Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkzaamheden en geleverde materialen en verschoten gelden elk afzonderlijk worden opgegeven, alles te zamen bedragende eene som, per resto groot ƒ 700.35, met vermelding, dat er door den app. op rekening was betaald /'350 ;

O., dat de app. de verschuldigdheid dier vordering, zoo als die gedaan is, bepaald en stellig ontkent, en alleen erkent het verbouwen van zijn huis aan den geïnt. te hebben opgedragen bij een tussehen partijen aangegaan contract van aanneming, voor eene vaste som van f 550 in eens af, voor alle werkzaamheden en leverantiën, volgens een vooraf tussehen partijen vastgesteld bestek , en daarbij voegt de som van f 350 op rekening en tegen quitantie te hebben voldaan en de resterende f 200 aanbiedt te betaleu, van dat aanbod acte vragende;

0., dat d» geïnt. echter alle contract van aanneming steeds blijft ontkennen, en het werken bij daggeld en de leverantiën per stuk , overeenkomstig den inhoud zijner dagvaarding, blijft volhouden en de betaling daarvan blijft vorderen , wenschende die werkzaamheden en leverantiën overeenkomstig het vonnis a quo door getuigen te bewijzen, met bereid-verklaring daaraan, zeo noodig, ook eene opneming door deskundigen toe te voegen;

O., dat de geïnt. voor het bestaan der door hem beweerde overeenkomst geen ander bewijs heeft aangevoerd dan het eerste gedeelte van de door den app. zoo in eersten aanleg als in hooger beroep gedane verklaring of bekentenis (de opdragt van het verbouwen), met verwerping van het tweede gedeelte (de aanbesteding en aanneming) voor eene vaste en bepaalde som van f 500 voor alle werkzaamheden en leverantiën in ééns af);

0., dat de geïnt. derhalve de bekentenis des appellants heeft gesplitst, doch dat de app. hem de bevoegdheid daartoe betwist;

0., dat de wet die bevoegdheid ook niet toelaat, maar die bepaald verbiedt, wanneer die splitsing, gelijk hier het geval is, strekt ten nadeele van dengene , die de bekentenis heeft afgelegd;

0., dat de wet daaromtrent wel eene uitzondering toelaat ter zake van aangevoerde valsche daadzaken, doch dat het geval dier uitsondering hier niet aanwezig is, daar de geïnt. de valschbeid van net aangevoerde feit van diensthuur bij aanneming voor eene vaste 8om, in eens af, niet heeft bewezen ;

O., dat er derhalve bij het verwerpen der bekentenii des appellants , zoo en in dier voege als het ongesplitst daar ligt, geen bewijs hoegenaamd aanwezig is omtrent eenig» overeenkomst van diensthuur tussehen partijen , welke ook;

O-, dat, daar het onderwerp der vordering de f 300 te boven gaat, een getuigenverhoor niet toelaatbaar is, en er na de zoo even gegeven beschouwing omtrent de onsplitsbaarheid van het aveu en hot ontbreken van alle bewijs hoegenaamd ook van geen begin van bewijs bÜ geschrift eenige sprake kan zijn ;

0., dat, daar nu het bestaan van eenige overeenkomst van dienstuur , welke ook en dus ook die van aanneming, zoo als de app. die voordraagt, van alle bewijs is ontbloot, ook aan de» appellants conclusie , dat bet Hof verklaren zal, dat hij met zijn aanbod en <>e praestatie daarvan kan volstaan, niet kan worden voldaan , maar hem alleen daarvan acte kan worden verleend;

Gezien artt. 1902 en 1961 B. W. en art. 56 B. R.;

Regt doende op het hooger beroep ,

, ï^oet 'iet te niet, mitsgaders het vonnis der Arrond.-Regtbank te 8 Uiavenhage, op den 8 April 1873 tussehen partijen gewezen en Waarvan ten deze is geappelleerd;

Eu, op nieuw regt doende,

Verleent aan den app. acte van zijn aanbod, om den geïnt. tot /'Vftn rekening en tegen finale quitantie te betalen de som van J 00; en, passerende des geïntimeerden verzoek tot getuigenverhoor, Ontzegt den geïnt. zijne bij dagvaarding van den 22 Nov. 1872 gedane vordering en veroordeelt hem in de kosten der beide instantien.

