Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de eiseher, app., stelt, dat den 28 Oct. 1864, blijkens overgelegde notariële acte, eene commanditaire vennootschap is opgerigt onder i:ö firma de Ram en Comp.; dat de eigenlijke oprigters geweest zijn de heeren J. A. de Ram, C. Baron de Caters, L. C. de Geep en J. A. Laane, die dan ook bij art. 4 der statuten tot besturende vennooten werden benoemd; dat den 21 Dec. 1864 de app. zijn ontslag heeft ingezonden aan de gezamenlijke overige besturende vennooten, onder bijvoeging onder anderen, dat, naar zijne meening, eene algeineene vergadering van deelhebbers zou moeten belegd worden om zijne uittreding goed te keuren en om hetzij een ander besturend vennoot in zijne plaats te benoemen, hetzij het geheele beheer aan de overige besturende vennooten op te dragen ; dat de drie overige besturende vennooten in dat besluit hebbèn berust en verklaard hebben daarvan Waar het behoort te zullen kennis geven , onder voorbehoud om de gevolgen van het aangenomen ontslag, in verband met hunne meerdere verantwoordelijkheid, aan de statuten der vennootschap ter loetse te brengen en dien-overeenkomstig te handelen; dat app. echter geen formeel ontslag van de mede-bestuurders ontvangen heeft, en dat zijn ontslag evenmin is goedgekeurd door de algemeene vergadering van geblev^ Vennooten * zoodat hij hoofdelijk aansprakelijk is

dat hij dienvólgens, in zijne hoedanigheid van besturend vennoot, aanspraak heeft op een vierde gedeelte van de, volgens de statuten aan de besturende vennooten toekomende winst over de jaren 1865 tot en met 1869, op grond waarvan hij de betaling vordert van eene som van ƒ 7679.04; dat die eisch hem evenwel bij vonnis van de Regtbank te Breda is ontzegd, waarvan hij daarna is gekomen in hooger beroep;

O., dat de geïntimeerden sub 1 en 2, gedaagden in eersten aanleg, tegen den eisch hebben aangevoerd, dat, na de berusting van de drie overige besturende vennooten. in het gevraagd ontslag, de app. zich hoegenaamd met de gestie der vennootschap niet heeft bemoeid en zoowel dcor hem als door de drie overige hoofdelijke deelgenooten alle betrekking te dezer zake als geëindigd is beschouwd; dat de app., schoon ter algemeene vergadering van de aandeelhouders tegenwoordig, nooit °P het ontslag door de commanditaire vennooten heeft aangedrongen en zelfs, zoo als de geïntimeerden aanbieden te bewijzen, in de vergadering van 1865 verklaard heelt zoodanig ontslag niet te verlangen; wat sinds dien tijd niets van den app. vernomen is, totdat in Nov. 1870 app. op de zaak teruggekomen en zijn ontslag ingetrokken heeft; dat de overige vennooten, schoon volkomen bekend met het vragen van et ontslag, zich tegen het verleenen daarvan nimmer verzet hebben, dat dan ook art. 6 der statuten van de vennootschap aan de besturende vennooten uitdrukkelijk vrijheid geeft de solidaire vennooten te laten uittreden, te meer, omdat de vennootschap Kam en Comp. bestaat uit vier leden, solidair verbonden en elkanders associés onder e firma, terwijl naast of tegenover die vereeniging eenige geldschieters staan als commanditaire vennooten; concluderende die geïntimeerden alzoo tot bevestiging van het vonnis a quo ;

dat de geïntimeerden sub 3 zich met die gronden hebben verenigd en bovendien de niet-ontvankelijkheid des eischers hebben Voorgesteld, op grond, dat, indien de eiseher heeft gehandeld in strijd 11161 de statuten en de wet, door zijn ontslag niet aan alle vennooten te verzoeken, niet hij zelf tegen die onwettige handeling mag opkomaar alleen zij, die er door benadeeld zijn ; en voorts op grond, ^ deze actie tegen de besturende vennooten als zoodanig, maar niet ln hun privé, had behooren te zijn ingesteld;

