Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

flre, ten haren huize in deze gemeente is bevallen van een kind Va'J het vrouwelijk geslacht, aan het wei k zij den voornaam van Dina ^Scht te geven;

"it die bevalling heeft plaats gevonden buiten iemands tegenwoor'$»eid en hierdoor, en duör suppiiaute's onbekendheid met de wet, tempore utili is aangegeven bij den ambtenaar van uen burgerJ^n stand;

'-at gevolgelijk die acte in de registers van den burgerlijken stand gemeente Arnhem ontbreekt, en er dus grond bestaat tot hunne ^k'uiling in zooverre ;

Oat van de bovenstaande feiten blijkt door een door den ambtenaar Va,J den burgerlijken stand der gemeente Arnhem dienaangaande °P^'^maakt en aan het Openb. Min. bij deze Regtbank ingezonden Pft*jes-verbaal, en zij ües noodig nader kunnen worden gestaafd ü°Vr een verhoor van getuigen , speciaal van de vroedvrouw mejuffrouw van der Weerd alhier, die de suppliante eenigen tijd 11a de hevailing heeft bezocht en behandeld, en van de buren, alsmede door de vertooning van het bedoelde kind (arg. art. 29, al. 3, B. V\r.);

dat de suppliante bij die aanvulling, ingevolge de wet door deze !"%Lbank te bevelen, nelang heeft, maar haar de middelen tot betalli& ^er daaraan verbonden kosten ontbreken (sub Aj;

"eshalve zij eerbiedig verzoekt, dat het der Regtbank behage, t0M»ssende de artt. 70 -B. W. volg. en 829 B. R.:

. 10 • te verstaan, dat de suppliante op tya en plaats voorschreven *s 'evailen van een kind van het vrouwelijk geslacht, aan hetwelk lJ verklaard heeft den naam van Dina te geven ; en dat de acte, ^taterende die geboorte, in de daarvoor bestemde registers van e,i burgerlijken stand der gemeente Arnhem ontbreekt; mitsdien z<>' te bevelen, dat er te dien opzigte aanvulling dier registers zal P*f*ts hebben, in dier voege, dat uit request met de daarop te doene Ulv' praak, dadelijk na het vertoon eener expeditie er van, door den a,j' >tenaar zal worden ingeschreven in de loopende geboorte-regislers Ui<:i gemeente, welke inschrijving de ontbrekende acte zal vervangen; eii dat deze oeschikking aan haar geheel kosteloos zal worden gereikt.

'tWeik doende (1iet.) J. W. Romein. pro stylo

20 Junij 1873. (gel.) N. S. T. A. van Meurs , procureur.

/■ij jit verzoekschrift medegedeeld aan den officier, om desaans "Ide te dienen van conclusie , en voorts, ten tine van rapport = eld in handen van den régter Mr. Viiringa.

Arnhem, 21 Junij i873. (jet.) T. M. Wentholt, president.

'e officier van justitie te Arnhem concludeert tot het hooren van Klagen.

Arnhem, 21 Junij 1873. (pco R- Brouwer.

Oe Regtbank enz.,

bezien vorenstaand verzoekschrift en bijlage;

Mede gezien de conclusie van den officier;

'«ehoord het rapport van dan regtercominissaris ;

''oerwegende, dat der suppliante verzoek berust op da wet en door üe daarvoor bijgebragte redenen genoegzaam is geregtvaardigd;

';<slet op artt. 70 en 73 B. W. en 829 en 872 B. R.; je''eveelt> va" de ten requeste omschreven geboorte alsnog door ^ ambtenaar van den burgerlijken stand der gemeente Arnhem, op ^ '-ooii van deze uitspraak, de bij de wet bevolene aangifte aangeyj '10'1 eu de gewone acte opgemaakt; worde en dat zoowel deze acte de uitspraak onverwijld in de loopende geboorte-registers dier ® -*eente zal worden ingeschreven ; en

Oerstaat, dat deze uitspraak, ten gevolge het op 17,Junij 11. door • burgemeester der gemeente Arnhem afgegeven bewijs van onver•^en, geheel üosteioos zal worden uitgereikt.

