Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Januari]. Ik meen, dat het omgekeerde waar is, en dat beide vragen ontkennend moeten beantwoord worden. Ik deei in het aigemeer. in de sympathie, die de arresten van de kamer van strafzaken te beurt valt; en ik erken gaarne, dat hare uitspraken veel winder aanleiding tot bedenking geven dan die van de burgerlijke kamer. Dit arrest komt mij echter zoo onbegrijpelijk zonderling voor, dat ik den lust niet kan wedersiaan om er mijne gedachte over te zeggen.

Van dat onafscheidelijk verband tusschen de straf-actie en de burgerlijke actie , althans in den zin , waarin het arrest dat opvat, weet ik in de wet niets te vinden. De beleedigde partij kan zich voegen in het strafgeding; en het gevolg van die voeging is eenvoudig, dat hare vordering , die eigenlijk bij den burgerlijken regter zou le huis behooren , door den strafregter moet worden beslist; maar zijne actie wordt daardoor niet opgelost in de straf-actie; zij is en blijft eeue zelfstandige vordering, die bet Openb. Min. niet aangaat. Zij kan zich, als zij dat verkiest, ook in hooger beroep voegen in de strafzaak; maar zij kan dat evenzeer nalaten, als zij dat in haar belang beter oordeelt. Is dus hare actie in eersten aanleg ontzegd, en voegt zij zich niet in hooger beroep, dan berust zij in die ontzegging ; en dan is hare vordering als beleedigde partij bij den strafregter vervallen. Niemand, noeh het Openb. Min., noch dei regter, kan haar het gebruik van een regt, dat zij niet langer ver- j langt, opdwingen. De beleedigde partij kan van gedachte veranderd I zijn ; zij kan tot de overtuiging zijn gekomen, dat zij eigenlijk geen j schade heeft geieden; zij kan begrijpen, dat er toch op den beklaagde j niets te verhalen is ; zij kan de vergoeding niet langer verlangen ; I zij kan hare actie liever later afzonderlijk voor den burgerlijken j regter willen instellen. In één woord, zij kan honderd redenen htb- I ben, om voor het oogenblik van hare actie af te zien. En dat is j haar regt, dat niemand haar ontnemen kan, door haar vergoeding I op te dringen, die zij niet langer vraagt, die zij niet langer wil. I Nog vreemder echter komt mij het antwoord op de tweede vraag I voor. De beleedigde partij mag geene getuigen doen hooren, art. 231 I Strafvord. Het arrest laat echter ée'ne uitzondering toe: zij mag zich j zelve doen hooren als getuige in hare eigen zaak. Waar staat die I uitzondering ? In de wet niet. En zij schijnt ook al zeer weinig I aannemelijk. De ratio decidendi ligt al weder in dat onafscheidelijk I verband: de burgerlijke actie is een accessoir van de straf-actie. Ik I meen te hebben aangetoond, dat dat volkomen onjuist is. Publieke j actie en private actie staan beiden op zich zeiven, en hebben alleen I dat gemeen , dat zij door denzelfden regter beoordeeld worden, maar I alleen als de beleedigde partij dat verlangt.

Het arrest heeft echter uog een tweeden grond : de wet verbiedt | nergens, dat de beleedigde partij als getuige gehoord worde over de | burgerlijke actie. Volkomen juist. Maar wat ( wil men daarmede j bewijzen? Is ér dan in het Burgerlijk Wetboek', of in het Wetboekl van Burgerlijke Regtsvordering, eene bepaling te vinden , die uitdruk- j kelijk verbiedt, dat de partijen als getuigen zullen optreden in hare I eigen zaken ?

22 Januarij 1874. S.

HOOGE RAAD. — Burgerlijke kamer.

Zitting van Vrijdag , 23 Januarij.

Voorzitter, Mr. F. de Gbeve.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. (cassatie) J. H. Landmeter, eischer, procureur Mr. C. J. I Franijois, tegen E. Baron van Harinxma thoe Slooten, ver- I weerder, procureur Mr. J. van der Jagt. Verworpen.

2°. (id.) F. van Sejjen, eischer, procureur Mr. C. J. Franfois, I tegen R. Baron van Harinxma thoe Slooten, verweerder,! procureur Mr. J. van der Jagt. Verworpen. I ,

II. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake: | i 1». (cassatie) J. Goijen, eischer, procureur Mr. J. van der Jagt, I t

tegen J. A. Dortants, verweerder, procureur Mr. M. Eyssell. I , Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 20 I \ Februarg.

