Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O., dat de handeling des eischers, door hem in zijne conclusie van eiseh vermeld en door de ged. bevestigd, te weten: dat hij, toen zijne goederen te Antwerpen niet spoedig naar de bedoelde Spaansehe havens waren ingescheept, met de firma Kobbins en Walford, de agenten te Antwerpen van de stoomboot-onderneming op Spanje, in briefwisseling is getreden , zich in persoon tot hen heeft begeven en daarna zijn gemagiigde tot hen gezonden heeft,— aanleiding geven om aau te nemen, dat de eischer zelf, aanvankelijk althans, de ged. heeft beschouwd niet als expediteur, tegenover hem verbonden, maar ten deze eenvoudig als agent opgetreden; immers dat hij zich in het tegenovergestelde geval alleen aan de ged. als de jegens hem aansprakelijke expediteur zou hebben gehouden;

O., dat de eischer zich daartegen nu wel beroept op de memorandums van de ged. van den 16 April, 13 en 29 Mei en I Junij 1872, zijnde allen voor zegel geviseerd en behoorlijk geregistreerd, van welke de eerste en de laatste aan de keerzijde den stempel dragen » Verwey en Comp., Rotterdam, commissionnairs en expediteurs»; doch dat uit den inhoud dier memorandums niet valt af te leiden, dat de ged. op eenigerlei wijze zou hebben erkend ten deze als expediteur gehandeld te hebben , en de afdruk van den stempel, op de keerzijde van twee dier memorandums gevonden, evenmin als bewijs mag aangenomen worden, dat de ged. zich ten deze als expediteur verbonden heeft;

O., dat de eischer zich voorts nog beroept op den brief van ged. aan hem eischer van den 25 Mei 1872, behoorlijk geregistreerd, en wel bepaald op de daarin voorkomende zinsnede : «Het is niet dan met weerzin, dat wij de pen opvatten om u iets te berigten betrekkelijk nwe expeditie door onze bemiddeling»; even goed kunnende beteekenen onze bemiddeling «als agenten», als onze bemiddeling »als expediteurs»; en, met het oog op de onderteekening van het cognoseement, eerstgemelde beteekenis als de ware behoort aangenomen te worden;

Ö. eindelijk, dat de eischer nog beweert, dat de ged. in hare exceptieve verdediging niet meer ontvankelijk zijn zou, nadat zij verlof gevraagd en bekomen had om de handelsvennootschap onder de firma Robbins en Walford in vrijwaring op te roepen, waaraan zij echter geen gevolg gegeven had; doch dat de ged. in zijn request om gezegde firma in vrijwaring op te roepen niet heeft erkend, dat zij ten deze als expediteur gehandeld heeft, en zij door het bekomen van het verlof wel het regt had , maar geenszins verpligt werd tot die oproeping in vrijwaring over te gaan, en zeker het niet gebruik maken van dat verlof haar niet kan beperken in de middelen, die zij ter harer verdediging meent te moeten aanwenden, te minder, waar de door den eischer genoemde exceptieve verdediging tevens bevat eene verdediging op de hoofdzaak;

0., dat de eischer dus niet heeft bewezen, dat tusschen hem en de ged. een regtsband, uit expeditie-contract geboren, bestaat, weshalve hem zijne op zoodanig contract gegronde vordering behoort te worden ontzegd;

Gezien art. 1902 B. W. en art. 56 B. R.;

Ontzegt den eischer zijne vordering; en Veroordeelt hem in de kosten der procedure.

(Gepleit voor den eischer Mr. S. J. Cohen, advokaat te Amsterdam, en voor de gedaagde Mr. J. Knottenbext.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede kamer.

Zitting van den 3 Oetober 1873.

Voorzitter, Mr. A. E. Penning.

Regters, Mrs.: S. J. Hingst en E. Boas.

Aett. 11 en 35 W. K.

