Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dingsrlag , 11 November 1873. ^ ^

WEEKBLAD VAN HET MEGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF-EX-DERTIGSTE JAARGANG. ——

_ _ ______ ET ™S'

mt l" ""'21!" T""7' 1 d"*°' ^ i*.r„ „„ , 20; few * HUen.teie, frrnco per pott net

WETGEVING.

1 ^ memor'0 vau beantwoording van den minister van Buitenandsche Zaken over hoofdstuk III der staats begrooting voor 1874 wordt o. a. gezegd:

§ 9. De planneD der Egyptische Begering van regtscollegiën in te stellen, die kennis zouden nemen van de geschillen, in burgerlijke en 'n handelszaken tusschen vreemdelingen en inboorlingen of tusschea vreemdelingen van verschillends nationaliteit gerezen , schijnen hunne ^erwezenlijking thans zeer nabij. De meerderheid der regters in de <*rie m te stellen regtbanken eri van de raadsheeren bij het Hof van •■ppel te Alexandrië zou zijn zamengesteld uit vreemdelingen. Asn .e nieuwe regterüjke inrigting hebben sommige Mogendheden bereids hare goedkeuring geschonken. Van de andere, die, gedreven door de zucht om de waarborgen voor eene behoorlijke regtsbedeeling zooveel mogelijk te vermeerderen en de bevoegdheid der Egyptische •■egtecollegiën aanvankelijk zooveel mogelijk te beperken, nog in den aatsten tijd het tot stand komen der hervorming, door het bespreken van enkele bijzondere punten, hebben vertraagd, zal de adhaesie, Mar mag worden verondersteld, niet lang meer achterwege blijven.

U deze laatste Mogendheden heeft ook de Kegering gemeend zich te moeten aansluiten.

§ 10. De onderhandelingen met Italië en enkele andere Staten tot regeling van de ten-uitvoer legging vau vreemde vonnissen zijn nog hangende. Aan deze onderhandeling zijn eigenaardige moeijelijkheden verbonden, die het gevolg zijn van verschil van wetgeving.

Door de Kamer van koophandel en fabrieken te Amsterdam is aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal het volgende adres gebonden :

"Met groote belangstelling hebben wij gezien, dat bij Uwe vergadering op nieuw aanhangig is gemaakt het wets-ontwerp tot wiizi2in2 van het pandregt.

'Reeds sedert eenige jaren hebben wij , in overeenstemming met e Kamer te Rotterdam, bij de Hooge Regering aangedrongen op eene herziening van de bepalingen omtrent het pandregt. De bestaande 'oestand is reeds sedert lang geheel onvoldoende. De goederen , zoowel als de effectenhandel kunnen zich bij hunne crediet-operatië'n niet bedienen van het pandregt, en doen dit reeds niet meer, sedert het eerst <je bestaande bepalingen zijn ingevoerd. Men mag dus wel aannemen, '•Jat die onhoudbaar zijn. Het gevolg daarvan is, dat de handel te opzigte geene zekerheid van regt ker,t. Men heeft toch door de Omstandigheden zich gedrongen gezien , gesimuleerde contracten van °°p met beding van wederinkoop te gaan gebruiken.

» Bij verschillende gelegenheden hebben wij er op gewezen , dat oor de miliioenen, aan onze beurs op beleening en prolongatie uitgezet , bij de wet de zekerheid van onderpand moet worden toegekend , u>e thans gemist wordt. Wij nemen thans de vrijheid ook de aandacht Van Uwe vergadering op dezen toestand te vestigen.

"Het groote en verreweg het voornaamste bezwaar tegen het tegenwoordige pandregt is het vereischte, dat de pandacte voorzien worde°van ?ene zekere dagteekening, welke door registratie moet worden ver,le8en- Wordt dit vereischte opgeheven , wij houden ons verzekerd, at het pandcontract weder als van ouds zal gesloten worden en de ediet-operatiën, met pandgeving verbonden, in een normalen toestand zu|len hersteld zijn.

