Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heteerste middelacht ik gegrond; en is dat het geval, dan zal het arrest, . uitspraak op het hooger beroep tegen voormelde incidentele vonnissen, niet slechts voor wat da uitgesproken gedeeltelijke niet-ontvankelijk- ; op de incidentele requisitoiren van den officier van justitie te beverklaring van het appel, maar ook voor wat de beslissing ten 1 slissen eu verder de zaak af te doen, de kosten te voeden bij die principale betreft, door den Hoogen Raad moeten worden ver- j der eind-uitspraak.

nietigd, al kan die beslissing voor eene vrijspraak gelden. Want

slechts de vrijspraak, die causa cognita door den regter gegeven is, De Hooge Raad enz.,

«luit het beroep in cassatie uit; en het Hof, het appel, dat ontvan- i Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij kelijk was, gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard hebbende, kan ■ memorie, bestaande in:

niet gezegd worden kennis genomen te hebben van de zaak, aan j schending van art. 242 Strafvord. j'. art. 56 R. O., en ver¬

zijne kennisneming onderworpen. Men zie het arrest van 22 Junij keerde toepassing van art. 233 Strafvord., door, waar alleen een Junij 1«41 (v. d. Honert, Strafvord., V, de laatste overweging op wanbedrijf en geen politie-overtreding was ten laste gelegd, maar de pag. 357), en bet arrest van 22 Oef. 1856 (Weekbl. n°. 1905, bekl. niettemin wegens politie-overtreding was veroordeeld, den officier Regtspr., dl. 54, § 17, p. 74). van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, in zoover

Het tweede middel is gerigt tegen dat gedeelte van het beklaagde de veroordeeling wegens politie-overtreding betreft;

arrest, waarbij is regt gedaan op het door den officier van justitie 2°* schending van art. 211 j°. art. 206, in verband met de artt. ingestelde appel tegen twee incidentele vonnissen, den 2 April 1873 18' en 203 eu met art. 380, 2de lid, Strafvord., omdat het Hof de door genoemde Regtbank in deze zaak gewezen, bij welke vonnissen incidentele vonnissen wel heeft vernietigd, maar niet heeft beslist, dat het Openb. Min. niet-ontvankelijk is verklaard in zijne requisitoiren , de ollicier van justitie in zijne requisitoiren, waarop die vonnissen strekkende het eene om een als toehoorder iu de zaal onder het betrekking hadden, ontvankelijk was, en op die requisitoiren geene publiek aanwezige als getuige to doen hooren, het andere tot uitstel uitspraak heeft gedaan;

der zaak tot het nader doen hooren van getuigen. Het middel luidt: 3'. schending van art. 211, in verband met de artt. 208 en 434, schending van de artt. 206 en 211 j°. 181 en 203 Strafvord., omdat Strafvord., omdat is regt gedaan op eene verklaring van getuigen, die het Hof de incidentele vonnissen wei heeft vernietigd, maar niet niet meer is dan eene meening of gissing;

heeft beslist, dat de officier van justitie ontvankelijk is, en op diens schending van art. 319 Strafregt en verkeerde toepassing van

requisitoiren, mitsdien op vorderingen, strekkende om gebruik te art. 210 Strafvord. door niet-toepassing van eerstgemeld artikel op de kunnen maken van eene bevoegdheid, die door de wet is toegekend, gebleken feiten;

geena uitspraak is gedaan. Gehooid den advokaat van den gereq. in zijne bestrijding dier

Het Hof beslist, men zie de derde, de vierde en de vijlde over- middelen;

