Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezene tier ten laste gelegde feiten, en beslissen, of en in hoe ver de eerste regter daarover goed of verkeerd had beslist;

0., dat het beklaagde vonnis, vermits het daarover geene overwegingen en beslissing inhoudt, niet genoegzaam met redenen is omkleed, en uit dien hoofde, ingevolge art. 211 Strafvord., moet worden

vernietigd;

zoodat het tweede middel gegrond is , en het onderzoek naar de overige middelen vervalt;

Vernietigt het vonnis, op den 11 Nov. 1873 op de acte van appel van den 23 Julij 1873 tegen een vonnis, den 10 Julij 1873 gewezen op de vordering van den ambtenaar van het Openb. Min. tegen den gereq. door de Arrond.-Regtbank te Deventer, in hooger beroep uitgesproken;

Verwijst de zaak naar het Prov. Geregtshof in Overijssel, om op de bestaande acte van appel te worden beregt en afgedaan; de kosten te voegen bij die der eind uitspraak.

PROVINCIALE GEREGTS HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GELDERLAND. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 4 Februarij 1874.

Voorzitter, Mr. C. P. Henny.

Schorsing van een geding wegens het ophouden voor eene der partijen van de betrekking, waarin zij procedeert, kan ook door de wederpartij worden gevraagd, artt. 254, 255, 256 en volg. B. li. (1). — Vicariën van stichtingen , welke als op zich zeiven staande ligchamen moeten worden beschouwd, wier goederen aan haar zeiven toebehooren en niet zijn het eigendom van hen die ze beheeren. — De hoedanigheid van beheerder en collator eener vicarie is eene van den persoon, die haar bezit, onderscheidene betrekking.

de weduwe Formijne, appellante, procureur Mr. D. S. Kronenberg,

tegen

Baron de Woelmont, geïntimeerde, procureur Mr. van Mecrs.

Het Hof enz.,

Gehoord enz.;

Ten aanzien der daadzaken en procedures enz.;

Wat het regt betreft:

Overwegende, dat, blijkens de introductieve dagvaarding van 15 Febr. 1872, de geïnt., in hoedanigheid van beheerder en collator unicus der vicariegoederen, van A. heeft gevraagd de ontbinding met schadevergoeding wegens wanbetaling van pacht van eene overeenkomst, waarbij hij in genoemde hoedanigheid op 12 April 1869 het volle genot en gebruik van alle vruchten en inkomsten dier vicariegoederen, met uitzondering van de tienden, het jagtregt en andere heerlijke regten, voor den tijd van acht jaren heeft afgestaan aan nu wijlen den echtgenoot der appellante, tegen eene jaarlijksche pacht van f 1300;

O., dat bij acte op 27 Maart 1872 voor den notaris P. B. Jr., te 8 B., verleden en overgeschreven ten kantore van hypotheken te T., op den 30 dier maand, de geïnt. voor de som van f 10,000 aan de Roomsch-Katholijke kerk te A. heeft verkocht, gecedeerd en overgedragen alle regten, van welken aard ook, in den uitgebreidsten zin, welke hij, hetzij in zijn privé, hetzij als heer van A., W. en W., hetzij als collator unicus der vicariegoederen van A. en W., of iri welke andere hoedanigheid het zijn mogt, heeft of bezit of uitoefent °f kan uitoefenen, of doen gelden nu of in het vervolg op of omtrent de goederen der vicariën van A. en W., zulks onder anderen op voorwaarde, dat het regt van collatie , beheer en al de regten en bevoegdheden , op die vicariegoederen berustende en daartoe behoorende, zullen zijn gecedeerd aan en op den tijdelijken RoomschKatholijken pastoor van A., en zulks voor altijd en onherroepelijk met alle verpligtingen daaraan verbonden, zonder eenig voorbehoud, alsmede dat de hestaande huren door de koopster moeten worden gestand gedaan, die echter wordt gesteld in alle regten, die de verkooper op de huurders had, en dat van nu af aan door den heer pastoor voornoemd zullen kunnen worden ingevorderd alle huren, pachten, cijnsen en revenuen uit de vicariegoederen verschuldigd;