•foot van den inzender. Variis modis bene fit. Tegen de wijze van '^ 'Vulling, door de Regtbank gekozen, geldt nothans dit overwegende ^'•waar, dat zij niet altijd uitvoerbaar is. Wanneer b. v. in dit geval 'aoeder ware overleden voor de aanvulling, dan zou deze op de ee*"'e> door de Regtbank voorgeschreven, te weten door het opmaken ëewone geboorte-acte, niet meer hebben kunnen geschieden. ^ ■*nt daar niemand, behalve de moeder zelve, bij de bevalling tegenwas, ware, na den dood der moeder, niemand meer tot de int' ■-8 bevoegd. Tot het opmaken der gewone geboorte-acte behoort . "'«solien onvermijdelijk een bevoegd aangever. Art. 30 B. VV. Deze ^'|:idaad kolossale moeijelijkheid nu vermijdt men, door de wijze te U«®. we'ke de verzoekster in haar request aan de hand gaf. Welk Zi*"a4r h'ertegen zijn kan is niet duidelijk. De Regtbank althans Zi-vf n'et> waarom ZÜ het verzoekschrift, schoon, gelijk zij zelve

* i «berustende op de wet", niet toewyst.

ARRONDISSKMENTS-REGTBANK Ti£ 'S GRAVENHAGE. liamer van Slrarxaken.

Zitting van den 25 September 1873.

Voorzitter, Mr. G. N. de Kempenaer.

"'^ters, Mrs.: Jhr. J. J. de la Bassecour Caan en J. J. van Geuss. Hoon. — Bewijs. — Proces-verbaal. — Vrijspraak.

het proces-verbaal, door een commissaris van politie op den ambtseed opgemaakt en inhoudende hetgeen aan hem door een a9e"t van politie en onbezoldigd rijks-veldwachter is gerelateerd, ,n den zin der wet als schriftelijk bescheid, afkomstig van dien agent, gelden 1 — Neen.

De officier van justitie, ambtshalve eischer, tegen

• Ditmar, weduwe van L. 't Hoen, buffet-jufvrouw, en L. M. H. C. i Hoen, koffijhuis-bediende, beiden wonende te 's Gravenhage, gedaagden en defaillanten.

eklaaS^en st.on(^en te regt, ter zake van, in den nacht van den 9 op 1-.. Aug. 1873, tn de pubheke gelagkamer van het koffijhuis aan het aa'ihn 6 f aveu aSe> waar de beide beklaagden werkzaam zijn, ten k hooreder aldaar aanwezige bezoekers en terwijl de deuren van het

VrinT °Penst0"de1n' z0°dat de voorbijgangers op de open 1,are straat het a^-/0nUen',h denavol8en?e "'oorden te hebben uitgeroepen: in ™Meerv. H. is een gemeene ploert, vuUik en smeerlap , en van ,

tLDa?h\Van 11 °l\ ,A«g: -1"3' °P dez^de plaats, terwijl ««>• o* ,de deuren van het1. k0«,Jhuls openstonden en de voorbijganda eerst u'°Penbare 6traat het hooren konden . te hetiben geroepen , ie,"den ^ 1 die miJ"heer v■ 's ee" 9emeene vent, ik stel hem

Wat j mannelijke waarde, dat weetu wel heeren (tegen de bezoekers i fleert11 Ze??e" wil1 ende tweede bekl.: mijnheer v. li. is een gemeene ' VUiHk, en gemeene smeerlap I

De Regtbank enz.,

Gelet op het ter teregtzitting tegen beide beklaagden verleende verstek •

Gelezen een proces-verbaal, door L. B. Wuiffers, commissaris van politie te's Gravenhage, den 14 Aug. 1873 op den ambtseed opgemaakt, houdende klagt der beleedigde partij.

