Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T

I' Maandag, 8 December 1875. 505$

WEEKBLAD VAN HET REGT.

| REGTSKÜNDIG NIEUWS- EN ADVEftTENTIE-BLAD.

VIJF-EN-DERTIGSTE JAARGANG. -

, m ° VEiilTAS-

Z1to ZZ, ** »"» *•«*» m f a0; M

J

«AAK AASLËIDIIfi VA* JUK BËGKOOTIMSUS-SHSCUSSIjE.

De omnibus aliquid , de toto nihil.

•De begrooting is weder even als het vorig jaar zeer vlug van stapel geioopen. In anderhalven dag was alles gedaan; en het einde was : aanneming der begrooting met atgemeene stemmen.

Het getal redevoeringen was, als wij goed geteld hebben, die van den minister daaronder niet begrepen, twee-en-dertig, dus één meer dan in 1872.

Over de begrooting werd natuurlijk weinig of niet gesproken. Nogtans hebben wij één practisch resultaat te constateren, en een zeer gelukkig resultaat, de verhocging namelijk van den post voor tegemoetkoming aan de ambtenaren van het openbaar ministerie (burgemeesters en anderen) bij de kantongeregten met / 6000. Men heeft eindelijk ingezien, dat men die diensten toch op den duur niet voor niets of voor zoo goed als niets kan vergen; en dat men die misschien niet altijd maar kan laten wachten op eene herziening, hetzij van de R. O., of van de gemeentewet, die nooit komt.

Voor het overige waren de onderwerpen, die besproken werden, talrijk genoeg. More majorum stond op den voorgrond, dat spreekt van zelf, die eeuwige regterlijke inrigting, die steen der wijzen van onze staatslieden en juristen. — Voorts:

Notariaat;

Registratie;

Accijns op de zeep;

De wet van 30 December 1809; — kerk-fabrieken in Limburg en Staats-Vlaanderen;

Bedelarij;

Tucht op de koopvaardijschepen ;

Militaire regtsplegiug; 1 Dronkenschap;

Gevangenissen; — cellulaire stelsels; — onderwijs ;

Regtspraak van den hoogen raad in strafzaken;

Causes célèbres uit den Haag en het spiritisme;

Enz. Enz.

Dat de meeste dezer onderwerpen met eene zekere dag■ en weekllttdachtige luchthartigheid slechts even geëflleureerd worden, behoeft naauwelijks gezegd te worden. Er waren echter enkelen, en wij zeggen het gaarne enkelen van de meest belangrijke zaken, waarover meer grondig//van gedachten werd gewisseld//. — Op een paar daarvan komen wij later nog even terug.

Nu onze opmerkingen naar aanleiding van de discussie. Die kunnen kort zijn.

Wij beginnen met het begin. De regterlijke inrigtiag. Daarover een paar woorden slechts. Liefst zeiden wij er niets over. Maar ie over het departement van justitie spreekt, kan niet geheel zwijgen over de organisatie, hoe weinig aangenaam de zaak ook zijn moge, en hoe weinig vruchten er vooreerst ook van te wachten zijn.

Nieuwe wet? of partiële wijziging F Dat was de hoofdvraag.

Voor eene negende proef deden zich slechts twee stemmen hooren, die van de heeren Gratama en van Eck. Zij werden krachti" bestreden door den heer Godefeoi , die hun raad zelfs roekeloos noemde, en die ronduit zeide, dat noch van dezen, noch van «enig minister zulk een wanhopig waagstuk meer mogt verlangd gorden. De minister volhardde bij zijn schriftelijk antwoord, dat e zaak, hoe wenschelijk ook, onmogelijk bleek te zijn; en dat

geschieden1 IJ611 m°est vra8en wat behoort, maar ook wat kan

perbieriirw-m U ,waar^jk • hoezeer wij ook de meening van anderen

hoe„t, niet „

hebben hooren spreken T, ^ Verbazlng een en andermaal kan van zulke illusiën.' ^ mislukte Proeve". nog leven

Neen! als gj uw pro verloren ^ ^ g.. u met de gedachte, dat gij toch gelijk hebt. En dat is zeer mogelijk. Maar, spartel en prutte er tegen zooveel gij wilt. De zaak verandert er met door, en helpen kan het u niet. Het verstandigste is dus maar er in te berusten.

Maar de grondwet?