'OP dezen grond vooral ondersteunen wij het wets-ontwerp. Evenuit me.ene" W'J omtrent eenige bepalingen, die bijzonderheden van dopi06™^ betreffen, een paar opmerkingen te moeten maken. Wij beeien inde eerste plaats art. li98, en wel daarvan de al. 1 en 3.

Scb r,n.teekening Van inP®nciSeTinS? °P endossabel papier zou hoogst ' e ijk zijn en dergelijk papier verder onbruikbaar maken. De mervrnding toch heeft geleerd, dat, zelfs wanneer op papier aan onder (effecten , obligatien enz.) eene aanteekening wordt gesteld, ' PaP10r onleverbaar wordt. Niemand wil dergelijke stukken aannet omdat hij zich niet wil blootstellen aan het gevaar, dat de opethng Van het verband niet in orde was. Die stukken geraken dus uiten den handel, hetgeen ook endossabel papier zou treffen , want,petr,de bepaliijg van art. 1198, al. 1, door U wordt bekrachtigd, wo j dlls wenschelijk voor, dat art. 1198, al. l, zoodanig

aeso'lv |ewSzigd> 'Jat inpandgeving van endossabel papier zal kunnen boek 'fo k eenvoudig endossement, gelijk in het Duitsche wet-

„Onz p d > welke bepaling ons de juiste toeschijnt.

naamTn naaml6 opmerking Seldt de inpandgeving van aandeelen op vennootschanBen°'Ze vennootsc'laPPen- B'j de redactie der statuten dier len verpand 2jjn n!et gedacht aan eene aanteekening, dat aandeeopgenomen. Daarom ' aarvoor ZÜ" dis geene bepalingen in die statuten gelijke aandeelen liioST6" ^ ' dat' om de inpandgeving van derdie worden overgesehreve ^ maken' men zal moeten bepalen, dat bij eene onderhandsche acte t8n l*""6 d°S ëeldKchieters» dan

ving dier aandeelen geeonstato^H f °f de,'Seiijk Btuk de mpandge-

»Er is slechts ée'ne zaak, welke*™6' ".?rden" .

werp betreuren, dat is namelijk 'J het onderhavlSe wets-ont-

eommissionnairs geregeld zijn. Hei 7

regt en die voorweten scheen ons steekt": ;, hT

deling van beide onderwerpen noodzak, A t f lljktljf.'.f b?.h®"ook §ij al onze adviezen dienaangaande

Doch wij vertrouwen, dat, wannéér eens dit ontwerp is aangenomen, ue anriere regeling spoedig zal volgen. ®

"Wij nemen dus de vrijheid bij Uwe vergadering ernstig aan te ingen op de aanneming van het U aangeboden wets-ontwerp op het Pandregt, met in-acht-neming der door ons voorgestelde wijzigingen.//

HOOGE RAAD DEK, NEDERLANDEN.

Hamer vi»ti

Zitting van den 6 October 1873.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Lager onderwijs. — Het geven van lager onderwijs buiten

DEN KRING ZIJNER BEVOEGDHEID.

Wordt niet volgens de geheele strekking der wet van 13 Aug. 1857 (Stbl. n'\ 103) en volgens de uitdrukkelijke bepaling van art. 5 schoolonderwijs niet alleen gegeven door de hulp-onderwijzers, wier bijzondere taak is om in enkele of meerdere vakken van lager onderwijs aan de hun door of in overleg met den hoofdonderwijzer aangewezen klassen onderwijs te geven, en door de kweekedngen, die hen daarin behulpzaam zijn, maar ook door den hoofdonderwijzer, die als zoodanig tot taak heeft om voortdurend op het geheele schoolonderwijs toe te zient rigting en leiding te geven voor het onderwijs in al de vakken en klassen, en voor opleiding en vorming der leerlingen ? — Ja.

Maakt het in die beschouwing wel eenig verschil, of de lioofd-onderwijzer aan het eigenlijke klassen-onderwijs zelf geregeld deel neemt en of hij zich (bijzonder op groote scholen) geheel en uitsluitend wijdt aan de eigenaardige taak van hoo fd-onderwijzer ? — Neen.

