Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

broeder N. Tychon gedaan tot verantwoording van diens aandeel in den gemeenschappelijken boedel; en 2o. een almede door den ged eigenhandig geschreven stuk, bevattende de opgaaf van hetgeen zi eischers op hun aandeel in den boedel ontvangen hebben, behoorlijk geregistreerd;

dat door deze stukken, in verband met het door den ged. onder gane verhoor op vraagpunten, het bewijs geleverd wordt, niet alleei dat de ged. den gemeenschappelijken boedel heeft geliquideerd, alle zins juist zijn;

dat, zoo al door evengemelde bewijsmiddelen de vordering niet ali volledig bewezen kan betracht worden, zij dan toch in ieder geva ook niet geheel van bewijs ontbloot is , en er derhalve grond zov bestaan , aan hen eischers den suppletoiren eed op te dragen;

dat zij, eischers, voor dat geval bereid zijn te zweren,'dat d( ged. voor hen en hun broeder Nicolas de liquidatie heeft gevoerc over den boedel van hunne vroegere gemeenschappelijke exploitatie te Valdieu, en dat volgens zijne eigene opgaven hij hun te dier zaki nog schuldig is 3614 fr,, 11 ct., of zoodanigen anderen eed als d( regter, naar aanleiding van de gevoerde litis-contestatie, zal dienstk oordeelen ; door den ged.:

dat de eischers, bij hunne laatste conclusiën, enkele feiten uit hei verhoor van den ged. opnemende, beweren, dat hunne vordering tegen den ged. niet van grond is ontbloot;

dat echter de beantwoording, ter goeder trouw door den ged. gedaan op vraagpunten, niet belet, hier, waar het de liqnidatie van eenei] gemeenen boedel betreft, dat ook dezerzijds door den ged. worde aangevuld, hetgeen aan de geschiedenis van die liquidatie ontbreekt; dat de ged. alzoo de navolgende punten vooropzet:

a. dat de ouders van partijen hadden zeven kinderen;

b. dat vóóraf getrouwd zijn :

io. T. Tychon met C. Schijns, te Homburg; 2°. H. Tychon, te Sint-Jean-San wonende (beide vreemd aan Valdieu, landbouwexploitatie en molen); 3°. N. Tychon ; 4». L. Tychon , een der eischers; 5o. E. Tychon, mede-eischeresse; 6o. A. Tychon , medeeischer; en 7°. C. Tychon, den ged. (welke vijf laatsten alleen deelgenooten waren in de zoo evengenoemde exploitatie van Valdieu);

e. dat, vier ol vijf jaren vóór het ophouden der exploitatiën van Valdieu, N. Tychon is gehuwden uit de gemeenschappelijke woning vertrokken, maar met behoud van zijn regt in de gemeenschappelijke exploitatiën ;

d. dat L. Tychon toen is geweest de hoofdpersoon in de exploitatiën en de ged. Charles de jongste, en dat, zoo doende, Laurent, zonder Charles te kennen, aan Nicolas eene geldsomma ter hand heeft gesteld bij zijn huwelijk , die door Nicolas in 1866 lager werd opgegeven dan door Laurent;

e. dat, bij het eindigen der exploitatiën in 1866, Antonie, Laurent en Elisabeth, de eischers in deze, op eenen gehuurden pachthof te Sippenaken zijn gaan wonen;

f. dat Antonie, Laurent en Elisabeth toen van den gemeenschappelijken boedel een gedeelte der roerende goederen medenamen, het» zij bij deeling tegenover Charles en Nicolas, het eene stuk tegenover het andere , hetzij tegen evolutie, terwijl van het niet in dier voege verdeelde een openbare verkoop werd gehouden, waarop Antonie, Laurent en Elisabeth, de eischers in deze, zeer veel kochten ;

g. dat Nicolas ook een gedeelte van de in natura verdeelde goederen heeft gekregen;

h. dat Nicolas en Charles (de gedaagden, hunne aandeelen in het verdeelde hooi en gezaagd hout gemeenschappelijk te gelde hebben gemaakt te Tubel en te Batice, hetgeen de anderen niet aanging ,*

