Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KOLONIALE ZAKEN.

p- 'i ===== ■ s

HOOG GEREGTSHOF VAN NEDERLANDSCH IN DIE.

Eerate kamer,

(Appel.)

Zitting van den 29 Mei 1873.

Voorzitter, Mr. F. A. Mees.

Raden, Mrs.: Sibeniüs Tbip, de Groot, Gaymans en van Schelle.

Akbiteaoe. — Begrip van artt. 619, 620 en 615 B. R.

Tjiong Loan Ing en Tjeng Koen San , advokaat en procureur Mr. Gerritzen ,

Tan Tong Ik en Lie Kwannio, advokaat en procureur Mr. J. van Gennep, appellanten,

tegen

Carapiet Andreas, advokaat en procureur Mr. Henny,

Hoo Yan Loo, advokaat en procureur Mr. van Gennep , geappelleerden.

Bij onderstaand arrest is beslist, dat de termijn van zes maanden, waarvan in art. 620 B. li. sprake is, door partijen kan worden verlengd , en dat, bij een algemeen compromis, de punten van geschil niet in het bijzonder in du acte behoeven aangegeven te worden.

Het Hof enz.,

Ten aanzien der daadzaken en gevoerde procedures, overnemende het exposé daarvan, vervat in het op 17 .Junij 1872 door den Raad van Justitie te Samarang tusschen partijen gewezen vonnis, waarbij, met verwerping van bet voorgesteld middel van niet-ontvankelijkheid, is verstaan, dat de eischer wel en teregt is gekomen in verzet tegen de ten-uitvoer-iegging van het vonnis, op 9 Sept. 1871 door de bij 'sRaads vonnis van 8 Jan. 1868 benoemde scheidsmannen gewezen en verklaard, dat die uitspraak is nietig en van onwaarde en gedaagden veroordeeld in de kosten der procedure; en wijders

Overwegende, dat de gedaagden, zich met deze uitspraak bezwaard gevoelende, tempore uliti daarvan zijn gekomen in hooger beroep en bij eisch in appel, na liet bereids in eersten aanleg aangevoerd middel van niet-ontvankelijkheid te hebben aangedrongen, een nieuw middel van niet-ontvankelijkheid hebben trachten te doen gelden, daarop nederkomende, dat geene vernietiging der arbitrale uitspraak in den zin van art. 645 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering is gevoerd, omdat volgens dit voorschrift de eisch tot vernietiging van het aroitraal vonnis zal gedaan worden bij een verzet tegen het bevel van uitvoering, en geenszins, zoo als in casu heeft plaats gehad, tegen ue ten-uitvoer-legging van het vonnis zelf; dat wijders appellanten bij voormeld schriftuur de eslissing des eersten regters betreffende het eerste middel t t vernietiging hebben verdedigd , doch die, met betrekking tot het in de tweede plaats aangevoerde middel, hebben bestreden , in substantie, op grond: 1°. dat verkeerdelijk is geoordeeld, dat de wettelijke termijnen van zes maanden verstreken zijnde, die termijn door partijen niet mogt worden verlengd; dat toch, volgeus art. 650 , al. 2 , van het reglement op de burgerlijke regtsvordering, de last der scheidsmannen ophoudt na verloop" van zes maanuen, indien geen andere termijn is bepaald; dat uit de geschiedenis, zoowel als uit de duidelijke bewoordingen van dit artikel, moet worden afgeleid, dat aan partijen de bevoegdheid tot verlenging van den wettelykeu termijn is toegekend; iets, hetwelk bovendien volgt uit den aard der zaaK, omdat, daar het geding voor scheidsmannen ééuig en alleen berust op de overeenkomst van partijen, de wettelijke termynsbepaiing ook in haar belang is voorgeschreven, hoedanig voorschrift derhalve is van aanvullend regt; dat het bovenstaande krachtigen steun vindt in de bepaling, voorkomende in art. 626 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering, waaruit duidelijk volgt, dat bij het geding voor scheidsmannen alles afhangt van de tusschen pirtijen getroffen overeenkomst; dal voorts de stelling des eersten regters, als zouden partijen hoogstens hangende hel geding de bevoegdheid hebben oin den wettelijken termijn te verlengen en niet, zoo als in casu , alwaar de last der scheidsmannen reeds lang had opgehouden , met het oog op vorengemeld art. 626 , niet alleen juridiscti is onjuist, maar ook feitelijk , daar uit de ten processe overgelegde correspondentie luce clarius blijkt, dat de last der scheidsmannen niet was geëindigd; dat de appellanten, zich voorts omtrent den derden grond van verzet refererende aan hetgeen dienaangaande iu eerste instantie is gezegd, ten slotte hebben geconcludeerd : dat het den Hove moge behagen te ontvangen het appel, te vernietigen het vonnis, waarvan appel, en, doende wat de eerste regter ha l behooran te doen, den geïnt. aisn )g te verklaren niet ontvankelijk in zijne in eersten aanleg gedane vordering, immers en in ieder geval hem die te ontzeggen, en de geïntimeerden te veroordeelen in de kosten der beide instantiën;