dat de app. voorts nog aanbiedt te bewijzen, dat hij in eene in 1872 p ouden vergadering van aandeelhouders nog als besturend vennoot s eschouwd, bepaaldelijk ook door den geïnt. Laane, welk feit door ae geïntimeerden wordt ontkend ;

dat, behalve de in het vonnis a quo vermelde stukken, nog; reeds m eerste instantie in het geding gebragt zijn zes missiven , allen behoorlijk geregistreerd, vermeld in product 15 van gïntimeerden ; 0. ten aanzien van het regt:

O. met betrekking tot de voorgestelde middelen van niet-ontvanke«jkheid :

dat de app., bewerende, dat zekere door hem gepleegde handeling niet het regtsgevolg heeft, dat zijne tegenpartij daaraan wil toekennen, met gezegd kan worden tegen zijne eigen handelingen op te komen, zich te beroepen op de onwettigheid dier handelingen ; at> ? vor(lering strekt tot uitkeering van hetgeen de vennootschap ki° G uurc^ers betaald heeft, dus niet berust op eene regtsbetrekvan^ lU.ssc^en ^en aPP» en de vennootschap, weshalve eene dagvaarding hebbenlmimeerCien ^unne vau bestuurders geen zin zou

dat dei halve de beide voorgestelde exceptiën zijn ongegrond ; Met betrekking tot de hooldzaak :

aan eene Ven,lool: zich door eene eenzijdige wilsverklaring niet aflouD vu Vr\ °r een ^paalden 'lid aangedane vennootschap vóór den

overeenkomsTbepaaM- OQttrekkeD'tenzU in de gevallen, bij de wet of

commandite68waarirVenZrr Va" toePassinS is biJ vennootschappen en lende vennooten zeer Waar' de aansprakelijkheid der verschil-

elkander vennooten d,,? ,nd is' maar woarvan de leden onder niet betwijfeld kan'worde ng verbonden ZÜ"; dat du zekerlijk in dit geding sprake is vei ,,, ?" °pzl8te van de vennootschap, waarvan lijn stellen, behalve ten aantip i SCataten al de vennooten op gelijke voor verschillende handelintren" 1 verantwoordelijkheid. en dan ook;

voorschrijven (zie onder anW^n? Verk'ng Van alle venn00ten f\ a i i . UIJUeien de artt. 12 13 i 5 21 en 26V O. dienvolgens, dat een deel der vpn, ? \ -

ander deelgenoot van eene hem bii dl l? met eigenmagtig een ka" ontslaan, en art. 31 der statuten danTl6" °P!TeleKde.verPl^ti"» dat geene onderlinge overeenkomst der bestnr " rukkelÜlt bepaalt, verandering te weeg mag brengen in de reSen I Vl\n"00te\ eem'° de commanditaire vennooten onherroepelijk gewaarborgd -1""1 ^ u- nu, dat onder anderen in art. 4 der statuten Ho _ i-,

bindateSn.bssenUdend Venn°0t ,aansPrakelijkt ™Tdt S^,eld voorT vervennoö de Tcerrnl,V6t"n°0tSChaP', Z °°k hem als besturend

behartigen 16 0PSele«d om de belangen der vennooten te

gegeven der,hal,ïe een ontslag, door de geïntimeerden aan app.

hunne r'eglen rfVulg ' ten aa"zieU der vemiüoten> omdat het in weeg brengen; V00rmeJde artikelen vastgesteld, wijziging zou te

