Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat, al motto deze laatste bepaling niet de kracht hebben, om aan de deelger.ooteu het bewijs op te leggen, dat elk door hen in verdeeling gebragt voorwerp deel uitniaakt van hunnen beweerden genieen.-chappelijken eigendom , die bepaling hen nogtans verplgt om aan te toonen , uit welken hoofde zij mede-eigenaars zijn van de in deeling gebragte massa's ;

dat zulks in het ondernerpelijke geval voldoende is geschied ten aanzien van twee zesde gedeelten, d. i. van J 5000, in de bouwhoeve waarover het geding dan ook niet loopt; dat de eischers hun medeeigendom in het overig gedeel te dier bouwhoeve, d. i. voor ƒ 10,000, afleiden uit eene onverdeelde gemeenschap van ƒ30000, aan roerende goederen en contanten, welke tusschen hen en de andere vier deelgenooten bovendien zou bestaan ;

dat echter de acte van 23 April '.872 zoodanige gemeenschap bloot vermeldt, doch niet regtvaardigt; dat dit evenmin bij de latere schrifturen is geschied; dat toch die gemeenschap niet beschouwd tr.ag worden als bet gevolg eener gemeenschappelijke exploitatie der bouwhoeve, vermits de eischers zelf stellen , dat zij da bouwhoeve slechts met hun beide hebben geëxploiteerd, terwijl, ais hunne opgave dienaangaande verstaan moet worden in den zin, als geschiedde, die exploitatie door hen gezamenlijk met hunne vier overige declgenooten, zij in elk geval, tegenover de ontkentenis van het Bestuur, in gebreke zijn gebleven dit aan te toonen, noch deswege eenig bewijs hebben aangebeden; dat voorts bet gemeenschappelijk bezit van onroerende goederen op zich zelf niet medebrengt het gemeenschappelijk bezit van beweerde opkomsten, zelfs daargelaten de onmogelijkheid, dat eene bouwhoeve van ƒ15,000 waarde in twaalf dageu tijds ƒ 30,000 zou kunnen opleveren; dat alzoo ook de toescheiding der bouwhoeve aan de opposanten en hunne vier deelgenooten bij de acte van 11 April 1872 niet bij magte is den beweerden gemeenschappelijken eigendom te regtvaardigen ;

dat het gedaagde uestuur derhalve leregt een evenredig regt over ƒ 10,000 vordert, dat dit regt bij het dwangschrift juist is berekend en dat ook de overige vorderingen van het Bestuur op de wet zijn ge grond; interest in te gaan van den dag van het dwangschrift;

Regt doende enz.,

Verklaart de eischers kwaad opposanten tegen het dwangschrift van 27 Jan. 1873 , dienzelfden dag executoir verklaard ;

Handhaaft het en verklaart het verzet daartegen van onwaarde; Veroordeelt de eischers in de kosten van het geding, verevend op enz.

ARRONDISSEMËNTS-REGTBANK TE ROTTERDAM. Burgerlijk» kamer.

Zitting van den 18 Februari; 1874.

Voorzitter, Mr. J. A. M. Bichon van IJsselmonde.

Art. 345 W. K.: Aansprakelijkheid van den gezagvoerder voor

alle schaden aan de ingeladen goederen.

Art. 384 IV. K.: de beledigde scheepsverklaring levert bewijs op. In casu is duor de scheepsverklaring geconstateerd, dat de schade hel gevolg is van overmagt, waarvoor gedaagden niet aansprakelijk zijn.

H. Muller Szn., eischer, procureur Mr. W. S. van Reeseua , tegen

Ë, Oort en de Stoomvaart-Maatschappij //Nederland», gedaagden, procureur Mr. H. J. J. van Convent ten Oeveb.

