Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen

de universele assurantie-maatschappij *de Adelaar*, te Amsterdam, gedaagde, procureur H. P. Loggere ,

en

de universele assurantie-maatschappij //de Adelaar//, te Amsterdam, eischeres, procureur H. P. Loggere ,

tegen

Mrs. H. van Manen en J. c. de Vries, ieder in privé en beiden in qualiteit van voormalige curatoren in het faillissement der universele assurantie-maatschappij «/de Adelaar» , gedaagden in vrijwaring, procureur J. G. Kuhn.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de eischer, na voorafgaande sommatie, de gedaagde maatschappij heeft gedagvaard, ten einde bij vonnis te hooren verklaren ontbonden en vernietigd (voor zoover den eischer en den ged. betreft) het door of namens de gedaagde maatschappij tijdens haar faillissement aangeboden, en door het Hof in Noordholland op 1 Junij 1871 gehomologeerde accoord, ter zake van wanpraestatie der gedaagde maatschappij; voorts tot schadevergoeding ten bedrage van f 3390 , uitmakende het bedrag van de vordering, waarvoor de eischer in het faillissement van de gedaagde maatschappij is erkend, na aftrek der in mindering betaalde f 110, en zulks met interest van den dag der dagvaarding k 5 pet. 's jaars en tot betaling van de proceskosten ;

dat de gedaagde maatschappij, alvorens te antwoorden, vergunning heeft verzocht en bekomen om de gewezen curators in het faillissement der gedaagde maatschappij , de heeren Mrs. J. c. de Vries en H. van Manen, in vrijwaring op te roepen ;

dat, bij vonnis dezer Regtbank van 4 Dec. 1872 (behoorlijk geregistreerd), de oorspronkelijke zaak en die der vrijwaring zijn gevoegd;

dat, na die voeging, de gedaagde maatschappij heefc geantwoord , dat de betaling der bij het accoord bedongen procenten moest ge- j schieden door de curators in het faillissement, daartoe door den directeur der gedaagde maatschappij in staat gesteld;

dat de gedaagden in vrijwaring de bewijzen onder zich hebben, dat al die schuldeischers deswege hebben gequiteerd, en daaronder ook de quitantie van den oorspronkelijken eischer;

dat de oorspronkelijke eischer ook schijnt te erkennen, dat hij voor de voldoening der bedongen procenten over het bedrag zijner vordering gekweten heeft; dat die quitantie mede heeft gestrekt om het accoord te doen homologeren ; dat het beweren des eischers, dat hij de quitantie heeft afgegeven, zonder betaling te erlangen, de ingestelde vordering dus nooit kan regtvaardigen, en zelfs de gedaagden in vrij waring, op de gronden, breeder bij de dagvaarding in vrijwaring vermeld , verpligt zijn het gehomologeerd accoord tegen die actie mede te helpen handhaven , behoudens des eischers verhaal casu quo tegen dengene, aan wien hij die quitantie, zonder betaling te erlangen, heeft toevertrouwd; dat de oorspronkelijke eischer in zijn antwoord op het verzoek om voeging wel beweert, dat hij die quitantie (volgens hem eene verklaring) aan de gedaagde maatschappij zelve heeft gezonden , maar dat deze zulks ontkent, en de eischer dit feit niet bewijst; op welke gronden de ged. concludeert, dat de eischer zal worden verklaard niet-ontvankelijk in zijne vordering, immers dat hem die zal worden ontzegd, met veroordeeling in de kosten, ook die op de vrijwaring, de voeging en in de gevoegde zaak zijn gevallen; en, voor het ongehoopt geval, dat die vordering mogt worden toegewezen, de gedaagden in vrijwaring te veroordeelen om voor de eischers in vrijwaring de schadevergoeding en de kosten te betalen aan den eischer J. van Asten , en daarenboven dan de gedaagde maatschappij te vergoeden alle kosten, schaden en interessen, die uit de ontbinding van het accoord voor de gedaagde maatschappij mogten voortvloeien , alles met veroordeeling in de kosten , op de vrijwaring gevallen;