2°. (id.) F. A. Bloemkolk, eischer, procureur Mr. J. van der j j Jagt, tegen dea burgemeester der stad Amsterdam, verweerder, j ( procureur Mr. M. Eyssell. Adv.-gen. Smits concludeert tot | vernietiging van het vonnis en terugwijzing der zaak naar de J s Eegtbank te Amsterdam. Uitspraak 20 Februarij, ] (

Hl. Niedwe zaak: ] ,

(koloniaal) H. L. Jansen, appellant, procureur Mr. J. van der I ) Jagt, tegen de Regering van Nederlandsch Iudië, geïntimeerde, I procureur Mr. C. J. Francpois. I ,

IV. Gepleit in zake: I ,

(cassatie) den burgemeester der gemeente Dordrecht, eischer, I procureur Mr. C. J. Fran?ois , advoka&t Mr. W. Wintgens, I ( tegen E. Bevier, weduwe van A. Koomans, e. s., verweerders, I ] procureur Mr. J. van der Jagt, advokaat Mr. A. M. van | ( Stipriaan Luïscius. Conclusie van hét Openb. Min. bepaald op j 6 Februarij. | (

NB. Donderdag is er geene zitting gehouden.

PLEIDOOIJEN IN CASSATIE-ZAKEN. I j'

26 Febr. H. Visser, eischer, tegen K. J. Duker, verweerder.

I

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ. J

Bij Z. M. besluit van den 19 dezer, n". 28, is benoemd tot notaris I v binnen het arrondissement Nijmegen, ter standplaats de gemeente I s Druten , C. A. A. van de Garde, candidaat-notaris te Zalt-Bommel. I if — De Gemeenteraad van Amsterdam heeft, in zijne zitting van I ij den 21 dezer, benoemd tot leeraar in de staatswetenschappen aan de |

hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus voor jongens, Mr. J. I ^

Domela Nieuwenhuis. j v

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 24 Januarij.

Onder de onlangs herbenoemde griffiers komt niet voor de griffier I bij het Kantongeregt te Schagen , wiens vijfjarige diensttijd den 18 I Jan. jl. is geëindigd. Eeeds voor dien tijd schijnt hij zich zonder ver- j lof van zijne standplaats te hebben verwijderd en zich naar Londen I te hebben begeven. Op dit oogenblik is dus de betrekking van griffier [ bij het Kantongeregt te Schagen vacant.

Naar wij uit goede bron vernemen, hebben de curators in het |

m faillissement Overklift en Comp. hun ontslag gevraagd bij request aan in de Regtbank, op grond van verschil van gevoelen met den regterrt commissaris, maar hebben zij, ten gevolge van nader overleg met de ig Eegtbank, er in toegestemd dat verzoek voorloopig terug te nemen. it — In de den 20 dezer alhier gehouden vergadering van het et Indisch Genootschap kwam het belangrijke vraagstuk der deportatie naar onze koloniën aan de orde, naar aanleiding der vraag, r- door den voorzitter, Jhr. Mr. W. T. Gevers Deynoot, gesteld : «Heeft st Nederland in zijne overzeesche bezittingen gelegenheid tot toepassing •n der straf van deportatie, en is die toepassing daar wenschelijk»? it Allereerst werd hierover het woord gevoerd door Dr. Th. Ch. L. e Wijnmalen. In eene uitvoerige rede wees spreker vooraf het oogpunt e aan, waaruit het vraagstuk in het Indisch Genootschap moest behanft dekl worden: niet de juridische zijde er van, maar voor zoover het ij in verband staat tot de koloniale belangen.

e Vervolgens werd herinnerd aan de uitvoerige behandeling er van, r zoowel bij de Regering en Volksvertegenwoordiging, als in verschil, lende geschriften en de organen der pers , terwijl het te verwachten is, dat het vraagstuk spoedig wederom aan de orde zal worden gesteld n bij de behandeling van het ontwerp-Strafwetboek, waarvan, gelijk e bekend is, de zamenstelling aan eene commissie is opgedragen.

Na deze historische herinnering werd door Dr. Wijnmalen de vraag 3 behandeld, of en in hoever de toepassing der deportatie-straf in Oost j i of West mogelijk en raadzaam is, tot de oplossing waarvan dei e volgende vier vragen werden gedaan: 1°. welk begrip vormt men zich ! i van deportatie? wat is het doel, waarmede zou worden gedepor' teerd ? 2o. zijn er in Oost- en West-Indië geschikte plaatsen aan te - wijzen tot opneming van gedeporteerden ? 3". zoo ja, verbiedt niet s de luchtgesteldheid in onze bezittingen elk duur/aam bestaan van ; etablissementen voor Europesehe gedeporteerden ? en 4°. mogt al het klimaat de deportatie toelaten, bestaan er geene bezwaren van anderen ; aard, die de uitvoerbaarheid dier straf in twijfel doen trekken, en moet niet in het bijzonder uit een politiek oogpunt deportatie naar ï onze koloniën ten strengste worden ontraden ?

