Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

. and b®schonw<l met de door ged. in het geding gebragte kadastrale aart (behoorlijk geregistreerd) en door drie kadastrale extracten, 9rüa &ttea de Percee'en 'hans kadastraal bekend sectie C, n°®. 2Ü56 di ,2059' 2060> 2061 en 2062> terwijl de eischers uitsluitend als enstbaar erf doen optreden sectie C, n"s. 2059 en 2060, en 3». omdat hehhSCherS bekwamel«k kunnen uitwegen, zoo ais zij vroeger gedaan oen en thans nog doen, en zelfs op de wijze als zulks door hen J aagvaardmg wordt geëischt, over het terrein gelegen tusschen de welk n gelegea °P da perceelen C, 2060 en 2058, en over 2059

bekBnriU"Weg £eheel gelege" 'S °P de , vroeger kadastraal

«etend seetie C, 1683 en 673, zoodat in elk geval art. 739 B. W.

"geen belang , geene actie®, aan hunnen eisch in den OU aan' en b. dat de ingestelde actie is ongegrond, omdat de ged. hebb Perceel' b?kend sectie C , n°. 2059 , ontkent eenige daad te te I verr'gt, die den weg belemmert , en wel is waar erkend 2060 d" ?aar£este'd het gebouw, kadastraal bekend sectie C , n". hel ' ontkent daardoor eenigen gebruikt wordende weg te

of 6,n versPer(i of onmogelijk gemaakt, zoodat door de afbraak wegruiming van dat gebouw onmogelijk zekere weg in zijn rigen staat van weg kan worden hersteld, dienvolgens door eisch ' 18 geconcludeerd, dat het der Regtbank behage den gedanen ' , 611 genomen conclusie te verklaren niet-ontvankelijk immers ™ a"hans ongegrond;

dat de eischers bij nadere conclusie de voorgestelde middelen van I let"ontvankelijkheid hebben bestreden, het tweede en derde middel nder anderen op grond, dat art. 739 B. W. niet van toepassing kan U", daar zij eischers ontkennen, dat sectie C, n». 2058 onir mr

"""""" ,V

«- Vrt?

Kpn ^♦•.,11 J ^onciusi© aangevoerde nader heb-

Caald door itT;.,rVe,nSKaan?eb°den d°°r alle '"iddelen «■

eischers thans sper" 'V' ° ewlJzen> dat teu behoeve van den tuin der 4 Annl' 1868 pn A6 .-i',!,' 2055> verschillende malen tusschen den het nercppl H rf'" i » met kar en paard en kruiwagen over

0 to„ 1 S gedaagden» thans sectie C, n'. 2U60, is gereden; ïniddplpn aUZien Van regt» en wel omtrent de drie aangevoerde ad Turn met;octvankelü^lieid:

Van dading bUikrda^rf^611^61"61'16 d°0r P8rtijen overgelegde acte door Hpn ,.,t ' a daarin vervatte overeenkomst is aangegaan

BerLt al!Ch geda8gden C" Adriaans ter eenre en dü0r ter andére zijde ^ eU ^ Sl6rk "mkendo vour de eischers,

keliik 'k ■jr^tS?e'd'gbe!d van zoodanige overeenkomst evenmin afhaner uiinderiari 6 autor'sa,'e der Regtbank, wanneer, zoo als in casu, Partli viwi- ,g6n m Z'-'a brokken, als van de raetihabitie van de voldoening dn h m8n Z'Ch heeft sterk gemaakt, daar toch bij niet het coutraet V' f"' °m vvelke redenen ook, aan de bepalingen van 's gehouden • ri 't t Z'°'1 sterk maakte, tot vergoeding van schade en door uen 'ir H ovendien , gelijk door de eischers is aangevoerd hebben r'let. 18 ontkend, door partijen , die gemelde acte

tratt io "verschrijven ten kantore der hypotheken, aan het con-

ad enng gegeven ;

het dienstba^ dat' volgens art. 739 B. W., de eigenaar van

taag ver!,* r T 61 onc'er anderen de uitoefening der erfdienstbaarheid erfdiensthÜ8^- eene plaats' verschillende van die, waarop de m°gt kuni.A 61 00'sPronkelijk gevestigd is, indien die verandering erf te benmipoi geschieden zonder den eigenaar van het heerschende in dien hnno ' de "''drukking «plaats verschillende» enz. niet het dienstel o?/1" ,'"°Ut worUen verstaan, dat de eigenaar van een ander hem t h ® dlenatbaarheid niet zou mogen verleggen naar

eigenaar van dit erf om daarvan titel te8h°adens het re«' van den »»ngohaalde bepaling van art. 739 B W VTk J dat t0Cb ""V te «gel: »quod mihi prodest et tTbiTo ' ,ten grondslag "gt