ï. dat middelerwijl de verdere activa en passiva der gemeenschappelijke exploitatiën moesten worden tot klaarheid gebragt, operatiën waarvan Laurent de hoofdpersoon was, en intusschen de vroeger uitgetrouwde Nicolas op geld aandrong, hetgeen vertraagd werd, doordat Laurent beweerde meer op huwelijk gegeven te hebben, dan Nicolas erkende te hebben ontvangen;

j. dat de eischers, door tusschenkomst van Laurent, alstoen Charles (den ged.), den jongste der vijf belanghebbenden, als het meest bevriend met Nicolas, verzocht hebben Nicolas tevreden te stellen , en hem toe te laten te rekenen zulke mindere som als hij opgaf ontvangen te hebben , het alles om met Nicolas, die wilde dagvaarden, een einde te krijgen, waarop de ingeroepene toekenning van eene som a vol tfoiseau en uitbetaling door Charles is geschied;

k. dat echter het woord «débourseur» achter den naam van Charles door dezen laatste nooit is geschreven, en later, waarschijnlijk door eenen bij de familie, voor in staat om handteekeningen na te maken erkenden persoon , is bijgevoegd;

l. dat onmogelijk anders dan als uitkooping van Nicolas voor allen kan zgn gehandeld, maar van geene liquidatie door Charles sprake kan zijn geweest, omdat bjj voorbeeld 1". het op naam staande kapitaal Mohr van 2000 fr. door Laurent aan Nicolas was gegeven, zelfs zonder acte van overdragt; 2°. omdat door Antonie voor 1000 fr. van de gemeenschap uit de Banque Liégeoise is opgetrokken ; en 3°. omdat Charles de ged. nooit iets gezien heeft van den halven knop der granen van Valdieu, waarop partijen bij hun vertrek regt hadden ;

m. dat Charles, ged. , de uitbetaling aan Nicolas heeft gedaan , omdat hij toen in het bezit was van eenige ingevorderde molenschulden, welke hg meer dan de anderen had ontvangen, omdat hij de debiteuren beter kende;

n. dat de andere op naam staande kapitalen der gemeenschap met hunne titels even als alle papieren thans nog berusten bij Antonie, Laurent en Elisabeth , zonder dat zij daarvan eenig regt kunnen bijbrengen ;

o. dat nu nog bij voorbeeld eene oogstkar bij Antonie, Laurent en Elisabeth te Sippenaken staat, die is onverdeeld en het crediet van den sub litt. f hierboven genoemden openbaren verkoop door allen, 1 behalve door den ged., is opgetrokken ; i

dat hij ged., gaarne wil overgaan tot vereffening met de eischers , ' die meer dan hij als vereffenaars zijn te beschouwen , maar hic et nunc niet kan worden gedrongen tot iets, waartoe hij zich nooit heeft ' verbonden, en waartoe hij niet is in staat;

dat de eischers hoegenaamd niets hebben bewezen in presentie van ' de vorenstaande daadzaken, die onsplitsbaar blijven met de antwoor- 1 den, door den ged. ia het verhoor of feiten en vraagpunten gegeven; f dat er dus van eenen suppletoiren eed geen quaestie kan zijn; door de eischers : 1

dat de ged. die in zijn verhoor op vraagpunten aan de van hem ' afkomstige stukken eene verklaring had trachten te geven, welke met 1 den inhoud dier stukken in strijd is, thans , nu hij dit inziet, met eene nieuwe versie betrekkelijk de beteekenis dier stukken te voorschijn komt, welke evenwel even zoo onwaar is, als de eerste en ook even zoo zeer door den inhoud der stukken wordt 6 weêrsproken;

dat hij , om die nieuwe versie ingang te doen vinden, verpligt is v ie beweren, dat het woord débourseur, in een der stuk ken achter zijne handteekening geplaatst, niet door hem geschreven is, ofschoon het stuk zelf blijkbaar het tegendeel aantoont, en niet schroomt te zeg- 0 gen, dat evengemeld woord later zou bijgevoegd zijn;