dat de gedaagden in vrijwaring op dien eisch hebben geantwoord , dat zij zouden kunnen volstaan met een beroep op de door hen ten overstaan van den regter-commissaris in het faillissement der gedaagde maatschappij afgelegde rekening en verantwoording , waarbij zij zonder eenige reserve behoorlijk gedechargeerd en ontslagen zijn; dat zij echter bovendien opmerken, noch ex contractu, noch ex lege tot vrijwaring jegens de eischers gehouden te zijn; dat zij zich jegens de gefailleerde maatschappij »de Adelaar» noch als curators, noch in privé verbonden hebben , en, voor zooveel zij krachtens accoord tot sommige handelingen verbonden waren , deswege door de eischers in vrijwaring finaal zijn gequiteerd en gedechaigeerd; waarom zij concluderen tot niet-ontvankelijk-verklaring, immers tot ontzegging van den eisch in vrijwaring met de kosten;

0. in regten:

lo. ten aanzien van de oorspronkelijke vordering:

dat daartegen door de gedaagde maatschappij is aangevoerd, dat hier schuldvernieuwing zoude hebben plaats gehad, waardoor de eischer alleen tegen F. Verschuur Pz., niet tegen de gedaagde maatschappij, eene actie zoude hebben; en dat, al had geene schuldvernieuwing plaats gegrepen, dan nog de eischer zelf, door zijne toestemming in het accoord, geene verdere actie zou hebben dan tot betaling der bedongen procenten ;

0. ten aanzien der beweerde novatie:

dat deze volgens de ged. berust op het feit, dat de eischer op i. Verschuur Pz. magtiging heeft verstrekt om het accoord van de gefailleerde maatschappij te teekenen en hem quitantie voor de geaccordeerde 15 pet. heeft overgezonden , waardoor de gedaagde maatschappij ten aanzien van eischers vordering was gelibereerd;

dat deze bewering is onjuist; dat toch, aangenomen dat eene schuldvernieuwing niet alleen uit eene acte behoeft te blijken , het geven van volmagt om een accoord aan te nemen en te teekenen geene novatie daarstelt, ook al werd daarbij quitantie van de bedongen procenten door den eischer overgezonden; dat toch alleen dan , wanneer de gedaagde maatschappij kon bewijzen , dat zij door den eischer ten gevolge van betaling was gequiteerd en in het bezit der quitantie was, de bewering, dat de eischer alleen met F. Verschuur Pz. te doen had , zou kunnen opgaan;

dat dan ook het overzenden der quitantie, zoo als tusschen partijen in confesso is, alleen heeft gediend om de homologatie van het accoord mogelijk te maken , waarbij was bepaald , dat alle goederen, of zooveel als noodig was voor de voldoening van de concurrente crediteuren, in handen van de curators zou worden gedeponeerd, zoodat toen, in plaats van kas, de quitantiën der crediteuren in depót bij de curators voldoenden waarborg opleverden, terwijl het zenden van dat stuk aan F. Verschuur Pz., die alleen en uitsluitend aan den eischer bekend was als, in welke qualiteit dan ook, voor de belangen van »de Adelaar* op te treden , geen doel van den eischer om de maatschappij te ontslaan, te kennen gaf; waarbij komt, dat F. Verschuur Pz., door, zoo als in confesso is , steeds voor zijne brieven papier te gebruiken , voorzien van den stempel of het vignet van '/de Adelaar» en aanhaling van afdeeling en volgnummer, den eischer moest doen gelooveu , dat hij steeds met den gerant, althans met den negotiorum gestor van »de Adelaar» te doen had;

0. ten andere, dat, door het vrijwillig inzenden der quitantie, voor de bij acpoord bedongen procenten , de eischer volstrekt niet kan geacht

worden zijne regten als gewoon concurrent crediteur van de gedaagde

maatschappij te hebben prijs gegeven;

dat toch de handeling is geschied geheel ter goeder trouw, om de homologatie van het accoord mogelijk te maken, maar in de stellige verwachting tevens, dat de gefailleerde maatschappij hare bij accoord aangegane verpligtingen zou nakomen, en niet, waar zij daarmede in gebreke blijft, door persoonsverwisseling van haren gewezen directeur-generaal, in den privaat persoon van F. Verschuur Pz. zou trachten zich aan wettig aangegane verbindtenissen te onttrekken ;

dat mitsdien de eischer in deze volkomen geregtigd is tot het instellen zijner actie, en deze hem, als op de wet gegrond, behoort te worden toegewezen ;

