Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WETGEVING.

AANVULLING VAN ART. 96 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Nadere nota naar aanleiding van het verslag der Tweede Kamer.

Blijkens § 2 van het verslag over het wets-ontwerp tot aanvulling van art. 96 Wetboek van Strafvordering, werden door den ondergeteekende omtrent twee punten nadere inlichtingen toegezegd, welke hij de eer heeft thans aan de Kamer mede te deelen.

§ 1. Het eerste punt betrof de vraag, of Engeland in die gevallen, waarin een getuige volgens onze metten , op grond zijner godsd.enstip,e gezindheid, in plaats van den eed, eene belofte aflegt, met eene zoodanige onder verband der belofte afgelegde verklaring genoegen zal nemen.

De vraag kan thans bevestigend worden beantwoord, op grond van te dier zake langs diplomatieken weg ingewonnen inlichtingen. Door de Engelsche Regering wordt medegedeeld, dat, volgens de bepalingen van verschillende acts of Parliament, n°. 24 and 25 Vict. C. 66, 32 and Vict. C. 68, en 33 and 34 Vict. C. 49, bij het afleggen van getuigenis in strafzaken de eed kan worden vervangen door de belofte, zoo dikwyls bij den getuige godsdienstige bezwaren tegen de eedsaflegging bestaan; terwyl eene zoodanige on Ier verband der belofte afgelegde verklaring alsdan even geldig en verbindend is, alsof zij onder eede was afgelegd, en dat. derhalve, voor zooverre door de Nederiandsche wetten aan de getuigen in zoodanig geval de bevoegdheid wordt verleend den eed te vervangen . door de belofte , daaraan met betrekking tot de uitlevering gelijke kracht zal worden toegekend als aan een beëedigd getuigenis. — Daar echter in n°. 14 der Extradition Act 1870 wordt gesproken van "depositions or statements on oath«y is ter voorkoming van de mogelijkheid, dat later hieromtrent raoeijelykheid ontsta, in een ontwerp tot wijziging der wet eene bepaling opgenomen van den volgenden inhoud: *Be it declared, that the provisions of the principal Act relating to depositions and statements on oath taken iu a foreign state, and copies of such original depositions and statements, do and shall extend to afiirmations taken in a foreign atate, and copies of such affirmations*. Dat wets-ontwerp is op den 21 Julij 11. by tweede lezing in het Britsche Lagerhuis aangenomen.

§ 2. Naar aanleiding van het eerste gedeelte van art. 6 van het ontwerp-tractaat van 21 Aug. 1857 met de Vereenigde Staten, en de over dat tractaat gewisselde stukken, werd in het verslag gevraagd, of de Amerikaan8che Regering wel zoo sterk vasthoudt pan het beginsel, waarop tot dusver de onderhandeling met Engeland is afgestuit.

Door den ondergeteekende is, naar aanleiding dier vraag, een onderzoek ingesteld naar de bepalingen, die in de verschillende uitleveringstractaten, door de Vereenigde Staten na 1857 gesloteu , te dier zake voorkomen; en daaruit is gebleken, dat bij al die tractaten , voor zooverre zij den ondergeteekende bekend zijn geworden, de uitlevering alleen dan wordt toegestaan , wanneer het misdrijf aanvankelijk in die mate is bewezen, als noodig zou zijn voor de aanhouding en de teregtstelling van den beklaagde, ware het misdrijf gepleegd in het land, waar hij gevonden wordt.

In het tractaat met Hayti van 3 November 1864 luidt de bedoelde bepaling woordelijk als volgt: "Provided, that this shall be done only when the fact of the commission of the crime shall be so established as to justify their apprehension and commitment for trial, if the crime had been committed iu the country where the persons so accused shall be found: in all of which the tribunals of said country shall proceed and decide according to their own laws».

