Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O., dat derhalve het in de tweede plaats den bekl. en app. ten laste gelegde feit niet is bewezen;

O., dat dien ten gevolge het vonnis a quo moet worden vernietigd; O., dat alzoo ook het vonnis a quo, wat betreft de den bekl. en app. opgelegde straf, moet worden verbeterd;

Gezien art. 247 Strafvord.;

Regt doende in het hoogste ressort,

Vernietigt het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Sneek den 11 Julij 1873 gewezen, voor zooverre betreft het bewezen zijn van het den bekl. en app. snb n°. 2 bij primitieve dagvaarding ten laste gelegd feit, zijne schuld daaraan en de opgelegdo straf;

Verklaart dat feit niet bewezen en spreekt bekl. en app. daarvan vrij ; de kosten te dragen door den Staat;

Bevestigt dat vonnis, voor zoover betreft het bewezen verklaren van het eerste den bekl. en app. ten laste gelegde feit, de schuld van dezen daaraan en de qualificatie, daaraan gegeven;

En hetzelve naar aanleiding van bovengegeven beslissing ten aanzien der opgelegde straf verbeterende en toepassende de in het vonnis a quo opgenomen artikelen enz.;

Veroordeelt den bekl. en app. tot eene geldboete van J 25, bij niet-betaling binnen twee maanden na daartoe strekkende aanmaning, te vervangen door eene gevangenis-straf van vier dagen en in de proceskosten, ook in hooger beroep gevallen, des noods invorderbaar bg lijfsdwang.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GRONINGJBN.

Hamei van Strafzaken.

Zitting van den 30 October 1873.

Voorzitter, Mr. B. Wichbbs.

Publicatie van het Staatsbewind dee Bataafsche Republiek vak 10 Jan. 1805. — Quarantaine. — Ministeriële aanschrijving. — Besmette plaatsen. — Ontslag van

regtsvekvclging.

Is de publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek van 10 Jan. 1805 betrekkelijk de quarantaine nog bij ons geldig 1 — Ja.

Moeten, in art. 2 der publicatie, onder de woorden besmette plaatsen worden verstaan die plaatsen , waar eene besmettelijke ziekte is, en niet alle die plaatsen, die, zonder zelve besmet te zijn, deel uitmaken van een Rijk, waarin elders eene besmettelijke ziekte heerscht ? — Ja.

Het Hof enz.,

Overwegende, wat betreft de daadzaken, die den besch. zijn ten laste gelegd:

dat door de bekentenis van den besch., in verband met de onder eede afgelegde regtstreeksche verklaringen van de twee eerst gehoorde getuigen J. N. en K. R., wettig en overtuigeud is bewezen, dat de besch., na als gezagvoerder van de Nederlandsche brik Geziena na 1 Julij 1871 met het schip te zijn uitgezeild uit Kongshamm, district Lovisa, in de Finsche golf, op den 12 Sept. daaraanvolgende te zijn binnengevallen ter reede van Delfzijl, ongeveer een half uur nadat hij was binnengeloopen , zonder te zijn gevisiteerd, zich van boord naar den wal heeft begeven en de vesting Delfzijl is binnengegaan; en dat door de onder eede afgelegde regtstreeksche verklaringen van de twee voornoemde getuigen wettig en overtuigend is bewezen, dat de besch. dat heeft gedaan, niettegenstaande hem door den Nederlandschen loodi, die bij de buitenton aan boord was gekomen, te kennen was gegeven, dat ten opzigte van schepen, komende uit eene Russische oostzee-haven, quarantaine-maatregelen waren voorgeschreven; terwijl dit, blijkens ter teregtzitting voongelezene aankondiging in de Staatscourant, geschiedde bij in die courant vervatte mededeeling van den minister van Marine;

Verklaart de daadzaken, den besch. ten laste gelegd, wettig en overtuigend bewezen;

0., dat aan zijde van het Openb, Min. is beweerd, dat die daadzaken vallen onder het bereik van art. 3 der publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek dd. 10 Jan. 1805 ;

O., dat in de eerste plaats dient te worden onderzocht, of die publicatie thans nog geldig is;

O., dat die publicatie, door de destijds daartoe bevoegde magt en in den toen vereischten vorm uitgevaardigd, — zij het ook op grond en ten gevolge van omstandigheden van tijdelijken en voorbijgaanden aard, echter van blijvende kracht was, daar noch in den aanhef, noch in den inhoud een enkel woord voorkomt, waaruit valt op te maken, dat men haren duur tot een bepaald tijdstip heeft willen beperken;