De Regtbank enz.,

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooijen ;

Overwegende, dat de vordering des eischers daartoe strekt, dat de eerste ged. zal worden veroordeeld, om aan hem eischer te vergoeden alle schade, overkomen aan zekere zeven kisten manufacturen , door hem eischer verladen naar Batavia aan het adres van de heeren J. T.

van Leeuwen en Comp., of order aldaar, per het stoomschip der tweede ged. Willem 111, gevoerd door den eersten ged., en van het cognoscement over welke goederen, den 9 Mei 1871, namens den eersten ged. te Rotterdam geteekend in blanco geëndosseerd, hij eischer tevens houder was, en welke schade nader bij staat zou worden begroot, onder aanbod, voor zooveel noodig, om alle ter zake dier goederen afgegeven cognoscementen over te geven en te voldoen, hetgeen den ged. te dier zake 7.nn pminpt.prpn •

,

uat voorts de tweede ged. aansprakelijk zou worden verklaard voor etgeen waartoe de eerste ged. bij het te wijzen vonnis zou worden veroordeeld, tot de praestatie waarvan zij tweede ged. zou worden veroordeeld;

zomT' .veruordeeling van beide gedaagden in de proceskosten en met

,l„- . i v-woauire vorderingen als ïu de dagvaarding en de conclusiën n u l8 bre?!ler zi> vermeld;

van uen eersten eed aanvankelij|s "°g wel had gevorderd veroordeeling met de eerste scheensu-i? hctd°en vervoere" van de ingeladene goederen het geval dit bleek 8e"heid "aar de bestemmingsplaats, of wel, voor overkomen schade, tot-t8 Z'J"' te" geVol-ü van aan dezelve plaatse waar zij zi'ch bev'i, JjVerillg van de beschadigde goederen ter erkenning der iulading en dm"/ , och dat !,iJ • nailat de SeJ-> 01lder opgemerkt, dat het van alKe,n»! T','8 V8" het c°gnoscement> hadden worden bewezen, dat schip en w bekendheiJ was ™ 200 n°odiS waren veiloren gegaan, bii die vn,- ?S- r brand genoegzaam geheel n & '°ideringen ni«r. Wit volWH •

O., dat de gedaagden, die

reeds

des eischers vordering, of verklaring". ?.. CVjk tot ^zegging van

keliik. hadden «reroneludefirH u» aaari[i met was ontvan

door ziine nrimnira vordering los 0PSemGrkt, dat de ei&cher

ring te wijzigen zoo als hij dit doet, niet had i^"evor<>ie" derde, maur eene geheel nieuwe en veranderde ee'iG vcnm""

Zelb.lim n!et ,oeiiet en waarin hü dus niet-ontvanküiHW ^

nAucbL vvo ra en ; v

dat hij daar te boven tot die veranderde vordering . , ...

en de toom" af ingesteld' «anfdat de scldpner

noS,,mJ „i'Ü® aa"sPrakelijke reedenj, wel instaan en zich hii

deren, en er bij bescha^ h" "f ^ ■ "'"T"08 -der gnomen goe. een vermoeden goederen

het scheepsvolk is <. . . . . . .... ^r rs or van

voldoen aan zijne verp "™n'ff T? f*' T W t™ nUtovermagt of van een zée 1'^' H ge g 'S V&"

dat nu in casu vaststond^*dJwT''

verloren gegaan , namelijk door brand P 'S

der ine» Kii hnrna „r, J • ke van veranderde vor-

gvuuuiv-uv wnuubien Dieven

'•» wat de daadzaken betreft, dat de veria

eiso.hpr nn b g«»cuc.

den eerlik i i.„ - c°gnosceruent namens

O., dat in de eerste plaats onderzocht moet worden, of de eischer iijne bij dagvaarding ingestelde vordering heeft veranderd ;

0., dat de eischer zijne primaire vordering, strekkende tot het doen .■ervoeren der ingeladen goederen, als na de verklaring van de geitiagden, dat die goederen door brand geheel vernield waren, ijdel, »eheel heeft ingetrokken; dat daaromtrent dus van verandering van »isch geen sprake zijn k n ;

O., dat de subsidiaire vordering des eischers strekt tot vergoeding loor de gedaagden van alle schaden aan de ingeladene goederen overtomen, met uitlevering van de beschadigde goederen ter plaatse waar iie zich bevinden; dat de eischer bij repliek alleen te kennen gegeven leeft, dat hij op dien eisch, voor zooverre die do uillevering der aeschadigde goederen betrof, niet meer aandrong, omdat hem uit het intwooid der gedaagden gebleken was, dat die uitlevering niet meer mogelijk was,

