Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"decimum partera omnium regalium praediomim», eene bevestiging eener vroeger gedane gift van algemeen tiendregt, en me; de woorden: *et in ceteris locis a praedicta villa usque ad more et in insulis» ook Zeeland bedoeld is, uit dit stuk, ten behoeve van de kerk te Utrecht gegeven, niet opgemaakt kan werden, dat het kapittel van Oud Munster in eene bepaalde streek van Zeeland, waartoe nu de Anna Jacobapolder

Dehoort, het tiendregt heelt gehad ;

O., dat dan ook de eischer zelf bij zijne repliek zich niet zoozeer op dien gift brieft of fandamentum petendi heeft beroepen, maar dien, in verband met de eeuwenlange uitoefening en het bezit van tiendregt door het kapittel van Oud-Munster, als den oorsprong van dat regt heeft voorgesteld en als eene verklaring van de ongestoorde uitoefening van het tiendregt door verschillende Utrechtsche kapittels in het grootste gedeelte van Zeeland;

0., dat omtrent dezen tweeden grond, door den eischer tot staving van het regt van het kapittel van Oud-Munster aangevoerd, door hem wordt beweerd , dat dit kapittel, na het tiendregt van den bisschop van Utrecht te hebben verkregen , dat sinds dien tijd tot het bigin dezer eeuw, en alzoo gedurende eene reeks van eeuwen, onafgebroken heeft uitgeoefend en bezeten;

dat die uitoefening en dat bezit zich steeds hebben uitgestrekt tot

ai ae gronden, weike in den loop aer eeuwen uoor inaijKing outstonden, dat is, tot het novaal tiendregt;

dat in het tienddistrict van het kapittel de eilanden Duiveland en St. Philipsland waren begrepen , en dat het kapittel in zijn district steeds en met uitsluiting van alle anderen het novaal tiendregt heeft uitgeoefend, zoodat in de immemoriale possessie de volledige titel des eischers gelegen is;

0., dat de ged., hoewel niet ontkennende dat het kapittel van OudMunster in de vijftiende eeuw en later in een klein gedeelte van Zeeland , dat nogtans niet als een bepaald tienddistrict kan worden aangemerkt, veelmin aangewezen , wel feitelijk over eenige nieuwe ingedijkte landen novalia moge geheven hebben , ja zelfs bij zoogenaamde verleibrieven in leen hebben uitgegeven, en welligt in enkele gevallen de heffing van tiendpensien door erkenning en verjaring

vers regen neooen , oepaaia ontKena neen en dat in net tienddistnet van het kapittel Duiveland en St. Philipsland zouden begrepen zijn, èn dat het kapittel in zijn district steeds en met uitsluiting van alle anderen het novaal tiendregt heeft uitgeoefend en bezeten;

0., dat derhalve behoort te wordeu onderzocht in hoeverre de eischer door de geproduceerde stukken bewezen heeft, dat het kapittel het tiendregt in eene bepaald aangewezen streek van Zeeland, waartoe ook de tegenwoordige Anna Jacobapolder behoort, steeds, met uitsluiting van alle anderen, ook over al ue gronden, die in den loop der eeuwen door indijking ontstonden, heefc uitgeoefend;

0. daaromtrent, dat tusschen partijen in confesso is, dat de meergenoemde Anna Jacobapolder gelegen is tusschen St. Philipsland en Duiveland, van welk laatste het thans door het vaarwater het Zijpe is afgescheiden , en dat het dus in de eerste plaats van belang is na te gaa;i , of in deze beide gedeelten van Zeeland het tiendregt door het kapittel van Oud-Munster , op de wijze hier-boven bedoeld , is uitgeoefend; daar, zoo dit het geval niet is , alle onderzoek naar regten, die het kapittel in andere gedeelten van Zeeland zoude gehad hebben, overbodig wordt;

0., dat van de stukken, die tot bewijs van de uitoefening van het tiendregt door het kapittel zijn geproduceerd, op de eilanden Duiveland en St. Philipsland betrekking hebben de volgende, voorkomende op den inventaris van den eischer sub nls. 4, 5, 7, 8, 9, 10, SI, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 44 en 45, waarvan de negen laaiste in originali uit het archief van het kapittel van Oud-Munster zijn overgelegd;

0. omtrent deze stukken :