O., dat de appellante bij behoorlijk geregistreerd deurwaardersexploit van 17 Junij 1872 voormelde acte aan den geïnt. heeft doen 6 ,ef nen > m6' aanzegging, dat, ten gevolge van den daarin verine den verkoop, voor hem is opgehouden de betrekking, waarin hij n'iet16^18^6''"'^ voerc'e' zoodat dit is geschorst en met hem door haar ve'der kan worden voortgezet, waarna zij bij hare eerstvolgende „ eersten regter genomene conclusie de schorsing van het regtsgeding heeft gevraagd ;

nem ' ^' Z°° a'S- u't de dingtalen der eerste instantie blijkt, het al en van c°nclusiën op de teregtzitting nog niet was afgeloopen en tnf0° i, .^ed'ng noë "iet was in staat van wijzen, toon het incident schorsing door de appellante werd opgeworpen;

., i at rndens de artt. 254 en 255 B. R., de loop van een jiog ie in s aat van wijzen verkeerend regtsgeding wordt geschorst nuer anderen door het ophouden der betrekking, waarin eene partij »fi" g "g v°erde; dat deze bepaling der wet uit den aard der zaak ■ ve voortvloeit, vermits naar den regel: »quot qualitates tot peris"?6'1! PartlJ'dle I eene betrekking procedeert, een ander persoon L i1 d? "Pareden, pbysieke persoon, en bij gevolg bij het ophoudat d" be're^klnS e,fnl«k niet «eer als partij in het geding is; en zoo,^11 ° W'"8 m-°eSt zija en ook werkelijk is algemeen,

aïTin Tf t EKPariJen geIdt en zoowel door de wederpartij ophoer be'an^ebbenden aan de zijde der partij , bij welke het Phouden der betrekking heeft plaats gehad, kan worden ingeroepen ;

zelfil': K Ttepn, met obst(;ert' dat de wet in art. 256 van hetvan hoT ?- heeft yoorgeschl'even > dat de oorzaak der schorsing beWh»l F ,"g Va" W6ge d0 bela"ghebbenden (dat zijn alleen de schorfw Va" de zijde der ?artij ■ bij welke de oorzaak der

blijkt) mopt ont®taan> zoo als uit de volgende artikelen duidelijk zonder zooda^ t" beteekend aan de partij, en voorts bepaalt, dat aangezien toch d teekening het regtsgeding kan worden voortgezet, ning, bllikbaar slechtvo°reerst> biJ het voorschrijven dier beteekedat door bedoelde bL„ w°P het 00g gehad het meest gewone geval, verlangd, en, ten andere I106" de schorsinS van het ^mg wordt ning hunnerzijds het gédiil bepaald' dat Z°"de,'' 'Ue, beteeke"

worden voortgezet, en het afzon ' maar alleen' dat f om alsdan het geding al of 2 de wederpartij heeft overgelaten

G., dat mitsdien de appellante in0?" sc^orsen* .

schorsing van het geding was ontvank» T lncldente,e ™rdenng tot

was gegrond, omdat, daar vicariën zijfitiohr ™der ng tevens

ljn stlchtingen, welke als op zich

Tteyssi»- n f

n°. 1555). e" Va" Noordbrabant dd. 18 April 1854 (Weekbl.

zelve staande ligchamen moeten worden beschouwd , wier goederen

aan haar zeiven toebehooren en niet zijn het eigendom van hen, die

ze beheeren, de hoedanigheid van beheerder en collator eener vicarie is eene van den persoon, die haar bezit, onderscheidene betrekking, en de geïnt., de hoedanigheid van beheerder en collator unicus der

vicariegoederen van A., in welke hij in het geding is opgetreden, en dus de betrekking, waarin hij het geding voerde, moet geacht worden te hebben verloren door den zijnerzijds gedanen verkoop, cessie en overdragt bij voormelde acte van 27 Maart 1872;

