Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den eischer concludeert, op grond, vooreerst, dat hij wel als bewindvoerder is benoemd voor de afwezigen in de nalatenschap van H. A. Taube, maar niet voor alle zaken; en ten tweede, omdat M. Libotté ten jare 1803 reeds was overleden , en de erflater Libotté, die den 16 Aug. 1872 zonder testament is overleden, tot éénige erfgenamen heeft nagelaten den ged, voor de eene helft, en de drie kinderen van zijne genoemde zuster Maria, te weten : Theodora, Anna en Bernard, Uit baar huwelijk inet K. Gernes voornoemd, die later tot een tweede huwelijk is overgegaan ; tot staving van welk overlijden de ged. in het geding brengt twee in de conclusiën vermelde brieven van Gernes, een brief van de drie genoemde kinderen en een brief van den kapellaan van Winona, zoomede eene beschikking van den kantonregter te Grave, waarbij deze afwijst het verzet van den eischer tegen de ontzegeling van den boedel des erfl«ters , op grond, dat, uitwijzens bescheiden, in den boedel gevonden, M. Libotté vóór den erflater was overleden, en de eischer voor zijne vertegenwoordigden dus geen belang had bij de nalatenschap; alle die stukken geregistreerd;

dat de ged. voorts geheel subordinaat verzoekt statering van het geding, ten einde zich nader bewijs te kunnen verschaffen van voorbedoeld overlijden van M. Libotté, te Winona, Staat Minnesota, van deVeveenigds Staten van Noord-Amerika; en daarna, bij eene tweede schriftuur van conclusie, waarin bij de eerste gepersisteerd wordt, opWerkt, dat, hetgeen aan de kinderen van M. Libotté uit de nalatenschap van hun oom aankomt, nimmer deel heeft uitgemaakt van den boedel van M. Libotté, en dus niet behoort tot het bewind van den eischer; en vervolgens in het geding brengt eene acte, te Winona opgemaakt, het overlijden van M. Libotté zullende constateren , en toegezonden bij eenen brief van Gernes zeiven, welke mede ten processe wordt overgelegd , acts en brief geregistreerd te 's Bosch ;

dat de gezegde acte is opgemaakt door E. N. Gerdtzen , klerk of beledigd secretaris van het district Winona, den 12 Dec. 1872, houdende , dat de mede-onderteekenonde drie personen, hem bekend als respectabel en geloofwaardig, hebben verklaard, dat zij M. Gernes, geboren Libotté, in de maand Oct. 1856 en vroeger hebben gekend 'e Winona, hare naburen waren, en met haar wel bekend; dat zij den 26 dier maand is overleden ten huize van haren man C. Gernes; dat zij getuigen haar gezien hebben gedurende hare laatste ziekte; dat zij gestorven is aan eene vliegende tering; dat zij haar lijk hebben gezien en bevonden hebben, dat het was dat van M. Gernes; dat zij den 28 dier maand hare begrafenis hebben bijgewoond op het Kathol ijk kerkhof te Winona; achter welke acte voorkomt de legalisatie der handteekenirg van genoemden Gerdtzen, door den Nederlandschen consul B. B. Haagsma, te St. Louis, voor de Staten Missouri, Yowa, Wisconsin en Minnesota, waarbij de consul tevens verklaart, dat Gerdtzen , die het document bekrachtigd heeft, is klerk of beëedigd secretaris van het district Winona, dat zijn zegel is dat van het districts-geregtshof, en dat zijne getuigt/nis volkomen geloof verdient en overal geldig is;

