Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daardoor niet is verhinderd het ontstaan van eene stilzwijgende wederinhuring , ten gevolge van de feitelijke voortduring van het bezit van het gehuurde, zonder verzet vau den huurder;

0., dat de grief van de appellanten eerst dan gegrond zoude zijn, indien de geïnt,., ten gevolge van den afstand van het regt van optie door de appellanten , het perceel reeds te rekenen van 1 Febr. 1871 aan Gebr. Thonet hadde verhuurd, omdat in dat geval de appellanten zouden kunnen geacht worden van laatstgemelde, met toestemming van den geïnt., ook voor het trimester, waarover geschil, te hebben onderhuurd, en dus niet de huur met den geïnt. tacite te hebben verlengd; dat echter de appellanten, wel verre van dit te beweren , zeiven hebben opgegeven , dat de geïnt., eerst te rekenen van 1 Mei 1871, het perceel aan Gebr. Thonet heeft verhuurd;

O., dat uit dit alles volgt, dat de beslis»ing van den eersten regter behooit te worden gehandhaafd;

Gezien art. 56 B. E.;

Bekiachtigt het vonnis a quo, voor «ooverre daarvan is geappelleerd ; ° r

Vei oordeelt de appellanten in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor de appellanten Mr. Pu. A. Haas Az. , en voor den geïntimeerde Mr. J. G. A. Faber.)

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GRONINGEN.

Hamer v»n itrarznken.

Zittingen van 21, 22 en 28 Januarij 1874.

Beschuldiging van moord doob den vader op zijne dochter gepleegd. — zelfmoord. — VRIJSPRAAK,.

Den 21 en 22 Jan. 11. werd, blijkens de Pr. Gr. Cl., voor dit Hof behandeld de zaak van B. v. d. H., stelmaker, te Sappemeer, die door den proc.-gen. wordt beschuldigd ter zake, dat hij , na daartoe vooraf het opzet te hebben genomen , in den vroegen morgen van 17 Oct. van het vorige jaar in zijne woning te Sappemeer aan zijne dochter Johanna , huisvrouw van E. J. Möller met een snijdend werktuig twee zulke wonden heeft toegebragt, dat zij dien ten gevolge onmiddellijk is overleden, daarstellende de misdaad van moord.

Van de negen getuigen, die den 21 Jan. werden gehoord, legden voorzeker de beide heeren doctoren J. Th. Sormani en C. H. Sanders , die te zamen het visum repertum hadden opgemaakt, de meest belangrijke verklaringen af. Zich voor het grootste gedeelte refererende aan het door hen uitgebragt rapport, spraken zij als hunne overtuiging uit, dat de dood vau da verslagene niet kon worden toegeschreven aan zelfmoord , maar aan door een ander gepleegd geweld. Zij hadden dit als vermoeden ook reeds uitgesproken in hunne antwoorden op de drie hun gestelde vragen : lo. welke is de vermoedelijke oorzaak van den dood van J. v. d. H. ? 2°. welke aanwijzingen zijn er voor zelfmoord? 3». zijn er redenen om te vermoeden, dat de dood niet aan zelfmoord kan worden toegeschreven . maar aan door een ander gepleegd geweld? welke antwoorden luiden op vraag I: de oorzaak van den dood is geweest verbloeding en verstikking, ten gevolge van doorsnijding van het strottenhoofd eu van den linkerhalsador en insnijding van den linkerhalsslagader; op vraa^ II: twee aanwijzingen, echter van geringe beteekenis, zijn er voor zelfmoord: 1°. dat het lijk met een mes in de hand werd gevonden ; 2°. dat er, behalve de wonden, geene andere teekenen van uitwendig geweld werden gevonden ; en op vraag III: of gedacht moest worden aan door een ander gepleegd geweld, gaven zij een toestemmend antwoord , hetwelk zij uiteenzetten in dertien punten.

De verklaringen der getuigen komen in hoofdzaak hierop neder: De eerste getuige v. G. verklaart, dat v. d. H. hem het berigt van het overlijden zijner dochter in den morgen van den 17 Oct. had medegedeeld met deze woorden : »ik kan je de boodschap brengen, dat mijn dochter is overleden; zij heeft zich den hals uitgesneden.» Getuige is toen naar de woning van den besch. gegaan , doch heeft het lijk niet gezien; hij weet wel, dat vader en dochter dikwijls rusie hadden. De tweede getuige heeft den kleinzoon van den besch., op het verzoek van dezen , verwittigd van den dood zijner moeder. Toen hij met dien kleinzoon, bij den besch. binnenkwam, zat deze koflij te drinken en eene pijpte rooken. Getuige zegt verder, dat de verslagene niet erg opgeruimd was, omdat zij bang was, dat zij een vaischen eed moest doen in het belang van baren vader , die van ïefstal werd beschuldigd, en tot het doen van welken valscheu eed ^e besch. zijne dochter had trachten over te halen.