0., dat uit het gezegde volgt, dat de eerste regter ten onregte de appellante in hare incidentele vordering tot schorsing van het geding heeft verklaard niet-ontvankelijk en tevens de zaak zelve heeft afgedaan en appellante in de kosten heeft veroordeeld, zoodat zij bij het beklaagde vonnis werkelijk is bezwaard en dit behoort te worden vernietigd, en hare vordering tot schorsing moet worden toegewezen, met veroordeeling van den geïnt. in de kosten van het appel, alsmede in die in eerste instantie op het incident gevallen, kunnende omtrent de andere kosten der eerste instantie, die de zaak zelve betreffen, alsnog geen uitspraak worden gedaan ;

Op voorschreven gronden ,

Regt doende enz.,

Gezien art. 56 B. R.;

Doet te niet het appel, alsmede het vonnis door de Arrond.-Regtbank te Tiel op 21 Febr. 1873 uitgesproken, waarvan appel;

Verklaart het geding geschorst, ter zake van het voor geïnt. opgehouden hebben der betrekking, waarin hij het geding voerde ;

Veroordeelt den geïnt. in de kosten van het hooger beroep , alsmede in die in eersten aanleg op het incident tot schorsing gevallen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN LIMBURG.

Ilnr^erlijke kamer.

Zitting van den 2 Maart 1874.

Voorzitter, Mr. E. Capitaine.

De verkoop door den hypothecairen schuldeischer krachtens de hem, overeenkomstig art. 1223 B. W., verleende onherroepelijke magtiging gehouden, is een vrijwillige verkoop.

Nergens ontslaat de wet den kooper, al is de koopprijs niet voldoende om de schuldvordering van den eersten hypotheekhouder te dekken, van de verpligting om binnen ééne maand na de toewijzing , eene rangregeling te openen.

De kooper, die den koopprijs heeft betaald aan den eersten hypotheekhouder , wordt, krachtens art. 1438, n'\ 2, in diens regten gesubrogeerd.

Zoo lang de kooper geene rangregeling doet openen, blijven de tweede en verdere ingeschreven hypotheeken kracht behouden.

De erfgenamen G. Tripels, te Maastricht, executanten en appellanten, procureur Mr. Théod. Micheels ,

tegen

II, Gilissen , koopman, te Rimburg, gexëcuteerde en geappelleerde, procureur J. L. Weygers ,

en tegen

J. J. Gilissen, koopman, te Ubach-over-Woms, interveniënt en j tweede geapp., procureur Mr. Eug. van Oppen.

(Het vonnis der Regtbank te Maastricht, van 31 Julij 1873 , in deze zaak gewezen, is te vinden in Weekbl. n». 3671.)

Het Hof enz.,

Gehoord de conclusiën der partijen, bij slotsom luidende : 1°. die der appellanten , dat het den Hove behage het vonnis a quo te vernietigen , | en, doende wat de eerste regter had behooren te doen, den tweeden geapp. , oorspronkelijke interveniënt tot opvordering van eigendom , niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren in zijne vordering , hem te veroordeelen tot vergoeding van kosten, schaden eu interessen , nader op te maken bij staat, te bevelen, dat met de door de appellanten aangevangen executie zal worden voortgegaan, en dat de kosten van de vernieuwde bekendmaking en aanplakking zullen vallen ten laste van den tweeden geapp., en dezen te verwijzen inde kosten van het geding in beide instantiën; 2°. die van den geapp. J. J. Gilissen, dat het den Hove moge behagen , met vernietiging van het appel, te bevestigen het op den 31 Julij 1873, door de Arrond.-Regtbank te Maastricht, tusschen partijen gewezen vonnis, en te bevelen , dat het naar vorm en inhoud zal worden ten-uitvoer-geiegd met veroordeeling van de appellanten in de kosten van het hooger beroep ;

Gehoord de, namens den eersten geapp., ter openbare teregtzitting van dit Hof afgelegde verklaring, dat hij de uitspraak aan de wijsheid van het Hof overlaat;

Gehoord de gehoudene pleidooijen ;