0., dat de aanvankelijk door den eischer ingestelde vordering tot rergoeding der schade aaa de ingeladen goederen overkomen, dus nog altijd het onderwerp van 's regters beslissing uitmaakt en er ius ook ten opzigte van den subsidiairen eisch wel aan vermindering, maar geenszins aan verandering van het onderwerp van den eisch te denken valt;

0., dat dan ook de daarop steunende, door de gedaagden opgeworpene exceptie van niet-ontvankelijkheid behoort te worden verworpen;

O., dat alzoo in do tweede plaats onderzocht behoort te worden, of ae gedaagden voor de schade, aan de ingeladen goederen overkomen, aansprakelijk zijn te achten ;

0., dat de gedaagden de verantwoordelijkheid voor die schade bestrijden en beweren dat het feit, dat schip en lading nagenoeg geheel door brand zijn vernield, moet aangemerkt worden als eene zoodanige zeeramp en overmagt, als waarvoor schipper noch reedeiij verantwoordelij k zij n te achten ;

0. echter, dat niet iedere brand, waardoor schip en lading vernield worden, als overmagt is aan te nemen , maar dal daarvoor noodig is , dat de schipper aantoone, dat hij den brand niet heeft kunnen voorkomen, of dat hij niet zij te wijten aan zijne schuld of nalatigheid;

O. nu te dien opzigte, dat uit de door de gedaagden ten processe overgelegde beëedigde scbeepsverklaring blijkt, dat de brand is uitgebroken in de salon van de kajuiten, bij de fokkemast aan stuurboordszijde ;

zijnde deze scheepsverklaring sub n°. 325 voor zegel geviseerd en behoorlijk geregistreerd;

0., dat eene beëedigde scheepsverklaring bewijs oplevert van geledene rampen, behoudens regt van tegenbewijs;

0., dat de eischer het bewijs niet heeft geleverd, dat de brand niet zou zijn uitgebroken in de zooevengemelde salon ;

O., dat de eerste ged. niet geacht kan worden aansprakelijk te zijn

zijne bij dagvaarding ingestelde vordering heeft veranderd ;

vervoeren der ingeladen goederen, als na de verklaring van de ge¬

daagden , dat die goederen door brand geheel vernield waren, ijdel, geheel heeft ingetrokken; dat daaromtrent dus van verandering van eisch geen sprake zijn k n j

door de gedaagden van alle schaden aan de ingeladene goederen overkomen, met uitlevering van de beschadigde goederen ter plaatse waar die zich bevinden; dat de eischer bij repliek alleen te kennen gegeven heeft, dat hij op dien eisch, voor zooverre die do uitlevering der

beschadigde goederen betrof, met meer aandrong, omdat hem uit het

antwoord der gedaagden gebleken was, dat die uitlevering niet meer

mogelijk was,

vergoeding der schade aaa de ingeladen goederen overkomen, dus nog altijd het onderwerp van 's regters beslissing uitmaakt en er dus ook ten opzigte van den subsidiairen eisch wel aan vermindering,

maar geenszins aan verandering van het onderwerp van den eisch te den ken valt ;

pene exceptie van niet-ontvankelijkheid behoort te worden verworpen;

of ae gedaagden voor de schade, aan de ingeladen goederen overko¬

men, aansprakelijk zijn te achten ;

bestrijden en beweren dat het feit, dat schip en lading nagenoeg

geheel door brand zijn vernield, moet aangemerkt worden als eene

zoodanige zeeramp en overmagt, als waarvoor schipper noch reedenj

voor brand, uitgebroken in de salon der kajuiten, die meer uitsluitend bij de passagiers in gebruik is, immers dat niet kan aangenomen worden, dat hij die heeft kunnen voorkomen, noch ook dat hij aan zijne schuld of nalatigheid is te wijten ;

O., dat hier dus moet aangenomen worden, dat de schade, aan de goederen des eischers overkomen, het gevolg is van overmant, waarvoor noch de eerste, noch de tweede ged. aansprakelijk gesteld mag worden ;

Gezien artt. 345, 384 en 637 W. K., art. 134 en 56 B. R.;

Regt doende op de voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid,

Verwerpt die, en

Ten principale regt doende ,

Ontzegt den eischer zijne vordering , en

Veroordeelt hem in de kosten der procedure.