wegingen, op goede gronden, dat, met vernietiging van de beide Overwegende, dat de gereq., voor de Arrond.-Regtbank te Amsterincidentele vonnissen, de officier van justitie alsnog ontvankelijk be- dam gedagvaard tor zake: «dat hij, in den voormiddag van den 21 hoort te worden verklaard; doch oordeelende, dat daaruit voortvloeit, Dec. jl., ten balt tien ure ongeveer, terwijl onder zijn toezigt en op dat bet onderzoek van den eersten regter als niet volledig kan worden zijn last vaten tabak afgelaten werden uit de derde verdieping van beschouwd, en niet kan worden gehandhaafd; dat echter de geest bet pakhuis de Koning üavid, op de Brouwersgracht, te Amsterdam, van art. 248 Strafvord. medebrengt, dat de zaak niet naar den eer- verzuimd heeft, gelijk het algemeen politie-reglement van Amsterdam sten regter moet worden teruggewezen, ten einde dezelve op nieuw voorschrijft, iemand op straat te stellen,die de voorbijgangers waai schuw te onderzoeken, maar dat, met vernietiging ook van het eindvonnis, de, ten gevoige waarvan R. H. van den Bosch, die, zonder gewaarschuwd de zaak zelve behoort te worden afgedaan, — vernietigt het Hof de te zijn, onderlangs het pakhuis liep, zoodanig door een naar beneden beide incidentele vonnissen en bet eindvonnis, voor zooverre het vallend vat tabak getroffen is, dat hij eenige oogenblikken daarna dit appellabel acht, en beslist het in zooverre op de hoofdzaak. Het aan de gevolgen is overleden» ,— bij eindvonnis van genoemde Regtuank is dus miuder juist, wat de heer req. beweert, dat omtrent de ont- van den 8 April 11. is schuldig verklaard aan «het doen aflaten van vankelijkheid vau den officier van justitie in zijne incidentele requi- goederen, zonder iemand op straat te stellen, die de voorbijgangers sitoiren geene uitspraak zoude zijn gedaan. Want al is 's Hofs waarschuwt», en te dier zake, met toepassing van de artt. 82 en uitspraak op dit punt niet in den gebruikelijken vorm van een dtc- 144 der algemeene politie-verordening voor Amsterdam, is veroortum gegeven, zij is zeer uitdrukkelijk bij de overwegingen gegeven, deeld tot eene geldboete van ƒ3 en subsidiaire gevangenis-straf, doch en er bestaan geene sacramentele vormen nopens de bewoordingen, van het overigens ten laste gelegde is vrijgesproken;

waarin eene uitspraak van den regter in hooger beroep moet zijn 0., dat, op het van dat eindvonnis, en te gelijk van twee in de vervat. (Men zie het arrest van 11 Mei 1858, Weekbl. nu. i099, instructie der zaak gewezen vonnissen door den officier vau justitie v. d. Honert, 1858, I, de overwegingen op pag. 285). Ik acht dan ingesteld appel, bij het beklaagde arrest, met beroep op art. 233 ook bet tweede middel, zoo als het is geformuleerd, onaannemelijk, Strafvord., de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard is in en ongegrond de voorziening, voor zooverre zij mede gerigt is tegen zijn appel, in zoover de voormelde veroordeeling ter zake van politiedat gedeelte van het arrest, waarbij is uitspraak gedaan op het appel overtreding betreit, en dat tegen deze niet-ontvankeiijk-veiklaring tegen de incidentele vonnissen. Ik geloof echter, dat het Hof, door, het eerste middel van cassatie is gerigt;

na de vernietiging der incidentele vonnissen, de zaak zelve ai' te O. te dien aanzien, dat de exceptieve bepaling van art. 233 Strafdoen , art. 248 Strafvord. verkeerd heeft toegepast. Aan art. 248 vord., volgens welke, in het aldaar bedoelde gevai, het hooger beroep Strafvord. kon het Hof de bevoegdheid niet ontieenen op de hoofd- vau een vonnis der Regtbank is uitgesloten, alleen den bekl. betreft, zaak uitspraak te doen; want het eindvonnis is door het Hof niet en dus niet is geschreven voor bet Openb. Min., met dat gevoig , te niet gedaan wegens schending of verzuim van de vormen , welke dat voor het Openb. Min. het gewone middel van hooger beroep bij de wet op stratfe van nietigheid zijn voorgeschreven. blijft openstaan in al die gevallen, waarin het misdrijf, naar aanlei-