Geheel dezelfde bepaling bevat het tractaat van Venezuela van 27 Augustus 1860 , terwijl het tractaat met Zweden en Noorwegen van 21 Maart 1860 de volgende bepaling bevat: «Provided, that this surrender and delivery shall not be obligatory on either of the high contracting parties except upon presentation by the other, iu original or in verified copy, of the judicial declaration or sentence establishing the culpabiiity of the fugitive But if such sentence or declaration shall not have been pronounced, then the surrender may be demanded, and shall be made, when the demauding party shall have furnished such proof of culpability as would have been sufficiënt to justify the apprehension and commitment for trial of the accused if the offence had been committed in the country where he shall have taken refuge*.

Uit deze bepalingen moet worden afgeleid, dat ook , al schynt de Amerikaansche Regering in 1857 van bovengemeld beginsel te zijn afgeweken, er allezins grond bestaat om te vermoeden, dat deze Mogendheid thans, evenzeer als Engeland, bezwaar zal maken, zonder overlegging van beëedigde getuigenissen , uitlevering toe te staan.

De Minister van Justitie, de Vries.

provinciale geregts hoven.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN ZEELAND.

Hamer v*4ii Strafzaken,

Zittingen van 25 en 28 Augustus 1873.

Hbt als openbaar depositaris verduisteren en aan hunne bbstemming onttrekken van gelden en geldswaarden tot een gezamenlijk bedrag van meer dan ƒ1500, welke den dader als zoodanig waren toevertrouwd.

Zaak van Hendrik Gesquièrre, oud twee-en-vijftig jaren, gewezen bediende en concierge in de bank van leening te Middelburg. Hij wordt beschuldigd van »het als openbaar depositaris verduisteren en aan hunne bestemming onttrekken van gelden en geldswaarden tot een gezamenlijk bedrag van meer dan ƒ 1500, welke hem als zoodanig waren toevertrouwd».

De behandeling dezer zaak werd door een talrijk publiek bijgewoond.

De besch. heeft de betrekking van concierge bij de bank van leening bekleed sinds 1 Jan. 1855, tegen genot eener jaarwedde van f 4oü en van vrije woning, berekend op eene waarde van ƒ 50. Hij heeft voor die betrekking een borgtogt van ƒ 500 gestort. In zijne hoedanigheid van concierge was hij steeds in het bezit van de sleutels der magazijnen en van de goud- en zilverkast. Met den getuige P. van Goozen was hij op het hoofdkantoor der bank beiast met de beleening en lossing der panden , waartoe ook het uitbetalen en in ontvangst nemen der gelden behoorde. Bij afwezigheid van den besch. werd hij vervangen door den klerk W. Verhulst, die soms ook wel van Goozen verving; des Zaturdags-avonds was de lossing der panden speciaal aan den besch. opgedragen.

Gedurende minstens acht jaren heeft de besch. van tijd tot tijd gelden, die hem by de aflossing der panden werden uitbetaald, niet in de