i Met een beroep op de stukken, wees spreker aan, dat het nog niet ; allezins duidelijk was, wat men eigenlijk wil en wat men langs den : weg der deportatie wil bereiken. Wat de gelegenheid in Indië betreft tot opname van gedeporteerden, zij bestaat in overvloed; wij hebben : zelfs kust en keur tusschen West-Indië en Oost-Indië, en wat Oosti lndië aangaat, wij hebben daar, buiten Java en Madura, maar te ■ kiezen. In hoeverre nu het klimaat de deportatie zou toelaten, daarop meent spreker, dat er geen beslissend antwoord kan worden gegeven, ; hoewel met het oog op de ervaring, die ten onzent zoowel als bij i andere volken verkregen is, voorzigtigheid mag worden aanbevolen. : Gewigtiger kwamen spreker andere daartegen ingebragte bezwaren voor; spreker stond voornamelijk stil bij het voordeel, dat men door de aanwending van den arbeid der gedeporteerden tot kolonisering meent te zullen verkrijgen; geene kolonisatie met gedeporteerden ; enkele volkplantingen mogen daaraan haar ontstaan te danken hebben, maar nimmer hare ontwikkeling, noch hare welvaart. Eindelijk werden met nadruk de bezwaren aangewezen, die datgene betreffen, dat men de politieke zijde van het deportatie-onderwerp kan noemen.

Wegens het reeds vergevorderd uur werd de verdere beraadslaging van het onderwerp tot eene volgende vergadering verdaagd.

CORRESPONDENTIE.

Gorinchem, 16 Januarij 1874. 's Gravenhage ,18 « »

Aan de Redactie van het Weekblad van het Regt.

De heer Mr. N. J. van IJsselsteyn heeft de beleefdheid in zijn Voorberigt op den achtsten bundel zijner Aanteekeningen op het Wetboek van Stra/regt de wijze van uitgave der Verzameling van Arresten— van den Honert, uiierst traag to noemen. — ZWEg. voegt daaraan toe, waarschijnlijk eene bedreiging voor de Eedactie dor Verzameling: «om dit werk voortaan in zijne Aanteekeningen niet meer aan te halen».

De Redactie der Verzameling van Arresten—van den Honert acht het niet ongepast deze haar openlijk toegevoegde beschuldiging en daaraan verbonden bedreiging in het openbaar te beantwoorden/

Wat nu de beschuldiging betreft, zij opgemerkt, dat de Redactie slechts verpligtingen heeft op zich genomen jegens hare abonnenten, en dat, zooiang zij aan die verpligtingen volgens de door haar zelve gestelde voorwaarden voldoet, een regtmatige grond tot klagen niet bestaat.

Dat de Redactie ook in 1873 die voorwaarden heeft vervuld, lijdt geen twijfel; de twaalfde (laatste) aflevering was begin Januarij alom verzonden.

De beschuldiging van den heer v. IJ. mist alzoo ten eenenmale 1 den feitelijken grondslag. Ten aanzien van genoemden heer heeft de Redactie zich nimmer tot iets verbonden. Jegens hem derhalve is zij tot niets verpligt. (

Wat nu de bedreiging betreft, zij opgemerkt, dat wij nimmer van den heer v. IJ. hebben gevorderd, noch ook maar verzocht, onze Verzameling in zijne Aanteekeningen aan te halen.

Het aanhalen der Verzameling— van den Honert, hier welligt een noodzakelijk gevolg der bewerking van Schooneveld's Wetboek van J Strafregt (waarvan de Aanteekeningen van Mr. v. IJ. een doorloopend toevoegsel zijn) wordt door ons ten allen tijde op prijs gesteld, .

Begrijpt echter de heer v. IJ., dat hij, zonder de volledigheid zijner ( Aanteekeningen te schaden, onze Verzameling onopgemerkt kan laten, , wij kunnen er niets aan doen. Nogthans, en met alle bescheidenheid, durven wij ons hiervan overtuigd houden , dat zijne Aanteekeningen ' daarmede niet zullen worden gebaat.

Onzen abonnenten geven wij gaarne de verzekering, dat wij bij j voortduring zullen trachten onze jegens hen aangegane verpligtingen stiptelijk na te komen, en zelfs (zoo als meermalen, en nog in 1872 is geschied) bij grooteren achterstand door de uitgave van een extradeel hieraan te gemoet te komen.

Het zal der Redactie van van den Honert's Verzameling van ; Arresten aangenaam zijn dezen brief in een der eerstvolgende nummers van uw geacht Weekblad te zien opgenomeu.

Onder dankbetuiging verzoeken wij u wel te willen aannemen de verzekering onzer hoogachting.

De Redactie der VERZAMELING VAN ARUESTEN —VAN DEN HONERT,

Mr. J. C. M. van den Honert.