®[ het alge,neen belang bovendien vordert daf de p1* !f obligatUS"

datffih°feUJk ,10,0ael003 door ^asten worden gedrukt'^6"1 " v°Monnrtot Zf geddeaelred°vfnd",hetaldWOr1t de' eis°herS hu"ne

ree:t tot i &eueeije van "Gt dienstbaar erf benerkr in yiin

het tweede middelman n^t erWien®tbaarheiJ "iet is verkort, zoodat

da' verder d00r 2? ^'vankelijkheid mede is ongegrond; ontkend, dat de serviriinr v geste'd en 'ioor de eischers nief wordt geoefend over des rr,i au weg ^oor de eischers kan worden uit<jat de ged., wat ® gden Perceelen sectie C, n°«. 2059 en 2058; tiet oneens zijn namJ'-i"10?13! van het punt, waarover partijen n°. 2058, waarover thai'"1 ,i° gedeelte van het perceel sectie 0, 'ot het vroeger nu. i; 7 ■ï'S 6 Ultweg loopt, al dan niet heeft behoord pretatie van art. 739 jj ' lng®volge de hierboven opgegevene interaier voege te verlego-en' rl',e!k geval was geregtigd den weg in rf met is benadeeld „i,i, , 00r die verlegging het heerschende eweerd, veel minder bew*"8 "" de e'schers geene benadeeling is rmg niet zijn ontvankelüt eZe"' 20°dat de eischers in hunne vorde-

VeërLe°eUd6 eDZ"'

"evraagd; ^ ae'e van datgene, waarvan door hen acte is Verklaart de eischers '

eelt hen in de kosten. lnet ontvarikelijk in hunnen eisch en veroor- I

(bepleit voor de eischers Mr. £ r

voor den gedaagde Mr. W. "j b VaK ch Dunoek, procureur, o ' aron D'AULNIS DK Boubouill.)

«et Hof enz.,

ven eüen het voorschreven vonnis der „

het Lr acte Tan hooger beroep, mitsgaders 'i" gtbank te Eindhogeding > voor ZOoveel noodig behoorliik „ overige stukken van

aas ct"i-"

e'sch i„ u e" heer Pr"C.-gen., concluderende tot „f„ •

°g6r ber°ep' met Yeroori'eeliiig der

Gt'èr^n"e" der daadzaken :

Heelbak"'. dat de appellanten, toen eischers, den r,„v .

^ sï,s£ar*: ww-* -»

^end sectie C, „» 201'! geiDt" ge'ege" '6 Hehnocd. kadastraal be' het perceel der apJlLT' •" 2?.6?' hU,iS 6rf> teu ^hoeve straal bekend sectie C o ' lt,8gellJks gelegen te Helmond, ka:,®n «eg, zoo als dat bii „' 2"'"' beiast zÜn met het regt

'envolgens bij vonnis dier Reg'tbl t • W' '§ omschreven ' 0n om tegeostaande verzet, hooger baroen fUUvoerbaar bÜ voorraad, nietno°ren veroordeelen, om het „m. v,oorziening in cassatie, zich ^donV° Van gemeld Perceel, tuin, Ier 1 ,f'er erfdienstbaarheid ten ^060 het op zijn dienslbaa? pè^lT3 f g?hengen en " 'kie ' ees'eld gebouw binnen drie dagei „a b'™"' bekend sectie 9'

«fond e" V0Dnis geheel af ^ breken en weg t^rnfr ™ "V" ^egté ,, '°ver de weg moet loopen, in ziinen ■ D' en

*0ste vanrStHllen' 'Det maKtiS'"S 0la' zo° noodig eeJfe" "'T Ta"

tedafe": geïüt' met b6hUlP V"n de" S'e'rkeD "te"