kas gestort, maar met de pandbriefjes in zijn zak gestoken. Die briefjes hield hjj steeds in zijn bezit, en tegen den tijd der verkooping van onafgeloste panden stortte hij de gelden, die hij voor de werkelijk afgeloste panden ontvangen had, met de alsdan verschenen rente in de kas der bank en haalde ook do pandbriefjes te voorschijn, die hij dan verantwooidde. Om daartoe in staat te zijn hield hij telkens op nieuw de gelden van afgeloste panden met de pandbriefjes terug. Ten einde ontdekking te voorkomen zorgde hg steeds een aantal andere pandbriefjes bij zich te hebben, voor ongeveer gelijk bedrag als hij op nieuw aan geloste pandbriefjes wegnam ; de oude pandbriefjes stak hij in de plaats der nieuw geloste op de daarvoor bestemde pennen. De rente dier panden, van het oogenblik, dat zij werkelijk gelost waren, tot het tijdstip, waarop hij ze als gelost deed voorkomen, paste hij telkens bij. Om dit te kunnen doen moest hij telkens meer wegnemen en achterhouden dan den vorigen keer. Tijdens de morgenuren , terwijl de kas tot het sluiten vari het kantoor aan hem was toevertrouwd, nam hij daaruit telkens gelden weg. Alsdan berekende hij, hoeveel geld hij aan oude pandbriefjes met de daarop verschuldigde rente had ingebragt en hoeveel nieuwe pandbriefjes hij met de ontvangen gelden had achtergehouden, waarna hij het overschietende in zijn zak stak. Op die wijze heeft hij dikwijls aanzienlijke pandwaarden achtergehouden, zoo als kort vódr hij betrapt werd een van ƒ80, terwijl panden van ƒ24 en ƒ16 ook meermalen voorkwamen. Soms deed hij op die panden golden af en daartoe nam hij een pand, dat reeds beleend was en iu beschrijving en waarde overeenkwam met dat van een der afgeloste briefjes, die hij achtergehouden had, uit de kast , ontdeed dat pand van het oude pandbriefje en voorzag het van het nieuwe; dan gaf hij dat pand weder in beleening, waarop hij een gedeelte der beleende som voldeed, terwijl hij bij de berging van het pand het nieuwe brietje daarvan weder afdeed en het oude er aauheentte. Op die wijze werden alzoo panden op de beleeningsregisters vermeld, die fictief waren en niet bestonden. Ook heeft hij dikwyls panden uit de magazijnen en uit de goud- en zilverkasten weggenomen en deze, na ze van het pandbriefje ontdaan te hebben , andermaal en zelfs onderscheidene keeren verpand. Onder anderen heeft hij een gouden horologie, hetwelk op eene waarde van ƒ 38 was geschat, niet minder dan negen maal voor de som van ƒ30 beleend. Ook heeft hij zeer dikwyla tusschen de kantoor-uren panden beleend, ctie hij des avonds op de registers als eerste nummers inschreef, en evenzeer, buiten de kantoor-uren, pariden gelost, zonder het daarvoor Ontvangen geld te verantwoorden.

Het aantal der in het bezit van den besch. gevonden pandbriefjes, afkomstig van geloste panden , waarvan hij het geld had achtergehouden, bedraagt 4121. Het gezamenlijk bedrag der waarde en mitsdien van het aan de bank toegebragte nadeel is, de rente niet medegerekend, f 15,636.50.

De besch. heeft, volgens zijne opgave, nooit briefjes verduisterd, hetgeen ook, zoo als door den voorzitter werd opgemerkt en door de getuigen erkend, voor hem niet wenschelijk zou zijn geweest, daar dan de ontdekking spoedig zou gevolgd zijn.

De aanleiding tot de ontdekking is de volgende. De toenmalige klerk der bank, W. Verhulst, deelde in den avond van 20 of 21 Febr. ji. aan den boekhouder-kassier, den heer H. Middelburg, mede, dat de besch. meermalen briefjes van geloste panden achterhield en alzoo ook het geld, dat voor het lossen der panden was ingebragt. Den 22 Febr. fluisterde genoemde klerk op het kantoor der bank den boekhouderkassier in het oor, dat Gesquièrre weder een brietje van ƒ ö van een gelost pand in zijn zak stak. De heer Middelburg wachtte toen het oogenblik af, waarop hij met dèn besch. alleen op het kantoor was. Toen vraagde hij hem naar het brietje van ƒ 5 van een pand, dat gelost was. Eerst ontkende Gesquièrre, doch op aanhouden van den boekhouder-kassier bekende hij eindelijk en haalde twee briefjes van ƒ 2.50 uitzijn zak te voorschijn. Aistoen gaf de boekhouder-Kassier van het voorgevallene kennis aan de heeren A. P. Snouck Hurgronje en Mr. E. P. Schorer, leden der commissie voor de bank van leening. Den volgenden dag belegde de voorzitter der commissie , Mr. N. CJ. Lambrechtsen van Ritthem, eene vergadering, waarin een onderhoud plaats had met den besch., die ook toen bekende. Genoemde voorzitter vergezelde vervolgens den besch. naar zijne woning, waar in eene gesloten secretaire een zoo groot aantal bankbriefjes en strook briefjes gevonden werden, dat hij het noodig achtte ook de overige leden der commissie te ontbieden. De besch. bekende ook toen de herkomst dier briefjes. Toen werd hij in zijne betrekking geschorst en hem de toegang tot de lokalen der bank verboden. Later werd hy als bediende en concierge der bank ontslagen.