0. alsnu ten aanzien der vordering in vrijwaring:

dat de gedaagden in vrijwaring door de eischeres in vrijwaring bij de door hen gedane rekening en verantwoording , ten overstaan van den regter-commissaris in het faillissement, volledig zijn gequiteerd en gedechargeerd;

dat, voor zooveel zij na de homologatie van het accoord belast waren met de uitbetaling der bij dat accoord bedongen procenten, de directeur-generaal der eischende maatschappij , zoo als in confesso is, heeft erkend in Julij 1871, dat hij de door de gedaagden gedane rekening en verantwoording deswege heeft goedgekeurd , een saldo van f 695.42 van de gedaagden in vrijwaring heeft overgenomen, en hen ten gevolge daarvan zonder eenige reserve heeft gequiteerd en gedechargeerd; dat, welke regten welligt crediteuren van de failliete maatschappij »de Adelaar* uit het accoord tegen de gedaagden in vrijwaring mogten kunnen doen gelden , zeer zeker de maatschappij zelve, na vorenstaande verklaring van de gedaagden, geene vrijwaring kan vorderen wegens handelingen , waarvoor zij de verantwoordelijkheid geheel op zich zelve heefc teruggebragt;

dat mitsdien voor vrijwaring, als is gevorderd, geene termen zijn ; Gezien de artt. 1302, 1303, U79 volg. en 1902 B. W., 56 B. R.; Regt doende 1°. op de oorspronkelijke vordering :

Verklaart ontbonden en vernietigd, voor zooveel den eischer en den ged. betreft, het door of namens de gedaagde maatschappij tijdens haar faillissement aangeboden en door het Prov. Geregtshof in Noordholland op 1 Julij 1871 gehomologeerd accoord, ter zake van wanpraestatie der gedaagde maatschappij ;

Veroordeelt de gedaagde maatschappij om aan den eischer als vergoeding van schade, tegen behoorlijke kwijting, te voldoen de som van f 3390, uitmakende het bedrag van de vordering, waarvoor de eischer als crediteur in het faillissemet der gedaagde maatschappij is erkend, na aftrek der in mindering betaalde som van f 110 , met interest & 5 pet. 's jaars van den dag der dagvaarding ;

Veroordeelt de gedaagde maatschappij in de proceskosten , ook die bij vroegere vonnissen in deze zaak zijn gereserveerd ;

2°. op de vordering in vrijwaring :

Ontzegt der eischeres in vrijwaring hare vordering, en veroordeelt haar in de kosten , op de vrijwaring gevallen.

(Gepleit voor den eischer Mr. J. c. de Vries, voor de gedaagdesse Mr. J. W. Tydeman en voor de gedaagden in vrijwaring Mr. J. A. Molster.)

Zitting van den 10 Maart 1873.

Voorzitter, Jhr. Mr. c. Dedel.

Regters, Mrs.: S. Wildschut en C. A. Chais van Buren, plaatsvervangend regter.

condictio indebiti. — clvielregtelijke aard der vordering. —

Competentie van den reoter.

Had de kantonregter zich behooren onbevoegd te verklaren kennis te nemen van eene vordering, zij het ook tegen een koopman ingesteld, wanneer die vordering geen ander onderwerp heeft dan eene zuivere condictio indebiti ? — Ja.

D. Blokker, schipper te Grootebroek, procureur L. Boas ,

tegen

H. Visser, koopman in groenten te Amsterdam, procureur H. P. Loggere.

De Regtbank enz.,

Gelet op de conclusie van het Openb. Min., daartoe strekkende, dat de Regtbank , met te-niet-doening van het appel en van het vonnis a quo, den app. zijne exceptie van onbevoegdheid zal toewijzen en den geïnt. zal veroordeelen in de kosten van beide instantiën; Overwegende ten aanzien der feiten :

dat, bij interlocutoir vonnis dezer Regtbank van 5 Junij 1872, aan den geïnt. is opgedragen door getuigen te bewijzen , dat de app. is koopman ;