dat de bewijskracht van genoemd stuk niet zoozeer in het woord h débourseur als in den ganschen inhoud van het stuk gelegen is, en gemeld beweren van den ged, dan ook eene ijdele poging is om de waarde van het stuk te verzwakken; dat de feiteu, door den ged. ^ g$3t§ld r gedeeltelyk waar, gedeeltelijk onwaar iijn, maar in geen

|

ï

geval kunnen ingeroepen worden tot bestrijding van de stukken, door . ( de eischers geproduceerd ; i | Wat het regt betreft:

: ! Overwegende, dat de vordering daarop is gegrond :

| 1°. dat de ged. zich zou hebben belast met de liquidatie der door laatstgenoemde erkende gemeenschappelijke exploitatie eener pachti hoeve en molen, gelegen te Valdieu, gemeente Tubel (België), mei ■ den daartoe behoorenden handel in granen en meel; en

2°. dat de netto-opbrengst daarvan heelt bedragen 40,014 fr., i makende voor ieder der vijf vennooten 8002 fr., 80 ct. en vooi l de drie eischers te zamen 24,008 fr., 40 ct.; dat zij eischers daarof i in goederen en speciën ontvangen hebben 20,394 fr., 29 ct., en dat derhalve de ged. hun nog zou schuldig zijn de gezamenlijke som van ! 3614 fr., 11 ct.;

L 0., dat, opdat de vordering zou kunnen toegewezen worden, zou behooren te zijn bewezen, niet slechts: 1°. dat de liquidatie alleen ' eQ met uitsluiting der andere vennooten aan den ged. opgedragen en : door dezen aangenomen is geworden, maar ook 2». zoowel, dat ; de netto-opbrengst der exploitatie is geweest 40,014 fr. , als dat wat, na aftrek van hetgeen ieder der vennooten daarop ontvangen heeft in goederen en speciën, overgebleven is, en meer bepaald, dat, . wat uit dat overschot aan de drie eischers toekomt, zich bevindt, althans is geweest, in handen van ged.;

O. nu, dat de ged., onder erkenning van het aannemen van betaling van sommige debiteuren der vennootschap en onder bewering , dat ook door de eischers daden van liquidatie gedaan zijn in goederen en meer bepaald titels en bewijzen van inschulden derzelve zich in hun bezit bevinden , — heeft ontkend alleen en met uitsluiting der andere vennooten met de liquidatie te zijn belast geworden en deze op zich genomen te hebben;

0., dat dit ook niet blijkt uit het door de eischers in het geding gebragt onderhandsch stuk, door den ged. onderteekend en volgens de eischers houdende rekening, door den ged. aan N. Tychon gedaan tot verantwoording van diens aandeel in den gemeenschappelijken boedel, daar toch de ged. ontkent, dat het bij zijne onderteekening zich bevindend woord débourseur, dat, naar het bij pleidooi van zijde der eischers aangevoerde, de beteekenis zou hebben van liquidateur heeft geschreven;

0., dat, zoo al uit dat stuk zou kunnen afgeleid worden, dat de netto-opbrengst van de gemeenschappelijke exploitatie heeft beloopen het meergemeld bedrag van 40,014 fr., daaruit evenwel niet volgt, dat dit bedrag, althans wat daaruit aan de eischers beweerdelijk nog toekomt, in handen is of in handen geweest is van den ged., of dat wat van die netto-opbrengst in handen is of geweest is van den ged., toekomt aan hen eischers;