De officier van justitie bij de Arrond.-Rogtbank te Rotterdam heeft zich in cassatie voorzien te^en een vonnis dier Regtbank van den 1 q Me. 1873, waarbij L. N. Sanders, oud zes-en-vijftig j»ren <rebö«n te Dordrecht, wonende te Eotterdam, met vernietiging van het vonnis op den 25 Maart 1873, op de vordering van den ambtenaar van het Upenb. Min. bij het Kantongeregt te Rotterdam n°. II, door den kantonregter tegen hom gewezen, met verwijzing van den Staat in de

kosten , zoowel in hooger beroep als in eersten aanleg gevallen is

ontslagen van alle regtsvervolging wegens het feit, hem bij de dagvaarding te laste gelegd. J =

Kadat te dezer zake door den raadsheer Coninck Liefsting het vei slag was uitgebragt en de advokaat van den gereq., Mr. J. van txiocii, ae voorziening nader bij pleidooi had bestreden, heeft de adv.-gen. Romer de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Beeren , President en Raden ! De regtsvraaodoor deze voorziening in cassatie aan uwe beslissing onderwerpen ^ bij de twee regterüjke uitspraken verschillend beslist. Die uitspraken zijn mtvoerig gemotiveerd; en zoowel bij de memorie van cassatie als bij de pleidooi is de regts vraag zoo breedvoerig behandeld, dat ik meen mg tot eene korte toelichting te kunnen en te moeten bepalen.

ieiteiyk staat vast, volgens de elfde overweging van het beklaagde vonnis, dat de gereq., die reeds vroeger wegens het geven van la^'er onderwijs buiten de grenzen zijner bevoegdheid is veroordeeld geweest gedurende veel langer dan zes maanden heeft gestaan aan het hoofd eener byzondere school voor meer uitgebreid lager onderwijs, terwijl hij geene andere acte bezit als van onderwijzer van den derden rantr afgegeven ingevolge de wet van 3 April 1806 , en mitsdien vol-ens art. 68 der wet van 13 Aug. 1857 gelijke regten gevende als eene acte van bekwaamheid als hulp-onderwijzer.

Het vonnis geeft eenige feiten op, waaruit de regter afleidt, dat de gereq. werkelijk stond aan het hoofd der school; en beslist' voorts nog, dat niet bewezen is, dat hij zelf onderrigt heeft gegeven in derwijs Talcken vaa het Sew00n of m°er uitgebreid lager on-

*S i'ïtU A1'' f8lt strafbaar volgens het tweede lid van ort. 8 der wet r"v U g' 1857? De kantonregter beslist die vraag toestemmend, de Kegtbank daarentegen ontkennend.

Ik zal niet betoogen, dat het doel der wet is, dat, behoudens eenige uitzonderingen, waarin deze gereq. niet verkeert, aan het hoofd van iedere school een hoofd-onderwijzer moet zijn geplaatst. Ik vereeni.* mij met de gronden, daaromtrent in het beklaagde vonnis opgenomen. En dan is het geconstateerde feit met de strekking en het "doel der wet ongetwijfeld in strijd, en is het alleen de vraag, of het verbod, om aan het hoofd eener school te staan, zonder hoofd-onderwijzer té zijn , duidelijk genoeg in de wet is omschreven om daarop de straf van art. 8 toe te passen.

Die vraag hangt daarvan af, of de wetgever het onbevoegdelijk staan aan het hoofd der school gelijk heeft gesteld met het geven van lager onderwijs buiten de grenzen zijner bevoegdheid.

Wannéér nu die vraag toestemmend moet worden beantwoord, dan vervallen al de bezwaren van den geachten raadsman. De wet moet, volgens art. 194 der Grondwet, regelen het geven van onderwijsen nu kan de gewone wetgever het staan aan het hoofd der school gelijkstellen met het geven van onderwijs: en wanneer blijkt dat de wetgever dit gedaan heeft, dan is het voor hare toepassing geheel onverschillig, of de regter in facto uitmaakt, dat geen onderrigt aan de scholieren is medegedeeld.

