Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

''<fn lanS > tot aitpnttens toe, het woord voerde. Het betrof bij dit echter geheel het feitelijke, vooral wat uit een krijgskundig oog; unt al of niet gedaan was, of had moeten of kunnen geschieden; en de voorbereiding als 't ware van de capitulatie door verschillende nandehngen van den maarschalk, inzonderheid ook door zijne bespreKiogen met zekeren Kegnier.

Bestek noch aard van dit blad laten toe in bijzonderheden deswege te treden. Bepalen we ons tot de vermelding, dat ook de staatkundige omstandigheden in aanmerking kwamen, bijv. de vervanging van het Keizerrijk door het bewind van verdediging, de Republiek, en de moejjelijkheden, die dit alles voor 't legerhoofd baarde. Zijn verdediger bragt ook een schrijven (van 6 Dec.jl.) van Prins 1< redelik Karei van Pruissen bij ten voordeele van den maarschalk, dat deze n'l. nooit, gedurende het beleg, een voet in het Duitsehe hoofdkwartier te Borny gezet heelt; en dat de Prins den maarschalk Bazaine voor 't eerst na de capitulatie, den 29 Oct., gezien had. De verdediger antwoordde, naar aanleiding daarvan : «Ik kom thans tot de zwaarste beschuldiging: Bazaine heeft zijn land verraden, Bazaine heeft zaamgespannen. Mijn aart bloedt alleen bij die gedachte. Dat men zegge: «Ken generaal ^t niet al gedaan, wat by had kunnen doen; doorzigt heeft hem ge aald, hij was niet op dc hoogte van zijne roeping.» Maar dat men ïnsmuere, dat Bazaine naar 't hoofdkwartier des vijands is gegaan! ■Hat is eene afschuwelijke dwaasheid. Ik weet wel, dat Mijnheer de speciale commissaris zegt: «Ik wil dat niet gelooven, maar de Raad zal het beoordeelen.» De verdediger gaf toen aan zijne verontwaardiging lucht, en iiet zich, ook op grond der meening van Keizerin Kugenie, scherp tegen die aantijging uit, en betoogde, over 't algemeen , dat men met anders dan tot de capitulatie komen kon; dat de leeftogt ten einde was; dat de menschen waren uitgehongerd, en er geen paarden meer waren; dat er geen uitval meer mogelijk was. "»De ier was gered; men had uitgehongerden verwonnen, geen krijgslieden meer gevangen genomen."

He- eu dupliek deden de spanning nopens den uitslag van dit gtaing nog toenemen, waarop de aandacht van Frankrijk, ja van geheel Europa maanden lang was gevestigd geweest.

tin die uitslag was, zoo als we in den aanhef vermeldden, eene veroordeeling en wel eenstemmig.

sch\V D°°r den iir'jSsraad te Trianon in de zaak van den maaroaik Bazaine gewezen vonnis luidt:

«In naam des Franschen volks ,

-Heden, den 10 December 1873 , heeft de eerste Krijgsraad in de is'e militaire afdeeling met gesloten deuren geraadpleegd over de T°lgende door den voorzitter gestelde vragen :

*1°. Is de maarschalk schuldig aan het op den 28 October 1870 6'tuten eener capitulatie aan het hoofd van een leger in het open veld ?

*2°. Heeft die capitulatie het afleggen der wapeuen door dit leger ten gevolge gehad f

j3°ü *Sjd,® maarscll!illi; mondeling of schriftelijk met den vijandin onderhandeling getreden, zonder vooraf alles te hebben gedaan hetgeen nem pligt en eer voorschreven ?