Mr. C. C. E. d'Engelbronner.

n j REGTSGELEERDE UITGAVEN.

I

le i - —■— —

=t I FRANSCHE LITEEATUUR.

; Robillard de Beaorepaibe, de, Recherches sur le procés de con£ | damnation de Jeanne d'Are. In 8»., 128 p. Rouen, le Brumbnt.

g ; Ortolan, J., prof., Les Pénalités de 1'Enfer de Dante, suivies d'une 5> | etude sur Brunetto Latini apprécié comme le maitre de Dante. In ,. i 18o., 177 p. Paris, Marescq.

lE VavAsseüe, A., avoc., Etienne Marcel et Jean Caborhe, Episodes des XIV et XVe siecles. In 8o. Paris, Cosse, Marchal et üiilabd.

Rot, J. J. E., Le Chancelier d'Aguesseau, 2e e'd. In 12» 144 p. Lille et Paris, Lefort. ' f

.- Bibliographie juridique italienne, par E. Ddbois, prof. a Ja Faculté a de droit de Nancy. In 8»., 23 p. Paris, Arnoüs de Rivière et Cie. i [Jkxtr. de la Revue crit. de lég. et de jurispr.j

BELGISCHE LITERATUUR.

t Courf (J'I.nstitutes et d'Histoire du Droit romain, par Namdr prof.

0 a 1 Univ. de Liége, 2 vol. in 8». Bruxelles, Decq et Dchent.

1 ITALIAANSCHE LITERATUUR.

2 Gabgiulo, Arr. Fr. Saverio II Codice di procedura civile del Regno t d'Italia commentato. In 8 '., p. 976. Napoli, Gros. Marqhieri.

Riccomani, B., Lo stato ed i poteri locali: Btudi politico amminastrivi. ( In 8°., p. 508. Roma, C. Vogheba.

! DUITSCHE LITERATUUR.

Ihering, Justz.-R. E. v., Geist d. römischen Eeehts auf den verschiedenen Stufen seiner Entwicklung, 1 Thl., 3 rev. Auf!., -r. 8»., 361 S. Leipzig, Breitkope u, Hürtel.

Beckhaus, Dr. F. W. K., Eepetitorium der ausseren römischen Eeehtsgeschichte, 2 verb. Aufl., 86 S. Berlin, Potikammer u. Mühlbbecht.

ADVERTENTIEN.

TE KOOP VOOR f40.

^ Een nieuw Exemplaar van de RAAD VAtf STAWfi;, geschillen van bestuur, deel 3 tot en met deel 12, Te bevragen in den Boekhandel van H, VAN DOESBURGH, te Leiden.

WOKDT GEVRAAGD

van den Honert, Arresten van den Hoogen Raad, compleet, of Burgerlijk Recht en Rechtsvordering afzonderlijk.

Adres, met franco brieven onder letter X, bij de Boekhandelaren S.& W. N. van Nooten , te Schoonhoven.

REVUE i)E DROIT IffiRYVriom

et db

LÉGISL4T10S GOIPARÉB,

fdbliée par MM. :

T. M. C. ASSER , avoc. et prof. de droit, h. Amsterdam i G. ROLIN-JAEQUEMYNS, dr. en droit et en sciences polit, et admin., è, Gand? Rédacteur-en-chef et Directeur-gerant; et

J. WESTLAKE, Barr.-at-Law, Lincoln's Inn , a. LondreS' Année 1873. — SOMMAISE de la 4» Livbaison.

Conférence juridique internationale de Gand. — Fondation de ITnstitu4 de droit international.

G. Carnazzi Amari.— Nouvel exposé du principe de non-interventi011 (suite et fin).

H, Brocher. —- Les principes naturels du droit de la guerra (4° dernicr article).

A. de Montluc. — Le droit de conquête.

G. Rolin-Jaequemyns. —■ !Note sur Partiele qui précède.

r. M. C. Asser. — Le Code Oivil de la république argentine.

A. Geyer. — Le projet de Code ailemand de proc. crimiuelle de 18?3 (suite et fin).

E. Vidari Le premier congrès juridique italien.

Notices diverses (Motion Richard).— Ligue internat, de la paix et dö la liberté)—Bibliographie.— Communications et Documents relatie ^ 1 Institut de droit international.

Cette BEVUE paraït quatre fois Tan. Prix pour le3 Pays-Bas / 6 par an. On s'abonne chez MM. Bei.infaNT® Frères, libraires a la Haye.

EN YOIE DE SOUSCRIPTION:

ARCHIVES DE DROIT INTERNATIONAL

et de

LÉGISLATION COMPARÉE.

(Voir le Prospectus.)

Snelpersdruk en SJiig-»»e van CiiRHIlOK"*'-'®*'' RKIilWlVV»:. ie '» «r»*•«»«

Sluiten