Gehoord de verklaringen der getuigen ;

Gehoord den officier in zijn requisitoir , uitgebragt door den subst.officier Jhr. Mr. de Jonge, strekkende, dat de beklaagden zullen worden schuldig verklaard de eerste bekl. aan twee wanbedrijven , de tweede bekl. aan één wanbedrijf van hoon, door in het openbaar tegon iemand uiten van scheldwoorden en beleedigende uitdrukkingen , de te-laste-legging van bepaald aangeduide ondeugden behelzende, en veroordeeld bij verstek, de eerste bekl. tot twee geldboeten van ƒ 25 , en de tweede bekl. tot ééne geldboete van f 25 , solidair in de kosten van het proces, invorderbaar bij lijfsdwang, met bepaling , dat de boeten , zoo de veroordeelden haar niet betalen binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand , vervangen zullen worden door gevangenis-straf van ten hoogste zeven dagen en ten minste twee dagen voor iedere boete, en dat de tweede bekl. zal worden vrijgesproken van hetgeen bem verder is ten laste gelegd;

Overwegende, dat bij het onderzoek ter teregtzitting oniler eede is verklaard:

door den eersten getuige W. v. H., dat deze, in den nacht van den 11 op den 12 Aug. jl. de dienst hebbende, van den tweeden getuige heeft vernomen, dat in dien nacht in het koffijhuis 't Hoen op het Plein , te 's Gravenhage, de beide beklaagden, ten aanhoore der zich in de gelagkamer bevindenden en der voorbijgangers, verschillende kwetsende uitdrukkingen aangaande hem eersten getuige hebben gebezigd, alsmede dat hem eveneens door den tweeden getuige is medegedeeld, dat hetzelfde eenige nachten vroeger zou hebben plaats had;

door den tweeden getuige J. P. H., agent van politie en onbezoldigd rijks-veldwachter te 'sGravenhage :

dat hij in den nacht van den 9 op den 10 Aug. jl., op post staande vóór het koffijhuis 't Hoen op het Plein alhier, ten ongeveer een ure, de eerste bekl., de weduwe 't Hoen, die als buftetjufvrouw dienstdeed, in de zaal hardop heeft hooren roepen : mijnheer v. H. is een gemeene vent, ploert en smeerlap; dat dit geschiedde ten aanhoore van een zestal in het koffijhuis aanwezige bezoekers, en met opene deuren, zoodat de voorbijgangers die woorden konden hooren ; dat voorts in den nacht van den 11 op den 12 Aug. jl., ten ongeveer half twee ure, hij op gelijke wijze op post staande heeft hooren roepen : mijnheer v. H. is een gemeene vent, ik stel hein beneden de mannelijke waarde, dat weet u wel heeren (tot de bezoekers), wat dat zeggen wil 1

en den tweeden bekl., den zoon: mijnheer v. H. is een gemeene ploert, vuilik en gemeene smeerlap, en wel wat beide beklaagden betreft herhaaldelijk, in het bijzijn van twee bezoekers, en terwijl de deuren geopend ,waren, weshalve ook de toen geroepen woorden door de voorbijgangers konden worden vernomen;

0. ten aauzien van het bewijs der daadzaken, dat de verklaring van den eersten getuige betrekkelijk het misdrijf, als zijnde niet op eigen waarneming gegrond, behoort te worden ter zijde gesteld, en mitsdien alleen overblijft de verklaring van den tweeden getuige, welke afzonderlijke getuigenis, niet door omstandigheden, welke op andere wijze in het geding gebleken zijn, bevestigd, de wettelijke bewijskracht mist;