•4°. Is de maarschalk Bazaine, op de voordragt van den Raad van onderzoek, in staat van beschuldiging gesteld, schuldig aan het op den reeds vermelden dag sluiten van eene capitulatie met den vijand, waarop <le vesting Metz , wier opperbevelhebber hij was , werd overgegeven, zonder alle beschikbare middelen van tegenweer te hebben uitgeput ®" zonder vooraf alles te hebben gedaan hetgeen hem eer en pligt Voorschreven?

ste'Nailat l'e etemmen een voor een waren opgenomen, met den laagn graad aanvangende en eindigende met den voorzitter, antwoordt de Krijgsraad:

"Op Ue eerste vraag, met algemeene stemmen : ja ;

"°P de tweede vraag, met algemeene stemmen : ja ;

*op de derde vraag, met algemeene stemmen : ja;

d® vierde vraag, met algemeene stemmen: ja;

con 'ei0P » lettende op den door den specialen gouvernementsk(Jj~missar's in zijn requisitoir gedanen eisch, de voorzitter de arti01dendvau het wetboek voorgelezen en op nieuw in de bovenvermelde aangaat Stemmen opgenomen, voor zoover de toepassing der straf

kelen'^iu^'®6"8 de Krijgsraad, gelet op de bepalingen der, artimet a) eo 210 van het Wetboek van Strafregt voor het Krijgsvolk, doodstraf1166110 st6mmen Eranyois Achille Bazaine veroordeeld tot de grond va' vervallen'verklaring van zijn militairen rang en, op ophoudt d T' 138 Van het vermelde wetboek, verklaard, dat Bazaine niet meer .Ult. te maken van de orde van het Legioen van Eer en

„De k -^ereK''gd is tot het dragen der militaire medaille.

vau het mf*' verwijst hem daarenboven, op grond van art. 139

•Aar ^ ergemelde wetboek, in de kosten van het proces, opgedrawn^t sPeciale? commissaris van het Gouvernement wordt lezing tu Imo^^8'°"d, in zijne tegenwoordigheid, van dit vonnis voorwapenen geroen °e" "an dön veroordeelde, ten overstaan van de ouder de eenen termijn va tr"epen' eu aan hem te kennen te geven, dat de wet vonnis te vragen." Vler'en"twintig uren stelt om de revisie van het

Onmiddellijk echter leden van den Krij.,sr, ''f uitspreken van het vonnis hebben alle Republiek ingediend óm uc" st>hrifteljjk verzoek aan den President der voorzitter van deu ËiijJ^n de" veroordeelde gratie te verleenen. De persoonlijk aan den maarschalk?.Jimog Ta" Aumale' 116611 dlt stuk dent had geantwoord, dat hii ac"Mat>on overhandigd. De Presiwettelijke termijn van revisie van'h»681"8"?8

nemen zou, vóórdat de

Den 12 Dec. jl. kwamen in hPt r V°n"'s verstrekeu was.

rigten voor: •'ournal Officiel de volgende be-

"Volgens de artt. 141 en 143 van hot -i- •

vermits de maarschalk Bazaine den terL"! r° strafwetboek heeft,

beeft laten voorbijgaan, zonder revisie vanTtT vler'6n-t™inti8 ure"

>-aad te vragen, de over hem uitgesprokenveroöT 1™ f' ^ gewijsde erlangd. veroordeeling kracht van

der Republiirddra!5t °°rl°g' heeft de President'

veranderd ^ ^ de" luaa,'schalk Baza'"6 uilgesproken doodstraf ontheffing JbL *"tWJa!rlffe gevangents-straj, heden i„ te gaan, met handhaving va,, , uallteit0n der ralluaire degradatie, doch met »Terstond na t. ' geTOl8eD-"

en de ieden van de "ilt8Prek6P van het vonnis hebben de voorzitter verzoek om gratie taJe^88,raad aan den Miaistur van Oorlog een «Mijnheer de minister, den volgeIiden inhoud :

«De Krijgsraad heeft het vnr •

gesproken. vai' den maarschalk Bazaine uit-

«Als gezworenen hebben wij de 'nspraak van ons geweten beantwoord* ™°r8eleëdo vragen naar de komen op de langdurige behandeling J .behoevet> "iet terug te hebben geput. Voor de beweegredenen wetk"" W'J het uood'S8 licht en geleid, zijn wij alleen aan God verahtwn. T °"Ze mtsPraak heb" -Als regters hebben wij eene gehad, welke geenerlei verzachtende omstandigheden top! t pa8s'!n knjgSmanspl,gt geschonden is. g tD toelaat' waar de

weïkÜTI W'J mÜge" " °Fmerkzaam maken °P die omstandigheden

-Wh zI!'?rHVerb00dbij0,,Ze UitSpraak iU overweging tl?nemen!

bevel over hit H- ,nUnefU',dat de lllaarschalk Ba»M het oppernet Kijnleger heeft aanvaard en gevoerd onder ongehoorde

luoeijelijkheden; dat hij noch voor den ongelukkigen aanvang van den veldtogt noch voor de keuze der liniën van operatie verantwoordelijk is.