dat de eischer, na de eerste conclusie van den ged. en op het eerste middel van niet-ontvankelijkheid, met overlegging van zijne be.'iosming, heeft aangevoerd : dat zij is algemeen voor het bewind over alle goederen en regten van de afwezigen ; voorts dat de ged. zich beroept op het regt van derden en zelf geen belang heeft den eisch te betwisten tegenover een geregtelijk bewindvoerder, die verantwoordelijk is aan het Openb. Min.; dat de ged. niet verantwoordelijk is aan de echtelieden Gernes , hunne erven of belanghebbenden; dat hij eischer moet voortgaan te beheeren, al waren de afwezigen overleden ; eindelijk, dat hij den dood van M. Libotté ontkent; dat brieven dien dood niet kunnen bewijzen; dat ook de erflater aan die brieven weinig zal gehecht hebben, daar hij ten jare 1870 met anderen nog verzocht een bewindvoerder over de .regten en goederen van beide de echtelieden Gernes ; dat hij eischer eigener gezag niet kan toestemmen in Statering, omdat er een aanzienlijk bedrag van roerend goed is, van het medebeheer waarvan hij krachtig wordt uitgesloten ; dat de ged. sedert Aug. 1872 tijd heeft gehad zich bewijs van overlijden te verschaffen; concluderende, dat hem worde verleend acte, dat hij volhardt bij zijnen eisch on zich , met betrekking tot de statering , gedraagt aan het oordeel van de Regtbank;

dat de eischer bij eene tweede schriftuur van conclusie, na de overlegg'ng van voormeld te Winona opgemaakt bescheid, acte heeft verzocht , dat hij zich geheel refereert aan het oordeel van den regter, opmerkende, dat de nu overgelegde acte is vervaardigd hangende het geding; dat de kinderen Libotté niet opkomen, en de vraag nu blijft, of de ged. belang heeft bij zijn verzet; dat hij eischer heeft gedaan datgene waartoe hij overtuigd was verpligt te zijn achtervolgens de opdragt, hem door de liegtbenk gedaan, en niets verzuimd of geïgnoreerd te hebben wat in redelijkheid mogelijk was;

Ten aanzien van het regt:

O., dat de benoeming, blijkens de overgelegde acte daarvan, wel is geschied ter gelegenheid.dat de afwezigen moesten worden vertegenwoordigd in de nalatenschap van H. A. Taube, maar niet is beperkt tot de vertegenwoordiging in dien boedel alleen; dat het bewind hem ls opgedragen in het algemeen over de goederen en belangen van de afwezigen en om voor hunne regten op te komen en hen daarbij te vertegenwoordigen ; dat mitsdien het eerste middel van niet-ontvanke"jkheid , door den ged. opgeworpen, is ongegrond;

O., dat de ged. erkent, dat den 16 Aug. 1872 is overleden, zonder testament, G. Libotté, en dat hij diens broeder is en erfgenaam voor de helft, daarbij voegende, dat M. Libotté, zuster van den erflater, reeris vóór 18<Ï3 was overleden, en dat niet zij, maar hare kinderen tot de wederhelft in de nalatenschap zijn geregtigd; dat de eischer wel geen bewijs levert van het erfregt van M. Libotté, maar de ged., 'e oordeelen naar zijne dingtalen, geen nader bewijs van den eischer vordert, maar regtspraak verlangt oo de door hein overgelegde

stukken;

Ö-, dat C. Gernes in de brieven, door den ged. overgelegd en dooiden eischer niet ontkend, dagteekenenrte van 1863 en 1866, spreekt Van zijne vrouw M. Libotté als van eene overledene, en verder spreekt over zijne tweede vrouw, terwijl hij het overlijden van M. Libotté in eenen brief van Dec. 1872 nader bevestigt door het overzenden van eene acte van bekendheid, orn te dienen als acte van overlijden ;