De vierde getuige, A. L., verklaart, dat de besch. de lamp niet 'ïlde aansteken, toen hij, getuige, bij besch. kwam om het lijk der dochter te zien, voorgevende, dat zoo iets niet noodig was. Getuide heeft toen door den tweeden getuige , die d££r ook was, de lamp doen Cl ff fWef' dat beSCh- met zijne dochter in onmin leefde; dood 'was Z ""gelaten, dat hij wilde, dat zijne dochter

De zevende getuige verklaart, dat de verslagene in den laatsten tijd treurig gestemd was, omdat zij niet wist, hoe in den volgenden winter aan den kost te komen, daar de besch. had gezegd, dat hij zijne dochter in den winter den kost niet langer wilde geven , en ook dat hij het raam zou uitkijken, als zijne dochter zich den hals afsneed. Getuige verklaart ook, dat zij gezien heeft, dat de besch. in den morgen, dat het feit is voorgevallen, zich een paar malen bij de pomp heeft gewasschen.

Bij zijn verhoor heeft de besch. verklaard: dat hij in den avond van den 16 Oct. zich in zijne woning heeft te bed begeven, en dat "iemand op dien avond of in dien nacht, behalve hij en zijne dochter, in hunne woning is geweest; dat hij, den volgenden morgen wakker wordende en oordeelende, dat het tijd werd, dat zijne dochter opstond, haar heeft geroepen en, geen antwoord krijgende, naar haar bed ging, .wuar hij haar vermoord en reeds koud vond; dat hij toen de buren hancTh- [oePen en aan de houding van het lijk, dat een mes in de heeft w^if' n'ets veranderd; dat zijne dochter zich reeds vroeger

iln"htpr'k6" ?p.llailScn, hetgeen bij, besch., had verhinderd; dat zijne , , , .. , ra"? Z11)nig was en zich te buiten ging aan sterken drank, en a' lj' sc ' ëeheal onschuldig is aan het hem te last gelegde feit.

Door liet vergevorderde uur werd, na het verhoor van den besch., de verdere behandeling uitgestel(J ^ ^ volganden dag , toen het

Openb. Min., w aai genomen door Mr. W. L. Schiffer, het woord beswam tot het nemen van zijn requisitüh, g ker merkte vooraf

op dat de houding van den besch. bij het lijk zijner dochter onnatuurlijk was: eene onnatuurlijkheid, waarvan het doel hem duidelijk

was. Immers, terwijl een ieder als bij instinct den ernstigen indruk gevoelt, wanneer hij zich bevindt bij een lijk, al is de bersoon van den overledene hem geheel vreemd geweest, hoe is te verklaren de Houding van den vader, die kan gekscheren bij het lijk van zijne naaste bloedverwante , van zijne ée'nige dochter , anders' dan dat hij, als oorzaak van den dood zijner dochter, eene rol speelde om zich aiet te verraden ? Vervolgens wijst spreker op de antecedenten van '•en besch. en den wensch, door hem uitgesproken tegen zijne dochter j en tegen anderen over haar. Het is niet onaannemelijk, dat de besch. • 100 dieP kan zijn gevallen, als wij bedenken , dat hij zijne dochter !