(Gepleit voor den appellant Mrs. Jhr. JE. N. de Brauw en J. G. «ocHussBN, en voor den geïntimeerde Mr. A. M. va» Stipriaan ■Ltïscjcs.)

ARLiONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

arrondissements-regtbank te 's hertogenbosch.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 2 Januarij 1874.

Scheiding van gemeenschappelijk bezeten onroerend goed en van contanten uit de inkomsten van hetzelve.

Justificatie van den titel van mede-eigendom dier contanten.

Het Bestuur der Registratie , eischer ,

tegen

W. Vissers, landbouwer, wonende te Dungen , opposant.

~e Regtbank enz.,

, behoord het rapport, uitgebragt door den regter-rapporteur Jhr. • VAN Meeewen ;

Gehoord het Openb. Min. , concluderende tot ontzegging van de rdering van den opp., handhaving van het dwangschrift en verooreling van den opp. in de kosten ;

~°erwegende ten aanzien der daadzaken :

scl "ï ^en 20 Jan. 1873 door den eischer is uitgevaardigd een dwangten teSen den °PP' t0' betaling van f 52.58, met renten en kos> w^i^ vordering wordt gegrond op het navolgende: dat, bij acte Be i l'an- « verleden voor den notaris Zijnen de Gier, te onv1CUni' t'e °PP' en z8^ere van de Meerendonk verklaren in erüeelde gemeenschap te bezitten: 1°. onroerend goed , aan hen 0ll,aiaenl'jk toebedeeld by notariële acte van 11 Mei 1850, gelegen j,es e' den Dungen , in sectie B, nis. 894, 895 en 896, en door partijen 'nko °P 18005 2"' Seree(Je geWen, bestaande uit opgelegde pejj.,Instan van goederen , gedurende den tijd, dat ze gemeenschapbij » tussc'len hen bezeten worden, ten bedrage van f 1800; dat ger ®e®elde acte aan opp., die voor de helft in den gemeeuen boedel ia jp "Sd was, werd toogescheiden het onroerend goed; dat die acte, belieb Vorm vsn boedelscheiding opgemaakt, als geene overbedeeling l«n le=en vast r0gt van f 2.40 geregistreerd en kosteloos

dat'""?"1 der hypotheken overgeschreven werd;

e'gend ee kij gemelde acte niet gejuitificeerd is de titel van medeCo»tam' .krachtens welken de deelgenooten tot de verdeeling der P'na r Zij" overgegaan; dat ook, op eene latere daartoe gedane oproekuQD' tltel evenmin is gejustifieeerd en mitsdien de contanten niet Z'cb berin"1 ,aanmerki'1g komen, zoodat het gemeenschappelijk bezit ^aarirj, ' de on™erende goederen ter waarde van/ 1800, eeile meerrt' V°°r f 90U geregtigd was; dat opp. mitsdien

8en Waa waarde van f 900 aan onroerend goed heeft verkreWPkenS in het dwangschrift vervatte berekening, hij Sevordorrt'i VSn registratio en overschrijving alsnog is verschuldigd de

'egen gemeldTwI"" ; dat biJ exPloit van 15 Mei J1- de °PP-

e,'s later» dwangschrift in verzet is gekomen , welk verzet, blij-

emorie, daarop is gegrond, dat bij de acte van 10 Jan.