Gehoord het Openb. Min., bij monde van den proc.-gen., concluderende , dat het den Hove behage, het ingesteld beroep te niet te doen, en het vonnis a quo te bevestigen, met veroordeeling der appellanten in de kosten van het hooger beroep;

Gezien de overgelegde stukken :

Met opzigt tot de daadzaken :

Overwegende, dat bij acte van schuldbekentenis, verleden voor deu notaris P. D. Jesse, te Maastricht, den L Oct. 1849 , II. Gilissen, koopman , wonende te Broekhuizen, gemeente Rimburg, ten behoeve van R. W. Hustinx, koopman, te Maastricht, tot zekerheid eener hoofdsom groot f 2000, en der aanklevende interessen, hypothecair

dus de betrekking, waarin hij het geding voerde, moet geacht worden te hebben verloren door den zijnerzijds gedanen verkoop, cessie

was gegrond, omdat, daar vicariën ziin voraering teven»

ljn stlchtmgen, welke als op zich

(1) Zie in tegengestelden zin de volgende a-i-00( ct r

van Gelderland dd 28 Maart 1866 (WeMl n 68 "'/an h°' Hf holland dd. 25 Sent. 1851 < W„Ul\o ' 2827l' ™n Noprd/

( Weekbl.

heeft verbonden een huis en erf met tuin en verder toebehooren, staande en gelegen te Rimburg, kadaster bekend sectie B, n". 330 en 331, ter grootte van 3 roeden, 70 ellen, aan hem J. H. Gilissen toebehoorende, onder uitdrukkelijk beding, dat, bij gebreke van behoorlijke voldoening der hoofdsom of interessen , de schuldeischer of regtverkrijgenden onherroepelijk zal of zullen zijn gemagtigd de verbondene goederen in het openbaar te doen verkoopen, ten einde uit de opbrengst te verhalen zoowel de hoofdsom als de interessen en de kosten ; dat, bij acte van schuldbekentenis, verleden voor den notaris W. Nijst, te Maastricht, den 10 Mei 1859, dezelfde H. Gilissen, koopman te

Broekhuizen, gemeente Rimburg, ten behoeve van G. Tripels, koopman te Maastricht, tot zekerheid eener hoofdsom van f 940 en deigestipuleerde interessen, de voormelde onroerende goederen hypothecair heeft verbonden ; dat bij acte, verleden voor den notaris W. F. J. Daelen, te Nieuwenhagen, de representanten van wijlen R. W. Hustinx voornoemd, krachtens do voorschrevene onherroepelijke volmagt aan hunnen auteur, wijlen R. W. Hustinx, bij bovengemelde notariële acte van den f Oct. 1849 door H. Gilissen gegeven, met inachtneming der bij de wet voorgeschrevene formaliteiten , in het openbaar meergemeld huis, erf, tuin en verder toebehooren, kadaster sectie B, n». 330 en 331, hebben verkocht aan J. J. Gilissen, koopman, wonende te Ubach over Worms, voor den prijs van f 750; dat partijen het daarover eens zijn, dat de aan R. W. Hustinx en G. Tripels verleende hypotheken, met het beding van art. 1223, ten voordeele van den eerstgenoemden,

alsmede de evengemelde acte van koop en verkoop, in de daartoe

uesieuiuc icgioicio ueuuumjjs. zijn overgescnreven, en dat de koopprijs van J 750 aan de regtverkrijgenden van wijlen R. W. Hustinx, door den kooper J. J. Gilissen is betaald geworden; dat de erfgenamen van

wijlen (jr. ii'ipeis voornoemd, uit Kracht van de in executorialen vorm uitgegevene grosse der voormelde acte van schuldbekentenis met

hypotheekstelling, den 10 Mei 18o9 voor den notaris W. Nijst verleden, bij exploit van den deurwaarder Struyk van den 22 Oct. 1872, de voorschrevene gehypothekeerde goederen, staande en gelegen te Rimburg, kadaster sectie B, n°. 330 en 331, in executoriaal beslag

hebben genomen, om bij geregtenjke uitwinning te worden verkocht in de teregtzitting der Arrond.-Regtbank te Maastricht van den 15