0., dat ook uit ar. R >

van eene verandering itl J statuten • sprekende over de gevolgen afgeleid de bevoegdheid de zamer,stelllng der firma, met kan worden zonder medewerking der vè„„ 'Urende venn00ten om eigenmagtig, sturend vennoot, of om willekeur' onts!aS te verleenen aan een bete stellen ; dat toch dat artikel die* b" n8ar goedvinden de firma zamen do besturende vennooten opdraagt- da,0^^"1 "iet uitdrukkelijk aan dat het, wel is waar, spreekt van verandll!™"™" veronderstelt; der firma buiten het geval van overlijden nm » !' zamenstelhng dermg bij eene voor langen tijd aangegane doL eene veran-

bmdhare vennootschap zeer ligt kan plaats vimi- °°U met °nt" van de vennooten onafhankelijke feiten , bij voorb'pJw T-- f6-!,0'"6 van

kennelijk onvermogen, zoodat het niet noodzakelijk i^n al lssernent

^atgemeld art. 6 eene bevoegdheid veronderstelt, door het gébruik

kwaamhddaHVal 8116 VVaarb01g' die de SOl'dlteit> de eerlijkheid" en beVersob ff besturende vennooten aan de commanditaire vennooten ^ a ten, volkomen ijdel zou kunnen worden gemaakt.

'p at het in confesso is, dat de commanditaire vennooten het

ontslag als besturend vennoot niet aan den app. verleend hebben; dat | het voor de regten van partijen in deze onverschillig is , door wiens | toedoen of nalatigheid dat ontslag niet is aangevraagd, omdat het , bekomen van het ontslag niet afhing van die aanvrage, maar van den wil der inede-vennooten , dus van eene van den wil des appellants onafhankelijke handeling, zoodat het daarop betrekking hebbend aanbod van getuigenbewijs is irrelevant; dat de app. alzoo, niettegenstaande het tusschen partijen verhandelde, niet ontheven is geworden van de verantwoordelijkheid, bij art. 4 der statuten op hem gelegd;

O., dat, aangenomen het voortduren van des appellants verantwoordelijkheid jegens de vennooten, het de vraag is, of, ten gevolge zijner onthouding van deelneming aan het bestuur, zijne aanspraak op de winst vervallen is;

O., dat art. 4 der statuten de hoofdelijke aansprakelijkheid verbindt, zoowel aan de betrekking van besturend vennoot, als aan de personen, in dat artikel bij name genoemd; en dat derhalve de bij art. 26 vastgestelde uitkeering der winsten aan de besturende vennooten geacht moet worden eene vergoeding te zijn zoowel voor de geldelyke aansprakelijkheid als voor de werkzaamheden der besturende vennooten;

0., dat de mede-besturende vennooten, evenzeer als alle vennooten, voorzeker geregtigd waren aan app. te dwingen ai zijne verpligtingen ais besturend vennoot na te komen , maar niet om, zoolang de bij de statnten aan de betrekking van besturend vennoot verbonden aansprakelijkheid blijft bestaan , hem het geheele aandeel te onthouden, en de winst, aan de betrekking van besturend vennoot in haar geheel verbonden en niet toegezegd alleen als belooning voor de te verrigten werkzaamheden;

0. eindelijk, dat de mede-bestuurders ongetwijfeld bevoegd waren om, behoudens de regten der vennooten , onderling overeen te komen om den app. te ontheffen van zijne werkzaamheden als besturend vennoot, tegen afstand zijnerzijds van zijn aandeel in de winst; maar dat uit de overgelegde brieven blijkt, dat de bedoeling van beide partijen geweest is, dat app. als besturend vennoot zou worden ontslagen, dus ontheven zou worden zoowel van de verpligtingen, uit de aansprakelijkheid voortvloeiende, als van zijne overige verpligtingen; dat toch d3 app. herhaaldelijk er op aandringt «uit de zaak gebragt te worden, zich te doen vervangen, of de zaak onder de overblijvende administrateurs te beridderen," en zulks met medewerking van alle aandeelhouders; terwijl de geïntimeerden, berustende in het gevraagd ontslag, "zich voorbehouden, wat de gevolgen der demissie betreft, deze, in verband met hunne meerdere verantwoordelijkheid, aan de statuten ter toetse te brengen en dien-overeenkomstig te handelen;'/ dat het derhalve niet aangaat Om, nu het ontslag als besturend vennoot is gevolgd, uit de aanvrage daartoe af te leiden.dat app. bedoeld heeft eene overeenkomst aan te gaan, die enkel tusschen hem en zijne mede-bestuurders regtsgevolg zou hebben;