«Wij zullen u herinneren, dat hij zich overai persoonlijs in het vuur heeft begevou; dat te Borny, te Gravelotte , te Noisseville niemand hem in moed overtrofièn heelt, eu dat hij den 16 Augustus door zijne vastberaden houding het centrum zijner slagorde in stand heeft gehouden.

«Sla den staat van dienst des mans, die iu 1832 als vrywUliger in dienst is getreden, op; tel de velatogten, de kwetsuren, de schitterende daden op, waardoor hij deu stat eens maarschalks vau Frankrijk verdiend heelt.

«Herinner u den langen tijd, dien hij in vóór-arrest heeft doorgebragt, de folteringen, welke hij heeft ondergaan, vau gedurende twee maaaden dagelijks de getuige te zijn, hoe er over zijne eer werd getwist; en gij zult u vereenigen met ons verzoek aan den President der Republiek, dat hij de door ons uitgesproken straf niet ten uitvoer zal doen leggen.»

Dat het oordeel van de Fransche eu buitenlaudsche dagbladen over de veroordeeling en de wijziging vau de straf verschillend is , laat zich begrijpen bij al de omstandigheden van krijgs- eu staatkundigen aard , die zich oij deze zaak hennen voorgedaan.

Instemming met of atkeuring van die veroordeeliug en wijziging in het midden latende, deelen wij nog een en ander deswege mede :

«Het Jouruai Ue Paris i^iat ais een den Orleauisteu gunstig orgaan beschouwd wordt} zegt het volgende;

«üeuigen lieden schijnt het te bevreemden, dat de eerste Krijgsraad eenstemmig een verzoek om gratie heeft ingediend, nadat Inj , insgelijks eenstemmig, een doodvonnis uitgesproken had.

«Niets eenvoudiger uogtans, en, wij willen er bijvoegen, niets wat menigvuldiger geschiedt. De jury teekent, na eene veroordeeling ter dood, vaak een verzoek om gratie.

«Wat de krijgsraden betreft, zij zijn bijkans altijd verpligt het uitoefenen van het regt van gratie iu te roepen ; eu ziellier waarom:

«Het strafwetboek voor het krijgsvolk is teu uiterste gestreug. In de meeste gevallen iaat het geene verzachting van straf toe. Ook dau zelfs, wanneer liet, ais bij toeval, eene verzachting toestaat, blijft de straf uog altijd streng. Aldus kan, in zekere gevallen, de doodstraf met anders dan door aitijddurenden dwangarbeid worden vervangen.

«Hieruit volgt, dat de krijgsraden geeue verzachtende omstandigheden kuuneu in aaumerkiug nemen , althans dat zij het niet dan op eene enkele wijze kunnen doen , namelijk door het inroepen van de uitoefening van het regt van gratie.

«Het is dienvolgens bij de krijgsraden eene standvastige gewoonte zoodanige verzoeken in te dienen, wanneer de veroordeelde goede dienststaten heeft of wanneer de omstandigheden, waarin hij ïicii heeft bevonden, eene verzachting van strat kuuuen regtvaardigen.

«Men heeft voor den maarschalk Bazaine gedaan, wat men voor een militair zou heübeu gedaan , die zijn cnef een slag zou hebben toegebragt en die toch belangstelling waard zou zijn.

«Daarin is niets nieuws uocli ongewoons gelegen."