0. toch, dat buiten de drie eischers en den ged. ook lid der vennootschap is geweest N. Tychon j dat, wat aan eene vennootschap toebehoort is de onverdeelde en gemeenschappelijke eigendom der gezamenlijke vennooten; dat geen mede-deelgenoot in een gemeenschappelijken onverdeelden boedel vóór deszelfs verdeeling eenig deel daarvan als zijn bijzonder eigendom kon opvorderen; dat dan ook bij artt. 16 en 80 B. W. (even als bij art. 1872 Code Nap.), de bepalingen van welk wetboek, als wonende de voormalige vennooten tijdens de oprigting der vennootschap in België, hebbende de gemeenschappelijke exploitatie van de pachthoeve en molen, alsmede den handel in granen en meel, in dat land plaats gehad, en zijnde mitsdien de vennootschap aldaar gevestigd geweest, op de vennootschap van toepassing is, is bepaald, dat de regelen omtrent de verdeeling der nalatenschappen, de wijze dier verdeeling en de verpligtingen, die daaruit tusschen de mede-erfgenamen voortspruiten, ook toepasselijk zijn op de verdeeling tusschen vennooten, en dat niet van eenige verdeeling tusschen de vennooten blijkt;

0., dat uit dit een en ander volgt, dat de vordering in de gegevene omstandigheden is niet-ontvankelijk, in alle geval ongegrond ; Regt doende enz.,

Verklaart de eischers niet-ontvankelijk, in alle geval ongegrond in hunne vordering;

En verwijst hen in de daarop gevallen kosten.

(Gepleit voor de eischers Mr. Leop. Nypels, en voor den gedaagde Mr. Edm. van W in tershoven.)

WiSTTEN, BESLUITEN, CIRCULAIRES ENZ.

(Staatsblad n°. 91.) WEI van den 4 .Julij 1874, tot wijziging der bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over de beperkte handligting.

Wij WILLEM III enz.,

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten :

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is wijziging te brengen in de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over de beperkte handligting;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord ea met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaau bij deze: '

Artikel 1.

De artikelen 480, 481, 482, 484, tweede lid, en 485 van het Burgerlijk Wetboek worden vervangen door de volgende bepalingen : Art. 480. Handligting, waarbij aan eenen minderjarige bepaalde •egten van meerderjarigheid worden toegekend, kan, wanneer de ninderjarige den vollen ouderdom van achttien jaren heeft bereikt >p zijn verzoek, door den kantonregter worden verleend. '

Tegen den wil van dengene der ouders , die de vaderlijke magt utoefent, wordt zij niet verleend.

Art. 481. Wanneer beide de ouders in leven zijn, beslist de kanonregter na verhoor of behoorlijke oproeping van dengene der ouders, lie de vaderlijke magt uitoefent, en van de bloedverwanten of aan;ehuwden.

Wanneer de minderjarige onder voogdij staat, beslist de kantonregter li verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd, den toezienden oogd, de bloedverwanten of aangehuwden en van den vader of de aoeder, zoo een van beiden in leven mogt zijn, zonder met de voogdij >elast te wezen.

De artikelen 388 en 389 zgn ten deze van toepassing. De kantonregter kan, alvorens te beslissen, de persoonlijke ver:hijning van den minderjarige gelasten. ]

Vóór het sluiten van het verhoor bepaalt de kantonregter den dag aarop hy zijne beschikking geven zal.

Binnen veertien dagen uk den dag der beschikking kan hooger eroep worden ingesteld door den minderjarige en door ieder die p het verzoek gehoord is.

Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is I ier niet van toepassing.

Een nieuw verhoor kan in hooger beroep worden bevolen.

Is niet de verzoeker zelf in beroep gekomen , dan wordt op dat iroep niet beslist, zonder dat hij is gehoord of opgeroepen om gehoord s

worden.

i -^rt: ,4^; Bij kf' verleenen der handligting bepaalt de kantonregte uitdrukkelijk , welke regten van meerderjarigheid aan den minderjarig ! worden toegekend. J

I -A-rt- 484, tweedeen derde lid. In de beide laatste gevallen is é ■ minderjarige bevoegd om, even als een meerderjarige alle verbind tenissen te sluiten, tot die fabriek, nering en handel' betrekkelijk

1 met uitzondering van de vervreemding en de bezwaring zijner vast goederen, en van de vervreemding of verpanding zijner rentej/evend ettecten, inschrijvingen in grootboeken van openbare schuld hypo thecaire schuldvorderingen en aandeelen in naamlooze of ander 1 vennootschappen.