0., op voorschreven gronden, dat de app., alsnog zijnde besturend vennoot in meerbedoelde commanditaire vennootschap, regt heeft op een vierde van de aan de aan do besturende vennooten uitgekeerde winsten ; dat het bedrag dier uitkeering, zoo als het door app. wordt opgegeven, niet is tegengesproken, en dat de vordering derhalve kan worden toegewezen;

Regt doende enz.,

Vernietigt het vonnis, waarvan appel;

En, op nieuw regt doende,

Verleent acte, waarvan acte is gevraagd ;

Verklaart den app. ontvankelijk in zijne vordering;

Voorbijgaande het aangeboden getuigenbewijs ,

Veroordeelt de beide eerste geïntimeerden, gedaagden in eerste instantie, en de overige geïntimeerden, ais getreden in de regten en verpligtingen van den mede-ged. in eersten aanleg L. C. de Geep, om ieder voor zijn geregt aandeel aan den app. te betalen f 7679.04, zijnde het aandeel, hem toekomende in de winst, door de commanditaire vennootschap de Ram en Comp. behaald over de jaren 1865 tot en met 186 9 , benevens de interessen dier som naar 5 pet. sedert den 12 Julij 1871 tot aan de voldoening;

Veroordeelt de geïntimeerden in de kosten van het proces.

(Gepleit voor den appellant Mr. H. C. Verniers van der Loeff, advokaat te 's Gravenhage, voor de twee eerste geïntimeerden Mr. J. C. Reepmaker, advokaat te Rotterdam, en voor den derden geïntimeerde Mr. M. P. Schlesinger, advokaat te 's Bosch.)

AllllON ÜISS li.VÏKNTS- REüTBAM K E X.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede hamer.

Zitting van den 16 October 1873.

Voorzittjr, Mr. A. E. Penning.

Art. 1396 B. W.

In casu is niet gebl: van kwade trouw bij de ontvangst der abusief toegezonden koopwaren, en dus art. 1398 Li. W. niet van toepassing.

F. Schuller en Bondi, eischers, procureur G. van der Hans, tegen

J. Gronert, gedaagde, procureur J. G. Kuhn.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de vordering strekt tot teruggave van 100 zakken meel (20,000 kilo, n°. 8) met schadevergoeding, en, bij gebreke van teruggave tot betaling der waarde van f 1450, met de renten sedert 17 April 1872, dagteekening van het hierna te vermelden wissel-protest, welke zakken meel volgens de eischers den 8 Febr. 1871 abusief den ged. uit Heenen zijn toegezonden, en hij, zonder regt er op, tot zich genomen en de waarde-vergoeding er van geweigerd heeft;

dat de ged. de ontvangst dier zakken meel van de eischers ontkent , doch erkent omstreeks den tijd, door hen bedoeld, eene dergelijke hoeveelheid,meel te hebben ontvangen, die hij uit het teeken op de zakken begreep dat hem was toegezonden door de naamlooze vennootschap *de Arpad Mühle*, wier agent hij was;

dat bij voorts beweert, dat, al ware dat meel van de eischers | afkomstig, schadevergoeding voor on regt matige terughouding of renten over de gefactureerde waarde niet zou te pas komen , daar de teruggave nimmer is, gevraagd, veelmin eene in mora-stelling deswege heeft plaats gehad ;

dat hem wel in April 1872 een wissel ad ƒ 1450, getrokken dooide eischers, is aangeboden, welker acceptatie hij heeft geweigerd, omdat hij haar niets schuldig was, zoo als hij dadelijk den eischers heeft geschreven; maar dat hij, sedert die wissel van non-acceptatie is geprotesteerd, tot de dagvaarding in dit geding niets van de zaak gehoord heeft;