Maart 1873, waarvan bij geregistreerd exploit van den deurwaarder D. Struyk, te Heerlen, dd. 3 Febr. bevorens, aan H. Gilissen beteekening is gedaan; dat J. J. Gilissen, op deszelfs verzoek als tusechenkomende partij in den bedoelden verkoop bij geregtelijke uitwinning toegelaten, op den 15 Maart 1873 heeft geconcludeerd, dat het der Regtbank moge behagen, de door de executanten, ten laste van den geëxecuteerde, gedane in-beslag-neming te verklaren nietig en van onwaarde, met bevel, dat dezelve kost- en schadeloos zal worden gehouden, mitsgaders de daarvan in het register van den bewaarder der hypotheken gedane overschrijving zal worden doorgehaald, alsmede dat het uit te spreken vonnis zal worden aangeteekend aan den voet vau de voor dien verkoop ter griffie der genoemde Regtbank nedergclegde veilconditiën, en bepalen, dat zoowel de bewaarder der hypotheken als de griffier der Regtbank tot het doen van die doorhaling en aanteekening, op vertoon van het vonnis, zullen kunnen worden gedwongen, en zij, een en ander doende, behoorlijk zullen zijn verantwoord; voorts de executanten te veroordeelen, om aan den interveniënt te vergoeden alle kosten, schade en interessen, welke door hem te dezer zake reeds zijr. of nog zullen worden geleden en daarvoor te betalen zoodanige som, als nader bij eeuen daarvan op te maken staat zal worden vastgesteld, met verklaring, dat, indien dezelve de ƒ150 te boven gaat, de executanten tot de voldoening daarvan, zelfs bij lijfsdwang, zullen kunnen worden gedwongen, alles met veroordeeling van de executanten in de kosten van het regtsgeding; zulks op grond, dat de in veiling aangeboden perceelen niet aan den geëxecuteerde, maar aan den interveniënt in eigendom toebehooren, blijkens de hierboven vermelde acte van koop en verkoop, verleden voor den notaris Daelen, te Nieuwenhagen, den 19 Maart 1861; dat geen verhaal op die goederen te pas komt, naardien de interveniënt dezelve los en vrij heeft gekocht en den koopprijs heeft betaald; dat, bij uitvoering door eenen schuldeischer van deu onherroepelijken last, bedoeld bij art. 1223 B. W., en na ontvangst door zulken schuldeischer van den koopprijs, geen hypothecair regt tegen het verkochte goed, anterieur aan den verkoop kan worden voorgewend, veel minder ten uitvoer gelegd; dat voorde latere (door de verkoopers) ingeschreven schuldeischers geen ander regt, ter zake hunner hypotheek kan worden geldig gemaakt, dan op het reliquant, na aftrek van de hoofdsom, interessen en kosten van den onherroepelijken gemagtigden schuldeischer-reliquant dat hier niet bestaat ; dat deze onregtmatige iu-beslagneming en ondernomene uitvoering derzelven, daarstelt eene schennis van des intervenients regt van eigendom en denzelven daardoor schade is veroorzaakt; dat de executanten hiertegen hebben ingebragt, dat zij op de quaestieuse goederen de inschrijving hebben krachtens welke zij executeren; dat deze inschrijving nimmer of

