Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 30 Maart 1874.

N°, 369G.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

ZES.EN-DERTIGSTE JAARGANG.

JU ET VfcKITAS.

fiit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om. de veertien dagen ook des Dïngsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met t 1.00 ver/tooging. — Prijs der adoertentièn, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers. — Agenten voor Duitschland: Haasenstein en Yogler, te Hamburg.

I:EVI: vAi ^aivc;.

Les formalités introduites pour sauver les intéiêts des partieuliers avaient tiui par en devenir les fkaux.

le Berqiiee.

De tweede kamer heeft ia hare zitting van 21 Maart aangenomen de wet op de zoogenaamde vrijwillige regtsmagt, nadat »een vloed» van amendementen voor het grootste gedeelte was verworpen. Wij verheugen ons daar zeer over, en vertrouwen, dat de eerste kamer binnen kort hetzelfde doen zal. Wij zien in die wet eene eerste en welgeslaagde proef van het stelsel der partieeie w ijziging, en wij verwachten daarvan eene zeer wcnschelijke verbetering en vereenvoudiging in een niet onbelangrijk onderwerp van onze wetgeving. De vorm had misschien anders kunnen zijn; men had daarbij misschien verder kunnen gaan, en nog meer kunnen ver beteren. Maar dit een en ander, als het waar is, wat wij nu niet sullen onderzoeken , kan toch niet wegnemen, dat wij met deze Wet, zij het dan ook langzaam , vooruitgaan. Men moet daarbij ook Wet vergeten, dat, wanneer groote maatregelen er bij onze tweede kamer met zoo gemakkelijk zijn door te halen, men ver'tandig doet met het weinige, wat wij krijgen kunnen, maar Voor hef te nemen.

En toch is het weder niet zonder moeite, zelfs niet zonder darmen, strijd gegaan.

Al ware er echter voor de wet niets anders aan te voeren, dan dat zij ons geven zal /'besparing van tijd, omslag en kosten ;» dan waren dat toch reeds voordeelen, die volstrekt niet te versmaden zijn, vooral in deze zaken. Men moet niet uit het oog verliezen , dat de wet aan de personae miserabiles, de bijzondere bescherming, die zij hun verleent en opdringt, zeer duur laat betalen, en dat die hun dikwijls veel hooger te staan komt dan £ij waardig is; en even weinig, dat die zoogenaamde vrijwillige 'egtsmagt, in zooverre alles behalve vrijwillig is, dat gij gedwongen wordt er willens of ouwillens uwe toevlugt toe te nemen.

Besparing van tijd, omslag en kosten. Men kan zeggen, en 'tten heelt gezegd: dat zijn «utiliteits-gronden». Het zij zoo. Maar tooet dan de wet ook niet daarop letten ? En zijn er niet vele zaken van wetgeving, waarin deze zeer op den voorgrond treden ? ~~ Wij meenen ja, en wij meenen dat o. a. juist ait onderwerp daartoe behoort.

Maar er is voor de wet veel meer te zeggen dan dit. — Wij 'en minste, en dat is onze voorname grond, wachten er eene betere en meer aan het doel beantwoordende behandeling der zaken van.

Hoe toch gaat het met die verhooren bij de regtbanken ?

Men mag zich daarvan nog zulke schoone idyllische voorstelingen maken, vooral als men ze nooit gezien heeft. Maar ieder,

16 ze ln ue Praktijk heeft bijgewoond, moet van elke illusie genezen worden, en erkennen, dat zij ontaarden in ïjdele maar zeer ost are formaliteiten. De heer Godefroi noemde het »comedie-spel.»

De heer L enting heeft ons die plegtigheden naar het leven afgeschilderd: F ° 6

Procureurs, die het verzoek doen, maar die van de zaak niets weten;

Bloedverwanten, die gehoord worden bij gemagtigden,die van ue zaak niets weten;

En eindelijk regters, die beslissen moeten, die ook van niets weten, en die geene middelen hebben,om zich behoorlijk te doen inlichten.

Wij verwachten, dat dat alles bij de kantonregters anders, minder plegtig, maar beter zijn zal. De redenen voor die meenin? kent iedereen. Wij zullen ze dus niet herhalen.

Maar wat had men dan tegen het ontwerp ?

De heer van Zinnicq Bergmann opende »de gedachten-wisseling», met eene redevoering, de heer Godefroi noemt het eene phüippica, die zeker merkwaardig genoeg was, maar die misschien bij velen meer verwondering dan bewondering zal opwekken , en waarin zeer in het breede de gronden worden uiteengezet, waarom hij met het ontwerp niet kan meegaan »

Welke zijn die gronden ?