> dat tegenover dat eigen beweren van Gernes, dat zijn huwelijk ttet M. Libotté was ontbonden vóór het openvallen der nalatenschap 'n gescnii moet worden niet-ontvankelijk verklaard eene regtsvordczocfvêer Ge° al'°en °p huwe)ijksregt gegrond wordt, zonder dat, voor naar de waXiTvan'^ tf" oniierzoek behfc{' ^treden te worden des huwelijks- beweren van overlijden of van ontbinding

f dat die verklaring van Qerneg evenwel niet voldoende is, om, ten nadeele van M. Libotté nf „„ i. e i •• i

h„„ , • , 01 van hare erven of regtverkrngers, als

het 26 ! "ïf ^ ."'f"' at, z'j reeds overleden was vóór 1863 of vóór heid0^6" \a ' 01"a a'ensc aP; dat ook de gezegde acte van bekendhui beWIJS. met esr,rt; dal.' 200 Gernes al ten tweedemale gehuwd geweest is in 1863 en zijn eerste huwelijk dus moet geacht

dat M ,-V'Jn.ontbo'ld°n ^weest de mogelijkheid niet is uitgesloten,

der LlbT "°g U' IT 'S 'eVen Was ''jdens het openvallen

uer nalatenschap m geschil; r

ttaatr/'af het,6te)len ,Va" ee° Mwindvoerder is een conservatoire maatregel en dat gevolg moet erlangen in ruimen zin ; dat zulk ge01g te meer moet gerekend worden in de bedoeling der wet te lie8en, omdat het bewind wordt ingesteld voor geheel onzekere toestanden, voor personen, wier bestaan onzeker is en wier regtstoestand

sehentijds veranderen kan ; dat bij gevolg de eischer moet worden

toegelaten om voor het behoud op te treden van de regten, welke gehouden moeten worden aan M. Libotté krachtens wettelijke erfopvolging te zijn aangekomen, tot het tegendeel bewezen wordt;

O. met betrekking tot de voorbedoelde acte van bekendheid, dat de ged. niets heeft bijgebragt ten blijke, dat zoodanige acte, opgemaakt vijfuen jaren na het beweerd overlijden in den Staat Minnesota, is een in regten geldend bewijs; dat dit ook van elders niet aan de Regtbank is bekend geworden; dat die acte zeker niet verder kan worden aangenomen dan als een vermoeden voor het overlijden, inzonderheid doordien de anders zoo omstandige verklaring van den Nederlandschen consul te St. Louis, op verren afstand van Winona gevestigd , niets bevat wat aanduidt, dat zoodanig stuk geldt als bewijs van overlijden ;

O., dat de ged. zich teregt heeft verzet tegen de vordering, voor zooveel Gernes betreft, en teregt geweigerd heeft iemand tot boedelscheiding toe te laten, die daarop volgens eigen opgaven geenerlei regt meer heeft;

Regt doende enz.,

Verleent acte van datgene, waarvan acte is gevraagd;

Verklaart den eischer, in zijne hoedanigheid van bewindvoerder voor C. Gernes, niet ontvankelijk in zijne vordering, en veroordeelt hem als zoodanig in de helft van de kosten, de kosten aan zijde van den ged. verevend voor het geheel op enz.;

Beveelt den ged. om met den eischer, in diens hoedanigheid van bewindvoerder voor M. Libotté, over te gaan tot scheiding en verdeeling van de nalatenschap van den heer G. Libotté ;

Benoemt om over die handeling te staan den notaris de Bruyn , te Grave; voor het geval, dat partijen binnen veertien dagen , na beteekening van uit vonnis , niet eens zullen zijn geworden over de keuze van een notaris , benoemt om als onzijdige de weigerachtigen of nalatigen te vertegenwoordigen in hetgeen zij ontvangen te beheeren , den heer van der Mark , gemeente-secretaris te Grave; en

Beveelt, dat partijen voor den gekozen of anders voor den benoemden notaris zullen verschijnen ten diens kantore den vierden Maandag na beteekening van dit vonnis, 's voormiddags ten tien ure; de wederhelft van de kosten en die van dit vonnis te brengen ten laste des boedels.

ARRONDISSEMENTS-KEGTiSANK TE ARNHEM.

jsti««*sr Zitting van den 17 April 1873.

Voorzitter, Mr. T. M. Wentholt.

Regters, Mrs.: C. G. Bijleveld en E. L. J. Vitringa.

Moet een molenaar in eene aardappelmeel-, sago- en vermicellifabriek aangemerkt worden als werkbode in den zin van art. 1639 B. W.? — Ja.