wilde overhalen ecu vaischen eed te doen, om hem te redden van de straf voor den hem ten last gelegden diefstal, aan welk verzoek die dochter geen gehoor wilde geven. Als gronden voor zijne overtuiging , dat deze besch. den moord had bedreven, wees spreker op deze omstandigheid, dat hij steeds met zyne dochter iu onmin leefde en tegen anderen den wensch had kenbaar gemaakt, dat zijne dochter zich zelve den| keel zou afsnijden , of dat een ander dat zou doen. Daaruit blijkt, dat deze man reeds lang zijne dochter voor zich zag, dood met afgesneden hals. Die dochter is in den ochtend van den 17' Oct. gestorven, en de vader was alleen bij het lijk. De vader gaat buiten zijne woning en deelt het verlies mede van zijne eenige dochter aan zijne buren. Hij haalt water, zet koffij, steekt eene pijp aan en gaat zitten bij het lijk, bij den bloedplas. Dat is gemaakt, dat is tegen de natuur, dat verraadt schuld. Nu zegt besch., dat zijne dochter gekermd heeft of gejammerd, maar niemand heeft dat gehoord. Verder zegt hij haar 's ochtends om zes ure te hebben geroepen, en toen| bevonden te hebben, dat zij dood was. Maar spreker vestigt de aandacht van het Hof er op, dat de dochter altijd om zeven ure opstond en de besch. om acht ure; dat dus de vader niet noodig had zijne dochter om zes ure te roepen, en er ook geene reden denkbaar is, waarom hij dat bij exceptie deze maal om zes ure heeft gedaan. Spreker vestigt verder de aandacht er op, dat de verklaring van den besch. onwaar is, als hij zegt, dat, toen hij bij het bed zijner dochter kwam, de bedstededeur gesloten was. Immers voor het bed lag bloed, aan de beddeur was namelijk eenig bloed te bemerken; die deur moest dus open zijn geweest. Spreker vraagt verder: is hier te denken aan zelfmoord? Hij wijst te dezen opzigte naar het uitstekend visum repertum , waarin die vraag zoo goed als ontkennend wordt beantwoord. Besch. heeft ook verklaard, dat, toen hij bij het lijk kwam, het reeds koud was; terwijl de getuigen hebben verklaard, dat het nog warm was. De dood was dus kortelings ingetreden. En ook de rigting der sneden van regts naar links toonen duidelijk, in verband met da rigting, waarin het lijk werd gevonden, dat niet aan zelfmoord kan worden gedacht, maar dat een ander is de dader. Die ander is de vader. Immers niemand heeft zich behalve vader eu dochter in den bewusten avond of nacht in de woning opgehouden. Spreker wijst nog op de omstandigheid, dat besch. zich in dien morgen tegen zijne gewoonte driemalen heeft gewasschen, en dat de ring, dien de overledene altijd aan haren vinger droeg, in het kabinet is gevonden, allen bezwaren tegen den besch. Op deze en andere gronden requireerde Z. E. G. A., dat het den Hove moge behagen den besch. schuldig te verklaren aan het hem ten laste gelegde feit en hem te veroordeelen toi levenslange tuchthuis-straf, en in de kosten.

Hierna bekwam de raadsman van den besch., Mr. G. W. Wijckerbeld Bisdom , hot woord. Na er op te hebben gewezen, dat het juist drie maanden is geleden, dat tegen den bekl. was uiigevaardigd een bevel tot aanhouding voor eene misdaad, die, zoo zij ware begaan , niet te zwaar kan worden gestraft, eene misdaad, zoo vreesselijk, als men er zich naauwelijks eene kan denken,—vestigde hij de aandacht van het Hof op de verhouding tusschen vader en dochter niet alleen, maar ook tusschen die dochter en haar kind. De verslagene was niet van onbesproken gedrag, getuige het feit, dat hare dochter niet met haar wilde inwonen; de verslagene maakte zich ook schuldig aan het misbruik van sterken drank, zoo als.door de getuigen is verklaard. Maar bovendien is volgens pleiters meening eene veroordeeling onmogelijk, omdat men dan alleen zoude afgaan op het visum repertum, dat slechts van vermoedelijken moord spreekt en volstrekt geene zekerheid kan geven. En behalve dat visum bestaat er geene enkele aanwijzing, die de schuld van den besch. aan het hem te last gelegde zou kunnen constateren. De wensch naar den dood der dochter is geene aanwijzing van moord, gepleegd op die dochter. Dat de besch. kalm en tevreden was bij den dood van de verslagene, had zijne redenen; want beiden leefden in onmin eu die houding was bij den bescb. dus zeer natuurlijk; het is en was bekend, dat de besch. geene liefde gevoelde voor zijn kind. Men vergete niet, zegt pleiter. dat, indien de besch. den moord had bedreven, men bloedvlekken had moeten zien op zijne handen of kleêren; want toen de getuigen bij hem kwamen, had hij zich nog niet gewasschen, en terwijl dit vaststaat, is het evsneens bewezen, dat niemand eenig bloed aan hem heeft bemerkt, zelfs de justitie niét, hoe naauwkeurig zij ook een onderzoek naar de kleederen van den bescb. heeft in het werk gesteld. Dus al heeft de besch. zich ook tweemalen gewasschen, zulks beteekent niets, omdat het is geschied, nadat velen hem reeds hadden gesproken en niemand iets aan hem kon zien. Dat hij een der getuigen een licht heeft geweigerd om het lijk zijner dochter te zien, is niet vreemd, omdat reeds velen dat lijk hadden gezien; daaruit blijkt ook, dat de besch. niet vreesde, dat een ander bij het bed kwam. Pleiter gelooft , dat hier zelfmoord zeer goed mogelijk is, in aanmerking nemende de zwaarmoedigheid, waaraan de verslagene leed. Op deze en andere gronden concludeerde pleiter tot vrijspraak, met veroordeeling van den Staat in de kosten.