O., dat wel is overgelegd een proces-verbaal van den 14 Aug. 1873, waarbij de tweede getuige, onbezoldigd rijks-veldwachter , op den eed, bij den aanvang zijner bediening afgelegd, eene verklaring betreffende het voorgevallene in de nachten van 9 op 10 en 11 op 12 Aug. jl. heelt gedaan en mede onderteekend ; doch dat, blijkens den aanhef, den doorgaanden inhoud en het slot van dit proces-verbaal, deze verklaiing is gedaan m handen van den commissaris van politie L. B. Wuiffers, van wien het stuk is uitgegaan, terwijl de tweede getuige daarin slechts als comparant en relatant aan dezen commissaris wordt vermeld, en mitsdien genoemd proces-verbaal niet als schriftelijk bescheid in den zin der wet van den tweeden getuige als rijks-veldwaehter kan gelden;

0. daarenboven, dat er strijd is tusschen het gerelateerde in evengemeld proces-verbaal en het door den tweeden getuige ter teregtzitting verklaarde, vermits in het proces-ver baal is vermeld, dat ook de tweede bekl. in de nacht van 9 op lu Aug. jl. gelyke woorden , onder dezelfde omstandigheden als de eerste bekl., zou hebben geroepen , terwijl 'door gemelden getuige ter teregtzitting is verklaard, dat deze opgaaf op eene dwaling berust;

0. , dat mitsdien het bewijs der daadzaken en der schuld van de beide beklaagden hieraan niet geleverd is , en zij van het hun respectivelijk ten laste gelegde behooren te worden vrijgesproken;

Gelet op de artt. 427, 433, 434, 437, 20, 210, 227, 234 en 270 Strafvord.;

Regt doende bij verstek ,

Verklaart de schuld der beide beklaagden aan het hun laste gelegde niet bewezen ;

Spreekt hen daarvan vrij ;

De kosten te dragen door den Staat.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Hamer v«n Sirarzahéu.

Zitting van den 31 Jlei 1871.

Voorzitter, Mr. P. J. Suringar.

Art. 88, lid 2 , Strafvord.

Is de Regtbank bevoegd om, bij veroordeeling tot correctionnele gevangenisstraf, in de gevallen, vermeld in art. 88, lid 2 , Slrafvord., op requisitoir van het Openb. Min., tevens de gevangenneming van de veroordeelden te gelasten ? — Neen.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien van de door den officier van justitie gerequireerde gevangenneming des beklaagden:

dat in het Wetboek van Strafvordering nergens aan de "Regtbank de bevoegdheid wordt verleend , op de openbare teregtzitting en bij het uitspreken van het eindvonnis, zoodanige gevangenneming te bevelen;

dat dit wetboek, veeleer de verschillende tijdperken vau een strafgeding regelende, deze, die in afzonderlijke titels zijn behandeld, ook streng van elkander scheidt en bepaaldelijk aanwijst, in welke gevallen eti op welke tijdstippen een bevel van gevangenneming of gevangenhouding kan worden verleend;

dat art. 77 hierin voorziet gedurende de voorloopige informatiën • art. 88 ter gelegenheid van het verleenen van den regtsingang; art. 118 na gehouden instructie, ter gelegenheid van de verwij ziug naar de correctionnele teregtzitting ;

art. 141 dezelfde bevoegdheid aan de raadkamer van het Hof verleent bij de verwijzing ten criminele;

dat alzoo iu al deze gevallen de hier bedoelde bevoegdheid uitdrukkelijk wordt toegekend in het tijdperk van voorbereiding, vóórdat eene zaak op da openbare teregtzitting aanhangig is;

helzende, en veroordeeld bij verstek, de eerste bekl. tot twee geldboeten

schillende kwetsende uitdrukkingen aangaande hem eersten getuige

dat slechts in een geval, vermeld bij art. 236, de Regtbank ter openbare teregtzitting een bevel van voorloopige gevangenneming kan geven, doch dat dit alleen geschiedt, dewijl in dat geval blijkt, dat het tijdperk van voorbereiding niet is afgeloopen ;

dat, in tegenstelling met deze bepalingen , bij gemis van een uitdrukkelijk voorschrift, geldende voor de openbare teregtzitting, de wet, in dezen stand van het geding, de gevangenneming des beklaagden niet toelaat;

Weigert de gevangenneming van den bekl.