De voorname komen hierop nedér:

. kantonregters zijn zoo jong en onbedreven; en bovendien 21J gaan op diners en soupers.

ong f W jj herinneren ons een tijd toen men, wij weten niet

eer bij welke gelegenheid, sprak van Laardelojze kantonreg-

g era. — Wij zouden niet durven verzekeren, dat de kanton¬

regters in den regel zooveel jonger zijn dan de leden der regtbanken en vooral dan de substituut-officieren, van wier verstandige voorlichting de heer Bergmann zich zoo veel gouden bergen voorstelt. In ieder geval die jonkheid is eene ziekte, waarvan men met den dag geneest. Maar wij voegen er bij, het is mogelijk dat wij dwalen, maar wij zijn niet zoo bevreesd voar die "jonge lui.» Integendeel, jonge menschen van talent, die liefde hebben voor hun ambt en lust om te werken, zijn in lang niet zoo te versmaden , en de frisctiheid der jeugd bederft daar niets aan. — De ouderdom heeft daarentegen ook zijne aangeboren gebreken, die maar al te dikwijls opwegen tegen zijne rijker ondervinding.

En wat zullen wij zeggen over de diners en de soupers ?

Bedwelmen die het verstand van de jonge kantonregters f Maken zij hun blind voor de waarheid ? of ongeschikt voor ernstigen arbeid ? — Och neen ! dat zoo zeer niet. Maar zij doen erger dan dat. Zij benemen hem zijne zelfstandigheid en onafhankelijkheid ; zij maken dat hij de wet vergeet voor de vriendschap, dat hij diensten bewijst in plaats van regt te doen. Zij stellen hem bloot aan «verleiding of misleiding»; of laten wij het kwaad maar bij zijn naam noemen, aan het gevaar om zich te laten omkoopen, zij het al niet met geld, dan met Champagne en Bourgogne.

Maar is dat ernst ?

En heeft de geachte spreker wel goed en kalm gedacht over hetgeen hij gezegd heeft ?

Waarlijk de heer Behgmann overdrijft zeer. Het is hem reeds in de kamer opgemerkt, en het is wel het minste wat men ervan zeggen kan.

Diners en soupers! Maar gaan dan regters en raadsheeren niet uit dineren en souperen (van de danspartijen zwijgen wij) ? Zeker wel; maar de Champagne-dampen schijnen op hen niet zoo verderfelijk te werken als op de jonge lui der kantongeregten, denkelijk van wege hunnen rijperen leeftijd en meer ondervinding. Dat kan waar zijn ; maar wij houden toch vol, dat wij van die »verleiding en misleiding», van die omkoopingen, door middel van diners, nooit gehoord hebben, even weinig bij kantonregters als bij regters en raadsheeren.

Er is bij deze gelegenheid nog een zeer aardige épisode in de kamer voorgevallen.

De minister van justitie had zich beroepen op het gevoelen van de juristen-vereeniging.

De heer van Zinnicq Bergmann antwoordde hierop in zijne phiiippica tegen «de schuinsche regtspraak van het kantongeregt» met deze woorden van Horatius :

J ustum ac tenacem propositi virum,

Non civium ardor prava jubentium,

Non vultum instantis tyranni Mente quatit solida.

Men zal moeten erkennen , dat de vergelijking niet zeer vleijend is voor dit «nieuw product van onzen tijd.»

W ij kunnen het niet beoordeelen, maar wij gelooven het gaarne, dat de heer van Zinnicq Bergmann een vir justus is en vooral niet minder een vir tenax propositi; maar daaruit volgt nog niet, dat de juristen-vereeniging bestaat uit cives prava jubentes et tyranni.

Ook met deze boutade van den heer Bergmann kon de heer Godefroi niet medegaan, ofschoon ook voor hem de vota der juristen-vereeniging geen onvoorwaardelijk gezag hebben,» omdat de dii minorum gentium» der juristen-wereld bij hare vergaderingen talrijker vertegenwoordigd zijn dan de dii majorum gentium tot diezelfde wereld behoorende.»

Als dat werkelijk zoo is, aan wien de schuld? Immers juist aan de dii niajorum gentium. Waarom blijven zij, de heer Godefuoi in de eerste plaats, weg.

Maar wij kunnen het den geachten spreker verzekeren, als hij er eens toe besluit die vergaderingen met zijne tegenwoordigheid te vereeren, hij zou zeer spoedig zien, dat hij zich vergist had. Men hecht bij ons nog al aan ambts-titels. Welnu, zij die daarop gesteld zijn, zouden er vinden hoogleeraren van onze drie hooge scholen, leden van den hoogen raad en van den raad van state niet behoorende tot de dii minorum gentium , niet weinigen van onze beste magistraten uit hoven en regtbanken. Van advokaten cn procureurs spreken wij natuurlijk niet.

Maar de heer Godefuoi, die met ons waarschijnlijk niet daarin alle heil zoekt, zou er vinden, juist wat hij verlangt, de dii

majorum gentium, de fine fleur van onze wetenschappelijke en practische juristen.