'"'oeesse^over^ele'ff.fo door de appellanten ontleend wordt nit eene ten

Üat' volgens de appellanten 4h^1r' 1868 (behoorlijk geregistreerd);

ppellanten, bij die acte ten behoeve van het hun

toebehoorend perceel tuin, gelegen in de gemeente Helmond, kadastraal bekend sectie C, 2055 , vroeger 1&33 en nog vroeger 675 , is gevestigd het regt van weg, ten laste van de perceelen, den geïnt. toebehoorende ea gelegen in dezelfde gemeente , kadastraal bekend sectie C, 2059 , vroeger 1932 en nog vroeger 1683, tuin, benevens sectie C, 2062 , 2061 en 2060 , vroeger 673, huis en erf, in dier voege, dat de weg van uit den tuin der appellanten in eene regte lijn moet loopen over 1683 , thans 2059 , en langs de zuidzijde van het huis, destijds staande op en het noordelijk gedeelte uitmakende van 673 , welk nominer thans bekend is onder 2062. 2061 en 2060;

dat de appellanten beweren door den geïnt. te zijn gegriefd, vermits deze in de maand April 1871 eene woning heeft doen bouwen op dat gedeelte van zijn dienstbaar erf, dat thans bekend is onder n°. 2060, en tevens ten noorden daarvan twee woningen heeft laten optrekken, thans bekend onder n09. 2061 en 2062, welke twee nummers uitmaakten het noordelijk, thans bebouwde gedeelte van n°. 673, en dat ten gevolge daarvan aan de appellanten de uitoefening van un regt van weg, volgens hunnen titel, niet alleen wat de rigting etreft, maar geheel en al over het dienstbare en verbonden erf des geïntimeerden, thans kadastraal bekend onder n°. 2060, waarop de appellanten hun gemeld zakelijk regt hebben, onmogelijk is gemaakt;

O., dat de geïnt., toen ged., heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring der appellanten en ter bestrijding van de tegen hem ingestelde vordering heeft aangevoerd :

1 . dat de acte van 4 April 1868 , waarop de appellanten zich beroepen, is eene dading, aangegaan in naam van minderjarigen, en dat die dading, zoolang zij niet zal zijn voorzien van de goedkeuring der Arrond.-Regtbank , voor geene uitvoering vatbaar is;

2°. dat de acte van 4 April 1ö6S als dienstbaar erf aangeeft de perceelen sectie C, nus. 1683 en 673, die thans uitmaken de nuS. 2056 2058 tot en met 2062, terwijl de appellanten thans uitsluitend als dienstbaar erf doen optreden de n09. 2059 en 2060, en dat, in verband met dien feitelijken toestand, de geïnt. door de actie der appellanten wordt verkort in het regt, hem bij art. 739 B. W. toegekend, tot verlegging der erfdienstbaarheid, 111 de onderstelling, dat die erfdienstbaarheid niet buiten het dienstbare erf mag verlegd worden ;

3°. dat de appellanten behoorlijk kunnen uitwegen , zoo als zij vroeger gedaan hebben en thans nog doen , zonder door den geïnt. te zijn gestoord of verhinderd; dat die weg geheel gelegen is op de perceelen vroeger kadastraal bekend sectie C, nüS. 1683 ea 673 zoodat de appellanten, onverschillig of eene verlegging van den weg

hebben ^^ ^ dü°r ^ inSestelde actie geen belang

4°. dat de vordering der appellanten niet kan opgaan, omdat, al mogt de feitelijke rigting van den weg afwijken van de geconvemëerde rigting m de acte van 4 April 1868 omschreven, de appellanten niet bewijzen daardoor te zijn benadeel!;

& eerste regter, na te hebben overwogen dat de acte van

4 April 1868 waaraan door partijen is uitvoering gegeven, door haar ten kantore der hypotheken te laten overschrijven, van verbindende Kracht ^, da appellanten, toen eischers, heeft verklaard niet-ontvanKOlijk in hunne vordering, op grond, dat, volgens art. 739 B. VV. de eigenaar van het dienstbare erf de uitoefening van de erfdienstbaarheid mag verleggen naar eene plaits, verschillende van die, waarop de erfdienstbaarheid oorspronkelijk gevestigd is, en zelfs de er lenst aarheid op een ander hem toebehoorend perceel mag overrengen, indien, zoo als hier het geval is, de verlegging kan geschieden zonder den eigenaar van het heerschende erf te benadeelen;