KANTONGEREGT N°. I TE AMSTERDAM.

Zitting van den 1 Julij 1873.

Kantonregter, Mr. A. A. Andreson.

Vordering tot ontruiming van het gehuurde.

Alet-ontvanheiijh-cerhiaring, op grondt dat de verhuurder zich heeft verbonden, zoolang hij eigenaar is van het verhuurde perceel, nimmer opzegging ie zullen doen.

Bewijs.

S., eischer, tegen het genootschap M. J., gedaagde.

(Zie interlocutoir vonnis van 6 Mei 1873, Weekbl. n<>. 3615.) De kantonregter enz.,

Gezien ons interlocutoir vonnis, in deze zaak gewezen den 6 Mei jl.; Gehoord nader partijen ter teregtzitting vau 24 Junij jl.; len opzigte der daadzaken, ons gedragende aan* en alzoo overnemende hetgeen is overwogen in gezegd interlocutoir vonnis;

Overwegende, dat bij dat vonnis het gedaagde genootschap is toegelaten om door aile iuid.ieleu regtens, waaronder getuigen, te bewijzen, dat op L5Nov. 1870, tusschen den eischer en Ue bestuurders van het gedaagde genootschap is overeengekomen, dat van dien tijd de huurprijs van de door den eischer aan het gedaagde genootschap verhuurde binnenkamer, in het perceel in de JLioog&traat, C, n°. 280, welke / i75 'sjaars was, werd verhoogd tot / 2u0 , waartegen de eischer zich verbond om, zoolang hij eigenaar van het perceel was, hij nimmer of nooit opzegging aan het genootschap zou doen;

dat bij dat vonnis tevens bepaaicl is, dat het getuigenverhoor zou plaats hebben in eene teregtzitting met gesloten deuren , te houden terstond na afloop van de openbare teregtzitting in burgerlijke zaken van dit Kantongeregt, van den 10 Junij daaraanvolgende;

dat door het gedaagde genootschap vijf getuigen zijn gedagvaard, om te worden gehoord , wier namen , met iu-acht-neming van den termijn, bij de wet bepaald, ten verzoeke van dat gedaagde genootschap bij deurwaarders-exploit aan den eischer zijn beteekend;

dat ten bepaalden dage vier der gedaagde getuigeu zyn verschenen, docli een wegens ziekie is aiwezig gebleven; dat van het verhoor van een gedag vaarden getuige het gedaagde genootschap heeft afstand gedaan, en dat de wegens ziekte niet verschenen getuige volgens de voorschriften der wet ten zijnen huize gehoord is;

dat door den eischer twee der gedagvaarde getuigen gewraakt, doch de wrakingen niet geldig zijn verklaard; dat els der getuigen afzonderiijü zijn gehoord, en dat van het plaats gehad hebbend getuigenverhoor zijn opgemaakt processen-verbaal in dato lu en 18 Juuj jl. (geregistreerd; ;

U., dat ter teregtzitting van 24 Junij jl. partijen andermaal zijn gehoord bij monde van hare vertegenwoordigers, de eischers bij Mr. Ph. A. Haas, het gedaagde genootschap bij Mr. H. J. van Lier, persisterende elk bij conclusie van eisch en antwoord, waarna de uitbpraak door ons bepaald is ter teregtzitting van den 1 Julij 1873;