. dat n°. 4 en 5, als alleen bevattende verklaringen van den archivaris van de provincie Utrecht, aangaande het aanwezig zijn in het archief van het kapittel van Oud-Munster van stukken betreffende de tienden des kapittels in Zeeland, geenerlei bewijs opleveren omtrent de uitoefening zelve van het tiendregt door het kapittel;

dat uit n . 7, zijnde een afschrift van èen stuk uit het archief van de gemeente Zierikzee, blijkt, dat ten jare 1604 , deken en kapittel van de kerk van Oud-Munster te Utrecht, Cornelis Cornelis Willernsz. Stavenesse ten behoeve der stad Zierikzee verlijd en beleend hebben

mpf. lipt «rfii.ht. endfl difl frerecliti^hfiir.» van da thip.nrten Hip kprlr

competerende «aen den aenwasschen ende alluvien metten appendentien van dijen, leggende we;twaert van den dijck van Duvelandt» en zoo als verder wordt omschreven, op zekere bepaalde voorwaarden , ook voor het geval de alluvien en aanwassen mogten worden bedijkt;

dat uit no. 10, zijnde een extract uit het register der resolutien van het kapittel van Oud-Munster te Utrecht, blijkt, dat ten jare 1781 de heer Mr. J. G. Schorer en Vrouwe J. van den Brande, gemalin van den heer Mr. J. A. van de Perre , heer van Nieuwerve , door deken en kapittel van Oud-Munster beleend zijn met al de novale tienden uit den in 1716 op nieuw bedijkten Henriettapolder, annex St. Philipsland, zonder hiervoor iets te betalen ;

dat uit n". 8, zijnde een extract uit het register van verlijbrieven der Zecuwsche pensicn, behoorende aan het kapittel van Oud-Munster te Utrecht, blijkt, dat van wege dat kapittel in 1801 zekere Jacob Stols beleend is met het aandeel der novale tienden in den zoo even genoemden Henriettapolder, waarmede genoemde heer Schoren in 3 781 beieend was, en waartoe J. Stols het regt door koop had verkregen ;

dat uit no. 9, zijnde een extract uit het zoo even genoemde register, blijkt, dat van wege het kapittel mejufvrouw Adriana de Fouw in

1811 tegen zekere jaariijKsche pensie verkregen heefc zekere gedeelten tienden en novale tienden, gelegen in Bruinisse, Bloxbil, Hardeme, Zonneschijn, Mare, "Welhil en Poeterwaard;

dat uit no. 31, zijnde een exiract uit Regisfcrum insignis ecclesiae traiectensis Sanctie Salvatoris literarum concessionum decimanum

. . . • • i_ij.. • i .nn r .. . --

eju>dum ecciesiae in oeiaiiuia, uhjili, uai m iwz .uijsoette Jan Heermans dochter Reijniers weduwe van den Abele verklaarde , dat zij , overtuigd zijnde, dat de tienden gelegen in Oesterlant van Duvelant, die /ij van Hertog Willem Graaf van Holland en Zeeland, als zijn eigen vrij goed had gekocht, door den Graaf slechts in erfpacht waren gehouden van het kapittel, bezwaard met jaarlijksche pensien, het regt van het kapittel op die tienden erkent;

dat uit n°. 32, zijnde een dergelijk extract, blijkt, dat Aelbrecht, Palensgrave bij den Rijne, Hertoge in Beijeren, Ruwaert van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant ende van Vrieslant, in 1365 voor zich en zijne nakomelingen van het kapittel van Oud-Munster ongeveer 150 gemeten novale tienden in erfpacht heeft ontvangen, waarvan omstreeks 132 gemeten in Duvelant in de parochiën Ouwerkerk en Nieuwerkerk «in terra noviter aggerata et ad culturam reducta vulgariten dicta Oesternuwelant» ;

dat uit n0. 33, zijnde een dergelijk extract, blijkt, dat Willem, Palensgrave op ten Rijn, Hertoge in Beijeren, Grave van Henegouwen, van Hollandt, van Zeelant ende Heere van Vrieslandt, in 1406 deze zelfde tienden in erfpacht heeft ontvangen ;

dat uit no. 34, zijnde een dergelijk extract, blijkt, dat de Gecommitteerde Raden van de Staten en de Graeffelickheid van Zeelanftin 1599 vnn het kapittel in erfpacht hebben ontvangen zes gemeten novale tienden, gelegen in den polder Alteklein in Duiveland;