Heejt de meester het regt, als tusschen hem en zijnen werkman bij contract is bedongen: »mogt het blijken, dat de werkman niet de voldoende vereischten bezit voor zijn vak, of om andere redenen het noodzakelijk geacht worden, hem zijne diensten op te zeggen, dan zal hij niets te vorderen hebben van zijn meester» , den werkman uit zijne dienst weg te zenden, zonder het aanvoeren van redenen en zonder hem de schadeloosstelling te geven , bedoeld bij art. 1639 B. W.i —Neen.

Heeft hij dit toch gedaan , dan heeft de werkman tegen hem eene actie lot ontbinding der overeenkomst met schadevergoeding , ingevolge artt. 1302 en 1303 B. IV.

p. Giezen, eischer, procureur Mr. H. G. i'. Kolfschoten , tegen

B. Adema, gedaagde, procureur Mr. H. J. Kronenberg. De Regtbank enz.,

Gehoord de wederzijdsche conclusiën ;

Overwegende ten aanzien der daadzaken:

dat de eischer (post alia) ;

O. ten aanzien van het regt;

dat het tusschen partijen is in confesso, dat zij op 28 Febr. 1870 hebben aangegaan de overeenkomst, geformuleerd in het slot van de conclusie van repliek van den eischer; dat de eischer daarop onmiddellijk bij den ged. aan diens fabriek is in dienst getreden, en dat de ged. op 14 Sept. 1S72 den eischer, zonder het aanvoeren van wettige redenen en zonder hem eenige schadevergoeding daarvoor aan te bieden of te geven , uit zijne dienst heeft ontslagen ; terwijl uit het aangehaalde exploit van 17 Sept. daaraanvolgende blijkt, dat de ged. toen, gesommeerd om den eischer weder in de werkplaats aan de fabriek tot zijn gewoon werk toe te laten , heeft geweigerd den eischer weêr in dienst te nemen ;

dat de eischer, op grond van die, volgens hem, met den inhoud der gesloten overeenkomst, waarbij was bepaald , dat hij voor den tijd van tien jaren bij den ged. in diens f.ibriek als molenaar, tegen een weekloon van f 15, zou werken, strijdige handeling des gedaagden , vordert de ontbinding der overeenkomst, met vergoeding van koften , schaden en interessen en de proceskosten ;

dat de ged. dien eisch heeft bestreden, met aan te voeren, dat, wel is waar, verregaande brutaliteit van den eischer jegens hem, en het door den eischer geven van aanleiding tot grove wanordelijkheden op de fabriek , aanleiding hebben gegeven tot diens ontslag, doch dit alles, waarvoor hij dan ook geen bewijs aanbiedt, niets ter zake afdoet, vermits de eischer was zijn werkbode, de overeenkomst dus werd ontbonden door zijne opzegging van de dienst aan den eischer, hij voor die opzegging, zoo hij geene wettige redenen aanvoerde, zes weken loon als schadevergoeding zou zijn verschuldigd geweest, doch bij die overeenkomst door den eischer van die schadeloosstelling afstand heeft gedaan ;

dat die bewering val) den ged. echter niet Opgaat;

dat hij zich ter staving zijner bewering beroept op de bepaling der overeenkomst, dat, als mogt blijken, dat de eischer niet de voldoende vereïschten voor zijn vak van molenaar bezat, of om andere redenen noodzakelijk mogt geacht worden den eischer zijne diensten op te zeggen , dus hem te ontslaan , deze dan niets van den ged. zou te vorderen hebben ;

dat deze bepaling echter , wel verre van een ongemotiveerd ontslag te wettigen, geenszins aan den ged. de bevoegdheid gaf den eischer, dien hij voor tien jaren had gehuurd, te ontslaan, zonder eenige schadevergoeding wegens dat ontslag, indien mogt blijken, dat deze niet bekwaam en berekend ware voor het werk, waarvoor hij zich had verhuurd , of andere redenen dat ontslag noodzakelijk maakten;