Na re- en dupliek aan zijde van het Openb. Min., en aan zijde van den verdediger, werd het onderzoek gesloten , en de uitspraak bepaald op Woensdag den 28 Jan.

Bij arrest vau dien dag heeft het Hof den 72jarigen besch. vrijgesproken van de hem te laste gelegde misdaad van moord op zijne dochter. Het Hof heeft overwogen, dat de heeren doctoren niet als stellige zekerheid in hun visum repertum hadden verklaard, dat hier niet aan zelfmoord kon worden gedacht; en dat het den regter niet vrijstaat het gevoelen dier doctoren aan te vullen; zoodat niet voldoende overtuigend de schuld van den besch. is bewezen.

AREONDISSEMËNTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede kamer.

Zitting van den 31 December 1873.

Voorzitter, Mr. S. J. Hinost.

Regters, Mrs.: C. A. Ciiais van Buren en M. H.'s Jacob (plaatsv.).

Ongegronde beweringen van den onderteekenaar der promesse tegen den nemer aangaande de daadzaak der genoten waarde. Waar de nemer het geld gaf, de promettant het ontving (zij het ook uit derde hanci) en daarvoor aan order van nemer zich verbond, blijft hij wisselregtelijk geobligeerd.

Conservatoir arrest onder eene firma, waarvan een der leden de schuldenaar is van den arrestant, is als arrest onder derden volkomen geldig.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat, bg geregistreerd exploit van den deurwaarder Stroothoff, te Amsterdam, dd. 23 Jan. 1873, de eischer den ged., met beteekening van een op den 15 Jan. 1873 door hem gelegd arrest onder de handelsvennootschap Claessen en Docen , heeft gedagvaard voor deze

Regtbank tot betaling van een orderbillet (geregistreerd enz 1 groot ƒ 9000, op den 19 Oct. 1870 door den ged. ten behoeve van de. eischers firma D. en T. Drees of order onderteekend, betaalbaar 5 Nov. toen aanstaande, van non-betaling geprotesteerd'op 15 Jan. 1873, en tot van-waarde-verklaring van bovengemeld beslag onder derden, met renten eu proceskosten en uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te vellen vonnis, onder borgtogt en bij lijfsdwang;

dat de ged. ten dienenden dage is verschenen, en de eischer, 'overeenkomstig de dagvaarding hebbende geconcludeerd, daarop beeft geantwoord : te ontkennen het bedrag van het orderbillet aan den eischer verschuldigd te zijn, daar hij van den eischer nimmer eenige waarde heeft ontvangen, noch de waarde in rekening is; dat hij met den eischer nimmer in eenige relatie of rekening gestaan heeft eu de verbindtenis, zonder oorzaak zijnde of eene valsche oorzaak, inhoudende, krachteloos is; dat het gelegde beslag uit dien hoofde en ook omdat het informeel is, krachteloos is; dat de ged. niet ontkent een gelijksoortig billet te hebben geteekend, maar tot een geheel ander doel en daarvan het bewijs aanbiedt; weshalve door hem wordt Geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring of ontzegging van den eisch, nietigverklaring van het arrest onder derden en veroordeeliug van den eischer in de proceskosten;

dat bij conclusie van repliek de eischer nog nader heeft aannevoerd de som van f 9000 aan des gedaagdes broeder D. S. A. Docen te hebben verstrekt, die, voor zoover dit aan den eischer bekend is, dit bedrag aan den ged. heeft ter leen gegeven, ten einde hem in staat te stellen zijn aandeel m het maatschappelijk kapitaal der vennootschap tusschen hem en den heer Claessen aangegaan (11; dat de broeder D. S. A. Docen het door hem verschuldigde heeft gesaldeerd me de promesse in quaestie, waarmede de eischer zich heeft tevreden gesteld; overigens persisterende bij zijne conclusie van eisch-

dat de ged. hierop bij pleidooi alsnog acte heeft gevraagd' dat hii poseert en aanneemt te bewijzen; '

. I0- dat door den eischer voor het orderbillet, waaruit wordt <*eaceerd nimmer eenige waarde aan den ged. is verstrekt;

2°. dat bedoeld orderbillet eene valsche oorzaak heeft;