De vernietiging van dat vonnis is geweest het gevolg der vernie- ding der dagvaarding, uit zijn aard de aanwending van het hooger tiging van de beide vonnissen van instructie, vermits de Regtbank beroep medebrengt;

niet bevoegd was om, zonder op de iucidentele, allezins ontvankelijke 0., dat derhalve, ter beoordeeling van de appellabiliteit der zaak, vorderingen van het Openb. Min. te hebben beslist, de zaak ten ten deze enkel te letten viel op de in de dagvaarding vormelde feiten principale af te doen, en mitsdien de geheele uitspraak au fond was en de daaraan volgens de wet te geven qualfficatie;

onwettig. En ook de beide incidentele vonnissen, zijn door het Hof O. nu, dat in de gedane te-laste-leggiog het niet-nakomen eener niet vernietigd wegens informaliteit, maar wegens mal jugé, als zijnde bepaling vau het politie-reglement van Amsterdam niet voorkomt daarbij ten onregte aan het Openb. Min. de bevoegdheid betwist als een op zich zelf staand feit, maar enkel als eene omstandigheid, om verhoor van een getuige eu uitstel der zaak tot het doen hooren die behoort tot het wezen, en een bestanddeel uitmaakt van het ten van meerdere getuigen te vragen. Het Hof had dus, de incidentele laste gelegde misdrijf van het onwillig veroorzaken van een manslag, vonnissen en het daarop gevolgde eindvonnis vernietigende en den door niet-in-acht neming van een reglement; en dat bij gevolg, wat officier van justitie ontvankelijk verklarende in zijne incidentele tok de beschouwing des eersten regters over de bewezen daadzaken requisitoiren, de zaak naar den eersten regter terug moeten wijzen, mogt zijn geweest, alleen evengenoemd misdrijf bij de dagvaarding om, met in-acht-neming van 's Hofs arrest, op die requisitoiren te was ten laste gelegd;

beslissen, en verder de zaak af te doen. Nu het Hof dit heeft nage- 0., dat mitsdien, en terwijl art. 319 C. P. tegen dat misdrijf laten, eu ten principale uitspraak heeft gedaan, zal die uitspraak gevangenis-straf van drie maanden tot twee jaren, en geldboete van moeten worden vernietigd, om het even of zij als eene werkelijke 50 tot 600 fr. bedreigt, ingevoige art. 56 R. O., het op die tevryspraak, dan wel als een bedekt ontslag van regtsvervolging is te laste-legging gewezen vonnis niet voor een gedeelte, maar in zijn beschouwen, omdat slechts de vrijspraak, door den bevoegden regter geheel aan hooger beroep was onderworpen;

gegeven, het gewoon beroep in cassatie uitsluit, en het Hof, in casu O., dat het Hof den officier van justitie alzoo ten onregte nietniet versereude in het bij art. 248 Strafvord. bedoelde geval, niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep, voor zooverre dat gebevoegd was de zaak zelve af te doen. deelte van het geappelleerde vonnis betreft, waarbij de gereq. wegens

Over den zin van art. 248 Strafvord. zie men Hoogen Raad, 15 politie-overtreding was veroordeeld; dat het daardoor do bij het Oct. 1850 ( Weekbl. n». 2148, v. d. Honebt , 1850, II, de over- cassatie-middel aangehaalde wetsbepalingen heeft geschonden en verwegingen op pag. 147 en 148), het arrest van 28 Febr. 1860, keerd toegepast, en het eerste middel mitsdien is gegrond; v. d. Honert, Gent. Zak., XVH, pag. 52, en de Ptnto , Handl. 0., dat, bij deze niet-ontvankelijk-verkiaring van het appel voor tot het Wetboek van Strafvord., §176, p. 425. Dat vrijspraak, gegeven een gedeelte, het Hof niet van de gansche zaak, aan zijn oordoor een onbevoegden regter, het gewone beroep in cassatie niet uit- deel onderworpen, heeft kennis genomen, waaruit volgt, dat het sluit, besliste de Hooge Raad bij tal van arresten. Men vergelijke beklaagde arrest niet alleen ten opzigte der niet-ontvankelijk-verkladie van 8 Nov. 1864 {Weekbl. n°. 2646, v. d. Honekt, Bel., IX, ring, maar ook voor de op de hoofdzaak gegeven beslissing moet P- 124), 29 Jan. 1862 (Weekbl. no. 2356, v. d. Honert, Gem. worden vernietigd, eu zulks zonder dat hiertegen afdoet, dat deze Zak., XIX, p. 44), 1 Oct. 1862 (Regtspr., LXXI, p. 329) en 10 beslissing eene vrijspraak bevat, omdat door eene vrijspraak in art. Oct. 1871 (Weekbl. n°. 3-188, Regtspr., XCIX, p. 45;. 3gl Strafvord. alleen zoodanige kan zijn bedoeld, als door den ba¬