dat de overeenkomst het oordeel of de beslissing over de bekwaamheid en geschiktheid van den eischer en over het bestaan van andere geinige redenen tot diens ontslag in het geheel niit uitsluitend heeft toegekend aan den ged., met andere woorden , van diens willekeur het geven van omslag niet heeft afhankelijk gesteld;

dat dit te doen de bedoeling van contractanten niet kan geweest zijn , met bet oog èn op den bepaalden langdurigen diensttijd, èn op de stipulatie van f 100 aan den eischer, na wel volbragten diensttijd

uit te betalen , wier uitkeering alsdan ook zon zjjn afhankelijk gesteld vaa des gedaagden willekeur;

dat bovendien des gedaagdes verbindtenis op die wijze zoude zijn nietig;

dat dus moet worden aangenomen , dat, bij verschil van partijen over de vraag, of er geldige redenen tot ontslag aanwezig waren, de beoordeeling en beslissing aan den regter toekomt;

dat die uitlegging der overeenkomst het meest strookt met de aannemelijke bedoeling van de contractanten en met den aard dezer overeenkomst en medebrengt, dat de wederzijdsche bedingen eeni-* gevolg kunnen hebben ; °

dat de ged. dus , bewerende, dat hij den eischer heeft ontslagen , zonder tot verantwoording van de daartoe geleid hebbende redenen gehouden te zijn, en verklarende mitsdien dan ook geenerlei bewijs aan te bieden van de in zijne conclusie van antwoord opgegeven motieven , ten gevolge waarvan er ook voor den regter geene gronden zouden kunnen bestaan om, ambtshalve, een getuigenverhoor ten aanzien daarvan te gelasten , indien de opgegeven daadzaken al bestemd genoeg niogtei: geoordeeld worden om voor zoodanig bewijs vatbaar te worden geacht, — moet worden beschouwd den eischer te hebben weggezonden zonder geldige, dat is, wettige redenen, welke dat ontslag noodzakelijk maakten ;

dat de betrekking tusschen den ged., eigenaar der stijfsel- en vermicelli-fabriek, en den eischer, molenaar in die fabriek, moet worden geacht te zijn die van meester en werkman, of, wat hetzelfde is, werkbode, daar de bepalingen van het Burgerlijk Weiboek betrekkelijk de huur van dienstboden en werklieden geen onderscheid maken tusschen werkboden en werklieden, noch de wetgever zoodanig onderscheid heelt bedoeld , blijkens de geschiedenis der bedoelde wetsartikelen , terwijl ook de woorden «man» en «bode», in verband met vwerk", betcekenen en steeds beteekend hebben zoodanige personen, die in eene ondergeschikte betrekking, te-en gei.ot van'een bepaald loon , ten behoeve van hunnen meester diensten verrigten van riederigen aard , waarvoor geene bijzondere geestbeschaving of ontwikkeling en bijzondere kundigheden vereischt worden ;

dat de eischer wel beweert, dat de lange duur van de dienst en de aard zijner werkzaamheden aan de fabriek des gedaagden dia qualificatie van werkbode onaannemelijk maken, doch die qualificatie niet afhangt van den aard der diensten, noch van den tijd, waarvoor zij aangenomen werden; en, nu de eischer aan de fabriek was ondergeschikt aan den ged., zijnen meester, zoo als niet door hem is weersproken , en de aard der werkzaamheden aan eene fabriek medebrengt, dat de eene werkman bet eene en de andere het andere werk verrigt en, waar het noodig is, de een des anderen werk leidt en daarop toezigt houdt, zonder dat daardoor hunne betrekking van werkman eenige wijziging ondergaat, waartoe zou gevorderd worden eer. geheel onafhankelijke, zelfstandige werkkring, ten onderwerp hebbende verrigtingen, die zouden vereischen eene ruime mate van geestesontwikkeling en beschaving, van kennis en wetenschap, waarvan zeer zeker bij de door den eischer beweerde werkzaamheden geen sprake kan zijn;