1871 werden verdeeld onroerende goederen, aan de deelgenooten gemeenschappelijk toebehoorende, en opgelegde inkomsten van die onroerende goederen ; dat dergelijke inkomsten vourzeker zijn gemeen tussehen de eigenaren van het onroerend goed, en de niet betwiste titel van gemeenschap van het onroerend goed alzoo. is de titel van de gemeenschap der opgolegde, nog niet verteerde inkomsten; dat da opp. onderstelt, dat die gemeenschappelijke goederen door de eigenaars gedurende ruim tien jaren voor gemeene rekening zijn bewoond en bebouwd geworden , hetgeen aan het eischend Bestuur bekend is, en dat het vragen van meerder bewijs voor het bestaan en de onverdeeldheid dier gelden gelijkstaat met het vragen van het onmogelijke; op welke gronden hij opp. concludeert tot nietig-verklaring en buiteueffect-stelling van het dwangschrift, met veroordeeling in de kosten;

dat van wege het eischend Bestuur hiertegen is aangevoerd: dat niet wordt betwist de titel van gemeenschap der onroerende goederen, en de mede-eigendom daarvau dus gejustifieeerd is; maar dat hieruit niet volgt de gemeenschap van de inkomsten dier goederen i dat dit alleen het geval is, zoolang de vruchten niet opeischbaar, zoolang zy tak- of wortelvast zyn, waarvan ten deze geen sprake is, blijkens opposants eigen beweren; dat opp. de onverdeeldheid der inkomsten moet bewijzen; dat het onwaarschijnlijk is, dat de deelgenooten en mede-eigenaars de inkomsten onverdeeld zouden hebben bewaard, en eveneens onwaarschijnlijk , dat de gemeenschappelijke tienjarige bebouwing juist evenveel aan revenuen zoude hebben opgebragt als de waarde van het goed zelf bedraagt; dat die onwaarschijnlijke toestand door opp. moet gejustifieeerd worden, en dat, welke ook de beteekenis van het woord "justifié" in de wet moge zijn, het zeker is, dat daaronder meer verstaan wordt dan eene bloote opgave der betrokken partijen;

O. ten aanzien van het regt :

dat het eischend Bestuur erkent den titel van gemeenschap der onroerende goederen, bestaande uit boumanswoning met bijbehoorende getimmerten, erf, tuin, groes- en bouwland, groot 1 hectare, 34 aren, 30 centiaren, en tussehen partijen geschat op f 1800; dat verder het eischend Bestuur niet ontkent, dat deze aan de deelgenooten toebehoorende hoeve door hen gedurende tien jaren gemeenschappelijk is bewoond en geëxploiteerd, en dit mitsdien voor erkend mag worden gehouden;

O., dat de acte vermeldt, dat deze gemeenschappelijke bebouwing eene zuivere overwinst van f 1800 heeft opgeleverd; dat, wel is waar, de exploitatie eener dergelijke hoeve onder gewone omstandigheden in dea regel niet zoo groote winst zal afwerpen , maar deze niet als onmogelijk behoort ter zijde gesteld te worden, waar het geldt eigen exploitatie , te minder, nu het eischend Bestuur niet zoozeer het bestaan of bedrag dier overwinst, maar veeleer hare onverdeeldheid betwist;

O. omtrent dit punt, dat het te zamen wonen en exploiteren moet doen aannemen, dat baten en lasten, en mitsdien ook overwinst, van het gemeenschappelijke leven en bedrijf tussehen de eigenaren in 't algemeen bleven, zoolang althans niet van het tegendeel blijkt; dat het bewijs hiervan rust op het eischend Bestuur, hetwelk de verdeeling beweert, en dergelijk bewijs regtens niet geacht kan worden geleverd te zijn door redeneringen, die alleen het beweren waarschijnlijk maken; dat mitsdien in den titel van gemeenschap der onroerende goederen, gevoegd bij het bewezen feit dar gemeenschappelijke bewoning en exploitatie, gelegen is de justificatie van de gemeenschap der inkomsten dier goederen tot aan het bewijs van het tegendeel;

Regt doende enz. ,

Vernietigt en stelt buiten effect het dwangschrift van 20 Jan. 1873 , waartegen verzet;

Veroordeelt het eischeud Bestuur in de kosten van het gading.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE MIDDELBURG.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 7 Januarij 1874.