Bovenstaande bij/.onderheden bleken uit de voorgelezen acte van beschuldiging, alsmede uit de verklaringen van de zes onder eede gehoorde getuigen.

Dat de besch. ook panden beleende en loste buiten de kantooruren, was niet aan alle getuigen bekend; en omtrent de beantwoording der vraag, of hij volgens de verordening daartoe bevoegd was, liep het oordeel uiteen.

Aan den voorzitter der commissie van bestuur over de bank van leening, den getuige Mr. N. C. Lambrechtsen van Ritthem, wenschte de verdediger van den besch. de vraag gedaan te hebben : of de getuige niet toestemmen moest, dat de administratie der bank in het algemeen, althans ten aanzien van sommige feiten , niet plaats had overeenkomstig de voorschriften der verordening op de bank van leening ?

Het Hof beraadslaagde in raadkamer, of het die vraag doen zou; doch bij de heropening der teregtzitting deelde de voorzitter mede, dat het Hof beslist had, dat die vraag aan den getuige niet zou gedaan worden.

De besch. bekende volmondig al hetgeen hem ten laste is gelegd, maar meende zijne strafschuldigheid niet te kunnen aannemen , omdat hij de bedoeling had ai het verduisterde terug te geven, wanneer hem de gelegenheid daartoe niet ontbroken had. Hij volhardde ook bij zijne vroegere verklaringen, dat hij nooit voorwerpen uit de bank verduisterd heeft. De voorzitter bragt hem zijn misdrijf en de dwaasheid zijner redenering omtrent straffeloosheid onder het oog en wees er tevens op, dat de inbrengers bij de bank bij verordening zijn afgeschaft en de besch., in strijd daarmede, juist gepriviligieerd inbrenger geworden is.

Tegenover de verdediging van den besch., dat hij steeds rente aan de bank heeft betaald, merkte het Openb. Min. op, dat dit in vroeger jaren het geval moge zijn geweest, maar niet ten aanzien van de 4121 panden, waarvan de briefjes in het bezit van den besch. gevonden zijn, en dit toch alleen het onderwerp van het tegenwoordige onderzoek uitmaakt en niet wat vroeger is geschied. Dit werd door den besch. ten laatste toegegeven, onder vernieuwde bijvoeging, dat hij altijd op middelen bedacht was om de schade te vergoeden.

De adv.-gen. Mr. N. H. van Nes van Meerkerk stelde in de toespraak , die zijn requisitoir voorafging, de volgende twee vragen : 1». heeft de besch., tijdens de waarneming zijner betrekking in de bank van leening, gelden en geldswaarden verduisterd? en 2°. waren die gelden en geldswaarden hem toevertrouwd als openbaar depositaris ? De eerste vraag beantwoordde hij dadelijk bevestigend, daar de besch. is gevonden in het bezit van 4121 briefjes, ter waarde van ƒ15,636.50, die hij heeft teruggehouden. Op tweeërlei wijze is hij in het bezit daarvan gekomen: vooreerst, door het beleenen van panden

en het terughouden der daarvoor ontvangen gelden, en, ten andere,

door reeds beleende panden aan de bank te onttrekken ? anderm:>a te beleenen en het geld daarvoor in ontvangst te nemen, hetgeen ten gevolge had, dat het aantal panden fictief was. Het feit der vei duistering is gebleken uit de volledige bekentenis van den besch., ^et sterkt door de omstandigheid, dat alle nummers der bewuste pa.iden op de registers openstonden.

