat de eerste regters hadden behooren te doen, den eischer en geapp. in zijne vordering moge verklaren niet-ontvankelijk en ongegrond, in allen gevalle hein dezelve Ontzeggen, met verwijzing van den geapp. in de kostën, zoowel van eerste instantie (voor zooverre deze niet reeds ten zijnen laste zijn gesteld) als van hooger beroep;

die van den geapp., genomen ter teregtzitting van den 3 Maart

1873: dat het den Hove moge behagen, met vernietiging van het

appel, te bevestigen het vonnis, tusschen partijen op den 14 Nov. 1872 i door de Arrond.-Regtbank te Maastricht gewezen, en te bevelen, dat hetzelve naar vorm en inhoud zal worden ten uitvoer gelegd, met veroordeeling van de appellante in de kosten van het hooger beroep;

die der appellante, genomen ter teregtzitting van den 10 Maart 1873: zoo verklaart de ondergeteekende procureur der eischende Kerkfabriek de actis causae te maken: 1°. eene rekening, door den ontvanger der Kerkfabriek van Holtum afgelegd en door den Kerkeraad onderteekend den 25 Febr. 1823; 2°. een authentiek afschrift van den staat vau goederen, ter uitvoering van het Kon. besluit van 19 Aug. 1817, vastgesteld bij besluit van 23 Oct. 1819, als teruggegeven aan de Kerkfabriek van Holtum, zonder eenigen last hoegenaamd ; en concludeert, dat het Hof aan het appellerend Bestuur zijne reeds genomene conclusiën moge toewijzen cum expensis;

die van den geapp., genomen ter teregtzitting van den 17 Maart 1873: zoo verklaart de ondergeteekende procureur van den geapp. te persisteren bij zijne reeds genomene conclusiën cum expensis;

Gehoord de gehoudene pleidooijen;

Gehoord het Openb. Min., bij monde van den proc.-gen., concluderende; dat het den Hove behage, aan den oorspronkelijken eischer, thans geapp., het bewijs op te leggen, dat de hierboven aangehaalde, door hem ingeroepen en door den eersten regter toegepaste verordeningen , namelijk het decreet van 22 Fructidor jaar XIII, benevens het advies van den Franschen Staatsraad , gedagteekend 2 en 21 of 22 Frimaire jaar XIV, kracht van wet hebben; kosten voorbehouden; Met opzigt tot de daadzaken :

Overnemende de daartoe betrekkelijke overwegingen van den eersteu regter; eu verder

Overwegende , dat de Arrond.-Regtbank te Maastricht, bij vonnis van den 14 Nov. 1872 , acte heeft gegeven, waarvan acte was gevraagd; de gedaagde Kerkfabriek heefc veroordeeld om aan den eischer te betalen de som van f 1002.35, onder aftrek van 5 pet. voor administratiekosten, van 1 pet. voor het diocèse, en zulks met bepaling, dat mede zal kunnen worden gekort de betaalde grondbelasting; aan den eischer heeft ontzegd zijne vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dat vonnis; de gedaagde Kerkfabriek heeft verwezen in de kosten van het geding, met uitzondering van die, op en sedert de procureurs-acte van den 9 April 1872 tot eu inbegrepen die, gevallen op het vonnis, den 29 Junij daaropvolgende uitgesproken, alsmede die, gevallen op de acte van den notaris Russel van deu 14 Sept. 1872 en de procureurs-acte vau deu 18 dier maand, en den eischer in de voormelde uitgezonderde kosten heeft verwezen;

dat de gedaagde Kerkfabriek zich tegen dit vonnis in hooger beroep heeft voorzien, en daarna door partijen zijn genomen de aan het hoofd dezes overgeschrevene conclusiën;