U., dat de eerste geint., bij schriftuur van antwoord, de beslissing des eersten regters met betrekking tot het in eersten aanleg opgeworpen middel van met-ontvankelijKheid heelt verdedigd, en, na het op nieuw in hooger beroep voorgesteld middel van niet-ontvankelijkheid als tardief en ongegrond te hebben bestreden , de uitspraak ten principale ais wel en teregt gewezen, iu het breede heeft getracht te doen handhaven en zich ten aanzien van den derden grond van verzet refererende aau hetgeen dienaangaande in eerste instantie is in het midden gebragt, eindelijk met opzigt tot de loonsbepaling der arbiters heeft aangevoerd, dat, bjaldien het eigendunkelijk bepalen van loon door arbiters voor partijen ook de verpligting medebragt dat loon te voldoen , zulks er toe zou kunnen leiden , dat arbiters zich ongehoorde sommen zouden kunnen doen uitbetalen, zonder tegenspraak te ondervinden; concluderende ten slotte tot te-niet-doening van het appel, tot bevestiging van het vonnis, waarvan appel, en tot v jroordeeling van de appellanten in de kosten van het hooger beroep, nader op te maken bij staat;

dat partijen daarna hare wederzijdsche sustenuën mondeling hebben toegelicht;

Ten aanzien van het regt:

G., en wel eerst en vooraf wat betreft het in eerste mstan ie op0 worpen middel van niet-ontvankelijkheid, op grond, dat de on er werpelijke vordering niet bij wege van request-civiel kan worden aanhangig gemaakt: ..

dat de eerste regter op juiste gronden, die het Hof tot de zijn maakt, dit middel heeft verworpen;

0., wat aangaat het voor het eerst in appel aangevoerd middel van niet-ontvankelijkheid, daarop nederkomende, dat het gedaan verzet nie tegen de ten-uitvoer-legging van het arbitraal vonnis, maar, ingevo ge art. 645 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering, tegen het bevel van uitvoering had moeten zij n gerigt:

dat, wel is waar, het verzet tegen de ten-uitvoer-legging van het arbitraal vonnis inderdaad iets anders is dan het verzet tegen het bevel van uitvoering van dat vonnis, doch zoowel uit de introductieve dagYaarding en daarin aangevoerde middelen en gronden als uit de ge¬

wisselde schrifturen en de judiciële houding van partijen, op voldoende wijze consteert, dat in casu de eischer op het oog heeft gehad het bij gemeld art. 645 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering bedoeld verzet, iets wat buitendien van zelf sprak, daar er van eene ten-uitvoer-legging van het vonnis zelf, in den zin van art. 443 en volg. van het reglement op de burgerlijke regtsvordering, in de geheele procedure geen sprake is; dat mitsdien onderwerpelijk aan eene schrijffout moet worden gedacht en daaraan, tegen de uitdrukkelijke bedoeling in, geen middel van niet-ontvankelijkheid kan worden ontleend;

0. alsnu, wat aangaat de zaak ten principale, en wel in de eerste plaats met opzigt tot den eersten grond van nietigheid, steunende op de bewering, dat in casu aan geen compromis te denken valt en hetzelve bovendien, als niet bevattende het onderwerp van het geschil, is van onwaarde;

dat bij art. 19 van de notariële acte van 7 Nov. 1865 , waarbij voor gemeenschappelijke rekening eene overeenkomst is aangegaan tot exploitatie van de pacht van het regt van verkoop van opium over het jaar 1866, is bepaald, dat alle geschillen, welke mogten ontstaan ter zake der associatie en het regt begrip en de uitvoering der overeenkomst, zoomede omtrent de handelingen der deelgenooten, in het hoogste ressort zullen worden onderworpen aan de beslissing van scheidsmannen, door de deelgenooten of bij nalatigheid van een der partijen op verzoek van de wederpartij door den Raad van justitie te Samarang te benoemen;

dat, bij het bestaan van zoodanig, bij authentieke acte geconstateerd compromis, het in de eerste plaats gevoerd sustenu, dat in casu aan geen compromis te denken valt, ten eenemale is ongegrond;

