Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag , 20 November 1873» jy> 3050

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

'VimZT'n' ~ •-d' '20; ~IZZZ, /■„«„«,

' " «^«„.-Prij, ier ad.erle.hé,, 20 «»M per regel.- Bijdrage,, irieve., /W, ««, de D.iteeUmd:

en Vogler, rfe Hamburg.

WETGEVING.

«

voorstel van wkt van dis hekken oldenhuis gratama, idzerda en van kerkwijk tot

intrekking van de bijzondere bescherming van DB jagt en het jagtbedrijf.

Memorie van toelichting. (Vervolg van Weekbl. n°. 3648.)

§ 1. Wat is jagt? Wat is jagt.regt, zoowel in het algemeen als naar art. 641 Uurg er lijk Wetboek?

Van de juistheid dezer beschouwingen hangt veel af.

.jagtregt wordt wel eens eene erfdienstbaarheid genoemd (19). onregte : eene erfdienstbaarheid is er nooit ten behoeve van een Persoon. In allen gevalle, naar art. 641 Burgerlijk Wetboek, kan het geene erfdienstbaarheid zijn of worden , ook omdat, naar ons regt, geene erfdienstbaarheid op eigen grond kan bestaan; noch het franse, noch ons regt kent persoonlijke servituten.

^ at in het Romeinsche regt persoonlijke servituten werden genoemd , waren afzonderlijke zakelijke regten , als: vruchtgebruik , gebruik, bewoning enz.

Ook is het jagtregt een zakelijk regt genoemd, onder anderen in het arrest van den Hoogen Raad van 28 Junij 1861, hiervoren reeds besproken.

Evenzeer ten onregte.

Het is geene zaak , die in den handel is of zelfs kan zijn ; het «"est ziet op jagtregt, afgescheiden van den grond, onder de wet van 1814; uit de woorden van het arrest, dat het in het algemeen is een '■akelijk regt, en dat het voor het vervolg, dat is, onder de jagtwetten van 1852 en 1857, niet meer als zoodanig kan worden beschouwd, blijkt, dat de Hooge Raad zelf gevoelde, dat hij de wetten der logica geweld aandeed, door in deze den eisch tot handhaving in 't bezit toe te 'aten op den schijngrond, dat liet jagtregt is of tijdelijk kan z'jn zakelijk regt (20).

Onlangs is beweerd, dat, naar art. 641 Burgerlijk Wetboek, de grondeigenaar bezitter is van het wild, dat zich op ziin grond bevindt (.21).

Evenzeer ten onregte.

Bezit zonder detentie is niet denkbaar; de verdediger van dat denkbeeld heeft zich het regtsdenkbeeld van bezit niet duidelijk voor <ien geest gesteld.

De regtstoestand is deze: zaken, die aan niemand toebehooren, borden het eigendom van hem, die ze het eerst in bezit neemt. Ieder w dus geregtigd wild te vangen. Die bevoegdheid wordt echter uit '<en aard der zaak beperkt tot hen, die grond hebben of bezitten , *aar(,p zij de toeéiger.ing kunnen doen. Zij toch kunnen alleen, «rachtens hun eigendomsregt, ieder ander van hun grond weren.

lerdoor is in de werkelijkheid het regt om wild te vangen een aanhangsel, een uitvloeisel van den eigendom van den grond.

Art. 641 Burgerlijk Wetboek geeft aan de eigenaars van den grond geene meerdere regten dan de algemeene beginselen van het natuurregt en van het burgerlijk regt hun geven. Alleen ontneemt het dat regt in de werkelijkheid aan de niet-eigenaren, die het toch nimmer donder toestemming der eigenaren kunnen doen gelden.

Art. 641 Burgerlijk Wetboek komt geheel overeen met den natuur'ijken toestand, met de eischen der rede en het gezond verstand.

In de Instituten van Keizer Justinianus komt reeds voor: ./qui alienum fundum ingreditur venandi aut occupandi gratia potest a 'omino prohiberi ne ingrediatur» (22), (dat is: die den grond van «en ander betreedt om te jagen of om vogels te vangen kan door en eigenaar verhinderd worden op dien grond te komen).