O., dat de appellante bij de inleidende dagvaarding door den geapp. voor de Arrond.-liegtbank te Maastricht is opgeroepen, ten einde zich te hooren veroordeelen om, tegen quitantie, aan den eischer te voldoen de somma van f 1002.35 , onder den in evengemeld vonnis aangewezen aftrek, zijnde de gevorderde som de opbrengst van 10 bunders oude maat of 8 hectaren landerijen , gefundeerd voor de Vrijdagsche misse, door den eischer gecelebreerd, over de negen laatste maanden van 1869 en de geheele jaren 1870 en 1871, met veroordeeling van de ged. in de kosten;

dat de appellante bij hare in hooger beroep genomene conclusiën geene bezwaren heeft ingebragt tegen de beslissing van den eersten regter aangaande het bestaan der in het vonnis a quo overgeschrevene fundatie, waarbij in 1457 door Philippus Henricus Bentinck de Wolfrath aan de parochiale kerk van Holtum zijn vermaakt 10 bunders of 8 hectaren landerijen, onder beding, dat de geheele opbrengst derzelve zoude uitgekeerd worden aan den rector van het St. Jansaltaar, in de kerk van Holtum, gemeente Bom, met last alle Vrijdagen eene mis to lezen aan evengemeld altaar;

dat de gemeente Born, waaronder de kerk van Holtum behoort, in 1807 heeft deel gemaakt van het departement van de Roer; dat de Kerkfabriek der parochiale kerk van Holtum, gemeente Born , bij besluit van den Raad van prefectuur vau het departement van de Roer van den 30 Mei 1807, goedgekeurd door den Franschen minister van Finantiën den 7 Jan. 1812, in het bezit van evengemelde goederen is bevestigd, onder verpligting den wil van den stichter na te komen; en dat de geapp. gedurende de negen laatste maanden van 1869 en gedurende de jaren 1870 en 1871 alle Vrijdagen van het jaar aan het St. Jans-altaar in de kerk van Holtum, gemeente Born, de mis heeft gelezen;

dat de appellante heeft toegegeven, dat zij wel verpligt is de Vrijdagsche mis, door den geapp. gelezen, te betalen volgens het diocesaan reglement, maar deze geene regten kan doen gelden op de opbrengsten van de aangeduide onroerende goederen; en, daar de geapp. bij zijne inleidende dagvaarding hoeft gevorderd niet de betaling der door hem gelezene wekelijksche Vrijdagsche mis, maar de opbrengst der ten deze bedoelde onroerende goederen, deze eisch hem niet kan toegewezen worden , en de appellante deze hare bewering heeft gegrond op een decreet van den 22 Fructidor jaar XIII, in verband met de arrêtés van den 7 Thermidor jaar XI en 25 Frimaire jaar VII, alsmede op een advies van deu Franschen Staatsraad van deu 21 Frimaire jaar XIV (1);

(1) De hier vermelde wetten luiden als volgt:

Arrêté relatif aux biens des fabriques, du 7 Therm. an XI (26 Juillet 1803).

Art. 1. Les biens des fabriques non alie'nés, ainsi que les rentes dont elles jouissaient, et dont le transfert n'a pas été fait, sont rendus a leur destination.

Art. 2. Les biens de fabriques des églises supprimées seront réunis ceux des églises conservées et dans 1'arrondissement desquelles ils se trouvent.

Art. 3. Les biens seront administrés dans la forme particuliere aux biens communaux par trois marguilliers que nommera le pre'fet, sur une liste doublé présentée par le maire ou curé desservant.

Art. 4. Le curé ou desservant aura voix consultative.

Art. 5. Les marguilliers nommeront parmi eux un caissier. Les comptes seront rendus en la même forme que ceux des dépenses communales.

Rapport approuvé le 25 Frimaire an XII (16 Dec. 1803) , — qui décide:

1°. que les différents biens, rentes et fondations, charges de messes anniversaires et services religieux faisant partie des revenus des églises, sont compris dans les dispositions de 1'arrêté du 7 Thermidor an XI;

2°. qu'en cette qualité, ils seront rendus a leur première destination , aux termes de 1'arrêté précité.

Decret du 22 Fruct. an XIII (9 Sept. 1805), — relatif & 1'administration des biens chargés de fondations pour services religieux, a la perception des revenus de ces biens et 'a 1'acquit des fondations.