En wanneer ik mij nu bepaal tot de eenvoudige lezing van art. 8 der wet, dan geef ik toe, dat de gedachte van den wetgever duidelijker kon zijn uitgedrukt; maar het is m. i. niet twijfelachtig, wat hij heeft gewild.

Het artikel bedreigt straf tegen het geven van lager onderwijs zonder bevoegdheid, of wel in een afgekeurd lokaal, en evenzeer tegen het geven van dergelijk onderwijs buiten de grenzen zijner bevoegdheid» van laatstgemelde straf worden vrijgesteld de hulp-onderwijzers, J die tijdelijk aan het hoofd eener school staan, mits de tijdelijke waarneming niet langer dan zes maanden dure. Ik kan de woorden niet |

anders verstaan dan dat de hulp-onderwijzer , die aan het hoofd der school is geplaatst, gerekend wordt lager onderwijs te geven buiten de grenzen zijner bevoegdheid , en te dier zake strafbaar te zijn volgens de wet. Om nu te voorkomen, dat dit voorschrift welligt eene tijdelijke schorsing der school, en mitsdien van het onderwijs ten gevolde zou hebben, laat de wetgever eene tijdelijke waarneming toe. Daargelaten nu het gewigt, hetwelk aan de deliberatiën over eene wet tot verklaring van eene duistere uitdrukking kan worden gehecht, zoo geloof ik, dat de heer req. de bedoeling van de inlasscbin<* der woorden: "hiervan zijn uitgezonderd» enz. juist heeft opgevat

De Regtbank verwerpt die uitlegging, omdat zij is e°ene interpretatio extenswa, welke bij de strafwet ongeoorloofd is. Zij is dit m. i. niet. Ik geef aan de woorden: «lager onderwijs geven buiten de grenzen zijner bevoegdheid» geene extensieve uitlegging; maar ik beweer, dat de wetgever het staan aan het hoofd der school daarmede gelijk heeft gesteld. Zoo zou m. i. met grond kunnen worden beweerd, dat de r hoofd-onderwijzer, die aan het hoofd der school staat, al geeft hij zelf geen onderrigt, strafbaar zou zijn bij overtreding van art. 4 der wet e en dat de uitdrukking in dat artikel: «geen schoolonderwijs wordt

■ gegeven» gelijkstaat met de uitdrukking: "geene school wordt ee• houden». Maar ik deel daarenboven geheel de meening van den heer 1 req. , dat alleen de uitlegging der strafwet bij analogie en niet de " extensieve is verboden.

Ik betoogde dit reeds in eene conclusie bij v. D. Honert Straf

■ regt, 1857, bl. 317. ' J'

l Ook is het hier geen argumentum a contrario, zoo als de Regtbank J wil, of een utihteits-argument, zoo als de geachte raadsman beweerde De gedachte van den wetgever is niet volledig uitgedrukt. De wetgever heeft niet gedacht aan het exploiteren oener school, waarvan ue geachte raadsman sprak, maar het aan het hoofd staan der school t hetwelk toch een ander denkbeeld uitdrukt: aan de re'elino-van het I onderwijs, de keus der boeken, de regeling der werkzaamheden enz i En nu kan dit alles geschieden ; en het is mogelijk, dat zulks in casü , is geschied, zonder dat immer zelfonderrigt wordt gegeven iu den [ strikten zin vau het woord; dit neemt m. i. niet we<>- °dat men in i vloed uitoefent op het gegeven onderwijs. En de wet brengt zoodanige ' bemoeijirigen onder de categorie van het geven van lager onderwijs • i en indien het geschiedt door een hulp-onderwijzer langer dan zes

■ maanden, wordt het feit strafbaar. Ik erken, dat het arrest van den Raad van 14 April 1863, in de memorie bedoeld, en opgenomen in Wee/cbl n» 2476 en bij v. D. Honert, Gem. Hak., dl. 20, bl. 103, de vraa^ zoo als' zij zich hier voordoet, niet beslist, omdat in casu feitelijk is'beslist dat geen lager onderwijs is gegeven. Het is alleen de vraa<? of dié feitelijke beslissing iets ter zake afdoet; en die vraag moet ontkennend worden beantwoord, wanneer wordt aangenomen, dat het onbevoegd staan aan het hoofd eener school gelijk is gesteld met het geven van lager onderwijs buiten de grenzen zijner bevoegdheid.