De aard van het regt, dat de grondeigenaar heeft op het wild, en et gansche (enkbeeld worden duidelijk door de onderscheiding, die 9 oude sc o asten gewoon waren hier te maken, deze: zij vroegen: a°rieu omt aa,n hem toe, op wiens grond een ander een stuk vJ i. u e,<a^ 'ï, u:- d'e tot revindicatie (terugvordering)

n het wild, of ee ij bloot de actie wegens het betreden van den grond? Het antwoord was: alleen de laatste, omdat het regt van den grondeigenaar op het wild, dat zich op 0f boven zijn grond ophoudt, «tet IS een jus perfectum, een volmaakt regt, een volkomen eigendom!

*f'h l" . ai? eUKVf*n e occupatie. Het antwoord van den I

cholast „ volmaakt logisch en geeft het denkbeeld nog eenigzins

z zr °aauwk?",1ser te?sdan ar\6« Burgerlijk Wetboek. Om «zelfde reden verklaarden de Romeinsche regtsgeleerden, dat wild,

Zaïrr? verwond ,was'. dat. h6t d°0r een a"d«<- kon gevangen orüen, toch nog met het eigendom was van den verwonder zoodat degene, die het later ving, geen diefstal deed (23). '

Leiden 1845r' j' sch™melpenkinck in zijne academische dissertatie, Iblz 100 en'l32emt het seroitutem «enatioms , servitutem venatoriam èen 'regaal noemt 'ew™®' hÜ ^ eerSt6 St6Uin8 ^ jagtregt

. p». »rrzt ....™. ™

April i?54 (v. d. Hosbbt Jagt en Visscherij, iv, bladz. 249), hoewel ok daar de beatregtelyke actie toelatende, het jagtregt echter niet tahgnt te durven noemen een zakelijk regt, maar het noemt eene igchamelyke zaak.. (Vergelijk echter ook arrest van den Hoogen Haad, 23 Februarp 1872, en vonnis Regtbank Zutphen, 23 Februarij eekbLad n°. 3434 en 3435.)

(21) Aldus Mr. D. J. R. Bkakts, JJe afschaffinq der jaqtwet. 7®sterdam, 1872, bladz. 11. Vergelijk ook de beoordeeling in Themis, A~e XXXIII, December 18/2, bladz. 487 , door Mr FoCKEMA

(22; lust. II, 1, § 12.

(23) Vergelijk 1. 5, § 1, ff. de A. R. D. (41.1), 1. 55 eod- § ]3> j, rerum divis. Instituten van Vinnius, bladz. 119. Hellfeld's JaPrUdeniia forensis, bladz. 791.

^ in 1868 ^ ■»* bijna * van alle

Blackstone zelrt J ' veroordelingen. De verzameling gewijsden over jagt en visscherij van

ckstone zegt. . v. d. IIoNEUT van 1838—1865 bedraagt 6 deelen elk omrevMr v.r,

«■But with regard to the nse and origmal of our present civil pro- 400 bladzijden. Welk eene moeite, welk eene kwelling der in^^fn

hibitxons Ït wiil be found that all forest and game laws were intro- nen 1 (26) En waartoe? Waarvoor!? ° S

auced mto Europe at the same time, and by the same poliey as gave

birth to the feodal system», en verder : «And it is remarkable that § 3- De jagtwet is in strijd met de Grondwet en het Buraerliik

in those nations where the feodal poliey remains the most incorrupted, Wetboek. y "

the forest or game laws continue in their highest rigor: in France Over art 641 Barwrliik WVtWt ukk- ••

ÜE" ™t'sssrtea'aspr...

Uit een en ander is duidelijk, dat het ware logische eenvoudige , 1 der Grondwet zegt, dat memand van zijn eigendom kan

beginsel is dit : dat niemand buiten den eigenaar en dien'hij toelaat, ZTenen ZtT voorafgaande schadeloosstelling en ten alge-

ophoudt Z uUoefInel40 °P °f b°VeD gr°nd „ Door de ^ eigenaren van den grond ontzet van Dit v,aar zijnde, dan is het be-insel der iagtwet veroordeeld De 17 ^ f occa')atle, benadering, dat zij uitsluitend kunnen uitstaat heeft alzoo geen regt op he? wild en mag voo, zieh geen^ yo^ ZZT'' lijdeD "j V6'e eB Veelzijdi=6

Naar deze eenvoudige regtsbeginselen is het onbegrijpelijk , hoe in va'n'akemee^nut m°et C'' 086608 wettciÜse verklaring zijn

iriiTz^irs is^sar^n.'tsz j&'yzirzz sstT w-r.*-""'°-

een algemeen jagtneld te hebben. l egt' °. ai]dere regten, door het staatsbelang geboden , worden

Ten'slotte van deze paragraaph nog dit: 1, hie,r ».8««> of schaduw van zulk belang aanwezig.