Het art. 190 vau het strafwetboek voor liet krijgsvolk behelst het volgende , wegens de gevolgen van de militaire degradatie :

«lia degradation militaire entraiue :

lo. La pnvaiiou du grade et ie droit d'eu poiter les insignes et Tuniforme;

20. L'mcapacite absolue de servir dans 1'artuée a quelcjue titre que ce soit, et les autres iucapacites prononcées par les articles -8 et 34 du Code Péual ordinaire ;

3U. La privatiou du droit de porter aucune décortttion et la déchéance de tout droit a pension et a récompense pour les services antérieurs. -

Het eiiand Ste-lVlarguerite, waarheen men meent dat de veroordeelde zal worden vervoerd, ligt tegenover (Jannes, twee mijlen van de kust; een fort is de eenige woning op dit eiland, waar in. den laatsten tijd ue gevangen Arabieren uit deu jougsteu opstand in Algeria werden opgesloten. Dat fort, door Rieheiieu als staatsgevangenis uestemd, werd door Vauban hersteld, en is o. a. iu Fraukrijks geschiedenis bekend ais de kerker van den «Man met net IJzeren Masker,« die er zeventien jaren doorbragt.

Ofschoon het lucutgestel van Ste-Marguerite verre van onaangenaam is, voorziet men echter, dat de thans twee-eu-zestig jarige Bazaine de treurige herinneringen en schokken , die het laatste gedeelte zijner loopbaan hebuen gekenmerkt, niet tang overleven zal.

De Fransche dagbladen deelen vele bijzouderneden mede wegens den indruk, dien vooral de strafverandering op deu veroordeelde gemaakt heelt; hij was op de volvoering van he. vonnis voorbereid; de verandering vau straf scheen hem, aanvankelijk althans, ondragelijk, en hij leed daardoor een nieuwen, zwaren schok.

Hij, zoowei ais zijne uog jeugdige tweede ecbtgenoote, hebben vele blijken van belangstelling in zijn lot ondervonden; velen hebben beiden den troost der vriendschap geboden ; onder anderen ontving de maarschalk een veel deelneming adomendeu brief vau de gewezen Koningin vau Spanje, Isabelia, die de diensten, door hem in Öpaansche dienst bewezen, niet vergeten kou; de maarschalk heeft daarop eigenhandig en in het breede geantwoord.

Nadat de maarschalk Bazaine keunis had gekregen van de verandering zijner strat, heelt hij een schrijven aan den President der Republiek gerigt van dezen inhoud:

«Trianon-sous-Bois, 12 December 1873.

«Mijnheer de maarschalk ,

«Gij hebt u den tijd herinnerd, toeu wij elkander terzijde stonden bij de verdediging van het vaderland: uw hart heeft, naar ik vrees, luider gesproken dan de redenen van Staat!

«Ik zou zonder weêrzin gestorven zijn, want het verzoek ora gratie, dat mijne regters aau u hebbeu ingediend, heeft mijne eer gewroken.

«Gelieve, mijnheer de maarschalk, de verzekering van miiu eerbied te aanvaarden.

«Bazaine.»

sclTlkTMrV™' °,ük de dlen de verdediger des maar¬

schalks, Mi. Ch. Lachaud, aau den heer Thiers, als afgevaardigde geschreven heelt. Die briel luidt aldus:

«Mijnheer de afgevaardigde,

«Na het vreeslijk vonnis, dat den maarschalk Bazaine o-etroffeii heeft, heb ik een eersten pligt te vervullen,

«Gij hebt — ais President der Republiek — den maarschalk Bazaine , die er bij u op aandrong, het regt toegekend om zijn gedrag voor zijne regters op te helderen. Daarvoor zeg ik u dank, en de door den eersten Krijgsraad veroordeelde dankt u daarvoor door mijne stem.

«Gij hebt in de onpartijdigheid van uw gemoed en bij de scherpzinnigheid van uwen geest, vast geloofd iu de onschuld van den maarschalk : daarvoor zeg ik u dank.

«Gij hebt mij door uw meêgevoel voor den beschuldigde bemoedigd, en mjj door uwen raad gesteund : daarvoor mijnen dank.