Voorzitter, Mr. J. H. de Stoppelaab.

Regters, Mrs.: P. Hofstede van Son en Jhr. A. van Reigïbsbeko Vebbloys. .— Officier van justitie, Mr. J. W. T. Swaters van Schadmburg. - Griffier, Mr. J. de Fiiemery.

Tienden ten behoeve tan het kroondomein. — Tiendblok. —

Bepaling dee waarde dook jaarlijksche vbrpachtingen.

Art. 2 dbb wet van 12 April 1872 (Stbl. n». 25).

Behoort bij afkoop van het tiendregt van een tiendblok , dat gedurende de laatste vijftien jaren dezelfde uitgebreidheid heeft behouden en waarvan de geheele tiend-opbrengst gedurende dien tijd in het openbaar is verpacht, het zoogenaamde slapend tiendregt afzonderlijk te worden geëvalueerd en tevens aan den tiendheffer te worden vergoed'! Neen.

M. Volkrijk Liebert, grondeigenaar, wonende te Middelburg, eischer procureur J. M. Bribve,

tegen

den administrateur van het kroondomein, wonende te Delft gedaagde, procureur Mr. A. J. van Deihse.

De Regtbank enz,,

Gezien de stukken van het geding, allen voor zooveel noodig op zegel^ en behoorlijk geregistreerd , daaronder de van de wederpartij den 31 Julij jl. behoorlijk beteekende acte, houdende vervanging van den oorspronkelijk gestelden, nu eervol ontslagen procureur, den heer H. Rekker, door den in diens plaats benoemden procureur, den heer Mr. A. J. van Deinse , en de daarbij gedane verklaring, dat het regtsgeding, hetwelk destijds nog niet waa in staat van wijzen, en door het ontslag van eerstgenoemden procureur was geschorst, op de laatste gedingstukken door den ged. zoudo worden hervat;

Gelet op de conclusiën van partijen en op de adstructie derzelve; Gehoord den heer officier van justitie in zijne conclusie: dat dë Regtbank, acte verleenende, waarvan acte is gevraagd, met nietontvankelijk-verklaring van den ged. in zijne vordering tot het hooren van deskundigen, het aanbod van den eischer onvoldoende zal verklaren , mitsdien hem zijn eisch ontzeggen en veroordeelen in de kosten van het geding;

Overwegende, dat, bij geregistreerd deurwaarders-exploit van 3 Maart 1873 , de eischer den ged., zijnde administrateur van het kroondomein der Nederlanden, tegen de zitting dezer Regtbank van den 26 dierzelfde maand heeft gedagvaard en dien-overeenkomsti" ten dienenden dage by conclusie van eisch heeft geconcludeerd : dal de Regtbank hem zal verleenen aete van het daarbij door hem gedane aanbod eener som van f 6286, met verklaring, dat hij daarmede kan volstaan en tot verder of meerder is ongehouden; voorts regt doende op den eisch in het hoogste ressort, zal verklaren , dat het door het gedaagde kroondomein voor de helft uitgeoefend tiendregt in het^ tiendblok, genaamd de Noordtienden in Walcheren, ' gemeenten Serooskerke en Gapinge (Vrouwepolder), tegen kwijting' der vorengenoemde som, is aangegaan op hem eischer, te dien effecte, !

dat gezegd tiendregt zal zijn afgekocht, voor zooveel de hem toebehoorende landerijen betreft, terwijl hij in de plaats des gedaagden zal treden met betrekking tot de overige in dat tiendblok geleden gronden ;