Hij kan ter zake der handelingen , waartoe hij krachtens de ver kregene handligting bevoegd was, hetzij eischende of verwerende i'j regten optreden. Art. 78 geldt voor die handelingen niet.

Art. 485. De handligting, bij de vijf vorige artikelen omschreven,

kan door de arrondissements-regtbank worden ingetrokken indien de mindeijarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees 'i.eetaa'. dat hij dit zal doen.

De intrekking geschiedt, wanneer beide de ouders in leven zP> op verzoek van den vader of, zoo de vaderlijke magt door de moeder wordt uitgeoefend, op verzoek van deze; wanneer de minderjarige onder voogdij staat, op verzoek van den voogd of toezienden voogd.

Op het verzoek wordt niet beslist dan na verhoor of behoorlijke oproeping van den minderjarige en van den voogd, indien het verzoek door den toezienden voogd, of van dezen, indien het verzoek door den voogd is gedaan.

De regtbank kan gelasten, dat ook de bloedverwanten of aanyehnff' den en de vader of de moeder, zoo een van beiden in leven motet zij°> zonder met de voogdij belast te wezen, zullen worden opgeroepen om gehoord te worden.

Zij beslist zonder hooger beroep.

Artikel 2.

Verzoeken om handligting en om intrekking van handligting, vóór het in werking treden dezer wet ingediend, worden behandeld e" afgedaan volgens de voorschriften, tijdens de indiening bestaande.

Lasten en bevelen enz.

Gegeven te Montreux, den 4 Julij 1874.

n ... . r . . willem.

De Minister van Justitie,

db Vries.

Uitgegeven den dertienden Julij 1874.

De Minister van Justitie, de Vries.

HOOQE RAAD. — Kamer van Vacantie.

Zitting van Maandag, 10 Julij.

Voorzitter, Mr. e. de Greve. *

Uitgesteld tot 14 Augustus de pleidooijen in zake:

(cassatie) de commissaris des jRLonings in de provincie Utrecht' als ten deze optredende voor den Staat der Nederlanden, eir.cber, procureur Mr. c. J. Franfois, tegen H. Vermeulen, verweerde1' procureur Mr. M. Eyssell.

ADVERTENTIBN. SBB=,a^f Bij fxEBH. BELINEANTE, te'süage, ziet het licht:

THEMIS,

RË«TSKUNOI« TIJTDSCHHIFT .

onder redactie van

Mr. Dav. h. Levyssohn Norman, Mr. A. de Pinto, Mr. 1 M. van der Linden , Jhr. Mr. J. de Witte van cmt"9 en Mr. J. Kappeyne van de Coppello.

XXXVste DEEL. — Derde Verzam. — 5de Jaarg.

Junij 18741. — N". 3.

Inhoud:

STELLIG REGT (NEDERLANDSCH).

Staatsregt. — Het wets-ontwerp tot intrekking der bijzondere bende'' rning, dusver aan de jagl en het jagtbedrijf verleend, door Mr. Oldenhuis gbatama, lid van de Tweede Kamer der Staten en het Prov. Geregtshof in Drenthe, te Assen.

regtsgeschiedenis.

Schets van het oud-Friesche priuaatregt, door Mr. I. Teltino , v"" het Prov. Geregtshof in Friesland, te Leeuwarden. , „)

c. Zakenregt. (Vervolg.) Zie Themis, Jrg. 1873, blz. 220 1<m->

2. Gemeenschap. Mede-eigendom.

ALGEMEENE REGTSGELEERDHEID.

Eenige stellingen over geldboete en subsidiaire gevangemsstraj, Mr. J. P. Verloren, lid van de Arr.-Regtb. te Hoorn.

BONKBEOORDEELINGEN EN VERSLAGEN.