dat de eiseher daarop heeft gerepliceerd, dat de ontkentenis des ged. is in strijd met diens eigen wetenschap, omdat de vrachtbrief, waarmede het meel is vervoerd, de onderteekening draagt van de eischers

en wijders, onder aanbod zoo noodig van nader bewijs, waarvan zij acte vragen, zich tot staving van het door hen gestelde feit, beroepen op den inhoud van het aannemingsbewijs der Nordbahn-spoorwegonderneming en van het bewijs van ontvangst van den ged. ;

dat omtrent de in ?/2ora-stelling, volgens haar onnoodig, de eiseher wijst op den wissel ad f 1450, die den ged. behoorlyk zou zijn geadviseerd, met kennisgeving; van de reden der beschikking, en, omtrent de bewering, dat sedert niet meer door den ged. van de zaak zon zijn gehoord, op eene aan de dagvaarding voorafgegane aanmaning hunnerzijds tot minnelijke afdoening;

dat zij eindelijk, herhalende, dat de ged. uit den onderteekenden vrachtbrief heeft moeten bespeuren, dat de zending geschied was door de eischers, beweren, dat dwaling van den ged., zoo al aanvankelijk mogelijk en verschoonlijk, ophield dit te zijn, zoodra de zaak ter zijner kennisse. was gebragt;

dat de ged. bij dupliek tegen een en ander in hoofdzaak heeft aangevoerd, dat de vrachtbrief, dien hij ontving, de onderteekening der eischeres niet droeg;

dat het aannemingsbewijs van den Nordbahn thans voor het eerst door hem gezien wordt en overigens, volhoudende, dat er geene in mor a-stelling plaats ha i, en de eischeres sedert het protest van den wissel niets meer van zich deed hooren, — heeft verklaard zich zelfs nu noch verpligt noch geregtigd te achten de partij meel aan de eischers af te geven, uit vreeze van, na aan de eischers die afgifte te hebben gedaan , terzelfder zake nogmaals door de "Arpad Mühle* te worden aangesproken;

dat omtrent het nader aangeboden bewijs de ged. zich heeft gerefereerd aan 's regters oordeel, hoezeer, volgens hem, al ware het bewijs geleverd van het door de eischeres gestelde feit, de tegenwoordige actie niet zou zijn geregtvaardigd ;

dat bij pleidooijen de eischeres heeft te kennen gegeven abusief beweerd te hebben, dat de vrachtbrief door haar zou zijn ondert ekend geweest, en voorts aan den ged. heefc getoond een schrijven aan de vennootschap '/Arpad Mühle« dd. 21 Aug. 11., bevattende de verklaring, dat door haar op 8 Febr. 1871 geene partij meel van 100 zakken den ged. toegezonden is; waarop de ged. heelt verklaard, dat hij na die meededeeling de partij ter dispositie der eischeres stelt, doch tot schadevergoeding en betaling van proceskosten niet gehouden is; O. ten aanzien van het regt:

dat de ged. bij pleidooi heefr toegegeven, dat de eischeres, ofschoon eerst sedert kort, bewezen beeft geregtigd te zijn tot de opvordering der bedoelde partij van 100 zakken meel;

dat dus de vordering der eischeres, voor zooveel zij strekt tot teruggave van het meel, of bij gebreke daarvan van de onbetwiste waarde, haar volgen kan ;

dat hare verdere vordering tot schadevergoeding, en casu quo tot betaling van renten van het waarde-bedrag, berust op de stelling, dat er kwade trouw aan de zijde des ged. zou hebben bestaan;

dat echter bewijs van ontvangst ter kwader trouw der abusief toegezonden zakken meel niet geleverd is;

dat toch het beweren, dat de vrachtbrief zou zijn onderteekend door de eischeres, waardoor de afzending aan den ged. bij de ontvangst zou zijn bekend gemaakt, is tegengesproken en door haar zelve bij de pleidooijen als onjuist ingetrokken, terwijl de merken "Arpad Mühle» op de zakken, overeenstemmende met de erkende vermelding van die merken in den vrachtbrief, den ged. zeer goed in den waan hebben kunnen brengen, dat het meel door de "Arpad Mühle", met wien hij in relatie stond, hem werd toegezonden;