dat n°- 35, zijnde een lijvig boekdeel, op den omslag tot opschrift hebbeede: «Kegistruia insignis ecclesiae trajectansis Sancti Salvatoris

literarum concessionum decimarum ejuedem ecclesiae in Zelandia

mchoans anno dormni A1CCG nona gesimo quarto in vigilia Beati Jacobi Apostoli (XXIII Julij)», als zijnde, met uitzondering van den index, die omtrent den inhoud niets kan bewijzen, voor de Regtbank onleesbaar, geen bewijs voor haar kan opleveren;

dat no. 36 , zijnde een boekdeel, volgens opschrift op den omslag inhouiende «Minuten van Zeelandsche verlijbrieven, beginnende met 17 Julij 1621»; n°. 39, zijnde een boekdeel, volgens opschrift op den omslag inhoudende «Pensiones Selandiae ab anno 1371—1396»; n°. 40, volgens opschriften «Registrum pensionum Zelandiae de anno 1499» en «Registrum pencionum decimarum Selandiae de anno 1599»; n°. 41, volgens opschrift »Pensiones decimarum Zelandiae de anno 1648»; allen voor de Regtbank genoegzaam onleesbaar, geen bewijs voor haar kunnen opleveren ;

dat uit n°. 44, zijnde een boekdeel, getiteld «Manualen van de tiende pensien in Zeeland , 1650—1671 , die ontvangen worden tot Zierikzee», voor zoover leesbaar, blijkt, dat jaarlijks door verschillende personen pensien verschuldigd, en door de meeston betaald werden voor tienden; terwijl echter bij de meeste dier personen niet vermeld staat waar die tienden gelegen waren, noch welke uitgestrektheid zij hadden ;

dat uit n°. 37, zijnde een boekdeel, getiteld «Zesde register van de renversalen en redemptiebrieven van Zelandsche tienden, loopende van 1742 —1776»; en n". 38, zijnde een boekdeel, getiteld «Chapitre de St. Sauveur, Uégistro E. C. Emphitéose et Pensien», loopende van 1803 — 1811, blijkt, dat in die tijdvakken van wege het kapittel verschillende personen met tienden zijn beleend in de polders en parochiën van Duiveland en op St. Philipsland op bepaald omschrevene voorwaarden ;

dat uit n°. 45 , zijnde een boekdeeltje, getiteld: «Oud-Munster, Manuaal van de thiend en pensien in Zeeland, die ontvangen worden te Zierikzee op den 10 Aug. 1809», blijkt, dat in dat jaar verschillende personen pensien wegens bepaald omschreven tienden, gelegen in Duiveland en St. Philipsland, betaald hebben ;

0., dat uit de feiten, die door de voorschreven stukken bewezen zijn , wel voortvloeit, wat ook door den ged. niet is ontkend , dat door het kapittel van Oud-Munster op verschillende tijden en in verschillende gedeelten van Duiveland en St. Philipsland tienden op

jaarlijksche pensien in erfpacht of in leen zijn gegeven, maar geenszins van eene zoo algemeene uitoefening van het tiendregt blij Kt, dat het kapittel daardoor in die streek als decimator universalis zoude kunnen worden beschouwd j

0. toch, dat, om eene zoo algemeene uitoefening van het tiendregt

te bewijzen, net niet toereinenu is aan te toon en, dat men overeenkomsten hebbe gemaakt over nog niet tot bebouwing geschikte gronden en hier en daar eenige regten met betrekking tot de tienden hebbe uitgeoefend , maar dat zou moeten blijken , dat naar mate de verschillende gronden, waaruit de streek bestaat, tot bebouwing geschikt zijn geworden, het tiendregt daar dadelijk of kort daarna over de geheele uitgestrektheid is uitgeoefend;

0., dat wel de eischer heeft volgehouden, dat de overgelegde stukken dat bewijs opleveren en bij pleidooi beweerd heeft, dat de in originali overgelegde stukken , uit het archief van Oud-Munster afkomstig, den algemeenen indruk daaraan geven , doch dat zoodanige algemeene indruk niet voldoende is om een bewijs in regten op te leveren , hoedanig bewijs moet rusten op bepaalde feiten en gronden ;