Art. 1. Les biens et revenus rendus aux fabriques par les décrets et décisions des 7 Therm. an XI (26 Sept. 1803) et 25 Frim. an XII (17 Déc. 1803), soit qu'ils soient ou non chargés de fondations pour messes, obits ou autres services religieux, seront administrés et pertjus par les administrateurs desdites fabriques, nommés conformément & 1'arrêté du 7 Therm. an XI; ils payeront aux curés desservants ou vicaires, selon le règlement du diocèse, les messes, obits et autres

i

dat de geapp. van zijnen kant heeft volgehouden, dat de geheele opbrengst der tot de fundatie, waarvan ten deze de rede, behoorende goederen hem toekomt, op grond, dat hij , daartoe door den bisschop aangewezen, wekelijks de gefundeerde Vrijdagsche mis, aan het St. Jans-altaar in de kerk van Holtum, gedurende de door hem opgegevene tijdsruimte heeft gelezen; en tot staving van dit gevoelen zich heeft beroepen op hetzelfde evengemeld decreet van den 22 Fructidor jaar XIII en de arrêtés van den 7 Thermidor jaar XI en 25 Frimaire jaar XII, alsmede op art. 26 van een decreet van den 30 Dec. 1809 (1) ; en

dat het Openb. Min., om reden het decreet van den 22 Fructidor jaar XIII, waarop beide partijen zich beroepen , en het advies van den Franschen Staatsraad van den 21 Frimaire jaar XIV, door do appellante aangehaald, in het Bulletin des lois niet voorkomen, de verbindende kracht derzelven heeft betwijfeld, en vervolgens geC/Ucludeerd, zoo als aan het hoofd dezes staat vermeld;

Met opzigt tot het regt:

Aannemende, ten aanzien van het bestaan der fundatie, de goederen, daartoe behoorende, en het lezen der gefundeerde missen door Oen geapp., de daartoe betrekkelijke overwegingen van den eersten regter; en verder

O., dat, volgens een kracht van wet hebbend advies van den Franschen Staatsraad van den 12 Prairial jaar XIII, den 25 Prairial daaropvolgende door den Keizer goedgekeurd, opgenomen in het Bulletin des lois van hetzelfde jaar XIII, n°. 812 , de Keiz. decreten, in het Bulletin des lois niet voorkomende, verbindende kracht hebben van den dag, dat daarvan aan de belanghebbenden is kennis gegevendoor afkondiging, affixiën, notificatie of beteekening of toezending, gedaan of bevolen door de met de uitvoering derzelven belaste openbare ambtenaren ;

O., dat partijen het daarover eens zijn, dat de gemeente Born, waaronder de kerk van Holtum behoort, in den jare 1806 deel maaite van het Roer-departement;

O., dat, bij eene circulaire van den prefect van het Roer-departement van den 10 April 1806, aan de maires van dat departement gerikt, en te vinden in de Verzameling der prefectuur-aktens van het Roerdepartement, jaar XIV en 1806, pag. 431, door dien prefect aan genoemde maires is toegezonden het Keiz. decreet van den 22 Fructidor jaar XIII, waarop beide partijen zich beroepen, met last om hetze- e ter stipte nakoming aan de bestuurders der kerkfabrieken mede te deelen ;

O., dat dit decreet van den 22 Fructidor jaar XIII derhalve voor de Kerkfabriek van Holtum is verbindend ;

O., dat, volgens den , bij de wet 26 en 28 Dig. de Legibus reeds aangenomen regtsregel, tot regt verstand eener wet, zoowel vroegtre als latere wetten , gelijksoortige onderwerpen behandelende, dienen in aanmerking te komen ;

0. nu, dat bij art. 1 van het arrêté van den 7 Thermidor jaar XI, betrekkelijk fabriekgoederen, is bepaald: dat de onvervreemde fabrielcgoederen en de renten , waarvan de kerkfabrieken vroeger het genot hadden, aan hunne bestemming zijn teruggegeven (sont rendus a leur destination);

O., dat bij het arrêté van den 2ï Frimaire jaar XII is bepaald: dat de goederen , renten en fundatiën , belast met jaarlijksche miss™ en kerkelijke diensten, welke vroeger deel maakten van de inkomsten der kerken, begrepen zijn in het arrêté' van den 7 Thermidor jaar XI en, volgens dat arrêté, aan hunne eerste bestemming zullen teruggegeven worden (seront rendus a leur première destination);

O. derhalve, dat, volgens deze twee arrêtés (het decreet van den 22 Fructidor jaar XIII voorafgaande) de goederen, waarvan in deze zaa* de rede, aan hunne eerste bestemming moesten teruggegeven worden, en deze bestemming, volgens den wil van den stichter, in den productiebrief uitgedrukt is, van alle inkomsten derzelve te laten genieten door den geestelijke, die, ingevolge bet door den Keizer goedgekeurde advies van den Franschen Staatsraad van deu 21 Frimaire jaar XIV,

services auxquels lesdites fondations donnent lieu, conformémeit au titre.