«En nu is alles afgeloopen, maar de erkentelijkheid van den maarf schalk Bazaine en de mijne weten de herinnering te bewaren. ^ «Eene smartelijke ondervinding heeft aan Frankrijk reeds uwe diepzinnigheid en de wijsheid van uwe raadgevingen doen kennen I ? De toekomst zal ook ditmaal bewijzen, dat ge u niet bedrogen hebt! ; «Gelieve enz.

| «Ch. Lachadd.«

| Algemeen wordt hulde gebragt over de wijze, waarop de Hertog ; van Aumaie de leiding iu de,:e inoeijelijke eu omslagtige zaak gei voerd heeft.

De eenstemmigheid van het oordeel en ook vau het verzoek om gratie hebben buiten de regtszaal diepen iudruk te weeg gebragt. De i7ance , vol ontzag voor beide handelingeu van den Raad, verheit zich tot hooge beschouwingen.

Het blad , na de onvermijdelijkheid van dit geding — als gevolg der beslissing van den ilaad van onderzoeken der vordering vau den maarschalk zeiven — te hebbeu aangetoond , besluit aldus :

«iienmaal dat het geding was aangevangen, bevonden de regters zich tegenover de bewoordingen der wetten, die onverbiddelijk duidelijk zijn. Men kou zeggen, dat die bewoordingen niet geschreven waren voor omstandigheden, zoo als wij die hebben doorworsteld; zij hadden het. geval niet voorzien, dat, door het feit van eene staatkundige omwenteling , een iegerhootd zich als zijue Regering op zich zelve zou kunnen beschouwen. Dat Is eene meening, die men, in onze tijden vau zedelijke anarchie, niet zelden hoort verkondigen ; maar de regters hadden die reeds van vóór eeue eeuw dagteekenende bewoordingen" deiwet niet te toetsen ; zij hebbeu ze moeten toepassen. Zij waren verpligt, voor de toekomst, geenerlei voorwendsel te laten aan generaals, wien de verdediging van eene vesting of het lot eens legers toevertrouwd mogten zijn.

«Naast die onverzettelijke eischen der krijgstucht heeft men die der nationale tucht. Maarschalk Bazaine is, uit dat oogpunt, welligt niet de eenige schuldige, en onder hen, die de eersten zijn geweest om hem te beschuldigen, moet thans meer dan e'e'n zich de band op de borst leggen. Het legerende natie, die deu maarschalk Bazaine veroordeelen, gaan de meest volstrekte van alle verbindtenissen aan : die van in hare onkreukbare gestrengheid te doen herleven alle de voorschriften der vaderlandsliefde, toegepast op de verdediging van de eer en de grenzen des lands.»

MENGELWERK.

MR. W. J. KARSTEN ,

Lid der Regtbank te BrieLle.

Amice 1

Met groot genoegen las ik uw degelijk, grondig bewerkt opstel over art. 91 W. v. K., in t jongste nummer van Vhemis verschenen. Met een uwer stellingen evenwei kau ik mij met den besten wil maar niet verzoenen. Zij bragt mijn regtsgeleerden rnensch bepaald in opstand. Gij maakt u daar , naar mijn bescheiden meening, aan zulk een onjuiste en gewrongen wetsverklaring schuldig, dat ik de verzoeking niet kan weerstaan u eveu tot de orde te roepen en te trachten u tot andere inzigten te brengen. Ik kan 't mis hebben , 't is mogelijk, maar de verklaring moet mij toch uit de pen, dat t mij schier onbegrijpelijk voorkomt, hoe gij tot die exegese gekomen zijt. Wat waart gij aanvankelijk van een uitstekend standpunt uitgegaan, toen gij bij de vraag, in hoever het Romeinsche regt bij ue verklaring onzer wet behulpzaam mag zijn, kort en bondig aldus u uitliet, dat hel niet de vraag is: «hoe het genoemde recht behoort te wórden opgevat, maar hoe het door omen wetgever opgevat is, eu men deze laatste opvatting zou moeteu huldigen, ook al ware zij verkeerd.» Gij zijt dus ook een voorstander van de zoo vaak miskende leer dat men bij de uitleggiug der wet vóór alles heeft te vragen naar *t geen de wetgever als zijn wil heeft uitgedrukt. Deed hij dit in duidelijke bewoordingen, dan mag men niet ter wille van een systeem of om redenen van convenieutie of utiliteit, zijn woorden nog eens gaan uit- of inleggen, en met hem omspringen als een houten figuur, dat de meest verschillende gedaanten vertoont, naar mate men trekt aan dit of dat touwtje.

