Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den 4 Maart liep aan de onderzijde van den Spaarndammerdyk ; dat hij >su eischer bet hek van liet erf van dezen laatsten op een reet openstelden, om te zien , of de hond weder op dat erf wilde tomen, uetgeeu hun bleek het geval te zijn; dat zij toen met spoed het hek weder gesloten en den houd gevolgd hebben ;

dat door den derden onder eede gehoordeu getuige in substantie verklaard is: dat hij woont aan de noordzijde naast den eischer; dat by op den 3 Maart 11. op zijn land, onmiddellijk grenzende aan dat vau eischer, gezien heeft, dat op dat land zich bevond een zwart gekrulde vreemde groote hond, die twee zich aldaar bevindende varkens aanviel; dat, terwyl die hond het ééne varken beet, het ander in het hok vlugtte, en dat de hond ook dat varken in het hok achtervolgde; dat hij gezien heeft, dat eischer deu hond uit het hok verwijderde en wegjoeg en ook dat beide varkens hevig verwond waren en bloedden; Jat een der varkens weinige dagen daarna aan de gevolgen is overleden eu het audere, na in razernij te hebben verkeerd, verscheiden dagen daarna mede aan de gevolgen der verwonding is gestorven; Uat bij getuige niet weet, dat eischers hond mede gebeten is, en ook niet weet, wie de eigenaar van den zwarten hond is; dat hij do waarde der varkens op J' 28 a. f 30 per stuk begroot; dat hg weet, dat eischer een zeer waakzaam wil hondje had, hetgeen eenige dagen na den 3 Maart is afgemaakt, en dat hij wel gelooft, dal dit hondje voor Koeman eeue waarde van ƒ 25 had; dat hij getuige op deu 4 Maart 11. by het erf van eischer denzelfden zwarten krulhond gezien heeft, die deu vorigen dag de varkens vau eischer gebeten heeft, welken hond hij getuige een klein eindje gevolgd is, zijnde door eischer, van Gelder en Kliju de vervolging van den hond voortgezet;

dat door den vierden onder eede gehoordeu getuige in substantie verklaard is: dat hij op den 3 Maart 11. eeu zwarten krulharigen hond van middelbare grootte zag op het land van eischer, en zag, dat die hond twee zicb aldaar bevindende varkens beet, en wel hel eéue varten op het land en bet audere in het hok; dat hij 's middags die varkens van naderbij gezien heeft en ze nog zag bloeden; dat één der varkens eeu dag vyf of zes na het gebeurde gestorven is, en het auder eeu dag of acht daarna, nadat die beesten zeer bangachtig schenen te zijn; dat hij de waarde dier beesten niet weet; dat hij niet weet, dat diezelfde zwarte hond een hondje van eischer zou gebeten hebben ; dat hij getuige op den 4 Maart 11. dienzelfden zwarten houd andermaal gezien heeft by het erf van eischer, en dat hij , de eischer eu van Gelder dien hond toen achtervolgd hebben tot in de Warmoesstraat te Amsterdam, alwaar die hond in de woning vau dan ged. Fischer gegaan is; dat eischer zich toen begeven heeft naar het politiebureau aan de Oudebrug, en hy getuige en vau Gelder aan de deur van Fischer, ged., gebleven zijn ; dat eischer met een politie-ageot gekomen zijnde, zij allen in de woning van Fischer gegaan zijn; dat Fischer erkende, dat de houd zijn eigendom was, eu de opmerking maakte, dat het hem onbegrijpelijk voorkwam, dat de hond zoo ver gegaan kon zijn, daar hij hem 's morgens nog had uitgelaten; dat, toen op den 4 Maai t de achtervolgde horid voor de woning van Fischer kwam, de boud tegen de deur opsprong, waardoor die deur openging; dot hij den hond, dien hij op den 3 en den 4 Maart gezien heeft, bepaald houdt voor denzelfden en wei opgrond van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijk krulnaar; dat hij gezien heeft, by het vervolgen vau deu hond, dat deze ook andere honden op den weg beet;

dat eindelijk door den vijfden onder eede gehoordeu getuige verklaard is: dat bij vau de feiten hoegeuaamd niets weet; dat hij als vee-arts, in de maand Maart, zonder zich deu juisten dag te kunnen herinneren, bij den eischer geroepen werd om deu toestand van twee varkens te onderzoeken; dat hy een varkeu reeds dood vond, met de bovenlip verbrijzeld en de lippen uil elkander gescheurd; dat het blijkbaar was, dat die toestand door verscheuring door een ander dier moest hebben plaais gehad; dat hij een tweeden varken zieltogend zag liggen, dat noodwendig sterven moest, zonder dat hulp eeuig effect kon doen sorteren; dat de bek vau dat varken zoo gevuld met speeksel was, dat hij het voor een mensch gevaarlijk achtte om bij de zekerheid, dat daar niets aan te doen was, te zeer nabij te komen; Jat hij mede gezien heelt, dat ook dit varken aan den buik verwond was eu ook scbrampeu van beeteu zigtbaar waren; dat hy de waarde der varkens op J 25 tot J 3o per stuk schatte;