(Gepleit voor de eischers Mrs. H. C. Verniers van deb Loeff en H. H. Tels, en voor de gedaagden Mr. J. C. Reepmaker.)

0., wat de daadzaken betreft dat de verlor"ersl°teren' «en eischer en her teetene„1^ a<J,nS dCT g0ederen d0OT

covxiut- a i a a 4. i - cognosceiuent namens

^t-r&ien tred.- nUmena nuf, nifi cmptipror» .

b^r:^ maardat St.h,pen ?°ederen ^iLoeT gèliee1! daóo°r men worden, Z'Ja' ^ 8" PimiJen Vasts,aande> aangenoIn regten:

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM. Tweede kamer.

Zitting van den 7 Januarij 1874.

Voorzitter, Mr. W. T. Dijkers (fung. pres.).

Regters, Mrs.: S. J. Hingst en C. A. Chais van Boren.

Vervoer van koffij naar Basel aangenomen 12 JttLU 1870.

i ransch-Duitsche oorlog. — Onderhandsche verkoop dier

koffij op eind september 1870 ie StKAATSBURO door Fransche Oostbaan. — Begbip en omvang van overmagt bij vervoer van goederen. — In casd geen foroe ma jeuhe die ontheft.

Mag een expediteur oj eerste vervoerder, met voorbijgang oƒ overspringing van een aantal tusschen-expediUurs of verdere vervoer¬

ders, den laatsten vervoerder of met de verdere expeditie belasten

persoon in reyien t^n casu m vrijwaring) roepen ï — Ja.

Bause en Stolte, commissionnairs te Amsterdam, eischers, procureur

IVlr. Uj. j. asser ,

tegen

de Nederlandsehe Rijn-spoorweg-maatschappy te Utrecht, gedaagde, procureur Mr. j. H. van Ets ,

en

de Nederlandsehe Rijn spoorweg-maatschappij te Utrecht, eischeresse

in vrijwaring , procureur Mr. J. H. van Eïs , tegen

de naamlooze vennootschap •/de Fransche Oostbaan» (chemin de fer de l"Est) te Parijs, gedaagde in vrijwaring, procureur J. G. Kdhn.

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten:

dat de eischers poseren, dat de ged. van de eischers den 12 Julii

1870 te Amsterdam, ter vervoer naar Basel, aan het adres der weduwe Riggenbach , hebben aangenomen 100 balen koffij gen.eikt R. W.

408 —ft07, bij dagvaarding abusivelijk aangeduid ais B. W. >«08—507, die evenwel, niettegenstaande de sommatie dd. 17 Jan. 1871, aan het

adres niet zijn bezorgd ; op welken grond de eischers concluderen, dat de ged. vorde veroordeeld om alsnog uiterlijk binnen veertien dagen, na de betoekening van het in deze te wijzen vonnis, de door haar ter vervoer aangenomen 100 balen koffij aan bovengemeld adres te bezorgen , met vergoeding van kosten, fchade en interessen, ter zake der vertrno-inor in de bezonnner. nader od te maken hii >.tant

en, bij gebreke van aan de overeenkomst te voldoen, aan de eischers te vergoeden de geleden schade ad ƒ 5514.23, met de renten ten bedrage van 6 pct. 'sjaars, van den dag der citatie af, en subsidiair, voor het geval dat de Regtbank mogt meenen, dat de eischers alleen geregtigd zijn vau de gedaagde maatschappij te vorderen de schade, vei ooi zaak t door de niet-uitlevering en bezorging der ten vervoer oveigenomen goederen, dat de voornoemde maatschappij worde veroordeeld om aan de eischers te vergoeden de schade door hen geleden ter waarde van de meergenoemde 100 balen koffij, zijnde een bedrag

van ƒ 5514.23, met de renten ad 6 pct. *s jaars van den dag der

dagvaarding af cum expensis;

dat de gedaagde maatschappij verlor heelt gevraagd en bekomen

den chemin de Ier de i'Est in vrijwaring op te roepen, welke zaak

bij geregistreerd vonnis dd. 21 iebr. 18 ■ 2 bij de hoofdzaak is gevoegd ;