Doch ter zake. Mijn grief is gerigt tegen uw stelling, dat de omvang der schadevergoeding, door den vervoerder iu sommige gevallen te praesteeren, niet bij art. 91 W. v. K. is geregeld, of wel zoo dubbelzinnig, dat niet die wetsbepaling, maar de beginselen van het gemeene regt hier moeten beslissen.

Met artikel luidt u.dus ; "Ue voerlieden en schippers moeten instaan voor alle schaden, aan de ter vervoering overgeuomene koopmanschap pen of goederen overgekomen, uitgezonderd dezulke, die» enz.

Laat die bepaling nu eens lezen aan een niet-jurist, aan iemand, die van regtsgeieerdheid niets weet en alieen te beschikken heeft over een gezond oordeel, eu vraag liem dan eens : tot welke schadevergoeding kan de vervoerder nu krachtens dit artikel worden veroordeeld ? 'k Wed tien tegen e'én, dat hij u dadelijk zonder de geringste aarzeling antwoorden zal: wel, 'tstaat er immers duidelijk, tot vergoeding dei schade, die door dit of dat overkomen is aan de goederen. En wederom verwed ik tien tegen één, dat hij u heel spottig en ongeioovig zai aanzien , wanneer gij hem verzekert, dat de zaak zoo bijster duidelijk niet is, en men iu dat artikel óók lezen kan, dat de vervoerder bovendien te vergoeden zal hebben de zoogenaamde winstderving, m. a. w. kosten, schaden en interessen. Hij zal u vragen: maar noemt gy, HH. juristen, dan de schade, die een persoon door winstderving lijdt, schade aan 't goed overkomen ? Is er dan bij u geen onderscheid tusschen een persoon en een stuk goed? Natuurlijk door de waardevermindering der zaak lijdt er een persoon nadeel ' en dit nadeel moet vergoed worden , maar ook geen centime meer \ alle verdere schade is geen schade, die 'tgoed overkwam.

Inderdaad het is mij een raadsel, hoe gij hier deu wetgever dubbelzinnig kunt noemen en meeuen, dat hij ruimte liet voor tweetnei maatstat van schadevergoeding, zoowel uie vau het interesse, als die vau de bloote depreciatie der zaak. Ik weet er slechts één solutie voor, en die zal ik straks vermelden. Voor 't oogenblik is 't mij alleen te doen den wetgever in bescherming te nemen tegen uw verwijt van onduidelijkheid, 't Ware te wenscheu, dat hij overal zoo duidelijk gesproken had, hoewel ik 't in t midden iaat, of er dau ook minder zou geprocedeerd worden. Ais hij tot deu vervoerder zegt: gij zuiL instaan voor de schade, aan de ter vervoering overgenomen goederen overkomen, dan spreekt hij zuiver en verstaanbaar Hollandsen da wijst hij de mate der schadeverpligtiug wel deugdelijk en duideiii!* aan, en dan is er een parti-pris noodig om aan de ien^te van d meter te tarnen.

Tot Staving van hun beweereu, dat de voerman Dij art. 91 bedoeld, niet tot vergoeding van koste' ^ geva. ' rassen is gehouden, hadden Mr. Pinnbr en (la H ' f ? T'

anders te doen dau zich te beroepen on ue rt„; ,„ ge dus met die geen andere opvatting gedoon Dat 1 ® jl4e etter aer "et'

spreekt is wezenlijk met umlta »lh W® T e" ",et auJe''" mii hpnvict ,io, i , a n°oh muitum te bewijzen. Als gij i overdag de zou schijnt, dat wit wit is, en zwart

spreekt is wezenlijk met multa

Sluiten