lk behoef dus den geëerden steiler der memorie niet te volgen in voegden regter causa cognita is gegeven;

zijn betoog, dat 's Hofs beslissing au fond is een bedekt ontslag 0. aangaande het tweede middel, dat bij twee incidentele vonnissen, van regtsvervolging, waardoor is geschonden art. 319 C. P. en ver- den 2 April jl. in de zaak door den eersten regter gewezen, de keerd toegepast art. 210 Strafvord. (vierde middel), noch de ge- officier van justitie was niet-ontvankelijk verklaard in zijne genomen grondheid te onderzoeken van het derde middel, waarbij over de requisitoiren, strekkende het eene om een als toehoorder in de zaal bewüsvoering wordt geklaagd en schending van artt. 211 en 206 onder het publiek aanwezige als getuige te doen hooren, het andere j°. 434 Stralvord. wordt beweerd. Had ik echter mijn gevoelen om- tot uitstel der zaak tot het nader doen hooren van getuigen;

trent die middelen mede te deelen, ik zou den Raad adviseren ze O., dat, op het tegen die uitspraken door den officier van justitie als niet gegrond voorbij te gaan. Immers beslist het Hof niet, zoo ingestelde beroep, bij het beklaagde arrest is verstaan, dat de eerste als beweerd wordt, in jure, dat bij het opbijschen of aflaten van regter, onverminderd zijne bevoegdheid om de voormelde requisitoiren goederen ten opzigte van personen, die geacht moeten worden met te ontzeggen, den officier ten onregte daarin heeft verklaard niethet gevaar bekend te zijn, geene waarschuwing wordt vereisebt, maar ontvankelijk; en verder is overwogen: # dat hiervan het gevolg is, feitelijk, dat de omstandigheid, dat de verslagene door het vat ge- dat, met vernietiging van de beide incidentele vonnissen, de officier troffen is geworden, niet bet gevolg is geweest van het verzuim van vau justitie alsnog ontvankelijk moet worden verklaard, waaruit waarschuwen, omdat de verslagene met het gevaar bekend moest voortvloeit, dat het onderzoek van den eersten regter als niet volledig zyn. Het Hof is derhalve van oordeel, dat er geen verband als vau kan worden beschouwd er, niet kan worden gehandhaafd; dat echter ( oorzaak en gevolg tusschen den dood van den verslagene en het de geest van art. 248 Strafvord. medebrengt, dat de zaak niet naar verzuim vau waarschuwing bestaat; het is dus wel degelijk eene den eersten regter moet worden teruggewezen, ten einde de zaak op , vrijspraak, op het ontbreken van dat verband gegrond, die hier ge- nieuw te onderzoeken, maar dat, met vernietiging ook van het eind- j geven is; en van onwettige bewijsvoering, van schending der regelen, vonnis, de zaak zelve door het Hof behoort te worden afgedaan»; , voorgeschreven voor het bevvijs der misdrijven, kan dus de rede waarna het Hof de beide incidentele vonnissen, zoomede het tegen J niet zijn. den bekl. gewezen eindvonnis, voor zooverre het appellabel is, heeft j