O. nu, dat wel uit de registers op den inventaris , voorkomende onder n°. 37 en 38, blijkt, dat van den jare 1748 —1776 en 1803— 1 ö 11, gedeelten tienden in Duiveland en St. Philipsland aan verschillende personen zijn ter leen gegeven, en uit n°. 45, dat door verschillende personen pentiën voor tienden in die eilanden zijn betaald, maar dat uil die stukken niet blijkt, dat Oud-Munster in dien tijd de tienden over de geheele uitgestrektheid in leen gegeven of pentiën daarvoor ontvangen heeft, ja, dat zelfs uit laatstgemeld stuk, bij vergelijking van de daar vermelde uitgestrektheid der in leen gegeven tienden, en de grootte van Duiveland en St. Philipsland, zoo als die volgens hel bekende werk: »Teqenwoordiqe staal der Vereeniade

Nederlanden' , in de helft der vorige eeuw was, het tegendeel hiervan ten duidelijkste voortvloeit, terwijl deze stukken uit den aard der zaak evenmin een bewijs voor de algemeene uitoefening van het tiendregt in vroegeren tijd kunnen opleveren ;

0. voorts, dat ook de overige door den eischer geproduceerde

stukken onvoldoende zijn die algemeene uitoefening te bewijzen ;

dat toch, terwijl het eiland Duiveland, volgens het zoo straks genoemde werk, bestaat uit de volgende polders : de vier bannen met groot en klein Beijeren, anders gezegd Beijeren en Vianen, Oosterland, 's Heer Jansland, Oost-Duiveland met de Stoofpolder, de Goude Veersche polder, de Zelkcpolder, Al te klein, Betterwaarden, Saspolder en de Jongepolder, van geen deten de geheele uitoefening van het tiendregt door het kapittel van hun ontstaan af, is bewezen, of

aangetoond is, waarom zij niet tot het Deweera tienaaistrict zouden behooren;

U., om enkele voorbeelden te noemen, aat, terwijl in aen polder de vier bannen, de parochiën of ambachten Ouwerkerk, Nieuwerkerk, Kapelle en Botland lagen, geenerlei bewijs in die stukken aanwezi" is van eenige uitoefening van het tiendregt in dien polder zelven;

dat wel in product n". 32 en 33 de daar bedoelde tienden worden gezegd in de Parochiën Ouwerkerk en Nieuwerkerk te liggen, doch dat de woorden : «in terra novitem aggerata et ad culturam redacta vuigariter dicta Oester nuvclant», het meer dan waarschijnlijk maken, dat daarmede de kort te voren bedijkte polder Oosterland bedoeld

wordt, en, zoo dit met het geval mogt zijn, van uitoefening van tiendregt in laatstgemelden polder geeuerlei bewijs aanwezig is, en dat bovendien in allen gevalle, hetzij de bedoelde 132 gemeten in de vier bannen polder, hetzij in Oosterland, gelegen waren, geen bewijs voor de uitoefening van het tiendregt over de geheele uitgestrektheid van een dier polders wordt geleverd;

dat, wat betreft don polder Oost-Duiveland of Bruinisse, volgens genoemd werk bedijkt in 1467, en den daaraan grenzenden Stoofpol¬

der, bedijkt in 1621, dat, behalve hetgeen daaromtrent in de in originali overgelegde stukken vermeld staat, uit de productie van geenerlei uitoefening van tiendregt daarin blijkt vóór het jaar 1811 ;

0., dat wel uit de productie blijkt, dat het kapittel al de tienden in den in 1776 bedijsten Hem ietten polder annex St. Philipsland in leen heefc gegeven, doch dat, daargelaten het bijzondere van die omstandigheid, dat dit zonder eenig geldelijk voordeel voor het kapittel geschiedde, hetgeen meer aan eene trancactie over een betwist, dan aan eene uitoefening vaa een erkend regt doet denken , van eene dergelijke uitoefening van tiendregt op het eiland St. Philipsland zelf geenerlei bewijs geproduceerd is, behalve het daaromtrent voorko

mencte in ae in originali overgelegde stuKKen , netgeen, volgens het vroeger overwogene, ontoereikend is, eene algemeene uitoefening van het tiendrent aldaar te bewijzen ;

0., dat door den eischer geene andere, dan de hiervoren aangehaalde, bewijsmiddelen zijn b\jgebragt en derhalve niet is bewezen, dat de auteur van den eischer een algemeen tiendregt in de eilanden Duiveland en St. Philipsland heeft uitgeoefend, en het dus volgens het vroeger overwogene onnoodig is, de overige geproduceerde stukken, die andere gedeelten van Zeeland betreffen, te onderzoeken ;