0., dat toch, wel is waar, bij art. 618 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering, 2de lid, op straffe van nietigheid is voorgeschreven, dat de acte van compromis onder anderen moet bevatten het onderwerp des geschils, doch op dit artikel in casu, waar het geldt een algemeen compromis over toekomstige, uit eene bepaalde overeenkomst te ontstane geschillen, geen beroep kan worden gedaan;

dat de wet in art. 619 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering, verwijzende naar het bij het 3de lid van art. 615 bedoeld compromis, niet uitdrukkelijk vordert, dat partijen de punten van geschil nog meer in het bijzonder zullen opgeven , noch ook dat de regter die in zijn vonnis van benoeming der scheidsmannen moet vermelden ; en uit het stilzwijgen der wet dienaangaande moet worden opgemaakt, dat de meer speciale omschrijving der onderwerpen van geschil, als een onderdeel van het algemeen mandaat, alleen bij arbiters zelve moet worden aangebragt, waaruit volgt, dat de beslissing des eersten regters, met opzigt tot den in de eerste plaats aangevoerden grond, allezins is juist;

0. wat aangaat het in de tweede plaats aangevoerd regtsmiddel, n. 1. dat de scheidsmannen den wettelijken termijn van zes maanden hebben overschreden, en mitsdien uitspraak gedaan, terwijl de hun opgedragen last reeds had opgehouden, dat het tusschen partijen is buiten geschil en bovendien uit de gewisselde dingtalen consteert, dat de bij art. 620 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering gestelde termijn van zes maanden door de partijen, in overeenstemming met de scheidsmannen, is verlengd; dat dus onder deze omstandigheden alleen de vraag te beslissen overblijft, of partijen geregtigd zijn den wettelijken termijn te verlengen ;

0. te dien aanzien , dat bg geen enkel wettelijk voorschrift aan partijen uitdrukkelijk is verboden om den termijn van zes maanden, door de wet bepaald, alleen voor het geval partijen zeiven bij de acten van compromis daarin niet hebben voorzien , te verlengen; dat veeleer het tegendeel moet worden opgemaakt uit de bewoordingen van de 2de al. van art. 650 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering, luidende; «dat de last der scheidsmannen ophoudt na verloop van zes maanden , indien geen andere termijn is bepaald»/, uit welke laatste zinsnede onmiskenbaar volgt, dat de wettelijke termijn door partijen kan worden gewijzigd en mitsdien ook door haar kan worden verlengd; dat zoodanige bevoegdheid bovendien niet alleen voortvloeit uit den aard der zaak , maar ook uit het wezen van het compromis zelf, hetwelk uitsluitend berust op overeenkomst en als zoodanig alleen aan den wil van partijen zijn bestaan ontleent, zoodat de wettelijke bepaling, als éénig en alleen in het belang van partijen voorgeschreven, niet als een gebiedend voorschrift van openbare orde kan worden beschouwd;

0., dat uit het bovenstaande volgt, dat de eerste regter, ten onregte aannemende, dat de last der scheidsmannen had opgehouden, mitsdien verkeerdelijk de vordering tot vernietiging der arbitrale uitspraak op den in de tweede plaats aangevoerden grond heeft toegewezen ;

O., wat betreft het derde regtsmiddel: dat dit is gebaseerd op het beweren, dat de scheidsmannen hun last zijn te buiten gegaan en regt hebben gesproken over zaken, welke niet aan hunne beslissing waren onderworpen, en welke bewering steunt op het feit, dat in de rekening en verantwoording over opiumpacht van het jaar 1866 een post, groot f 106,200 , afkomstig uit de pacht van 1865 is opgenomen; dat ook dit regtsmiddel niet opgaat; dat toch evengemelde post, voorkomende op de rekening van het jaar 1866, blijkens het arbitraal vonnis , niets anders is dan het maatschappelijk kapitaal, dat in de nieuwe associatie was ingebragt en met de associatie van het jaar 1865 niet anders gemeen heeft, dan dat het, wat het aandeel der vennooten over 1866 betreft, uit die vroegere associatie afkomstig is, terwijl hoegenaamd niet blijkt, dat de scheidsmannen zijn getreden in eene, beoordeeling van de juistheid van de tusschen de associés over het "jaar 1865 opgemaakte rekening, en evenmin die som als saldo van die rekening hebben vastgesteld;

0. eindelijk, wat aangaat het door den geïnt. beweerde, als zouden de scheidsmannen ten onregte en buiten de grenzen van hun mandaat voor zich een loon van J 3000 hebben bepaald :

dat eene bloote bepaling van loon door de scheidsmannen, zonder eenig bepaald condemnatum om dat loon te betalen, voor partijen geen wettelijke verpligting doet geboren worden om daaraan te voldoen en tegen haar wel nimmer kan worden ten uitvoer gelegd ;

dat de geïntimeerden bij gevolg geen belang hebben om van deze voor hare onschadelijke beschikking eene grief te maken tegen het arbitraal vonnis, veel minder de nietigheid van dat vonnis daarop te baseren ;