Ook wij dweepen volstrekt niet onvoorwaardelijk met de vota der juristen-vereeniging, maar wij hebben daarvoor eene geheel andere reden. Wij hebben weinig of geen autoriteits-geloof; en wij houden niet van het jurare in verba magistri.

Kr zijn misschien bijkans even veel van hare besluiten, waarmede wij het niet, als waarmede wij het wel eens zijn. Maar dit belet on3 niet om te erkennen en te waarderen, dat de zaken daar met degelijkheid, met grondigheid, met kennis en vooral met zeer groote onpartijdigheid worden onderzocht en besproken; en dat de juristen-vereeniging volstrekt niet verdient die voorname minachting, waarmede het op het Binnenhof mode wordt haar te behandelen.

Wij spraken daar van cnpartijdigheid, want het ligt in den

aard der zaak, dat in eene wetenschappelijke vergadering het alleen te doen is om de waarheid en niets anders dan de waarheid; dat niemand daar dus komt met een parti pris, omdat daar met geen partijbelangen te rekenen valt, en omdat niemand daar ministers heeft te bestrijden of te verdedigen; omdat in één woord daar altijd zaken, nooit personen behandeld worden.

Wij hopen, dat ook de eerste kamer het ontwerp zal aannemen.

D. P.

WETGEVING.

In de zitting van de Tweede Kamer van 23 dezer zijn aangevangen de beraadslagingen over het wets ontwerp tot vaststelling van net tai iel van geregtsko&ten in strafzaken , waarvan de gewone reg'er kennis neemt, in den loop der algeineene discussie, waaraan deel namen de heeren van Lyuden van Sandenburg, Wintgens, GoJefroi Cremers, van Baar en de minister van Justitie, sielde de heer van Lynden van Sandünburg de volgende motie voor:

«De Kamer, van oordeel dat het wenschelijk is, bij het vaststellen van nieuwe larieven van geregtskosten in strafzaken, den weg te volgen aangewezen bij art. 2 der wet van Is Dec. 1838 (St/ia sulad n°. 43) stelt de behandeling van het tegenwooidige wets-ontwerp uit, en gaat over tot de verdere orde van den dag.»

Die motie werd met 34 tegen 17 stemmen verworpen.

Vóór hebben gestemd de heeren: van Lynden van Sandenburg, Bredius, (verens de Wijlre, Insinger, Saayinaiis Vader, van den Heuvel] Wintgens, Begram, van liuyk, 's Jacob, Bichon van IJsselmonde, van Wassenaer van Catwijck, llaltmaris, Schimnielpenninek van der Oije, van den Berch van Heeuiste ie, Schimmelpenuinck en van Loon.

Na den afloop der aigemeene beraadslaging werd die over de on Ierdeelen gevoerd en voortgezet tot art. 48. Daarbij voerden hetuoird de heeren Godefroi, C. van Nispen , van Lyndeu van Sandenburg, Rombach, Breuius, Saaymans Vader, van Baar, van der Does dé Wiilebois en ae Minister van Justitie.

Onveranderd werden aangenomen de artt. 1 tot 5, 7, 9. 10, 12 tot 14, 17, 19, 20 tot 24, 26 tot 42, 44, 45 en 48. Da minisjer van Justitie veranderde de redactie van art. il, en nam geheel of gedeeltelijk over de door den heer G.«iel'roi op de artt. 6, 8, 15, 16, 18 25, 46 en 47 voorgestelde amendementen. Ken amendement van denzelf le op art. 43 werd met 34 tegen 19 stemmen aangenomen. Daarentegen werden verworpen een amendement van den heer R ■mbach op art. 22 met 32 tegen 17 stemmen; een van den heer GoJefroi op art. 35 met 33 tegen 20 stemmen , en een van den heer van der Doei de Willebois met 33 tegen 18 stemmen.

In de zitting van de Tweede Kamer van 24 dezer zijn de beraadslagingen voortgezet, die den vorigen dag tot art. 4-* gevorderd waren.

Aan de discussie namen deel de heeren Godefroi, Rombach, IJzerds, Bredius en de minister van Justitie.

Onveranderd werden aangenomen de artt. 49 tot 53, 56, 57, 59 tot 64, 66 tot 77, 80 en 81.

De minister van Justitie vereenigde zich geheel of gedeeltelijk met de amendementen, voorgesteld door den heer Rombach op de artt. 54 en 55, en door den heer Godefroi op de artt. 58, 65 en 78. Kan amendement van den laatste op art. 49 werd met 33 tegen 14 slemmen verworpen.

Na de goedkeuring der beweegredenen werd het wets-ontwerp met aigemeene stemmen aangenomen.

Zonder beraadslaging en met aigemeene stemmen werd aangenomen het wets-ontwerp tot vaststelling van het tarief van geregtskoften in strafzakeu, waarvan de militaire regter kennis neemt.

Sluiten