O., dat bij de conclusie van gisch in hoofdzaak zijn aangevoerd deze gronden : dat het kroondomein voor de helft het tiendregt uitoefent in het tiendblok, genaamd de Noordtiende op Walcheren, in bovengenoemde gemeente gelegen , kadastraal bekend, zoo als daarbij breeder met nummer en sectie is aangeduid;

dat hij eischer eigenaar is der in dat tiendblok in de gemeente Serooskerke gelegen landerijen, aldaar kadastraal bekend in sectie B , n<*. 163 , 163 bis, 164, 165 , 166 , 216 , 217 en 217 bis;

dat hij door af- en aankoop is eigenaar geworden van de wederhelft in het voorschreven tiendregt;

dat het kroondomein zijn half tiendregt in genoemd tiendblok sedert eene lange reeks vau jaren telken jare in het openbaar pleegt te verpachten;

dat het twintigvoud der opbrengst van de vijftien laatste jaren, na aftrek der twee voordeeligste en der twee nadeeligste jaren , en na bijvoeging van kosten van taxatie en andere ongelden, bedraagt eene som van f 6286;

dat, zoo het kroondomein met dit aanbod geen genoegen mogt nemen, hij bevoegd is den afkoop in regten te vorderen, overeenkomstig art. 2 der wet van 12 April 1872 (SM. n°. 25);

O., dat de ged. bij conclusie van antwoord, onder opmerking, dat het tiendblok in quaestie werkelijk bevat al de perceelen , met kadastrale omschrijving bij dagvaarding aangeduid, maar dat het perceel gemeente Serooskerke, sectie B, n°. 159 bis, thans is gesplitst in twee peiceelen, aldaar u°. 370 en 371, en dat het perceel , kadastraal in de gemeente Gapinge (Vrouwepolder), bekend sectie K, a°. 55 , niet met zijne totale inhoudsgrootte van 4 hectaren, 72 aren, 50 centiaren, tot het tiendblok de Noordtiende behoort, maar slechts voor zoodanig gedeelte als met de door hem daarbij aangegeven grens wordt bepaald, behoudens straks te vermelden restrictie, de bij dagvaajdiug genoemde cijfers der tiendverpachtingen over de jaren 1858 tot 1872 , en tevens de berekening des eischers van het twintigvoud aannemende als de som, verschuldigd voor de landen , die in de laatste vijftien jaren zijn bebouwd en tiendbare vruchten hebben opgeleverd, doch meenende, dat des eischers aanbod, uitsluitend op die cijfers gegrond, wel voldoende zou kunnen zijn voor af koopprijs van de tiend der in het blok gelegen bouwlanden, maar niet voor de tiend van het geheele blok, dat is voor bouw- en weilanden , ook boomgaarden, waaromtrent door den eischer ten onregte wordt geposeerd en door hem dan ook wordt ontkend, dat het kroondomein zijn half tiendregt in meergenoemd tiendblok sedert eene lange reeks van jaren, telken jare in het openbaar, pleegt te verpachten, vermits oor hem ged. zijn verpacht de aan het kroondomein toebehoorende domamale tienden, staande op den grond, waarop ze zijn gewassen, zonder van hunne plaats te zijn weggevoerd, en zulks over den jaarlijkschen oogst, terwijl door den eischer wordt gevorderd afkoop van de aan het kroondomein toebehoorende helft van het tiendregt in meergenoemd tiendblok, derhalve het geheel «het tiendblok met de wellanden en boomgaarden», maar evenwel de afkoopsom door hem slechts wordt berekend naar de jaarlijksche opbrengst van het deel »de tienden der bouwlanden*, zijnerzijds poserende om, bij ontkentenis of stilzwijgen des eischers, nader te bewijzen , dat in het quaestieuse tiendblok zijn gelegen niet minder dan 25, daarbij tevens nader beschreven • hectaren weiland en boomgaarden , zoodat de som, die als af koopprijs wordt aangeboden, is onvoldoende en behoort te worden verhoogd met een cijfer, na taxatie door deskundigen van de tiendwaarde der weilanden en boomgaarden vast te stellen ingevolge het 4de lid van art. 3 der wet van 12 April 1872 (Stbl. n". 25); op al deze daarbij breeder uiteengezette gronden heeft geconcludeerd, dat de Regtbank aan hem zal verleenen acte, dat hij niet aanneemt het door den eischer bij dagvaarding omschreven aanbod;