0., dat, daar de uitoefening van het algemeene tiendregt door het kapittel van Oud-Munster, in de streek waar de tegenwoordige Anna

Jacobapolder ligt, zijnde de grondslag van de vordering des elscherf, niet is bewezen, die vordering hem moet worden ontzegd ;

Gezien art. 1902 B. R. ;

Ontzegt aan den eischer zijne gedane vordering;

Veroordeelt hem in de kosten van het regtsgeding.

(Gepleit voor den eischer Mr. P. L. van des Bkoecke , rijksadvokaat, en voor den gedaagde Mr. W. C. Boasius , advokaat, beide te Middelburg.)

Het Hof enz.,

Gelet op de conclusiën van partijen, ter rolle genomen en overgelegd;

Gehoord de pleidooijen ;

Gehoord den proc.-gen. in zijne conclusiën, strekkende tot te niet doen van het beroep en van het beroepen vonnis, tot toewijzing van de in eersten aanleg gedane vordering en verwijzing van den geïnt. in alle kosten ;

Ten aanzien van de feiten en procedures, zich gedragende aan en overnemende hetgeen daaromtrent voorkomt in het op expeditie geregistreerd vonnis der Arrond.-Regtbank te Zierikzee van den 20 Junij 1871, waarbij aan het eischend Domeinbestuur van den Staat, met verwijzing in de kosten, is ontzegd de vordering, teu einde do Staat zal worden verklaard geregtigd tot tiendheffing over de landen, uitmakende den Anna Jacobapolder , gemeente St. Philipsland , in het jaar 1847 door den ged. als eigenaar ingedijkt en in dat regt za' worden erkend, met last aan dien ged., om het heffen van de tienden te gehengen en te gedoogen; wijders, dat de ged. zal worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens het wederregtelijk inoogsten van alle tiendbare vruchten, sedert het jaar 1867, en tot betaling der proceskosten ;

dat het Domeinbestuur van dit vonnis is gekomen in hooger beroep voor het Hof; dat de geïnt. heeft procureur gesteld en dat, na wisseling van memoriën , waarbij de in eersten aanleg gevoerde beweringen nader zijn ontwikkeld en toegelicht, door den app. 19 geconcludeerd tot te-niet-doening van het beroepen vonnis en tot toewijzing der oorspronkelijke vordering, door den geïnt. tot bevestiging van bet vonnis, over en weder met eisch van kosten;

O., dat het Domeinbestuur voor den regter optreedt als burgerlijk persoon; dat de vordering betreft een voorwerp van burgerlijk regti dat het Domeinbestuur dienvolgens aan de eischen van burgerlijke regtsvordering behoort te voldoen en het bewijs te leveren, dat 111111 den Staat toekomt het zakelijk regt tot heffing van tienden of ander evenredig deel van den oogst, wassende op de landerijen van den geïnt., die daarvan eigenaar is ;

0., dat het appellerend Domeinbestuur als eerste middel van bewijs heeft inereroetjen een charter van den Roomsch Koning Otto van het

jaar 949, maar reeds bij laatste dingtaal in eersten aanleg, en meer bepaald bij zijne memorie van bezwaren in hooger beroep, het bedoelde document als titel van aankomst van zijn beweerd regt op den achtergrond heeft geplaatst; en, daaruit eerder den oorsprong van het novaal tiendregt over de streek waarin de landerijen liggen verklarende, als grondslag van de vordering in verband met den oorsprong, heeft voorop gesteld het onheugelijk bezit van tiendregt in zijnen beperksten omvang, en mitsdien ook tot al de gronden, welke ia den loop der eeuwen door indijking zijn ontstaan; dat de app. dezen grondslag heeft ingeroepen in zijne hoedanigheid, als krachtens Keizerlijk decreet van 27 Febr. 1811, opvolger in de regten van het kapittel St. Salvator of oud Munster; terwijl bij de verdeeling vaa geestelijke goederen, door den Bisschop van Utrecht tusschen de vijt kapittels gedaan, het tiendregt over de reeds gemelde streek aan oud Munster zou toegewezen zijn;

0., dat de oorkonde van het jaar 949 deze woorden bevat:

«decimam partem omnium regalium prediorum et monetarum et theloneorum quae intrasui Episcopatus termiuos exigemtur, insupef et tributorum quae huslata et cogschult dicumtur; res etia.u in villa» quae quondam Dorstad, munc autem wik nominata, et inceteniS omnibus locis a praedicta villa us que ad mare et in insulis, ceteris quemari contiguis provinciis»;

0., dat met deze woorden wel een tiende deel van vorstelijke domeininkomsten, van watertollen en andere tollen en belastingen kan afgestaan zijn; maar dat het onzeker, althans onbewezen is, a13 zou daaronder moeten verstaan worden hetgeen later tiendregt geheeten is, en zulks over latere indijkingen; dat daarenboven het grondgebied in de oorkonde bedoeld, geheel onbestemd is en de stelling, dat onder eilanden de Zeeuwsche eilanden begrepen moeten woiden. slechts eene geschiedkundige gissing kan zijn;

0„ dat de app. voorts in gebreke gebleven is door eenig bescheiden te staven , dat en op welke wijze, met welke grenzen , de Bisschop van Utrecht het grondgebied tusscheu de kapittels verdeeld heeft > zoodat een schakel in de beweerde regtsopvohing wordt geoiisti terwijl des appeliants beroep op geschiedkundigo bekendheid en overlevering van gebeurde feiten, voor de bewijsvoering in het burgerlijk geding ongenoegzaam is;

Ci dnt dnihalve uit het biicebrasrte niets meer bliikt als de hoe¬

danigheid van den app., om als regtsopvolger van het kapittel van Oud-Munster op te treden, en zijne ontvannelijkheid in de vordering dan ook niet is betwist; ,■

0., dat door, als grondslag van de vordering, fundamentum petenOi voorop te stellen het onheugelijk bezit bij het kapittel van °u Oud-Munster, de app. heeft bedoeld te betoogen, dat daardoor ee tiendregt was verkregen en gevestigd, welks handhaving hij hee

ria« aicf-h f.nt jyfirporf.iop(l.vprliIsiriiio' Rn erkenning 010

vciiaugu uuui ---- o — — -

schadevergoeding; det de app. dit doende, zijne pstitoire vordering naar den aard eener possessoire heeft doen overhellen; maar me voorbijzien van deze opmerking, dat, om onheugelijk bezit in regte te doen gelden, hetzij dit wordt beschouwd als middel 0111 eene zaa te verkrijgen, hetzij als bestanddeel van bewijs dat de zaak verkrege is, steeds het werkelijk bezit van hetgeen in regten geeisciit is, welks handhaving geeischt wordt, eene voorwaarde vaa de zoog naamde vitustas is, en behoort bewezen te worden; ,

O., dat hetgeen ten deze geeischt wordt, is do /erklaring v geregtigneid tot en de erkenning door de wederpartij van e tiendregt, hetgeen niet slechts over opbrengsten , uie van besta» land genoten worden, of na bebouwing verwacht kunnen wor e > gelden zoude, maar ook over opbrengsten van hetgeen met betre tot den re»tsvoorganger van den app., het m 1811 opgeloste kapiti van Oud-Munster, als bodem van de zee bestaan heeft; -j

0., dat door de zeer uitvoerige productie van den app. wel g&W wordt, dat het kapittel zoogenaamde pensien van geïufeodeerde tie»" geheven heeft tot in het begin van de tegenwoordige eeuw-, en dergelijke pensicn tot in het jaar 1873 aan het Rijk zijn betaal" ervan zijn afgekocht; maar dat deze daadzaken slechts dienen ^ bewijze, dat bep.ialde kerspelen of parochiën of andere bestaande^ in don loop der eeuwen ontstane indeelingen met tiendregt zijn zwaard geweest, en uit het vooruitgestelde geenszins kan w0^tre. besloten tot de erkenning van een or,begrenst, ook niet van een ^ meen, met uitsluiting van ie Ier ander, aan het kapittel toe*" tiendregt over alle latere indijkingen; . nmtren'

0., dat een regt uit bezit, ontleend alleen door handelingen ^ j0

de aan het regt onderworpen zaak, kan geopenbaard worden, rCgt in 1847 ingedijkte Anna Jakobapolder de zaak is waarover e wordt beweerd; dat het kapittel omtrent de voor hem me

Sluiten