Nederlandsche literatuur. ^

De rechtspersoonlijkheid der Coöperatieve oereenigingen , dooi {

Goeman Borgesius; Utrecht, J. L. Beijers; — beoordeel' Mr. M. Th. Goddsmit, Advokaat te Rotterdam. ■ v u def

Bedenkingen tegen het ontwerp van wet ter vernieuwde uitbrei iny ^ celstraf, door Mr. P. W. Alstorphius Grevelink , oud Inspecteur van 's Rijks politie en gevangenissen, 's Graven ^ Martinus Nijhöff; — beoordeeld door Mr. J. A. Jolles, » den Hoogen Raad der Nederlanden. .s(t;

Wetboek van Koophandel, met aanteekeningen van Mrs. c. D. " ^ w. e. j. Berg van Dossen Muilkerk, M. h. Godefroi, j- _ Tydeman en Jeronimo de Vries Jz. Tweede druk, Amsteri Johannes Muller;—beoordeeld door Mr. J. G. Kist, lid va Hoogen Raad der Nederlanden.

Beitenlandsche literatuur.

fier Fragen zur Deutschen StraJ'prozessordnung mit einen über die Schöffengerichte, von Rui OLF Gneist. Berlm 1874,

s.; beoordeeld door Mr. I). J. Mom Visch, lid van ne

Geregtshof in Gelderland, te Arnhem.

BERIGTEN VAN GEMENGDEN AARD.

nternationaal congres tot regeling van het oorlogsregt.

regtsgeleerde bibliographik.

oelpendruk «n ***" "

Hm • i

I

i ,4®?; Bij verleenen der handligting bepaalt de kantonregter

uitdrukkelijk , welke regten van meerderjarigheid aan den minderjarige « worden toegekend. J

i Art. 484, tweede en derde lid. In de beide laatste gevallen is de i minderjarige bevoegd om, even als een meerderjarige alle verbindj tenissen te sluiten, tot die fabriek, nering eu handel' betrekkelijk > met uitzondering van de vervreemding en de bezwaring zijne vaste

f imPliOrfltl an irnn ij/» J* _ n ° «

—vu, „u uc voi vreemuing or verpanding zijner renteL'evende ettecten, inschrijvingen in grootboeken van openbare schuld" hypothecaire schuldvorderingen en aandeelen in naamlooze of 'andere vennootschappen.

Hij kan ter zake der handelingen , waartoe hij krachtens de verkregene handligting bevoegd was, hetzij eischende of verwerende i» regten optreden. Art. 78 geldt voor die handelingen niet.

Art. 485. De handligting, bij de vijf vorige artikelen omschreven,

kan door de arrondissements-regtbank worden ingetrokken indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde vrees 'i.eetaa'. dat hij dit zal doen.

De intrekking geschiedt, wanneer beide de ouders in leven ziju> op verzoek van den vader of, zoo de vaderlijke magt door de mosder wordt uitgeoefend, op verzoek van deze; wanneer de minderjarige onder voogdij staat, op verzoek van den voogd of toezienden /oogd.

Op het verzoek wordt niet beslist dan na verhoor of behoorlijk oproeping van den minderjarige en van den voogd, indien het verzoek door den toezienden voogd, of van dezen, indien het verzoek door den voogd is gedaan.

De regtbank kan gelasten, dat ook de hlnnr) VPfwanfan tiiiW"

den en de vader of de moeder, zoo een van hnidAn in i«^r, *Hn.

zonder met de voogdij belast te wezen, zullen worden opgeroepen om gehoord te worden.

Zij beslist zonder hooger beroep.

Artikel 2.

Verzoeken om handliartinsr en om intrekkino- von . ,Aót

1 , . a O —Ö ■ UUUU1I" HlJj^, '"

het in werking treden dezer wet ingediend, worden behandeld e" afgedaan volgens de voorschriften, tijdens de indiening bestaande.

cn ucycicu cIJZ.

fï . 1 r _ _ .

uegeven te Montreux, den 4 Julij 1874.

Sluiten