Evenzeer beantwoordde de spreker de tweede door hem gestel e vraag in bevestigenden zin. De bank van leening is eene stedelijke, dus eene openbare inrigting. l)e besch. is door de commissie van bestuur over de bank, ouder goedkeuring van Burg. en Weth., tot concierge benoemd. Hij was door den boekbouder-kassier, die daartoe bevoegd was, belast met het beleenen en lossen van panden, en ook de sleutels waren in zijn bezit. Op grond hiervan achtte de adv. gen. dan ook de artt. 169 en 172 Strafregt en art. 2 der wet van 1854 hier allezins van toepassing. Tot toepassing van de verzachtende wetsbepaling van art. 9 der wet van Junij 1*54 kon hij geene termen vinden , daar de besch. een groot vertrouwen genoot en hij de bank grootendeels heeft benadeeld, zonder door armoede daartoe gedwongen te zijn, zoodat zich geen enkel lichtpunt in deze zaak voordoet. Hij achtte de feiten en omstandigheden ten volle wettig en overtuigend bewezen , en requireerde mitsdien ten slotte , op grond der evenga* noemde wets-artikelen, schuldigverklaring van den besch. aan het feit, hem bij acte van beschuldiging ten laste gelegd, en zijne veroordeeling tot tuchthuis-straf voor een door het Hof te bepalen tijd, d<>e niet minder dan vijf en niet ianger dan vijftien achtereenvolgende jaren, benevens eene geldboete van ƒ 1500, bij niet-betaling te vervangen door zes maanden gevangenis-straf, alsmede in de kosten, met bevel tot teruggaaf der overtuigings-stukken aan de eigenaren oi regthebbenden , en aanplakking van een gedrukt extract uit s Ho s uit te spreken veroordeelend arrest te Middelburg op de daartoe ge* bruikelijke plaatsen.

De verdediger Mr. W. A. van Hoek, den besch. ambtshalve toegevoegd , begon zijn pleidooi met de volgende aanhaling van het slot van het verslag der leenbank over 1872 : »zoodat de bank, zondei vermenging van baren of lasten van vorige jaren , eene winst hee opgeleverd van ƒ 290.243*. Twee maanden later, zeide hij, spree t men van een tekort van ƒ15,000. Waarlijk, een hooggeacht schujver had wel gelijk, toen hij schreef: «Ik betwijlel, of men onder de gelijknamige inrigtingen in on-; vaderland èéne zal aantreffen, die zulk een verleden achter zich heeft als de bank van leening van Middelburg"Die uitspraak wordt thans, volgens pleiter, weder bevestigd door de laatstverloopen levensjaren dier bank, waarmede deze criminele pr0" cedure zoo naauw zamenhangt. Vandaar ook de groote belangstelling in dit proces en deze opgevulde audiëntiezaal. Want, behandelen we hier eigenlijk niet in zekeren zin en tot op zekere hoogte onze eigene zaak ? Loopen sommigen niet het gevaar om eene les aan de schilderkunst te ontleenen en den besch. zoo zwart mogelijk te maken > omdat dan de achtergrond der schilderij des te mim'er wit behoeft te wezen om de figuur van den besch. goed te doen uitkomen r Loopen we ook geen gevaar van te vervallen in de fout van overdrijving, gelijk in deze zaak zoo voar als tegen reeds genoeg is g8* schied? Als verdediger zal hij zich van alle overdrijving zoeken te onthouden en zich tot de zaak zelve bepalen, zonder te dezer plaatse in eene oordeelvelling over daarmede in verband staande zaken o personen te treden.

Hij gelooft, dat het Openb. Min. zich aan overdrijving heeft schuldig gemaakt, zoowel door de qualifkatie van het misdrijf als door het ontkennen van het aanwezig zijn van verzachtende omstandig' heden.