Hte/t de vennoot, die niet met de vereffening der ontbonden vennootschap werd belast, het regt van den liquidateur te vragvn image der boeken, ook voor zooveel de nog niet geëindigde liquidatie betreft 1 — Neen.

M. E. B,, eischer, procureur L. Boas,

tegen

M. D. S., gedaagde, procureur G. van dek Hans. De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten: dat de vordering des eischers, ingevolge vergunning van deri voorzitter dezer Regtbank op verkorten termijn ingesteld, strekt tot veroordeeling van den ged. om den eischer behoorlijke en onbeperkte inzage te geven van de boeken en bescheiden der vennootschap, tusschen partijen bestaan hebbende onder de firma M. E. B. en Comp., ook voor zooveel de liquidatie betreft, en dienaangaande de noodige mededeelingen aan den eischer te doen' en, bij gebreke daarvan, den eischer voor iederen dag verzuim te betalen do som van f 10, of zooveel minder als de Regtbank zal oordeelen, met de kosten;

dat de ged. zich bij antwoord, even als te voren op eene hem namens den eischer gedane sommatie, bereid verklaard heeft den eischer de verlangde inzage te geven en mededeeiing te doen tot op den dag van de ontbinding der vennootschap, en geconcludeerd, dat hij verklaard worde daarmede te kunnen volstaan, met afwijzing van des eischers verdere vordering met de kosten ;

dat partijen bij pleidooi bij hare beweringen en conclusie volhard hebben;

O. in regten :

dat, terwijl tusschen partijen geen verschil bestaat omtrent des gedaagden verpligting om den eischer inzage te geven en mededeelingen te doen tot het einde dor vennootschap, de vraag overblijft, of de eischer bevoegd is die inzage en mededeelingen te verlangen met betrekking tot de liquidatie;

dat de eischer niet heeft aangetoond, dat de ged. zich bij overeenkomst tot bet geven van inzage en mededeeiing in dien uitgebreiden zin heeft verbonden;

dat integendeel het omgekeerde uit de in con/esso zijnde voorwaarden van ontbinding moet worden opgemaakt;

dat toch de ged. alle activen, zoowei goederen als schuldvorderingen, en alle passiven heeft overgenomen, aaa den e'énen kant tegen uitkeering van eene vaste som en anderdeels tegen eene partiële guarantie, bij het niet-inkomeu der op de balans voorkomende uitstaande vorderingen; terwijl de eventuele winst niet naar de uitkomsten der liquidatie, maar uit de balans zou blijken, op welke waren en schuldvorderingen getaxeerd zouden zijn uitgetrokken ;

dat, daar du, gelijk mede in confesso is, de meerdere of mindere opbrengst der koopwaren in betrekking tot de taxatie den eischer niet aangaat, slechts overblijft eene verrekening in het mogelijke, doch niet noodzakelijke geval, dat het totaal der inning op de uitstaande vorderingen minder zoude bedragen dan hetgeen daarvoor Op de balans was gebragt;

dat^ eerst dan, ais de ged. op dien grond eene vordering kan en wil instellen, hij die moet staven met de noodige bescheiden ;

dat derhalve de vordering des eischers, voor zoover zij meer omvat dan door den ged. toegestemd is, als noch op do wet uoch op da oyersönkojnst gegrond, niet kan toegewezen worden j

Gezien de artt. 1269 B. W., 35 en 11 W. K., 56 B. R.; j Verklaart het aaubou des gedaagden om den eischer inzage van 1 de boeken en bescheiden der voormelde vennootschap te geven tot op 1 den aag harer ontbinding, en desaangaande de noodige mededeelingen i te doen, voldoende :

I Ontzegt den eischer zijne veraere vordering;

Verwijst hem in de kosten, aan de zijue des gedaaguen gevailen.

' (Gepleit voor den eischer Mr. H. j. van Lies, en voor den s gedaagde Mr. J. L. de Leao Laguna.)

j NB. De eischer heeft van dit vonnis geappelleerd.

HOOüiS RAAD. — Uurgeriijke kamer.

Zitting van Donderdag, 4 December.