Gelukkig, dat niemand bijna meer hecht aan die onmogelijke eischen, die men in de grondwet lezen wil, maar die er niet in te gilden zijn; iedereen begrijpt, dat de grondwet de invoering eener Meuwe organisatie verlangen of willen kan; maar dat het daarmede

nog niet mogelijk wordt baar tot stand te brengen. De heer van Eck heelt ons nu wel gezegd, dat //de grondwet gebiedt, dat er een voortdurend streven zal zijn naar eene nieuwe regterlijke inrigting.n Maar wat beteekent dat ? En waarin moet dat voortdurend . streven bestaan? Üet zal misschien daaraan liggen, dat wij niet , genoeg op de hoogte zijn van den wetgevenden arbeid//; maar wij begrijpen het niet. Men zal toch niet verlangen, dat men na iedere : verwerping maar voortdurend en onophoudelijk altijd en altijd i voortga met nieuwe voordragten, die men vooraf weet, dat even geregeid oen weg zullen gaan harer voorgangsters. Wij gelooven

dan ook, dat die opvatting der grond wet de juiste niet kan zijn; ons

komt het voor, dat de grondwet öf meer öf minder eischt dan dat voortdurend streven; en dat zij wil öf aanbieding van een ontwerp door de regering, öf de aanneming en invoering eener nieuwe organisatie. In net eerste gevai, het juiste, naar onze meening, is aan de grondwet voldaan; in het tweede vordert de grondwet iets wat onmogelijk is en wat onmogelijk blijft, al is liaar bevel nog zoo onverbiddelijk en al is ons streven nog zoo voortdurend Maar de heer van Ecjc heeft nog iets gezegd, dat ons bevreemd heelt. beproef het nog maar eens met een ontwerp, .-/zoo ais het

uit de smeltkroes van het gemeen overleg is voortgekomen//;

ais het er bij zijne geboorte zoo had uitgezien, het had zeker gunstiger onthaal gevonden. — Wij zijn van eene geheel andere gedachte; wij meenen, aat men juist in //die smeltkroes// het onedel metaal heeft geworpen, dat het werk heeft bedorven en onbruikbaar gemaakt; en wij houden vol, dat het ontwerp dooide amendementen van //het gemeen overleg// is vermoord. Maar

neem aan, dat wij hierin dwalen, en laat het zijn zoo het wil : wat is verworpen? —Immers niet het ontwerp in zijne oorspronkelijke gedaante; maar juist dat stuk, dat is te voorschijn gekomen //uit de smeltkroes van liet gemeen overleg.// En hoe kan men zich dan nu verbeelden, dat de kamer bereid zal worden gevonden om van daag juist dat aan te nemen, wat zij gisteren heeft verworpen?

Vóórdat wij van de organisatie afstappen nog een woord over de tractements-verhoogmg. Bedriegen wij ons niet, dan schijnt de tweede kamer daarvoor niet ongunstig gestemd, en dan heeft een voorstel daartoe wel kans op een welwillend onthaal. Wij zouden daarom de regering zeer aanraden het goede oogenblik niet te laten voorbijgaan: de battre le J'er pendant qu'il est rouge.

W el heeft de heer Gkatama gevraagd: hoe zullen wij de tractementen verbeteren, zoolang wij niet weten, welke organisatie zal ingevoerd worden, en welke werkzaamheden aan de regterlijke ambtenaren zullen worden opgedragen? — Wij gelooven, dat de exceptie voonamelijk dienen moest om het geliefkoosd denkbeeld van den geachten spreker, eene nieuwe proef, smakelijk te maken; en wij vleijen ons dan ook, dat zelfs door hem aan die exceptie op zich zelve niet zooveel zal worden gehecht, als hij zal inzien, dat verlangd wordt tractements-verhooging niet voor hen, die er eenmaal zijn zullen, maar voor hen, die er zijn. — Komen er in eene volgende eeuw voor een volgend geslacht nieuwe organisatiën en een ander ambtenaren-personeel, dan zal er ook eene nieuwe tractements-regeling moeten volgen. Maar dat is geene reden, om hen, die er nu zijn, honger te laten lijden.

Nu nog iets over drie anderen der behandelde onderwerpen. Vooreerst het notariaat. Niet echter de vrijverklaring, waarover ditmaal niet gesproken is. Maar de heer Gratama heeft iets anders gezegd, waarin wij beter met hem kunnen //medegaan».

Het getal notarissen zoude namelijk, in verband met de bevolking, na de laatste volkstelling, 66 minder zijn dan het wettelijk toegelaten maximum • terwijl misschien 200 of 300 kandidaten naar eene standplaats wachten.

Als nu deze cijfers, wat wel het geval zal zijn, juist zijn, dan zouden wij eene aanvulling, al ware het dan ook maar voor een gedeelte, met den heer Gkatama, hoewel niet verpligtend, toch wel wenschelijk achten.

Bedelarij. — Moet de eenvoudige, zoogenaamde niet-gequalili- .

eeerde bedelarij zonder geweld, list of bedrog, een strafbaar misdrijf ' blijven ? — Door meer dan één spreker werd die vraag ontken-

nend beantwoord; en wij gelooven, dat zij gelijk hebben. Zeker t

de luiheid moet niet worden aangemoedigd; maar de luiheid is eene 1

ondeugd en geen misdrijf. Wil men haar dat door een wettelijk £

verbod maken, en wil men dus de bedelarij als zoodanig ver- h

bieden en straffen, dan moet vooraf vaststaan, dat ieder, die het b

!ck wil, werk kan krijgen. Dat nu is in ons land het gevai niet, en :en zal het waarschijnlijk ook wel nooit worden.