Ik heb de eer te concluderen tot verwerping der voorziening, voor vernietigd, en op nieuw en in zooverre op de hoofdzaak heeft zooverre zij mede is gerigt tegen dat gedeelte van het beklaagde beslist; s

arrest, waarbij op het hooger beroep van den officier van justitie 0., dat uit het vorenstaande volgt, dat, in zooverre als bij het ( tegen de ineidentele vonnissen vau 2 April 1873 is beslist; overigens middel wordt beweerd, dat omtrent de ontvankelijkheid der bedoelde < tot vernietiging van het arrest, en dat de Hooge Raad, het tegen het requisitoiren niet zou zijn beslist, die bewering is onjuist; dat toch \ eindvonnis gerigte appel, zoo als het is ingesteld, ontvankelijk ver- de beslissing, dat de officier van justitie in die requisitoiren niet- i klarende, het geheele door de Arrond.-Regtbank te Amsterdam in ontvankelijk is, al moge die niet zijn vervat in den gewonen vorm j deze zaak gewezen eindvonnis vernietige, en de zaak terugwijze van een afzonderlijk dictum, in de aangehaalde overwegingen uit- 1 naar voormelde Regtbank, om, met in-acht-neming van 's Hofs drukkelijk is gegeven; dat er geene sacramentele vormen bestaan ! ^

requisitoiren van den officier van justitie te be¬

de zaak af te doen, de kosten te voegen bij die

drukkelijk is gegeven; dat er geene sacramentele vormen bestaan

, nopens de bewoordingen, waarin eene uitspraak van den regter in - hooger beroep moet zijn vervat, bepaaldelijk niet waar hot eene ina cidentele uitspraak betreft, en die beslissing derhalve, wanneer zjj, zoo als hier, in de overwegingen van het arrest wordt gevonden , niet kan geacht worden niet te zijn gegeven, maar daarentegen inderdaad bestaat;

i O. voorts, dat wel bij *s Hofs arrest op die requisitoiren zelve, of ; de toewijsbaarheid daarvan, geene uitspraak is gedaan; maar dat het ' ! Hof hiertoe, met liet oog op art. 248 Strafvord., ook alleen bevoegd ' | zoude zijn geweest, ingeval van vernietiging van de te dien aanzien ! \ gewezen vonnissen , wegens schending of verzuim van vormen, welke

j bij de wet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven; : j O., dat echter de vernietiging heeft plaats gehad, op grond, dat ten onregte aan het Openb. Min. de bevoegdheid was betwist om • verhoor van eeu getuige en uitstel der zaak tot het hooren van '■ meerdeie getuigen te vragen, zoodat het geval van art. 248 hier niet ' bestond;

1 O., dat mitsdien het tweede middei is onaannemelijk, en de voorziening, zoover zij is gerigt tegen dat gedeelte van het arrest, waarbij op het hooger beroep van genoemde incidentele vonnissen beslist is, 1 niet is gegrond;

' 6. echter ambtshalve, dat het Hof, na de beide incidentele vonnissen te hebben vernietigd, en dien ten gevolge mede het in de zaak gewezen eindvonnis der Regtbank, ten onregte zelf tot eene verdere 1 behandeling der zaak is overgegaan;

O. toch, dat het zijne bevoegdheid daartoe geenszins, zoo als het beweert, aan art. 248 Strafvord. kon ontieenen, vermits de vernietiging was geschied van de incidentele vonnissen op grond van verkeerde regts-opvatting, en van het eindvonnis, op grond, dat de Regtbank niet bevoegd was dan na definitieve beslissing opde ontvankelijke requisitoiren van het Openb. Min., de zaak af to doen, en de geheele eind-uitspraak daardoor was onwettig, en er alzoo ten aanzien van geen van die vonnissen sprake is geweest van vernietiging wegens schending van vormen, op straffe van nietigheid bij de wet voorgeschreven, voor welk geval art. 248 alleen is geschreven , en buiten welk geval het derhalve geen toepassing mag vinden;

0., dat art. 248 Strafvord. mitsdien ten deze verkeerdelijk is toegepast, terwijl het Hof, na de incidentele uitspraken, en dien ten gevolge het eindvonnis der Regtbank vernietigd, en na tien officier van justitie in zijne genomen requisitoiren alinog ontvankelijk verklaard te hebben, zich van alle verdere beslissing had moeten onthouden, on de zaak naar den eersten regter terugwijzen, ten einde, met in-acht-neming van 's Hofs arrest, verder op die requisitoiren te beslissen, en daarna op de zaak zelve uitspraak te doen;