aat de appellanten in hooger beroep nagenoeg dezelfde middelen i in eersten aanleg hebben voorgedragen en hoofdzakelijk hebben doen uitkomen, dat in casu niet een geheel perceel met de erfjiensl' Td VH Weg-1S bezwaard' maar dat bij dading voor dien weg d?enBtht»r » ? rigting is aangewezen ; dat, zoo de eigenaar van het 1 e uitoefening der erfdienstbaarheid mag verleggen naar eene andere plaats, het toch vaststaat en uit den aard der zaak volgt, vprwiin .teg®nover den eigenaar van het dienstbaar erf op die verleSiS hüwl t'™ beroepen • zoolang hij niet aan dezen van die JondB™ i! kenms gegeven, en dat vóór de dagvaarding nimmer dien ,1p°. 1 enmSgeVlr'g door de appellanten ontvangen is; dat hovenverlek ïï S' Wa?r°P f8 erfdienstbaarheid, volgens den geïnt., thans voorwtnl* VOü"dUr,ünd be'emmerd wordt door daarop neêrgelegde sidiario hphl6" de appellanten, om dat feit aan te toonen, subdaadzaken ïü" ve"ocht ,te ^rden toegelaten tot het bewijs der aa" het slot hunner conclusiën worden omschreven, nin&pn Z'n ein eIlJk in het geding hebben gebragt drie schetsteeke-

fbehoor'liik m ' °,T deD landmeter Kwisthout te Eindhoven \Denooriijk geregistreerd);

waarvad„aLleigeïllt' daarop heeft geantwoord: dat in het vonnis, Ippnrt fc , ' U , 0nregte is verworpen het middel door hem ontdeToedL," geb"ek m den vorm der acte van 4 April 1868, waarop kregen g' J 1889 6n 465 B' W- ^doeld, niet is ver-

Derceel°r "l^S 1® geÏDt" erkennende dat aan de zuidzijde van het

Cr ' DS meer ruimte bebo«wd is dan den 4 April 1868

te^en hpm T' ^ezelfde gronden als voor den eersten regter de

donr l „'"gMSt Je vordering bestreden, en ten slotte de subsidiario

dienend? gestelde daadzaken ontkend en het ter zake

dienende van deze betwist heeft;

,,on0';',de, aPPe'la"ten bij nadere conclusiën hebben gewezen op

dat de uUwc" l?lVan 4 Apr" 186S' Waarbij is overeengekomen! l l °pen over het perceel sectie C, n». 1683 , en

angs de zmdzijde van het huis, staande op sectie C, 673, naa? en

« °peDbare s'raat; dat bij gevolg de appellanten bevoegd en • niiil Z 0m de".wfS volgens hunnen titel te nemen, en dat einde j e geïnt. met incidenteel heeft geappelleerd van dé door den eersten regter verworpen exceptie, gegrond op het beweerde gebrek in den vorm der acte van 4 April 1868;

Ten aanzien van het regt;

O., dat de bewering van den geïnt., waarbij hij aan de acte van dading eene verbmdbare kracht wil hebben ontzegd, zoolang daaraan de goedkeuring der Regtbank ontbreekt, door den eersten regter in zijne motieven als van onwaarde beschouwd is, doch zonder daarvan het onderwerp van eene bepaalde beslissing te maken ■

anne8!1 noJT- ^ T den 6ers,en regler incidenteel

dien v n? k°n,d® W°rde" InKefiteki > «" dit Geregtshof mits¬

te treden eV°eg W °m °P dat pUnt in een nader onderzoek

minderbiri 8Cte Van 4 April 1868 is eene dadÏDg. in naam van van de Zn ?atngegaan, waartoe, volgens art. 465 B. W., het verlof

dat biial j " gtbank vereischt wordt;

derjarigen zich ï!" sev.olge van het gemis dier magtiging, de mindaaruit niet vulet T gesloten. overeenkomst konden verzetten , te verbinden, mai 0^,1, Ê ®eint"' wiens auteur bekwaam was om zich niet in zijn belang mnü1811 ,fegea. ^et na'aten eener formaliteit, die voorgeschreven; ' r a eeQ In 'let belang der minderjarigen is

dat de auteur van den „ov.,. ,, ,

de naleving dier formalitei? |,a!i' J,"'" "lte" van he.' contract, het ontbreken daarvan evenmin knn "ho" vo r<:"1 doch zich later op

verkeerde van, volgens art. 13B7 13 w a 8 °S m het K,eval

ta u j 1 j ' ** •» met de minderjarigen zei ven

te hebben gehandeld, en dat hij bovendien, door deJ Je te doen

registreren en den uitweg overeenkomstig de acte te laten nemen, moet worden geacht aan de gemaakte verbindtenis van zijne zijde uitvoering gegeven te hebben ;