ü. ten opzigte van het geleverde getuigenbewijs, dat door den eerstgehoorden getuige A. S. R. onder eede in substantie verklaard is: dat hij, als iid van het gedaagde genootschap, op 15 iNov. 1870 tegenwoordig geweest is bij eene vergadering van het gedaagde genootschap, waarin beraadslaagd werd over eene verhoogiug van huurprijs , welke de eischer vau dat genootschap vorderde voor eene kamer in het perceel in de Hoogstraat alhier; dat de eischer mede in die vergadering is verschenen, en dat aistoen met eischer is overeengekomen om de huur der kamer van f 175 op ƒ 200 te brengen, met bepaling, dat de huurprijs niet zoude worden verhoogd en, zoolang ais hij eischer eigenaar van het perceel bleef, hij de huur der kamer niet zoude opzeggen; dat de eiacaer geen schriftelijk huurcontract wilde maken, zeggende, dat dit met noodig was, vermits hij nogmaals de plegtige verklaring aflegde, dat, zoolang hij eigenaar van het huis bleef, hij nimmer de huur zoude opzeggen, noch den huurprijs verhoogeu;

dat door den getuige L. v. G. in substante onder eede verklaard is: dat, zonder zich juist den tijd te kunnen herinneren, een of meer jaren geleden , hij ais iid yan het gedaagde genootschap uitgenoodigd werd, tegenwoordig te zijn bij eene vergadeiing, aan welse uitüoodiging hij voldaan heeft; dat toen met tien eischer is overeengekomen , dezen eene verhooging vau f 25 per jaar te geven voor eeu lokaal in de Hoogstraat, U 280 , hetgeen het gedaagde genootschap van den eischer in huur had; dat de eischer b.j die gelegenheid zeide : "ik zal jelui niet verstooten ;»

dat hij getuige zich verder niets herinnert van hetgeen in die vergadering is gesproken of heeft piaats gehad;

dat hij verKlaart de notulen dier vergadering destijds te hebben geteekend, na van den inhoud kennis te hebben genomen, en onder eede zoude durven verklaren, uat het genotuleerde waarheid bevat;

fioor den getuige M. R. is in substantie onder eede verklaard: dat hij zich herinnert eenige jaren geleden tegenwoordig geweest te zijn bij eene vergadering van het geaaa^de genootschap; dat hij alleen wetit, dat met den eischer bedongen is eene verliooging vau f 25 voor huur voor een lokaal van een huis iu de Hoogstraat, hetgeen den eischer toebehoort; dat hij zich verder geene bijzonderheden herinnert ; dat hij als lid van het geuootscnap die vergadering heeft bijgewoond, doch sedert omstreeks zes maanden voor zijn lidmaatschap heeft bedankt; wijders heelt die getuige verklaard, dat hein kort geleden de noiuien der gei.ouden vergadering zijn voorgelezen, en eindelijk enkele vragen met ja, neen, en ik kan mij dit niet meer herinnereu beantwoord heeft, ai welke vragen betrekking hadden op de pretense overeenkomst;

dat eindelijk door den getuige E. S. H., welke wegens ziekte ten zijnen woonhuize is gehoord , ouder eede in subsiahne verklaard is ; dat hij vroeger geweest is en welligt nog is lid van het gedaagde genootschap, daar hij niet weet, of hij nog contributie betaalt; dat, nu twee jaren geleden, hij met meerdere ledeu van dat genootschap uitgenoodigd werd tot het bijwonen van eene vergadering van dat genootschap; dat hij bij die vergadering geweest is en daarin ter beraadslaging gabragt is eene verhoogde huur-aanyrage, door den eischer gedaan van het loKaai, hetgeen deze aan het genootschap in huur gegeven had; dat.de eischer mede ter vergadering verschenen znude, tusschen net Bestuur vau het gedaagde geuootschap eu den eisotter uitdrukkelijk is overeengeüomen, dat voor het vervolg de huurprijs van het door den eischer aan het gedaagde Bestuur verhuurde iosaal zal zijn J 200 , onder uitdrukkelijke voorwaarde, door den eischer

Sluiten