nooit is doorgehaald, integendeel altijd en steeds nog kleeft op de goederen waarvan sprake ; dat hypotheken enkel te niet gaan 1°. door het te niet gaan der hoofdverbindtenis; 2°. door des schuldeischers afstand van de hypotheken en 3°. door geregtelijke rangregeling; dat door geen dezer redenen, de hypotheek der executanten is te niet gegaan; dat de eischer tot tusschenkomst als kooper, indien hij het verkochte goed gaarne ontlast had willen zien van de hypothecaire lasten, die den koopprijs te boven gingen, hij dan van zijne zijde , binnen de maand, na toewijzing, zoo als de artt. 1254, 1255 en 1256 B. W. dit leeren, eene geregtelijke rangschikking tot verdeeling van den koopprijs had moeten doen opnemen; dat, welke redenen er ook bestaan hebben voor den eischer tot interventie om daartoe niet te besluiten , zooveel zeker is dat hij dergelijke rangregeling niet heeft geopend; dat alzoo de hypotheek der gedaagden in hare volle kracht blijft en de executie behoort door te gaan na vernieuwde bekendmaking en aanplakking der billetten, waarvan de kosten moeten komen ten laste van den eischer, en daarenboven allezins termen bestaan om den eischer tot interventie tot vergoeding van kosten , schaden en interessen jegens de executanten te veroordeelen en dat, op grond der voormelde redenen , de executanten hebben geconcludeerd, dat het der Regtbank zoude behagen, den eischer op tusschenkomst niet-ontvankelijk en ongegrond te verklaren in zijnen eisch en conclusiën, immers hem dezelve te ontzeggen, te bevelen dat met de executie zal worden voortgegaan, den eischer op interventie te veroordeelen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, nader op te maken bij staat en in de kosten van het regtsgeding, met bepaling tevens, dat de kosten, te yeroorzaken door de nieuwe bekendmaking en aanplakking der billetten , ten zijnen laste zullen vallen; dat door den geëxecuteerde H. Gilissen, ter teregtzitting van den 15 Mei 1873, is verklaard, dat hij de beslissing der zaak aan de wijsheid der Regtbank overlaat;

dat de Arrond.-Regtbank te Maastricht bij vonnis van den 31 Julij 1873 heeft verleend acte, waarvan acte was gevraagd, heeft verklaard nietig en van onwaarde de bij proces-verbaal van den deurwaarder Struyk te Heerlen van den 22 Oct. 1872, door de executanten, gedaagden op tusschenkomst, ten laste van den geëxecuteerde, hunnen mede-ged. op tusschenkomst, gedane executoriale in-beslag-neming van lo. een huis met erf, gelegen in de gemeente Rimburg, kadaster sectie B, n°. 330, en 2". een tuin, gelegen aldaar sectie B, n°. 331, dat beslag, voor zooveel noodig, heeft opgeheven, bevolen de doorhaling der van dat beslag, op den 24 Oct. 1872, ten kantore van hypotheken te Maastricht, in deel 493, onder n°. 66, gedane overschrijving heeft verklaard, dat de hypotheekbewaarder te Maastricht tot die doorhaling, op vertoon vnn dat vonnis, zal zijn gehouden en, dezelve doende, zal zijn verantwoord, heeft verklaard den eischer op tusschenkomst ongegrond in het overige en meerdere zijner vordering, de executanten ongegrond in hunne vordering, dat tot den geregtelijken verkoop der voormelde twee perceelen zal worden overgegaan, even als ook in die strekkende tot veroordeeling van den eischer op tusschenkomst tot vergoeding van kosten, schaden en interessen en in die eener nieuwe, bekendmaking en aanplakking, en hen beeft verwezen in de kosten van het regtsgeding, daaronder begrepon niet slechts die, gevallen van zij le van den geëxecuteerde , ged. op tusschenkomst ; dat de executanten zich tegen deze uitspraak voor dit Hof in hooger beroep hebben voorzien; dat de appellanten tot staving hunner aan het hoofd dezes voorgeschrevene conclusiën zich hoofdzakelijk hebben beroepen op de door hen in eersten aanleg bijgebragte en hierboven vermelde middelen , en de geapp. J. J. Gilissen, tot bevestiging van het vonnis a quo, zich op de overwegingen van dat vonnis heeft beroepen;

Met opzigt tot het regt:

O., dat de verkoop, waarvan ten deze de rede , gedaan krachtens de overeenkomst bij art. 1223 B. W. omschreven , en de magtiging daartoe bij die overeenkomst gegeven , is een vrijwillige verkoop;

O., dat nergens bij de wet is bepaald, dat bij dergelijken verkoop, wanneer, zoo als in casu, de koopprijs niet voldoende is om het

Sluiten