O., dat bij de acte van 4 April 1868 is gevestigd het regt van weg, ten behoeve van den tuin der appellanten te Helmond, destijds kadastraal bekend sectie C, no. 6 75, over de perceelen van den auteur des geïntimeerden gelegen, aldaar en destijds kadastraal bekend sectie C, n,a. 1683 en 673, in dier voege, dat die weg, van uit den tuin der appellanten gerekend, in regte lijn zal loopen over sectie C, n0. 1683 , en langs de zuidzijde van het huis, staande op sectie c' n°. 673 , naar en tot de openbare straat;

O., dat uit de erkentenissen van partijen en uit drie ten processe overgelegde schötsteekeningen van een landmeter bij het kadaster, waarvan de deugdelijkheid niet betwist wordt, volgt, dat de tuin der appellanten , destijds C, 675, thans kadastraal bekend is C, 2055 ; dat het in de acte aangeduide perceel C, 1683 , thans kadastraal bekend is C, iU59; dat aan de zuidzijde van het huis, bedoeld iu de acte van 4 April 1868 en toen bekend als C. 673, door den geïnt. ff" 'W(,eede gebouw is opgetrokken, dat thans kadastraal bekend is y , i060, en dat naar aanleiding daarvan de rigting van den weg, 111 de acte van dading omschreven, nu zoude loopen over de perceelen van den geint.. C , 2059 en 2060, en door het huis , dat op laatstgenoemd nommer gebouwd is;

0., dat in de dagvaarding wordt gesteld, dat de erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van perceel C , 2055 , en ten laste van de perceelen C, 2059, 20b0, 2061 en *062 ; dat alzoo in die dagvaarding het dienstbaar erf in zijn geheel is omschreven, en het middel van met-ontvankelijkheid, steunende op niet vermeluing van het getieele dienstbaar erf, is ongegrond;

Ten aanzien van de hoofdzaak :'

O., dat de geïnt., door de uitoefening der erfdienstbaarheid over de rigting, bij de acte van 4 April 1868 bepaald, te versperren en eene andere gelegenheid voor den te nemen weg open te laten beweert te hebben gehandeld overeenkomstig een regt, hem bij art. 739 " . * toegekend, en waaruit hij de bevoegdheid ontleenen wil om, indien daardoor geen nadeel wordt veroorzaakt, de erfdienstbaaiheid te verleggen naar eene plaats, verschillende van die, waarop de erfdienstbaarheid oorspronkelijk gevestigd is ;

O., dat die bewering in het onderwerpelijke geval niet kan opgaan, omdat de geïnt. heeft nagelaten aan den eis^her van het heerschende erf die niet meer volgens zijnen titel van de erfdienstbaarheid konde gebruik maken, de gelegenheid aan te bieden om zijnen titel, in verband met den nieuwen door den geïnt. beoogden toestand, te wijzigen of te veranderen, noch door eenige h ndeling de plaats heeft aangewezen , waarover de andere uitweg zou hebben te loopen , en dat, zoolang die wijziging of verandering van den titel niet is geschied de verlegging der erfdienstbaarheid niet mag worden geacht ten opzigte vau den eigenaar van het heerschende erf, in den zin der wet te zijn uitgevoerd en het regt, dat de geïnt. uit het door hem ingeroepen art. 739 had kunneu verkrijgen, voor den eigenaar van het heerschende erf geene verbindende kracht bezit;