O., dat zij derhalve bleef bestaan, totdat zij door latere bepalingen stilzwijgend of uitdrukkelijk werd afgeschaft;

O., dat zoodanige bepalingen nergens te vinden zijn, maar integendeel die publicatie uitdrukkelijk is gehandhaafd, eerst bij art. 4, j°. art. 7, n". 44, van het Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland van Lodewijk Napoleon van het jaar 1809 en later bij art. 484 van het thans nog geldende Wetboek van Strafregt, door de invoering van dat wetboek hier te lande, ook toepasselijk op wetten en verordeningen van Hollandschen oorsprong;

O., dat vorenbedoelde publicatie daarom thans nog van kracht is; O. omtrent de vraag, of art. 3 dier publicatie op dezen besch. kan worden toegepast:

dat, blijkens de eerste woorden van dat artikel, in verband met den inhoud van het voorgaande art. 2, daarbij maatregelen zijn voorgeschreven, in acht te nemen voor zoodanige schepen alleen, die van besmettelijke plaatsen komen;

dat, volgens het gewone spraakgebruik, daaronder moeten worden verstaan die plaatsen, waar eene besmettelijke ziekte is, en niet alle plaatsen, die, zonder zelve besmet te zijn, deel uitmaken van een Rijk, waarin elders eene besmettelijke ziekte heerscht;

dat o. a. uit art. 5 der bedoelde publicatie blijkt, dat ook bier die gewone taalkundige beteekenis der woorden «besmettelijke plaats» op het oog heeft gehad;

0., dat in de voorgelezene aankondiging van den minister van Marine wel wordt gezegd : »dat, wegens het toenemen der cholera te St.-Petersburg, quarantaine-maatregelen noodzakelijk zijn geacht voor schepen, die na 1 Julij 1871 eene der noordelijke plaatsen van Rusland verlaten hebben»», maar daarin niet wordt gezegd en daaruit ook niet volgt, dat die plaatsen destijdswaren besmettelijke plaatsen;

dat ook overigens uit niets in dit proces is gebleken, dat ée'ne dier plaatsen «Kongshamm», van waar de besch. met zijn schip kwam, eene besmette plaats was;

dat, welke waarde men ook hechte aan meerbedoelde ministeriële aankondiging, daardoor nimmer de bepaling eener strafwet kon worden uitgebreid, in dier voege, dat dien ten gevolge een feit, krachtens die bepaling, strafbaar zou worden, waarop anders de duidelijke bewoordingen dier wet niet van toepassing zouden zijn ;

O., dat daarenboven eveneens uit het begin van meergemeld art. 3, in verband met art. 2, volgt, dat de in art. 3 aan de schippers enz. joorgeschrev§n maatregelen moeten worden in acht genomen in do

| zeegaten en havens, in art. 2 met name genoemd, en daaronder de

haven van Delfzijl met voorjsomt;

dat het nu evenzeer eene ongeoorloofde uitbreiding der strafwet zou zijn, dat art. 8 toepasselijk te verklaren op het onderwerpelijke feit, voorgevallen in de haven van Delfzijl;

0., dat uit het bovenstaande volgt, dat het feit, den beseh. te last gelegd, niet valt onder het bereik van art. 3 der genoemde publicatie; dat het ook niet strafbaar is gesteld bij eenig ander artikel dier publicatie of van eenige andere strafwet; uat feit derhalve oplevert noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding, en de besch. te dier zake behoort te worden ontslagen van alle regtsvervolging;

Verklaart, dat de wettig en overtuigend bewezene daadzaken , den besch. te last gelegd, opleveren noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding;

Gezien art. 210 Strafvord.;

Ontslaat den besch. te dier zake van alle regtsvervolging; de kosten der procedure te dragen door den Staat.

(Gepleit Prof. Mr. G. Diephuis.)

MENGELWERK.

Aan de Redactie van het Weekblad van het Regt.