30. dat het door den ged. aan den heer D. S. A. Docen 'is afgegeven tot waarborg van een door dezen geteekende en door den eischer bij de heeren Wertheim en Gomperts gedisconteerde promesse , en bij den eischer slecnts was gedeponeerd tot diens meerdere garantie;

40. dat de eischer den heer D. S. A. Docen voor "de aflossing van gezegde promesse in rekening-courant heeft gedebiteerd; en

50. dat meergemeld orderbillet eindelijk niet aan hém eischer is verstrekt om de rekening-courant tusschen den eischer en den heer D. S. A. Docen te salderen ;

0. in regten :

lo. omtrent den eisch tot betaling der promesse:

dat bij handelspapier de wet geene andere vermelding van oorzaak der verbindtenis toelaat dan: «waarde ontvangen», of «waarde in rekening», en de ged. zijne handteekening en de vermelding van waarde in rekening niet ontkent, zoodat de acceptatie vormelijk volkomen wettig is;

2°. omtrent de verwering des gedaagden , dat hij nimmer eenige waarde heeft ontvangen, noch de waarde in rekening is met den eischer:

dat de ged. niet heeft ontkend f 9000 te hebben geleend voor zijn inbreng m de vennootschap Claessen en Docen; dat hij dat geld niet heeft terugbetaald, en dat dus het geschil eigenlijk alleen loopt over de viaag, aan wien hij schuldig is: aan den eischer of aan zijnen broeder D. S. A. Docen;

0; dat de gestelde feiten hieromtrent niets afdoende bevatten daar, blijkens de n°s. 3, 4 en 5 (zijnde n°. 1 en 2 alleen gevolgtrekkingen), de ged. wel beweert, dat de eischer zijn crediteur niet is, omdat deze zijn broeder D. S. A. Docen in rekening zou hebben gedebiteerd ; maar dat uit het debiteren van dien broeder voor deze schuld geenszins volgt, dat hij den ged. zou hebben ontslagen daar de eischer zeer goed twee debiteuren voor dezelfde schuld kaa hebben willen behouden; dat evenmin het beweren van den ged. dat de promesse alleen als garantie is verstrekt, ten deze beslissend' is daar de promesse door den ged. direct is gesteld aan den eischer of'diens order, als nemer, zoodat hier in elk geval eene solidaire en directe verbindtenis bestaat (zij het ook als garantie), welke de ged. als principale debiteur jegens den eischer is verpligt gestand te doen;

^ G., dat hieruit volgt, dat, al waren de door den ged. gestelde feiten bewezen, en al mogt hij die verwering inbrengen , zonder den vorm van reconventie te kiezen, zijne verpiigting tot betaling eventueel, met verwerping der reconventionnele vordering, niet zou zijn opgeheven;

O., 3°., ten aanzien van het bedrag onder Claessen en Docen : dat, daargelaten de vraag, of eene vennootschap regtspersoon is, het niet twijfelachtig kan wezen, dat zij, behalve een afzonderlijk domicilie en forum, ook een afzonderlijk vermogen bezil,.afgescheiden van dat der vennooten; dat uit die scheiding van het vermogen volgt, dat de vennoot in zijn privé crediteur dor vennootschap worden kan, en dat een beslag onder de vennootschap op hetgeen deze aan den' vennoot verschuldigd is, met den aard der zaak overeenkomstig is ;

dat de wet vordert, dat hij, onder wien het beslag gedaan wordt, derde zij , hetgeen hier ook het geval is, omdat het vonnis tegen den vennoot in privé niet direct kan worden geëxecuteerd tegen de vennootschap;

Gezien de artt. 105, 119, 205, 208, 209 W.K., 1662, 1663, 1666, 1667, 1669 B. W., 203, n°. 4, 126, 586, n°. 1, 735, 52 en 56 B. R.; Kegt doende enz.,

Verleent acte aan den ged. van het aangeboden getuigenbewijs, Passeert hetzelve als niet afdoende;

Veroordeelt den ged. om, tegen teruggave van het hierboven genoemde orderbillet, behoorlijk gequiteerd, aan den eischer te betalen e som van f 9000 , met de renten a 6 pet. van den dag van het Protest tot de voldoening;

Verklaart van waarde het bij exploit van 15 Jan. 18 73 onder de handelsvennootschap Claessen en Docen , te Amsterdam, door den eischer gelegde arrest;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger !>eroep, zonder borgstelling en bij lijfsdwang;

Veroordeelt den ged. in de proceskosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. J. van S. Mulder , en voor den gedaagde Mr. Ph. A. Haas Az.)

(1) Hier is kennelijk eene weglating in het ons toegezonden afschrift. 75 „j

Atcu,

Sluiten