dat ter voldoening aan dat vonnis op 24 Sept. 1872 zijn gehoord de navolgende getuigen, die, na beëedigd te zijn, hebben verklaard: de eerste getuige, W. Jansen, oud negen-en-veertig jaren, commissionnair, wonende te Amsterdam : dat hij Blokker wel kent en weet, dat die op 19 Junij 1872 voor J 444.85 aan erwten en peulen van hem heeft gekocht; dat hij weet, dat Blokker eene eigen schuit heeft en daarop als schipper vaart; dat hij vóór dien datum niets van Blokker heeft gekocht noch aan hem verkocht; dat hij aan getuige Broersen , die volgens zijne mededeeling ook van Blokker had gekocht, heeft gevraagd, of hij hem crediet kori geven ;

de tweede getuige , A. Bos, oud zes-en-vijftig jaren, koopman in groenten, wonende te Amsterdam: dat hij Blokker sedert vijftien jaren kent als schipper; dat hij heeft gezien , dat Blokker, in Mei 1871, zoo hij meent, groenten heeft gepakt in kanasters; dat hij ook wel van hem heeft gekocht, doch, daar Blokker zelf groenboer is en grond bezit, hij niet weet, of dat gekochte van Blokker zei ven of van getuige Broersen afkomstig was ; dat hij niet aan Blokker, maar aan het groentenkantoor heeft betaald;

de derde getuige, H. Baggelaar, oud een-en-veertig jaren, koopman in groenten en aardappelen, wonende te Amsterdam : dat hij nooit met Blokker heeft gehandeld en nooit heeft gezien , dat deze met anderen handelde; dat hij heeft gehoord, dat Blokker omstreeks half Junij 1872 van den eersten getuige, Jansen, peulen heeft gekocht;

de vierde getuige, C. Jansen, oud een-en-vijftig jaren, koopmau in groenten te Amsterdam: dat hg weet, dat zijn broeder, de eerste getuige, op 19 Junij 1872 de bewuste erwten en peulen heeft gekocht ; dat, wanneer hij getuige van Blokker kocht, hij dezen niet betaalde, omdat hij slechts schipper was;

de vijfde getuige, D. Broersen, oud vijf-en-zestig jaren, schipper en bouwman te Grootebroek: dat Blokker is koopman ; dat hij tweemalen van hem heelt gekocht, vóór twee jaren eene partij uijen door Blokker met Visser, zoo als eerstgenoemde zeide gekocht, en in 1872 ook rapen en wortelen ; dat Blokker in Broekerhaven wel groenten van anderen ten vervoer ontvangt en ook daar wel voor eigen rekening koopt;

O., dat geen tegen-getuigenverhoor heeft plaats gehad, doch dat partijen hunne wederzijds genomen conclusiën nader bij pleidooi hebben toegelicht;

0., wat het regtspunt betreft:

dat uit de verklaringen der gehoorde getuigen niet is gebleken, dat de app. vóór de primitieve dagvaarding van 15 Nov. 1870 en tijdens de handeling, waarover de actie loopt, was koopman;

dat echter, afgescheiden van de vraag, of de app. als koopman dan wel als schipper, op wien de bepalingen van het handelsregt toepasselijk zijn, te beschouwen is, de aard der vordering medebrengt, dat hier aan geen handelszaak te denken valt;

dat toch de geïnt., oorspronkelijke eischer, in facto beweert, dat hij op 10 Oct. 1870, bij het afrekenen met den app., aan dezen bij vergissing te veel zou betaald hebben de som van f 100; dat deze feiten grond opleveren voor de actie, omschreven bij artt. 1395 en 1396 B. W., zoo als ook door den originelen eischer is ingesteld;

dat de actie, de zoogenaamde condictio indebiti, is van geheel civielen aard , gegrond op een quasi-contract;

dat het handelsregt is exceptionneel, alleen dkn van het burgerlijk regt afwijkende, waar dit in het Wetboek van Koophandel bepaald is voorgeschreven ;

dat mitsdien uitbreiding van de bepalingen van dit regt tot nietomschreven gevallen is ongeoorloofd;

dat ook uit den aard der zaak de condictio indebiti alleen in het civiele regt te huis behoort, daar zij berust op het feit van te veel betaling of onverschuldigde ontvangst;