Mijnheer de Redacteur 1 In uw nummer van 20 November wordt mij door Mr. J. R. tan Iddekinge verweten, dat ik bij de critiek van twee vonnissen in n°. 3642 van uw Weekblad aan mijne beschouwingen eene leer ten grondslag zou hebben gelegd, die ik stoutweg, in strijd met de waarheid en dat nog al in een blad, aan het recht gewijd, eene algemeen aangenomene durfde noemen. Ik haast mij te erkennen, dat ik mij grof vergiste, toen ik schreef, dat de door mij voorgestane leer (van den ouderlingen zamenhang der uit eene wederkeerige overeenkomst voortspruitende wederzijdsche verbindtenissen) niet alleen in overeenstemming met de natuur dier overeenkomst, maar ook eene algemeen aangenomene was. Ik acht het echter mogelijk, dat voor de overeenkomst, die het hier gold^wasschen tegen betaling van een zeker loon), Mr. Prdin op mijne hand zou zijn : als voor een bijzonder geval, waarin de aard der overeenkomst tot den onderlingen zamenhang der wederzijdsche verbindtenissen aanleiding geelt (zie Themis, 2de verz., deel 4, blz. 370).

Maar de heer van Iddekinge vergist zich op zijne beurt, als hij schrijft (en daarop komt het natuurlijk juist aan), dat ik de bewuste leer als eene algemeen aangenomene aan mijne beschouwingen ten grondslag zou hebben gelegd. Immers de beide besproken vonnissen bestreden die leer niet. De Haagsche kantonrechter overwoog, dat in confesso was, dat de eischer aan zijne verplichting voldaan had, en wees o. a. op dien grond de vordering toe. Het Rotterdamsche vonnis ontsloeg den eischer slechts van het bewijs dier daadzaak om met het bewijs van het tegendeel den gedaagde te belasten; en het waren o. a. de gronden dier beslissing, waaromtrent ik mij eene enkele opmerking veroorloofde.

Lichtvaardige critiek, vooral van rechterlijke uitspraken, is zeker afkeurenswaardig; maar bij het ongegronde der door Mr. van Iddekinge gemaakte aanmerking, is hij in gebreke gebleven aan te toonen, dat mijne (op zich zelve natuurlijk geoorloofde) critiek lichtvaardig was.

Zeer zoudt gij , Mijnheer de Redacteur, met de opneming van het bovenstaande verplichten

Uw. Dw. Dien.

Rotterdam, 25 Nov. 187S. J. Kombach.

HOOGKE RAAD. — Hamer van Stral'z»«en.

Zitting van Maandag, 1 December.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Papk.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1». N. van Pelt, A. van Pelt en J. Herweijer, tegen een arrest van het Hof in Zuidholland. Niet-ontvankelijk verklaard, voor zooveel de vrijspraak betreft, en overigens verworpen.

2o. W. J. van Dijck, tegen een arrest van het Hof in Zuidholland.

Verworpen.

30. J. Middendorp, tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Verworpen.

4». L. de Vries, tegen een arrest van het Hof in Groningen. Verworpen.

5». den proc.-gen. bij het Hof in Groningen, tegen een arrest m zake H. Bruins , mede-requirant. Verworpen.

6». J. J. Th. Klumpers en Th. Klumpers, tegen een arrest van het Hof in Zuidholland. Verworpen. ,

7». J. J. van der Maat, tegen een arrest van het Hot in .Noord-

holland. Verworpen.

II. Behandeld het beroep van: , T, r ■ r,

1» P. R. Toebaerts, tegen een arrest van het Hol m Zeeland.

' Rapp.', 1-aadsh. Gertsen. Adv.-gen. Röiner concludeert tot verwerping. Uitspraak 22 December.

2°. W. Knol, tegen een arrest van het Hof in Gelderland. Rapp., raadsh. Coninek Liefsting. Adv.-gen. Römer concludeert tot verwerping. Uitspraak 22 December.

3". H. Wolters, tegen een vonnis van het Kantongeregt te Winschoten. Rapp., raadsb. Kalff, Adv.-gen. Römer concludeert tot verwerping. Uitspraak 22 December.

Zitting van Ding&dag, 2 December.

Behandeld bet beroep van :

lo. D. J. B. Rufóers, G. van Zadelboff en C. G. van Asvelt, tegen een arrest van het Hof in Gelderland. Rapp., raadsh. Jolles. Gepleit Mr. P. W. A. Cort van der Linden. Conclusie bepaald op 9 December.