0., dat het beklaagde arrest dan ook uit dien hoofde moet worden vernietigd; en dat hierbij geen verschil maakt, of de teu principale gegeven beslissing als eene vrijspraak dan als ontslag van regtsvervolging moet worden aangemerkt, vermits alieen de vrijspraak, welke alleen door den bevoegden regter is gegeven, het beroep in cassatie kan uitsluiten, en ten deze is uitgemaakt, dat iiet Hof onbevoegd was op de zaak zelve uitspraak te doen;

O., dat, bij deze beslissing, het onderzoek van de overige middelen, de uitspraak op de zaak zelve en de bewijsvoering daarin betreffende vervalt;

Verwerpt de voorziening, voor zooverre deze mede is gerigt tegen dat gedeelte van het beklaagde arrest, waarbij op het hooger beroep van den officier van justitie tegen de incidentele vonnissen, door de Arrond.-Regtbank te Amsterdam den 2 April 187.3 in de zaak gewezen, is beslist;

Vernietigt voor het overige het beklaagde arrest;

En, krachtens art. 105 R. O., op nieuw regt doende op het door genoemden officier van justitie tegen het eindvonnis der Arrond.Regtbank te Amsterdam vau den 3 Aprii 1873 gerigt appel, zoo als het is ingesteld,

Verklaart den officier van justitie ontvankelijk iu dat appel; Vernietigt het voormelde eindvonnis;

Wijst de zaak terug naar gemelde Kegtbank, ten einde, niet in-acht-neming van 's Hofs uitspraak op het hooger beroep tegen de voormelde incidentele vonnissen, op de incidentele requisitoiren, iu de zaak door den officier van justitie genomen, te beslissen, en verder de zaak af te doen j de kosten te voegen bij die der eind-uitspraak-

ARRONDISSEMENTS-REGT BANKEN.

KANTONGEREGT TE ARNHEM.

Zitting van den 24 December 1872.

Kantonregter, Mr. G. H. W. L. Baron vau Dorth tot MedlerARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ARNHEM.

8ar!fer!ij!>e kamer.

Zitting van den 23 Junij 1873.

Voorzitter, Mr. t. M. Wenthoi/t.

Zee- en binnenschepen. — Artt. 748 en 749 W. K.

Hoe zijn schepen, die bij afwisseling binnenlandsche en buitenlandschi reizen doen, te beschouwen? — Als zeeschepen.

C. J. Overweg, schipper, wonende aan boord, eischer en appellaat, procureur Mr. H. G. P. Kolfschoten,

tegen

de directie der naamlooze vennootschap »de Arnhemsche suikerfabriek' te Arnhem, ged. en geïntimeerde, procureur Mr. II. j. KronenbebO.

De kantonregter enz.,

Overwegende, wat het regt aangaat:

dat bij het W, v. K. de regten en verpligtingen ten aanzien der zeeschepen onderscheiden worden van die betrekkelijk de schepen, welke uitsluitend tot de binnenlandsche scheepvaart gebruikt worden, op welke laatste van toepassing zijn de artt. 750 tot 763 van gezegd wetboek, terwijl de schepen en vaartuigen, welke niet bij uitsluiting de wateren binnenslands^ bevaren, maar die ook somtijds naar het buitenland gaan of van d&ar komen of voor deze vaart bestemd zijn, volgens art. 748, als zeeschepen beschouwd worden, waarop alzoo in het algemeen en naar de omstandigheden toepasselijk zijn de voorschriften, in de voorgaande artikels vastgesteld;

dat de artt. 748 en 749 W. v. K, in derzelver wording en bestaan, zich daaromtrent niet dubbelzinnig, maar zoo duidelijk verklaren, dat daarover geen redelijke twijfel denkbaar voorkomt; dat evenwel, vermits er regtsgeleerden en regtscollegiën gevonden worden, die naarluid hunner uitspraken de meening aankleven, dat schepen, die nu eens eene reis doen naar buitenlandsche Staten, dan weder binnen'slands varen, onder mee' genoemde artt. 748 en 749 gerangschikt behooren te worden, naargelang van de reis, die zij afleggen en hetgeen op zoodanige reis plaats vindt, — het uit dien hoofde niet overbodig is na te gaan, welke de ratio

Sluiten