Het eigendomsregt is in de jagtwetten van naburige volken veel w h6"6 d®nkbeeld !gt ?Fgesloten de onherroepelijse veroordeeling

meer geëerbiedigd dan in onze wet van 1857. ln h°f. h°ogete res80rt der Jafe"wet- De voorstellers zouden de kracht

In de Fransche loi sur la police de la chasse van 3 Mei 1844 t!" argum(" hunne sterke, "eljing op dit punt verzwak-

Bulletin des lois, no. 1094, en in de Belgische wet van 9 April 1873,' ' hler ^ meeI aanvoerdoD daD ^unne ontkenning.

Recueil no. 102, wordt ten minste nog bepaald, dat de eigenaar of § 4. De jagtwet strijdt met de beginselen der staathuishoudkunde

bezitter ten allen tijde en zonder jagt-acte mag jagen op eigen om- r, . / . , . , . "^ammsnouMcunde.

sloten gronden, met de bewoning één geheel uitmakende. , bescherming, aan de jagt en het jagtbedrijf verleend, strijdt met

Hoe Strijdt dit met de daarmede vergeleken niets afdoende bepaling , doel van den Staat» ook bloot in staathuishoudkundigen zin be-

van art. 12a, in verband met art. 41/, der wet van 1857? schouwd. Oeconomisch wordt door de jagt geen nieuwe rijkdom

Voor Engeland is de bepaling van 11 en 12 Victoria C. 29 hoe- y°°rtgebragt. Vroeger was het jagtregt eene belooning of geusurpeerd

zeer minder ruim dan de Fransche en Belgische, toch vrijgeviger dan KC-oven aan regerende familiën. Nadat de erfelijkheid en koop-

onze bepaling. baarheid der ambten waren afgeschaft en aristocratie en patriciaat

De Pruissische Jagdpolizei Gesetz van 7 Maart 1850 (Preussische waren vervallen, werd de Staat ingerigt naar meer gezoade, meer

Gesetz Codex 846) en meer Duitsche wetgevingen na 1848 doen eigen- red®Ujke begrippen van gelijkheid en regtvaardigbeid.

lijk niets anders dan de nitoefening van het eigendomsregt der grond- reden van bestaan voor bescherming van de jagt en het jagt,

eigenaren te regelen. bedrijf verviel daarmede onherroepelijk.

De hoofdinhoud komt hierop neer: Op eigen grond niet jagen, tenzij )yaa,rom zal ,de Staat het wild eerst beschermen en daarna aan de men aaneengesloten zekere uitgestrektheid grond bezit. In Fruissen is hebbers aanbieden, om die het genot te geven om het te verdit 800 morgen, in Oostenrijk 200 joch, in Saksen 300 ackers enz.; moorden °P eene door hen aangenaam geoordeelde wijze? De Staat kleinere grondeigenaren moeten zich vereenigen en kunnen dan dé zou dan' om regtvaar<lig te zijn ten aanzien van de liefhebbers van jagt uitoefenen naar den wil der meerderheid, waaraan zich de min- andere vermaten, ook het kolven, het kat uit den ton knuppelen, derheid moet onderwerpen, bijv. om te verpachten of om de iagt het haausabelen , het harddraven, het hardzeilen en dergelijke verdoor eigen jagers te doen uitoefenen , terwijl in Pruissen het in ge- maTkren mofteQ beschermen.

meenschap geblevene tot één kring vereenigd wordt, door het Ge- regt ontneemt de jagtwet aan de grondeigenaren het regt meentebestuur verpacht en het geld, na aftrek van onkosten, onder 0m de dleren ' zlch °P of. boven hunnen grond ophoudende, te bede eigenaren verdeeld wordt naar evenredigheid van ieders inhebbend 6chermen ot te dooden ? in stand te houden of in bezit te nemen ? eigendom (25). Met welk regt maakt de jagtwet onderscheid tusschen dieren , door

Ktl n . , , , sommigen wild, edel wild, en anderen schadelijk wiid te noemen?