2o. 50. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt

te Breda, tegen vonnissen in zake A. Michielsen, C. Klinkenberg , A. Smulders en Ph. van der Plas. Rapp., raadsh. Schuurman. Adv.-gen. Polis concludeert tot vernietiging der vonnissen en veroordeeling der gerequireerden in eene geldboete van f 3. Uitspraak 22 December.

NB. Woensdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ. j

Bij Z. M. besluit van den 28 Nov. jl., n°. 23, is, met ingang van ! 1 Dec., benoemd tot plaatsvervangend kantonregter te Grave, P. H. i Thijsse'n, burgemeester der gemeente Beers.

f BERIGTEN.

's Graven/lage, den 3 December.

Den 30 Nov. jl. is overleden de heer Mr. S. Reynders, notarij te Appingedam.

— Het Prov. Geregtshof in Limburg, in raadkamer oordeelende over de aanklagt, door den proc.-gen. tegen den zich noemenden Roger de Compagnolles ingediend, heeft beslist, dat het hem ten laste gelegde teit, het verzenden van aangeteekende pakketten , met aangegeven, maar niet aanwezige geldswaarde, noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding daarstelde. Het Hof heeft mitsdien de onmiddellijke in-vrijheid-stelling van den beklaagde bevolen.

— Bij arrest van den Hoogen Raad van 17 Maart 11. werd niet strafbaar geoordeeld het feit van in eene herberg voorhanden hebben van eene maat, niet voorzien van de vastgestelde ijkletter, na den termijn, ingevolge art. 15 der wet van 7 April 1869 (Stbi n°. 57), bij Kon. besluit voor den herijk vastgesteld. Die beslissing grondde zich hierop, dat bedoeld Koninklijk besluit alleen was opgenomen in het Algemeen Politieblad en niet in het Staatsblad. De minister van Justitie heeft het thans niet raadzaam geacht aan de processen-verbaal, dit jaar opgemaakt ter zake van verzuim om de maten en gewigten te doen herijken binnen den daartoe vastgestelden termijn , verder gevolg te geven. Voorden herijk van 1874 is het Koninklijk besluit reeds in het Staatsblad n°. 141 opgenomen.

ADVERTENTIEN.

De GEBROEDERS VAN CLEEE hebben aan de abonnés verzonden:

ALPHABETISCÏÏ REGISTER

op de jaren 1863—1872 van de

NEDERLANDSCHE REGTSPRAAK,

of

VERZAMELING VAN ARRESTEN EN GEWIJSDEN VAN DEN HOOGEN RAAD DER NEDERLANDEN EN VERDERE REGTSCOLLEGIEN,

door

Jltr. mr. Hf. Dit UIJÜKL.4AK ,

Griffier bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Prijs f 4.70.

Van de Alphabetische Registers 1839/45, 1846/52, 1853/62, zijn nog enkele exemplaren te bekomen. Deze Registers zijn ook aan te bevelen aan lien, die de Ttegtspraak niet bezitten en nu en dan willen of moeten weten ed datums der arresten.

f PRAKTISCH HANDBOEK "

der

Geregtelijke Geneeskunde,

NAAR EIGEN ERVARINGEN ZAMENGESTELD

door

Prof. JTOU. LIJDW. CASPER.

IN HET NE DERDU1TSCH UITGEGEVEN

EN IN VERBAND GEBRAGT MET DE NEDERLANDSCHE WETGEVING

door

Dr. L. ALI COHEN.

2 Dn. verminderde prijs f 10.80.

Uitgave van Gebroeders HOITSEMA, te Groningen.

nitl liWMi"• f"-1, i"

Asser: BURGERLIJK WETBOEK.

Het 3e gedeelte is thans door de uitgevers dezes aan de inteekenaren verzonden. Het bevat boek III.

Tegen het einde van het jaar verschijnt het 4e laatste gedeelte iboek IV), waarmede de Regtspraak van het Burgerlijk Wetboek geheel is bijgewerkt.

Elk der afleveringen van LÊON S REGTSPR^A is afzonderlijk verkrijgbaar, ra wel tegen de volgen prijzen :

van Emden, Staatsregt, met 3 vervolgen, f 26.—

„ « Regterlijke Organisatie. . • "

Asser, Burgerlijk Wetboek, le—3e boek. . -

Levy, Koophandel, met 2 vervolgen. • • - 1^-

Léon , Strafvordering - 10.

Snelpersdruk en ITitgave van

BKMXIU1WTK * *e '• «raven*»»#»»

Sluiten