O., dat do oorspronkelijke ged., eischeresse in vrijwaring, in hare

conclusie heeft aangevoerd, dat zij op 12 Julij 1870 van do oorspronkelijke eischers, ter vervoer naar Basel, aan het adres der weduwe

li L'genbach, heeft overgenomen de hoven omsctireven 100 balen koiftj,

die over hare lijn heeft getransporteerd en aan de Rheinische Eisen-

bahn-Gesellschaft tot verder vervoer heelt overgegeven; dat de balen ten laatste ten \ ervoer naar Basel zijn overgenomen door de ged. in vrijwaring; dat zij , oorspronkelijke ged., aan al hare verpligtmgeu ten aanzien der meergenoemde balen koffij heeft voldaan en uit eigen hoofde te dier zake niets nan de originele eischers is verschuldigd; dat, indien de verdere verzending door de ged. in vrijwaring niet behoorlijk is geschied en de oorspronkelijke ged. te dier zake eenige verantwoordelijkheid jegens de oorspronkelijke eischers mogt hebben, de ged. in vrijwaring gehouden is haar deswege schadeloos te stellen en zij, eischeres in vrijwaring, de verwering tegen de vordering der oorspronkelijke eischers aan de ged. in vrijwaring moet overlaten; concluderende de oorspronkelijke ged., eischeres in vrijwaring, zich ten aanzien der oorspronkelijke vordering te refereren aan het oordeel der Regtbank , en ten aanzien der vordering tot vrijwaring , dat de ged. in dat cas zal worden veroordeeld tot betaling van alles waartoe de eischeres in vrijwaring bij het vonnis, ten behoeve der oorspronkelijke eischers, zou kunnen worden verwezen, met veroordeeiing van de ged. in vrijwaring in de kosten , ten deze te vallen ;

0., dat de ged. in vrijwaring bij hare conclusie heelt gezegd, dat zij van de Nederlandsehe Hijn-spoor«eg-maatschappij geene balen koffij overgenomen heeft en dat er ten deze tusschen partijen geene regtsbetreaking bestaat; dat de eischeres in vrijwaring de gehoudenheid der ged. in dat cas wel poseert, maar niet bewijst, en dat de vordering tot vrijwaring is niet-ontvankelijk; dat zij voor het onverhoopt geval, dat de Regtbank deze niet-ontvankelijkheid mogt verwerpen, bubsidiair ten aanzien der hooldzaak poseert, dat zij, ofschoon ten aanzien der identiteit der balen koffij , met die welke in de oorspronkelijke dagvaarding zijn vermeld, liets kunnende ontkennen of erkennen, niet ontkent, dat haar in Juiy 1870 door eene onmiddellijk aan hare lijn aansluitende spoorweg-administratie, ter expeditie naur Basel, is overgegeven en door haar is verzonden eene partij van 100 balen koffij, maar dat die balen de plaats van bestemming niet hebben kunnen bereiken; dat, ten gevolge van den uitgebroken oorlog, het vervoer van personen en goederen is gestremd; dat het haar veel moeite heeft gekost om de balen koifij de stad Straatsburg te doen bereiken; dat echter de balen, tijdens het bombardement, onophoudelijk aan het vuur van den vijand blootgesteld waren, waardoor z\j zich heeft genoodzaakt gezien de balen te verkoopen, ten einde die voor totale vernietiging te bewaren; dat die balen hebben opgebragt "600 francs, welk bedrag, na aftrek der kosten van opslag en vracht, zij aanbiedt uit te betalen aan den regtbebbende; dat aldus de ged. in vrijwaring door overmagt belet is de partij van 100 balen koffij ter desiinatieplaats te bezorgen en die overmagt huar van alle aanspra¬

kelijkheid ontslaat; op welke gronden de ged. in vrijwaring heeft geconcludeerd, dat de eischeresse in vrijwaring in haren eisch en conclusie worde verklaard niet-ontvankelijk, met veroordeeling in de kosten, en subsidiair dat haar, ged. in vrijwaring, worde verleend acte van haar aanbod tot uitbetaling van de verkoopsom der koifij, onder aftiek zoo als hiervoren is vermeld, en voorts, dat aan de eischeres in vrijwaring hare vordering zal worden ontzegd, met veroordeeling van laatstgenoemde in de kosten;

dat, na afwijzing van een verzoek der Pfalzische Eisenbahn tot interventie, ten slotte bij het voeren der pleidooijen , namens de oorspronkelijke ged., eischeres in vrijwaring, acte is gevraagd van haar aanbod om door alle middelen regtens, ook door getuigen, te bewijzen, dat de 100 balen koffij, bij den oorspronkelijken eisch bedoeld, door de Pialzuche Bahn tot vervoer zijn overgegeven aan de ged. in vrijwaring en door deze ten vervoer zijn aangenomen ;