Voorzitter, Mr. E. de Greve.

I. Becedigd als raadsheer van het Prov. Geregtshof in Friesland, de heer Mr. E. Jongsma, laatstelijk regter in de Arrond.Regtbank te .Leeuwarden.

II. Gepleit in zake:

(cassatie) de echtgenooten W. B. van Liefland en A. M. Nuijen, eischers, procureur Mr. M. Eysseü, advokaat Mr. A. P. Th. iCysseil, tegeu A. V. A. Rutten, verweerder, procureur Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. G. Beiinfante. oonciusie van het Openb. Min. bepaald op 19 December.

Zitting van Vrijdag, 5 December.

i. Uitsi*kaak gedaan in zake:

1". (cassatiej C. Portielje, echtgenoote van M. Kool, eiseheresse, procureur Mr. J. van der Jagt, tegen de tweede Amsterdamsche verzekering-societeit, verweerderesse, procureur Mr. C. J. Eranfois. Verworpen.

2". (id.) T. Ruibingh, weduwe Menniuga, eiseheresse, procureur Mr. J. van der Jagt, tegen G. Koops, verweerder, procureur Mr. C. J. Eranyois. Verworpen.

II. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake ■

(cassatie; de maatscnappij van chemische industrie, gevestigd te

Amsterdam, eiseheresse, procureur Mr. M. Eyssell, tegen de maatschappij tot houtbereiding tegen bederf, gevestigd te Amsterdam, verweerderesse, procureur Mr. J. van der Jagt. Proc.gen. concludeert tot verwerping. Uitspraak 9 Januari).

III. Conclusie namens den geïntimeerde en ueclarant genomen op begrooting van kosten iu Zake :

(koloniaal) J. Baëia, vennoot van en ten deze optredende voor de firma D. Baëza en Comp., geïntimeerde, na declarant, procureur Mr. C. J. i rauyois, tegen M. J. de Goveia, appellant, nu gedeclareerae. Uitspraak 12 December.

IV. Gepleit in zake:

(revisie) den Staat der Nederlanden, eischer, procureur Mr. C. J. Eranyois, lands-advokaten Mrs. A. de Pinto en G. M. van der Linden, tegen de Hoilandscbe ijzeren spoorweg-maatschappij, verweerderesse, procureur Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. A. M. van Stipriaan juuïsciua. Raden-commissarissen, Mrs. Kist en van MeerbeKe. Conclusie van het Upeab. Min. bepaald op 18 December.

BER1GTEN.

's Gravenhage, den 6 December.

Eene interpellatie van den heer van Keukwijk. bij de begrootings-discussie, heeft eene zeer treurige geschiedenis aan den dag gebragt. Het feit schijnt namelijk onloochenbaar, dat men in de gevangenis te 's Gravenhage zijne toevlugt heeft genomen tot het spiritisme, om het bewijs te verkrijgen van de schuld van iemand, dien men verdacht hield van moord en diefstal; maar het middel heeft natuurlijk tot niets geleid; het bewijs, dat men zocht, is niet gevonden; en men heeft, na eene préventieve gevangenis van ongeveer tien maanden, den verdachte moeten ontslaan, die misschien de schuldige kan zijn, maar die dit, naar de wet, tot dusverre ten minste, niet is. Wie nu de eigenlijke schuidige aan dit middeneeuwsche bijgeloof zijn moge, onderzoeken wij niet. Wij weten het nietj maar het is ook tamelijk onverschillig. Genoeg js het, dat het feit gepleegd is. Iedere commentarie is zelis overbodig. Zeker het doel van de justitie moet zijn de waarheid te zoeken en te vinden; maar daarom is nog niet ieder middel, waardoor men, zij het dan uit bijgeloof, meent achter de waarheid te kunnen komen, goed, en bruikbaar, en geoorloofd. De wet kent het verhoor van levende getuigen; maar niet dat der dooden, die men heeft opgeroepen, maar die, het spreekt van zelf, niet gekomen zijn. — Wij zijn niet gewoon onze lezers