dat, wat ook later door den ged. uit de handelingen der eischeres kan zijn op te maken geweest, of wat hij welligt hai kunnen doen, om zich te vergewissen ouitrent de herkomst van het meel in geschil, in regten niets afdoet , maar dit vaststaat, dat de bewijzen voor de abusieve terugzending van het meel door de eischeres eerst zijn te berde gebragt in dit geding, en de ged. zonder die bewijzen tot teruggave niet was verpligt;

dat alzoo, wat boven de teruggave van het meel, of casu quo van de waarde, gevorderd is, reeds om de voormelde reden niet kan worden toegewezen ; en de vraag dus kan in het midden blijven, of, wanneer de ged. ter kwader trouw het meel ontvangen had, eene in wiora-stelling de actie tot schadevergoeding en renten van af den dag van het wissel-protest had behooren vooraf te gaan en, zoo ja, of die in wora-stelling in casu zou kunnen geacht worden in dat wisselprotest gelegen te zijn ;

dat eindelijk uit het vorenstaande volgt, dat de eischeres, aan wier schuld het is te wijten, dat de verpligting des ged. tot teruggave van het meel eerst nu door de in dit geding geleverde bewijzen is ontstaan, in de proceskosten moet verwezen worden ;

Gezien de art. 1396 volg., 1398 B. W., 315, 586, n°. 1, en 56 B. R.; Regt doende enz.,

Verleent acte aan de eischers van hun aanbod tot nader bewijs, en dit passerende,

Veroordeelt den ged. om aan de eischeres, tegen behoorlijke kwijting, terug te geven de hiervoren omschreven 100 zakken meel,'20,000 pond, no. s, en bij gebreke daarvan om, tegen behoorlijke kwijting, den eiseher te betalen de som van f 1450 , uitmakende de waarde van dat meel;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang en bij voorraad, mits stellende zekerheid;

Ontzegt aan de eischers hunne vordering voor het overige, en Veroordeelt hen in de kosten van het regtsgeding.

(Gepleit voor de eischers Mr. Th. Schiff, en voor den gedaagde Mr. J. A. Hovy.)

MENGELWERK.

Kan de leer: "dat bij eene wederkeerige overeenkomst een der contractanten de nakoming van des anderen verpligting niet kan vorderen, dan wanneer hij aan de zijne voldaan heeft of aanbiedt daaraan alsnog te voldoen* , eene algemeen aangenomene leer genoemd worden?

In het Weekbl. van het Regt van 28 October 1873, n°. 3C42, worden door Mr. J. Rombach twee vonnissen, het een van 't Ivantonge regt te 's Gravenhage, het ander van den regter van het eerste kanton te Rotterdam, aan eene critiek onderworpen.

Betrekkelijk het eerstbedoelde vonnis zegt de criticus: "ik vond de beslissing vreemd en kon mij er slecht mee vereenigen*, terwijl hij, tot staving van zijn gevoelen, begint met te verklaren, dat: »al bepaalt toch de wet liet niet met zoovele woorden, zoo is het to^h algemeen aangenomen cn geheel in overeenstemming met de natuur dier overeenkomsten, dat bij eene wederkeerige overeenkomst een der eon-

i tractanten de nakoming van ues anueren verpaentmg niet kan vorderen I dan wanneer hij aan de zijne voldaan heeft of aanbidt daaraan alsnog ! te voldoen."

| IS dat werkelijk waar ? is do zoo belangrijke regtsquaestie, waartoe I beslist ? aanleiding geven , algemeen m d,cn zin

1

.i- ° " «j ^e'w,jfelen, en noodi» Mr. Rombach uit de , ^ en va" Mts. Diephuis en de Pinto eens in te zien op

de genoemde artikels; eens te lezen Mr. Fedin , om van onderen ts

Sluiten