0. in regten :

dat tusschen de oorspronkelijke eischers en de Nederlandsehe Rijnspoorweg -maaischappij vaststaat, dat laatstgenoemde den 12 Jalij 1870 ten vervoer naar Basel, aan het adres van de weduwe Riggenbach, heeft overgenomen 100 balen koffij, wegende 12,124 Zollpfund of 6062 kilogrammen, gemerkt R. W. 408—507 ; dat het evenzeer tusschen partijen vaststaat, dat de balen koffij de plaats van bestem ning niet hebben bereikt, terwijl uit eene door de oorspronkelijke eischers in het geding gebragte koopcedel (geregistreerd) blijkt, dat de meergenoemde balen op 16 Julij 1870 te Weissemburg zijn aangekomen en van daar vermoedelijk naar Frankrijk zijn vervoerd;

dat door de oorspronkelijke eischers wel beweerd, maar niet bewezen is, dat de balen koffij te Weissemburg vroeger hadden moeten aankomen en dat het vervoer niet langs de Fransche Oostbaan had mogen geschieden;

dat nu de Nederlandsehe Rijn-spoorweg-maatschappij van meening is, dat, zoo die balen niet behoorlijk ter destinatieplaats zijn aangekomen , de schuld daarvan ligt bij de Fransche Oostbaan; dat zij aan deze, tot vrijwaring opgeroepen, de verwering moet overlaten;

0., dat de vraag, of de Rijn-spoorweg-maatschappij in casu als expediteur dan wel als voerman moet worden beschouwd, op de beslissing der verdere quaeotien, die partijen verdeeld houden, geen invloed heeft; dat voor het overige de originele ged. dezelfde verwering heeft tegenover de eischers als de ged. in vrijwaring subsidiair tegenover de originele ged., te weien overmagt, zoodat, zoo de actie in vrijwaring niet-ontvankelijk is, de originele ged., bij gebreke van verdere verdediging, moet worden veroordeeld, maar, in tegenovergesteld geval, van de ongegrondheid der verdediging der ged. in viywaring, de toewijzing van beide actiën afhangt;

U., dat do ged. in vrijwaring, in de eerste plaats heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid der actie in vrijwaring, en wel op grond, dat zij van ae Nederlandsehe Kijn-spoorweg-maatschappy geene balen koffij heeft overgenomen en dat er alzoo tusschen haar en laatstgenoemde geen regtsbetrekking bestaat;

dat de eischeres in vrijwaring daareniegen heeft geposeerd, dat zy de balen koffij, na die langs haar eigen baan te hebben vervoerd, tot verder transport heeft overgedragen Ban de Rheinische Eisennahn, die zulks op hare beurt heeft gedaan aan de bij hare /iju aansluitende spoorweg-maatschappij en zoo vervolgens totuat de Pialzische Eisenbahu de goederen in quaestie heeft afgegeven aau de Fransche Oostbaan;

dat de betrekking der spoorweg-maatschappij, die de goederen het eerst aanneemt, tegenover de spoorweg-administratie, welke de bedoelde goederen tot verder transport langs hare banen overnemen, beschouwd moet worden als lastgeving, met dien verstande, dat iedere volgende maatschappij moet geacht woiden aan de haar voorafgaande te zijn in de plaats gesteld;

dat het nu, volgens art. 1840 B. W., aan den lastgever, in casu de Nederlandsehe Rijn-spoorweg-maatschappij, vrijstaat, eene der getubstitueerden onmiddellijk aan te spreken ;

dat dus de eisiheres in vrijwaring, die ten deze van hare bevoegdheid gebruik heeft willen maken, ir. hare togen de Fransche Oostbaan ingestelde vordering ontvankelijk is, indien vaststaat dat laatstgenoemde

Sluiten