Wanneer de Raad zich met dit gevoelen vereenigt, dan'moet'hii ten principale beslissen. Bij het vonnis van den kantonregter zijn verligtende omstandigheden opgenomen, welke echter niet in de zaak maar in den persoon van den gereq. waren gelegen. Dat vonnis is echter vernietigd wegens gebrek in den vorm; en bij het nu beklaagde vonnis is daaromtrent niets beslist, zoodat de straf bij de wet bedreigd, op de bewezen verklaarde feiten moet worden toegepast.

Ik heb de eer te concluderen t .t vernietiging van het beklaagde vonnis; en dat de Raad het bewezen verklaarde feit zal qualifieeren hét geven van lager onderwijs buiten de grenzen zijner bevoegdheid • en zulks voor de tweede maal, en met schuldig-verklaring van den' gereq. daaraan, hem zal verwijzen in eene boete van / 25, bij gebreke van voldoening na aanmaning ingevolge de wet, te vervangen door gevangenis-straf van twee dagen , en met veroordeeld in de kosten van het geding, die, in cassatie gevallen, er onder begrepen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij memorie, en bestaande in :

schending van art. 8 der wet van den 13 Aug. 185 7 (Stbl n». 103) op het lager onderwijs, omdat het in het vonnis bewezen verklaarde feit, dat de gereq. als hoofi-onderwijzer stond aan het hoofd eener school van meer uitgebreid lager onderwijs, zonder de daartoe vereischte acte van bekwaamheid te bezitten en zonder te vallen in de uitzondering van tijdelijke waarneming der school, is verklaard niet te vallen onder de strafbepaling van dat artikel;

Gehoord den advokaat van den gereq.;

Overwegende, dat in het beklaagde vonnis teregt is beslist, dat het vonnis des kantonregters in hooger beroep moest worden vernietigd omdat het eene veroordeeliug tot eene straf van / 12 boete, dat; is' beneden het bedreigde minimum, inhoudende, terwijl niet is beslist, dat de toegebragte schade is beneden de /12.50, — niet textueel het in werkelijkheid toegepaste art. 20 dor wet van den 29 Junij 1854 (6/6/. no. lo2) bevat, tegen welk verzuim bij art. 211 Strafvord. nietigheid der uitspraak is bedreigd, terwijl aan den regter in hooger beroep omtrent de toepassing dier nietigheid niet dezelfde ruimte gelaten is als voor de beslissing omtrent een beroep in cassatie, voor het geval van een misslag in de aanhaling van den tekst der wet, bij art. 885 Strafvord. gegeven;

0., dat betreflende de ten laste gelegde feiten in het beklaagde vonnis feitelijk is beslist, dat de gereq. op den 11 Nov. 1872 als hoofd-onderwijzer stond, en destijds reeds veel langer dan zes maande i gestaan had aan het hootd eoner bijzondere school van meer uiteebreid lager onderwijs te Kotterdam, in den Oppert, terwiil hij aeené^andpro acte tot het geven van lager onderwijs bezat dan eenP T

derden rang, volgens de wet van den 3 April laofi J T ^ bij vonnis der Kegtbank te Rotterdam v«

hooger beroep reeds eenmaal was veroordeeld „I u lager onderwijs buiten de grenzen zijner beto^dleld . ^ ^

gere'q'. fs ee^lizon^'^ iS,be,slist' dat d« gemelde School van den

j eie school, waar onderwijs gegeven wordt in

Sluiten