De qualificatie van het feit door het Openb. Min. is : "het a*s openbaar depositaris verduisteren en aan hunne bestemming onttrekken van gelden en geldswaarden tot een bedrag van meer dan fl5ü0, welke aan den besch. als zoodanig waren toevertrouwd". Deze qua* lificatie acht de verdediger voor bedenking vatbaar. Men moet «fgaan op de verschillende verordeningen voor de bank van leening: en het is gebleken, dat zij, die met de toepassing daarvan balast zijn, w ( opvatting zeer verschillen. Die opvatting kan dus geen niiiatstuf van beoordeeling zijn. Blijkens zijne aanstelling en ontslag was de besc • concierge in de bank, zonder rneer; doch later heeft men daaraan e benaming bediende toegevoegd. In het algemeen is het reeds vreemd een concierge van dergelijke instelling als openbaar depositaris te beschouwen ; maar nog vreemder wordt dat bij inzage van art. 5 der verordening op de bank van leening, luidende:

• Het getal en de benaming der ambtenaren en bedienden is a^s volgt: a. een boekhouder-kassier; b. een adjunct-boekhouder; c. een klerk; d. een concierge, bewoner van het gebouw, bewaker der bewaarplaatsen van de panden en verzorger der kantoren en verdere lokalen van de bank.

«Een en ander wordt vermeerderd, verminderd of gewijzigd, z°°' dra het belang der bank zulks vereischt of gedoogt, door den &e* meenteraad , op voordragt der commissie van bestuur-/.

Dit laatste is niet geschied, want er is niets bekend van eenig raadsbesluit tot wijziging van dat artikel; en zoolang dat besluit niet bestaat is de besch. alleen concierge , en alzoo bewoner van het bouw, bewaker der bewaarplaatsen van de panden, en verzorger dei kantoren en lokalen van de bank , niets meer. Art. 19 der verordening, regelende de d enstpligten der ambtenaren, zegt, wat speciaal tot dien werkkring behoort. De eerste alinea draagt wel aan de» concierge op de verrigting der werkzaamheden, hem d >or den eerste» ambtenaar gelast, maar dat kan niets anders zijn dan het verrigte'1 van boodschappen enz., waartoe hij als concierge aangewezen was* hetgeen ook blijkt uit de volgende alinea van dat artikel, alsnaetj ook uit art. 1, al. 3, der genoemde verordening. De besch. was « concierge gehoorzaamheid schuldig aan den eersten ambtenaar, m1*8 niet in strijd met de bepalingen der verordening voor de leenbank» En nu komt het den verdediger voor, dat het lossen en beleenen vaJl panden niet behoor .te en ook niet ken behooren tot zijne werkzaam heden. Voldeed de conciërge in dat opzigt aan een hem door den boekhouder-kassier opgedragen last, dan deed hij d.t als privaat per' soon. Hij was wel belast met het ontvangen en bewaren van gelden» maar niet als concierge, alleen als privaat persoon, als werktuigw as, volgens pleiter, jegens niemand rekenpligtig of voor geiden verantwoordelijk in zijne betrekking van conciërge. Dit blijkt duidelijk uit de omstandigheid, dat de commissie van bestuur mets wist van dergelijke aan den besch. opgedragen werkzaamheden. l)e beschalleen verantwoording schuldig jegens den lastgever, zijnde hief boekhouder-kassier, die, zij het ook met alle goede trouw, in ^eze handelde buiten de verordening. Zoolang de besch. niet door de coifl* missie van toezigt, onder goedkeuring van Burg. en Weth,, w7as &e" noemd als bediende, in eene andere qualiteit dan als concierge, hij , volgens den verdediger, geen *op nbaar depositaris", 1

uverigens oncwiK-iieiue pleiter nog cie voigenie twee omstan-^ heden: lö. dat de toegebragte schade overdreven wordt voorgestel' 2°. dat verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. .

Wat het eerste punt betieft, stelde hij, dat iemand een kapit00 van ƒ 2000 belegt in effecten, die 10 pet. rente geven. Wanneer na verloop van tien jaar dat kapitaal verloren is, kan men niet zeggen' dat een kapitaal van ƒ21 00 is verloren gegaan, want men ontvang in dien tijd ƒ 2000 rente, terwijl men redelijkerwijze slechts J l°f! ontvangen moest, zoodat men eigenlijk maar ƒ 1000, de helft van kapitaal, kwijt is. Nu moge dit voorbeeld hier niet geheel opgaaD'

Sluiten