O., dat uit al het bovenstaande volgt, dat de vordering van geïntimeerden , oorspronkelijk eischers, als ongegrond behoort te worden ontzegd;

Gelet op de aangehaalde wetsbepalingen en art. 58 van het reglement op de burgerlijke regtsvordering;

Regt doende enz.,

Ontvangt het appel;

Doet te niet het vonnis van den Raad van justitie te Samarang , op 17 Juny 1872 tusschen partijen gewezen, waarvan appel; En doende, wat de eerste regter had behooren te doen,

Ontzegt de vordering;

Veroordeelt de geïntimeerden in de kosten der beide instantiën.

arbitraal vonnis, veel minder de nietigheid van dat vonnis daarop te

O., dat uit al het bovenstaande volgt, dat de vordering van gein-

Gelet op de aangehaalde wetsbepalingen en art. 58 van het regle-

HOOGE RAAD. — Hamei van Strafzaken.

Zitting van Dingsdag, 30 September.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Behandeld het beroep van:

lo. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt ta Eindhoven, tegen een vonnis in zake Ph. Wouters. Rapp., raadsh. Gertsen. Adv.-gen. Polis concludeert tot vernietiging van het vonnis en verwijzing der zaak naar de Regtbank te Eindhoven. Uitspraak 20 October.

2o. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt e Veghel, tegen een vonnis in zake J. Pepers. Rapp., raadsh. Gertsen. Adv.-gen. Polis concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring. Uitspraak 20 October.

3°. Jhr. S. E. J. M. van Nispen tot Sevenaer, tegen een vonnis van de Regtbank te 's Hertogenbosch. Rapp., raadsh. Ka»". Adv.-gen. Polis concludeert tot niet-ontvankelijk-verklaring, voor zooveel de vrijspraak betreft, en overigens tot verwerpingUitspraak 20 October.

NB. Woensdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

(Per telegraaf.)

Verkiezing tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

1 October 1873.

Hoofd-kiesdistricl Rotterdam. Ingekomen 1028 billetten. Uitgebragt geldige 1011. Gekozen de heer R. P. MEES R.Az., met 756 stemmen. Mr. L. W. C. Keuchenius bekwam 231 stemmen.

REGTSGELEERDE UITGAVEN.

FRANSCIIE LITERATUUR.

Million, L., av., Répertoire de la science des justices de paix, jurisprudence pratique et théorique. In 8°., 313 p. Id., Bureau des «Annales des justices de paix.»

Homberg, P., subst. d. proc. gén., Du droit d'appel et de son influence sur 1'unité de la législation. Disc. de rentree. In 8"., 46 p. Orie'ans, Puget et Cie.

Cochet de Saviony et Perrève , Dictionnaire de la gendarmerie & 1'usage des officiers, sous officiers et gendarmes, 14e éd., in 8°., 646 p. Paris , Leauty.

Enquête parlementaire sur le régime des établissements pénitentiaires, X. IV. Rapports des cours d'appel de France. Assemblee nationale, 1873. In 4°., 511 p. Id., impr. nat.

ADVERTEN'TIËN.

DE TWEEDE DRUK VAN

ALPHABETISCHE HAAMLIJST

DER

Nederlandsche gemeenten,

DOOR

JT. E. ERDMAN ,

Oud-Hoofdcommies bij het Departement van Justitie,

is ter perse en verschijnt nog deze maand.

Alom worden bestellingen op deze algemeen als nuttig en bruikbaar erkende naamlijst aangenomen.

PRAKTISCH HANDBOEK

DER

Geregtelijke Geneeskunde,

NAAR EIGEN ERVARINGEN ZAMENGESTELD

DOOR

Prof. «HOM. LW>W. C4SPËII.

IN HET NEDERDUITSCH UITGEGEVEN EN IN VERBAND GEBRAGT MET DE NEDERLANDSCHE WETGEVING

DOOR

Dr. L. ALI COHEN.

2 Dn. verminderde prijs f 10.80.

Uitgave van Gebroeders HOITSEMA, te Groningen.

SnelpersdjruU en BUgave van KEBBOKB®® BEUDVFASTB. «e '« S»»*enl»age,

geldige 1011. Gekozen de heer R. P. MJEJES R.Az., met 7.56 stem* men. Mr. L. W. C. Keuchenius bekwam 231 stemmen.

Sluiten