9 . jagtwet strijdt met beginselen van natuurregt en zedelijkheid. Waarom is een haas edeler dan een muis of eeti mol of een vos?

Den algemeenen strijd daarmede wezen wij aan in de vorige pa- Vissbking zegt (Handboek n°. 132): "De jagt houdt bij bescnaafde

ragraaph. volken geheel op tak van voortbrengenden arbeid te zijn; de bijzondere

De wet zelve bevat eene menigte bepalingen , waarbij tot overtre- bescherming, die zij nog overal geniet, dient slechts tot vermaak van

dingen worden verheven handelingen, die tot de bevoegdheden behoo- 1 enkelen, niet zelden ten koste der wezenlijke belangen des volks, vooral

ren , die ieder eigenaar van gronden van nature en uit den aard der ï ten Dadeele van den iandbouw».

zaak heeft, als daar zijn: Voor zooverre de jagt een tak van nijverheid, een tak van

het vangen op eigen grond van wild, dat men zelf met producten voortbrengenden arbeid worden en blijven kan, zal ze zich juist

van eigen werk, van eigen industrie, van eigen nijverheid, op eigen daal'toe vormen en ontwikkelen op de natuurlijke, op de alléén juiste

grond gevoed heeft; ° wijze, op eene wijze, thans bestaanbaar, wanneer de Staat zijne bij-

het vangen van wild in gesloten jagttijd , op Zondag, vóór zons- zondcre bescherming intrekt. Als tak van nijverheid zou ze evenmin

opgang, na zonsondergang, op spoorsneeuw, bij hoog water, met moeten worden beschermd boven andere bedrijven va.i nijverheid.

strikken enz.: /ir 1 l- \

■ ( ' ervolg hierna.)

het komen met schietgeweer m het veld in gesloten iaettiid . en

meer dergelijke. Vergelijk artt. 15, 16, 18 en 20 en hier en daar. = =

De men ach mag de vruchten van zijnen arbeid, van zijn geest, HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN, van zijne nijverheid, van zijne industrie tegen zijne medemenschen

verdedigen , maar niet tegen dieren! ? "

Het volksgeweten, het volksgevoel kunnen niet begrijpen, dat wild- Hamer van itr»fzHken<

stroopen eene misdaad is. De wet alléén maakt den strocper, den

wilddief tot misdadiger, niet zijn geweten I Nooit wordt ongestraft Zitting van den 6 October 1873,

door wetduiding alléén tot overtreding verheven, wat het niet is naar Voorzitter Mr. J D W Pape het geweten des volks.

Om de uitgebreidheid van dit groote nadeel te begrijpen bedenke Bewijs. — Proces-verbaal. — Motieven. — Jagtreqt. —

mer':,0„, Schorsing. — Geschilpunt bcrgeklijk regt. —

in 1865 bedroeg het aantal veroordeelingen, wegens overtredingen Titels en bescheiden.

der wet van 1857 , waarvan verreweg het grootste deel

jagt-overtredingen 2159 Is een vonnis behoorlijk met redenen omkleed, dat het bewijs van het

" 1866 idem idem . 2533 mede doet berusten op processen-verbaalf zonder omtrent

( . * den inhoud daarvan iets te vermelden ? — Neen.

idem idem 2654 Is het vonnis behoorlijk gemotiveerd, wanneer hst, zich beroepende

" 1868 idem idem 3630 en bescheiden, als van invloed op zijne overtuiging en

„ lgfiQ ..... beslissing omtrent het beslaan van een geschilpunt van burgerlijk

idem idem 3008 regt en de dienvolgens uitgesproken schorsing van het stra/ge-

" 1870 idem idem 2551 ding % niet opgeeft ? welke die titels en bescheiden zijn f Neen,

*J0HN1

wiordkttnt0"regter tB Waal^>

Verwaltungsrecht, Erlangen, 1872, Band I, bladz. 482 en volgende, | ~

en de Pruissische Jagdpolizeigesetz van 7 Maart 1850. (26) Vergelijk Weekblad van het Regt n«. 3394.

Sluiten