Avis du conseil d'État du 2 Frim. an XIV, approuvé par VEmpereur le 21 Frimaire, — relatif ïv 1'exécution des conditions des anciennes fondations.

Le conseil d'État qui, d'après le renvoi de Sa Majesté, a entendu le rapport de la section de la législation sur celui du ministre des cultes, concernant diverses questions qui lui out été proposées par i';S marguilliers de la cathédrale d'Aix-la-Chapelle, sur 1'exéeution de ia décision de Sa Majesté, du 25 Frim. an XII, qui étend les dispoaitions de 1'arrêté du 7 Therm. an XI aux fondations pour messes, anniversaires, obits etc.;

Est d'avis sur la première question, savoir: " Les anciens titulaire3 des fondations peuvent-ils prétendre en acquitter les charges de pr,;' férence & tout autre ecclésiastique ?» — Que le gouvernement, rétablissant les fondations dont les biens et rentes subsistent encore, n'a entendu rétablir que la condition principale , celle d'acquitter les charges en prières et services religieux que le fondateur a prescrite?., et non les conditions accessoires, et surtout celle de 1'attribution exclusive k tel ou tel prêtre d'exécuter ce service religieux; que si 1"W admettait cette attribution exclusive, ce serait rétablir des bénéficcs simples, ce qui serait contraire a 1'esprit de la loi du 18 Germii<al an X;

Sur la deuxième question, savoir: <<Le prêtre qui acquitte les charges d'une fondation doit-il jouir du revenu entier comme par le passé?" — Que cette question est résolue' par 1'arrêté de Sa Majesté, du 22 Fructidor dernier, qui ordonne que les biens et revenus des fondations des fabriques seront administrés par les administrateurs desdites fabriques qui pavent aux curés , desservants ou vicaires , selon les règlements du diocèse, les messes, obits, ou autres services anquels lesdites f°;i' dations donnent lieu;

Sur la troisième question, savoir: »Le droit que le fondateur &

servé a certaines families d'acquitter les fondations est-il maintenu?"" Que, par les mêmes motifs de 1'avis sur la première question cedro' ne peut pas être maintenu, attendu qu'il établirait privilège et V' le gouvernement n'a rétabli que 1'objet principal de fondations;

Sur la quatrieme question, savoir: »A qui appartient le droit 06 nommer le sujet qui acquittera les charges de la fondation?»-—Q 1'évêque doit désigner, parmi les prêtres habitués dans les églises o1 ces fondations sont établies, celui qui doit les acquitter. ....

(1) Dit artikel is van den navolgenden inhoud: Les marguillie ■ sont chargés de veiller & ce que toutes fondations soient fidèlen113' acquittées et exécutées suivant 1'intention des fondateurs, sans 1"3 les sommes puissent être employees è, d'autres charges enz.

Waartegen de Kerkfabriek, ten betooge, dat ten aanzien van de ui keering der geheele opbrengsten der stichtings-goederen de oude geseculariseerde en gerestitueerde fondatiën daaronder niet zijn begrepe < zich voornamelijk heeft beroepen op art. 3ö van dat decreet, luiden e • Les revenus de chaque fabrique se forment: 1». du produit des et rentes restitués aux fabriques, des biens des confréries et génera lement de ceux qui auraient été affectés aux fabriques par Nos '-'ive^ décrets ; 2". du produit des biens, rentes et fondations qu elles o été ou pourront être par Nous autorisées a accepter; 3». du pr° des biens et rentes celés au domaine, dont Nous les avons autorjls(^u on dont Nous les autoriserions ïi se mettre en possession; 4 • produit enz.

Sluiten