, voorts, regt doende op de gedane vordering, zal verklaren, dat de eischer met dat aanbod, als onvoldoende, niet kan volstaan en mitsdien , alvorens ten principale uitspraak te doen, zal gelasten een verhoor van deskundigen, om aan hen op te dragen de taxatie der waarde van de aan het kroondomein toebehoorende helft ia het tiendregt op de in meergemeld tiendblok aanwezige, in den voet der conclusie omschreven weilanden en boomgaarden; voorts na die taxatie zal vaststellen den afkoopprijs en verstaan voor regt, dat het door het gedaagde kroondomein voor de helft uitgeoefend tiendregt in gezegd tiendblok, genaamd de Noordtiende, tegen kwijting van den door den regter alsdan vastgestelden afkoopprijs, is overgegaan op den eischer, te dien effecte , dat gezegd tiendregt zal zijn afgekocht, voor zooveel de hem toebehoorende landerijen betreft, bij dagvaarding en conclusie van eisch breoder omschreven; terwijl hij in de plaats van hem ged. zal treden met betrekking tot de oveiige in dat tiendblok gelegen gronden, immers tot de perceelen, kadastraal bekend, zoo als bij zijne conclusie van antwoord omstandig is aangewezen;

en subsidiair, voor het geval de eischer over de hoeveelheid en hoegrootheid der weilanden en boomgaarden het stilzwijgen mogt bewaren , of het positum des gedaagden daaromtrent mogt ontkennen, dat in dat geval de Regtbank, mede alvorens ten principale uitspraak te doen: 1°. hem ged. zal toelaten door getuigen te bewijzen, dat in het quaestieuse tiendblok, de Noordtiende, gelegen zijn niet minder dan 25 hectaren weiland en boomgaard, in de gemeenten Serooskerke en Vrouwepolder (Gapinge), kadastraal bekend , zoo als bij de conelusie breeder is aangegeven; 2°. de grootte van een of meerder der opgenoemde weilanden en boomgaarden, door deskundigen te doen opnemen, uitmeten en beschrijven, alles eindelijk met veroordeeling des eischers in de kosten dezer procedure;

O., dat de eischer, autwoordeude op het ten principale gevraagd onderzoek door deskundigen, alsmede op de subsidiaire vorderingen tot getuigenverhoor en onderzoek van deskundigen, bij de daartoe strekkende conclusie, op daarbij breeder aangevoerde gronden de ontvankelijkheid en nog te meer de ongegrondheid der vordering tot schatting door deskundigen in deze betwistende, heeft geconcludeerd, met betrekking tot des gedaagdes verzoek tot benoeming van deskundigen , dat hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard, en dat verzoek hem zal worden ontzegd met kosten , en teu opzigte van de beide subsidiaire vorderingen erkennende, dat in het tiendblok de Noordtiende, ten processe breeder omschreven, behalve de bouwlanden , nog bovendien niet minder dan 25 hectaren weilanden en boomgaarden , zoo als die breeder zijn omschreven in de conclusie des gedaagden, aanwezig zijn,— dat de Regtbank hem van deïe formele erkentenis zal verleenen acte en verstaan , dat door die erkentenis de beide subsidiaire conclusiën tot getuigenverhoor en tot opneming van de grootte dier weilanden en boomgaarden door deskundigen zijn vervallen; en eindelijk, dat de Regtbank hem zal verleenen acte van datgene, waarvan acte is gevraagd bij de op den 3 Mei 1873 namens hem eischer aan den ged. beteekende geregistreerde acte vau procureur aan procureur, alles met kosten; O. in regten :

dat door den eischer van het daartoe gedaagde kroondomein wordt gevorderd de afkoop van de helft vau het tiendregt, dat door gezegd kroondomein wordt uitgeoefend op de gronden , dio gezamenlijk uitmaken het tiendblok , genaamd de Noordtiende op het eiland Wal-

Sluiten