dat art. 1639 B. W. aan den meester de bevoegdheid geeft zijne werkboden ten allen tijde, zonder het aanvoeren van redenen , weg te zenden, mits hij in dat geval aan dezen betale, behalve het verschenen loon , nog tot schadeloosstelling zes weken, te rekeuen van den dag der wegzending ;

dat de ged. van deze exeeptieve bevoegdheid , welke door de bestaande overeenkomst niet werd buitengesloten , geen gebruik heeft gemaakt, daar hij wel den eischer heeft weggezonden , doch zonder schadeloosstelling, bewerende daartoe ongehouden te zijn krachtens de overeenkomst ;

dat die overeenkomst echter hem wel de bevoegdheid gaf den eischer te ontslaan, zonder betaling vajp schadeloosstelling, doch alléén als er daartoe geldige redenen bestonden, hoedanig de ged., alhoewel primitief bij zijn antwoord eenige daadzaken opgegeven hebbende, bij zijne nadere conclusie van dupliek heeft verklaard niet te stellen, als niets ter zake afdoende, zoodat ze moeten Worden geacht niet te bestaan ;

dat dus de ged., door de wegzending van den eischer van het werk in de fabriek, en zijne weigering om dezen daartoe weêr toe te laten schond de bepaling der tusschen partijen bestaande overeenkomst * houdende, dat de huur word aangegaan voor tien jaren , en op dié schending, die wanpraestatie, zijn toepasselijk de bepalingen van het algemeen regt ;

dat mitsdien des eischers vordering, gegrond op die wanpraestatie, voor toewijzing vatbaar is, krachtens de bepalingen van artt. 1302 en 1303 B. W.:

dat de ged. wel heeft betwijfeld de bevoegdheid dezer Regtbank om over den eisch te oordeelen, doch geene exceptie van onbevoegdheid heeft voorgesteld , terwijl de Regtbank dien ten gevolge, al ware zij onbevoegd tot de kennisneming van den eisch ratione materiae (des echter neen), krachtens art. 157 B. R., dezelve aan zich zou moeten behouden en daarop regt doen ;

Gezien art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Verleent aan den eischer de gevraagde acte;

Passeert het door hem gedaan aanbod van bewijs, als overbodig; Verklaart ontbonden de op den 28 Febr. 1870 tustchen den ged! en den eincher voor den tijd van tien jaren gesloten overeenkomst voorschreven, wegens wanpraestatie van den ged.;

Veroordeelt den ged. om aan den eischer te vergoeden alle kosten, schade en interessen , door deze wanpraestatie reeds geleden of nog te lijden , in der minne te regelen en anders , bij gebreke van dien , op te maken bij staat en te vereffenen conform de w-et;

Veroordeelt den ged. in al de kosten van dit geding.

(Gepleit voor den eischer Jhr. Mr. l. van Nispen, en voor den gedaagde Mr. A. J. Kronenberg.)

AiiRONDISSEMENTS-REG'J'BANK TE AMSTERDAM.

Kerste kantor.

Zitting van den S Maart 1873.

Voorzitter, Mr. S. Wildschut.

Regters, Mrs.; l. a. a. van Wensen en c. a. Chais van Buren, plaatsvervangend regter.

Eisch tot ontbinding van een gkhomoi.ogei.rd accoord wegens

wanpraestatie. — toewijzino der vordering. — schuldvernieuwing. — Vrijwaring.

Stelt het geven van volmagt om een accoord aan te nemen en te teekenen , schuldvernieuwing daar f — Neen.

Is door de gedaagde maatschappij het bewijs geleverd, dat de schuldvordering van den eischer ten haren laste it voldaan f — Neen.

Kan het vrijwillig inzenden der quitantie door den eischer in casu daartoe iets afdoen? — Neen.

J. van Assen, koopman te Driel, eischer, procureur G. van des Hans ,

Sluiten