O., dat het regt van erfdienstbaarheid is eene onroerende zaak , wam-van de levering of opdragt geschiedt overeenkomstig art. 671 li. W.; terwijl bovendien in art. 743 van dat wetboek nogmaals wordt bevolen , dat de titel van aankomst in de daartoe bestemde open bare registers moet worden ingeschreven; dat uit de redactie van art. 739 B. W. moet volgen, dat de eigenaar van het dienstbare erf, onder voorwaarde, dat daardoor aan den eigenaar van het heerschende erf geen nadeel wordt veroorzaakt, de bevoegdheid bezit om zonder medewerking van laatstgemelden eigenaar af te wijken van de bepalingen , vervat in de acte, waarvan de inschrijviug in de openoare registers geschied is, en het zakelijk regt, waarmede bij overeenkomst een bepaald aangewezen grondstuk was bezwaard, op een in den titel van vestiging niet genoemd grondstuk over te brengen, doch dat daarvan uit den aard der zaak het gevolg zijn zoude, dat aan de regten van den eigenaar van het heerschende erf alle kracht en zekerheid werden ontnomen door eene herhaalde verwisseling van het dienstbare erf, bijaldien niet de titel bij iedere verwisseling daarmede in overeenstemming gebragt werd;

O., dat de eigenaar van het heerschende erf een overwegend belang heeft om het dienstbare erf steeds naauwkeurig te kennen, niet alleen om daardoor met de noodige kennis van zaken te kunnen beoordeelen of er benadeeling, door het verleggen der erfdienstbaarheid, ten zijnen opzigte plaats heeft, maar inzonderheid om, ingeval van splitsing van het dienstbare erf bij verkoop of bij verdeeling, te kun"1" "aSaan' welk grondstuk en welk .gedeelte daarvan, volgens art.

• ' met de erfdienstbaarheid zullen bezwaard blijven, en dat eindelijk met onopgemerkt mag blijven, dat hier een bepaald omschreven gedeelte van een kadastraal nonmer en niet het geheele perceel met de erfdienstbaarheid bezwaard is, en mitsdien het onderwerpelijke geval moet worden beschouwd als of de beweerde verlegging der erfdienstbaarheid naar een in de acte van vestiging niet genoemd perceel was ondernomen;

O'J da' bÜ gevolg de appellanten, na de aangebragte versperring en daardoor ontstane verandering in den oorspronkelijken toestand mogten aanspraak maken minstens op eene door den geïnt. gedane kennisgeving van de door hem bedoeldo verlegging der erfdienstbaareid met eene uitdrukkelijke erkenning der nieuwe vestiging ter plaatse, waarop de verlegging beoogd was ;

dat geene zoodanige kennisgeving, noch eenige daarmede gelijksiaande aanzegging, vóór den aanvang van het onderwerpelijke regtsgeding door de appellanten is ontvangen, en dat alzoo uit de door partijen ten processe gestelde en bewezen feiten, alsmede uit de door haar ontwikkelde regtsmiddelen voortvloeit, dat geene verlegging der erfdienstbaarheid ten opzigte der appellanten heeft plaats gehad en dat deze , die volgens hunnen titel, van de erfdienstbaarheid moesten gebruik maken, doch daarin door eene feitelijke stoornis van de zijde des geintimeerden waren verhinderd, gegrond zijn in de vordering, zoo als zij die tegen den geïnt. hebben ingesteld ;

Regt doende enz.,

Vermengt het vonnis, waarvan hooger beroep;

erwerpt ile door den geïnt. voorgestelde middelen van niet-ontvankelijkheid;

Verklaart de appellanten gegrond in de vordering, door hen bij anvaar ing van 2 Sept. 1871 bij de Arrond.-Regtbank te Eindhoven aanhangig gemaakt;

Verklaart, dat de perceelen van den geïnt., gelegen te Helmond

vmTp? SeCU6| a°S' 2°f9' tU'n' e" 2060, huis en erf' teu behoeve an het perceel der appellanten , insgelijks gelegen te Helmond, kadaster sectie C, n°. 2055, tuin, belast zijn met het regt van weg, zoo als dit bij art. 733 B. W. is omschreven ;

eioordeelt den geint. om het gebrnik dier erfdienstbaarheid, ten behoeve van gemeld perceel tuin der appellanten, te gedoogen en om het op zyn dienstbaar perceel, kadaster sectie C, n«. 2060, gesteld gebouw binnen drie dagen na insinuatie van dit arrest af te breken en weg te ruimen en den grond, waarover de weg moet loopen in zijnen vorigen staat te herstellen; '

Magtigt de appellanten, voor het geval de geïnt. in gebreke mogt blijven aan dit arrest te voldoen . om een Pn , s

den eeïnt en mpr hph„i„ „ T en aader ten koste van

Verklaa-t dit nrrp-f -f110 u gewaPende magt te doen verrigten;

verzet of vonr^i • u oerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet ot voorziening iq cassatie;

Sluiten