ig- En als men nu niet mag stelen, en als men geen werk kan •nd vinden, wat moet men dan doen om te ieven ? Wat blijft er iet dan anders over dan de hulp en bijstand van anderen te vragen p wij

ijd Eindelijk wordt van meer dan ééne zijde verlangd, dat de en hooge raad, regt doende in cassatie, bij vernietiging van een en voüms vau vrijspraak of liever van ontslag, geene uitbraak zal ^ doen ten principale, omdat de regter in cassatie, die alleen kan [at oordeelen uit de stukken, de gegevens niet heeft, die onontbeeriijk zijn voor eene juiste toepassiug der straf, bepaaldelijk voor ^ eene beoordeeimg van alle verzachtende en verzwarende omstanuigheden. Théoretisdh is dat volkomen waar; en het stelsel van onze wet heeft zeker zijne gebreken. Men moet echter niet vergeten, dat ook net renvooijen-stelsel zijne ernstige practische bezwaren heeft. Wij laten nog in het midden de vraag, wat er , zal ^eten gebeuren, indien de regter, naar wien de zaak verwezen wordt, en die haar dus op nieuw moet onderzoeken, van __ oordeel is, dat, hetzij de schuld van den beklaagde in fado niet er is bewezen> betzij het feit op andere, vroeger niet aangevoerde ^ en niet besliste gronden, met strafbaar is? Wij spreken ook met over de kosten, die er het gevoig yau zijn moeten. Maar liet grootste kwaad komt ons voor daarin gelegen te zijn, dat de preventieve gevangenis er aanmerkeiyk door kan worden verlengd.

Voor het overige achten wij de zaak meer van theoretisch dan . yan Practisch belang. Zeer dikwijls komt zij met voor, en a' m zeer vele gevallen kan dan de hooge raad tuch nog veel 'licht ^ putten, zelfs in criminele zaken, uit de stukken der instructie en ' uit de motieven m Jacto van het vonnis; terwijl in die enkele gevallen, waarin biijken mogt,dat eene te strenge straf is toe^e;n Past> er altlJd nog hulp te vinden is bij het regt van gratie des konings. VV ij erkennen , dat het herstel van zuike fouten niet is ^ net eigenlijk doel der gratie, dat bi) ons echter toch al moet ,n ^ , misbruikt als geneesmiddel tegen zoovele gebreken der wet.

^ Maar het kwaad, dat men vreest, wordt er in ieder geval door voorkomen; en het zal dan nog altijd de vraag zijn, wat men te kiezen heeft tusschen twee kwade dingen: de slechte gevolgen .. van het renvooijen-stelsel, of eene minder juiste toepassing, of, als men dit liever wil, een misbruik meer van het rept van gratie ?

:e

e D- P.

WETGEVING.

e

[ STAATSBEuROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1874. u iVde HOOFDSTUK (Departement van Justitie).

(Vervolg, zie Weekbl. nu. 3655.)

a Bij de beraadslaging over onder-art. 11 , luidende : »Tegemoetko. roing san de ambtenaren van het openbaar miniserie bij üe kantongereden ƒ 400O» , heeit de minister vaa Justitie, in de zittint* van 21 Nov. jl.j het volgende gezegd:

De heer de Vries, Minister van Justitie: De vraag is, welk doel men met het amendement wil bereiken. Wil men zoo spoedi" mogelijk r het stelsel der gemeentewet in werking doen treden en art. 45 der regterlijke organisatie veranderen, dan acht ik een amendement om s thans den post te verhoogen onnoodig. Gesteld, men s:aagi er in in den loop van 1874 eene voordragt tot verhooging van bezoldigin g 3 afschaffing der emolumenten van de kantomegiers en de invoering van ambtenaren van het openbaar ministerie bij de Kantongere"ten tot wet te verheffen, dan ware het meer rationeel daarna eeu voor- stel tot verhooging der begreoting te doen.

Of wil men alleen de burgemeesters, die tot nu toe het openbaar ( ministerie waarnemen, gedurende den nog overigen tijd , dat zij met die betrekking belast zijn, eene hoogere vergoeding geven, dan zou 1 het amendement in aanmerking kunnen komen; maa"dan bevreemdt l mij het cijfer.

In de memorie van antwoord merkte ik op, dat verhooging van den post niet kan leiden tot hetgeen de verzoekers verlangen; z;j wendden zich niet alleen tot den minister van Binnenlandsehe Zaken, ma?.r toonden, dat zij zeer wel liet adres van den minister van Justitie kennen. Als het te doen is om meer belooning, weet meu • ook bij dezen wel klagten te doen hooren.

De verhooging van het artikel kan niet leiden tot Vervulün» van den geuiten wensch daar deze is het verkrijgen van beioidfain!" terwijl deze post .strekt ter tegemoetkoming, tot het ceven v«Tuï' lagen. Dit is echter een gering bezwaar. L& erk'pn a r v ] L geineesters onverschillig zal zijn, onder welke hnr ' • ]

krijgen, als zij het maar krijien , zoodat de vr^TT ^ ff bedeeling der geachte voorstellers is om de h 'b'

besturen, zoolang zij het openbaar van Semee"te-

b j yeuuaar ministerie waarnemen, thans eene

Sluiten