bezig te houden met moord-geschiedenissen, die wij begrijpen dat hun niet interesseren. Wij laten dat over voor de bladen, die schrijven voor het groote publiek. In het algemeen behooren ook de processen niet in de tweede kamer, even weinig als zoo vele andere zaken, die daar behandeld worden, al is het ook maar alleen om van gedachten te wisselen. Maar wij meenen toch, dat het land den heer van Keükwijk. dankbaar moet zijn voor zijne interpellatie, die voor het vervolg zulke zaken wel voor altijd zal hebben onmogelijk gemaakt. Voor het overige zeggen wij er alleen van: »omnia jam fiunt fieri quae posse negabam."

Wij ontvangen een boekje over de wet tot afkoopbaar-stelling der tienden van 12 April 1872 , toegelicht door den heerM. SikkeNGA, uitgegeven bij Blussé en van Beaam , te Dordrecht. De toelichting is beknopt, maar duidelijk, en zal misschien het hare kunnen bijdragen tot oplossing der moeijelijkheden, die ook wij verwachten, dat uit die wet zuilen voortvioeijen; want gaarne zeggen wij het den schrijver na, dat het eene eenvoudiger zaak^ was het beginsel d°r afkoopbaarstelling bij de wet vast te stellen dan de wijze te regelen , waarop aan het beginsel uitvoering zal worden gegeven.

— De proc.-gen. bij het Hof in Limburg heeft ztch in cassatie voorzien tegen het in raadkamer gewezen arrest, waarbij Roger Compagnolles in vrijheid is gesteld. Deze persoon blijft dus voorioopig in preventieve gevangenschap.

ADVERTENTIEN.

De GEBROEDERS VAN CLEEF hebben aan de abonnés verzonden:

ALPÏÏABETISCÏÏ REGISTEB

op de jaren iöö-S—i872 van de

NËDEttLAJNDSÜHE RËGTSPKAAK,

of

VERZAMELING VAN ARRESTEN EN GEWIJSDEN VAN DEN HOOGENRAAD DER NEDERLANDEN EN VERDERE REGTSCOLLEGIEN,

door

Jlir. Mr. X. UK «IJlELjIAB ,

Griffier bij den Hoogen Raad der Nederlanden.

Prijs f 4.70.

Van de Alphabetische Registers 1839/45, 1846/52. 1853/62, zijn nog enkele exemplaren te bekomen. Deze Registers zijn ook aan te bevelen aan hen, die de Regtspraak niet bezitten en nu en dan willen of moeten weten de datums der arresten.

DE NEDERLANDSCHE

RIJKS- EN RESIDENTIE-ALMANAK

voor 18 74

is aan de inteekenaren verzonden.

IKPjt' Nog enkele exemplaren zijn overgedrukt en zullen» tegen den goedkoopen prijs van f3, aan de eerste bestellers worden geleverd.

De vorige ïaar^an^ren van dezen ALMANAK kosten

KJ ei O O

f <&. De prijs is verminderd, terwijl de inhoud

uitgebreid. Door eene groote oplage, ten gevolge »» de inschrijving door talrijke inteekenaren, hebben Uitgevers, GEBR. BELINEANTE, te Gravenhage tot deze prijsvermindering kunnen besluiten.

bij j. b. woltebs tb groningen zijn verschenen :

Mr. W- MODDERMAN , de receptie van het romeinschh reqt f 1-25-

Mr. W- C- I- J- CREMERS, aantjeekeningen op het wetuoek van strafvordering , IV, 1, 2, . 3.80.

Mr. G' DIEPHUIS, het nedeiu.and.sch üuhoeblijk regt, le stuk,

Tijdschrift voor het nedeblandsch begt, VI, 3e stuk, - 1.25.

Snelpersdruk eu Uitgave van (.KUIUIKIIEIIli »JEl.SWii,*srr#£ % te 's Graveoliagei

Sluiten