dat dit feit plaats vindt, zoodra, maar ook niet eer , dan wanneer aan de gewone verbindtenis, hetzij ex jure civili, hetzij ex jure com; rnerciali is voldaan; dat met die voldoening de verbindtenis, al is het dan ook krachtens eene handelszaak, is geextingueerd, terwijl daarna ontstaat de te veel betaling, een geheel op zich zelf staand feit, dat met de voorafgegane voldoening eener andere overeenkomst niets te maken heeft, en daarom ook', als niet ex contractu voortspruitende, door eigen bepalingen wordt geregeerd ;

dat alzoo, waar , gelijk in casu, te veel betaalde gelden worden teruggevorderd, de competentie van den regter, die van die vordering moet kennis nemen , geheel wordt geregeld naar het civiele regt, en dus de app. ten onregte van zijn wettigen regter , dien van zijne woonplaats is afgetrokken , weshalve de regter a quo zich had behooren te verklaren onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;

Gezien, behalve de aangehaalde artikelen, artt. 126, 332 volg., 56 B. R. ;

Regt doende in hooger beroep,

Vernietigt het vonnis , door den regter in het 4de kanton van dit arrondissement op '25 Nov. 1870 tusschen partijen gewezen;

En , op nieuw regt doende ,

Verklaart den regter a quo onbevoegd om kennis te nemen van de vordering, door den geïnt. ais oorspronkelijke eischer tegen den app., als oorspronkelijke ged., ingesteld;

Veroordeelt den geïnt. in de kosten van beide instantiën.

HOOGE RAAD. — Ststauei- vau lacantie.

Zitting van Maandag, 18 Augustus.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Uitspraak gedaan in zake :

lo. (cassatie) M. B. Starke, eischer, procureur Mr. M. Eyssell , tegen het Hoofdbestuur van het waterschap Iieiderland , verweerder, procureur Mr. J. van der Jagt, en tegen H. A. Hesse c. s., mede-verweerders. Verworpen,

2°. P. J. H. van Graauwenhaan en K. Aelbers, tegen een arrest van het Hof in Zuidholland. Niet-ontvankelijk verklaard, voor zooveel de vrijspraak betreft, en overigens verworpen.

3o. den proc.-gen. bij het Hof in Noordbrabant, tegen een arrest in zake A. Tuurlings. Het arrest en het vonnis der Regtbank te 's Bosch vernietigd en den gereq. veroordeeld in eene geldboete van f 8.

4°. P. St. Nicolaas, tegen een arrest van het Hof in Zuidholland. Verworpen.

5o. H. Klomp, weduwe van H. J. Schimmelpenning Vos, tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Verworpen.

REGTSQELEERDE UITGAVEN.

FRANSCHE LITERATUUR.

Mourlon. Répétitions écrites par le deuxième examen du Code Napoleon, contenant 1'exposé des principes généraux, leurs motifs et la solution des questions historiques : par M. Fr. Mourlon , avocat. 9e édit., revue et mise au courant par Ch. Demangeat, prof. a la Faculté de droit de Paris. T. II, in 8°., 896 p. Paris, MarescQ ainé.

ADVERTENTIEN.

REGT E RL IJ K E ORGANISATIE,

WET 0P DEN OVERGANG ,

WET HOUDENDE ALGEMENE BEP.\L1.\GE\',

De tweede druk van de 1ste aflevering van het 2de deel van Leoti's Regtspraak van den Hoogen Raad is in Mei jl. bij Gebbs. Belinfante te 's Hage verschenen en bevat bovenstaande wetten. Deze nieuwe uitgave is herzien en tot April 1873 bijgewerkt, door

Mr. E. L VAM 8KM!9Eil,

Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Prijs f 4.—

Ook deze aflevering is afzonderlijk verkrijgbaar, en alom voorhanden.

De verschillende deelen en afleveringen wordeu tegen de volgend13 prijzen geleverd :

Deel I (Staatsregt), met 3 vervolgen ƒ 26.

» II, Iste afl. (Regt. Org. enz.) -

» II, 2de en 3de afl. (Burg. Wetb., 1ste en 2de ged.). ■ II-5"

» II, 4de afl. (Koophandel), met 2 supplementen . • 12-

* II, 6de » (Strafvordering) "

Snelpersdruk en l'itjjave van

HKEiIHflfAJSTIE . te '8 «rayenShu*sfe.

Sluiten