V., dat voormeid getuigenverhoor de volgende uitkomst oplevert, eu wel in de eerste plaats ten opzigte van den hond des eischers: dat de eerste getuige gezien heeft, dat op deu 3 Maart 11. een zwarte houd deu hond van den eischer gebeten heeft; dat de tweede getuige zeide te hebbeu gezien het bijlen vau gedaagdes hond, echter dien houd hoorde janKeu , kort nadat een zwarte hond op eischer» erf was gekomen eu met eischers hond in aanraking was geweest; dat hij eischers houd loeu iamachtig bevond en die getuige, op verzoek des eischers, dien houd, wegens vrees voor hondsdolheid, heeft afgemaakt.;

O., dat alzoo de getuigenissen van voormelde twee getuigen , door liareii samenloop eu verband .strekken tot staving der door eischer gefielde daadzaak , dat zijn houd op den 3 Maart 11. door een anderen houd zoodauig is gebeten, dat eischers hond dien ten gevolge

moest wordeu afgemaakt;

U., dat uit de verklaringen vau drie onder eede gehoorde getuigen •ebleken is, dat elk dezer getuigen gezien heeft, dat op deu 3 Maart 11. twee varkens van eischer door een zwarten houd zoodanig 'zijn gebeten , dat die varkens, de een minder de andere meerdere dagen daarna, aan de gevolgeu dier beten zijn gestorven; voorts dat uit de verklaring van den vijfden getuige gebleken is, dat deze, ais vee-arts , zonder het bijten vau eischers varkeus gezien te hebben, twee varkeus des eischers in Maart 11. in behandeling nemen moest; dat bij zijne komst eeu reeds dood eu de andere onherstelbaar waren, dat het hem duidelijk was, dat die toestand der varkeus veroorzaakt ziju moest door verscheuring door eeu auder dier;

U dat alzoo uit de pertiueute verklaringen der eerste drie getuigen 'in bet verband aaarmede der verklaring van den vyfden getuige bewezen is, dat op deu 3 Maart 11. twee varkens van eischer door een hond zoodauig zijn gebeten, dat die varkens aan de gevolgen daarvan gestorven zyn, dat alle deze getuigen, waarvan de eerste drie landlieden eu de laatste vee-arts, de waarde van elk der varkens begroot henbeu te zyn van / 25 tot J 30; ...

u., dat geen der getuigen op den 3 Maart 11. wist, wie de eigenaai was 'vau den houd, die op dien dag de varkens van den eischei gebeten heeft; doch dat de tweede en vierde getuigen op den 4 Maart 11 dienzelfden hond weder by het erf van den eischer ziende komen, eer onderzoek naar den eigenaar van den hond ingesteld en tot de ontdekking gekomen is, dat de ged. in deze de eigenaar was van der houd, die op den 3 Maart 11. de twee varkens van den eischei

gebeten heeft; .. . , . .

O., dat de verklaringen dier twee getuigen, zynde de 'we vierde getuigen, zoodanig met redenen van wetenschap bekleed zyn zoo ten opzigte der eenzelvigheid van den hond, dien zij op * en den 4 Maart op en by het erf en land van eischer gezien hebben als ten opzigte dat die hond den ged. toebehoorde; dat ook door dl verklaringen dier beide getuigen het wettig bewijs geleverd is, da gedaagdes hond, op den 3 Maart 11., twee varkens van den eischei zoodanig gebeten heeft, dat die varkens aan de gevolgen daarvai zijn gestorven;

Ad II1"". O., dat d» eigenaar vau eeu dier aansprakelijk is wegeni de schade, welke het dier heeti veroorzaakt, hetzy hetzelve ouder ayi joeaagt en bewaring, dan wel verdwaald of ontsnapt zy;

sel was, dat hij het voor een mensch gevaarlijk achtte om bij de zekerheid, dat daar niets aan te doen was, te zeer nabij te komen; oat hij mede gezieu heelt, dat ook dit varken aan den buik verwond was eu ook scbrampen van beeteu zigtbaar wareu; dat hy de waarde der varkens op J 25 tot J 3o per stuk schatte;

V., dat voormeld getuigenverhoor de volgende uitkomst oplevert, en wel in de eerste plaats ten opzigte van den hond des eischers: dat de eerste getuige gezien heeft, dat op den 3 Maart 11. een zwarte houd deu hond van den eischer gebeten heeft; dat de tweede getuige zeide te hebbeu gezien het bijten vau gedaagdes hond, echter dien houd hoorde janken , kort nadat een zwarte hond op eischers erf was gekomen eu met eischers hond in aanraking was geweest; dat hij eischers houd toeu iamachtig bevond en die getuige, op verzoek des eischers, dien houd, wegens vrees voor hondsdolheid, heeft afgemaakt;

O dat alzoo de getuigenissen van voormelde twee getuigen , door

haren zamenloop en verband .strekkeu tot staving der door eischer

gestelde daadzaak , dat zyn hond op oen o maart 11. uoor een anaeruu houd zoodauig is gebeten, dat eischers hond dien teu gevolge

v>w...ur at^euiaaKt:

O., dat uit de verklaringen vau drie onder eede gehoorde getuigen •ebleken is, dat elk dezer getuigen gezien heeft, dat op deu 3 tl „«rr 11 twee var&ens van eischer door een zwarten houd zoodanig

ziiu üebeten , dat die varkens, de een minder de andere meerdere

dageu daarna, aau de gevolgeu dier beten zyn gestorven; voorts dat uit de verklaring van den vijfden getuige gebleken is, dat deze,

als vee-arts, zonder bet byteu vau eiscners varseus gezien te neooen, v»rtffl,8 des eischers in Maart 11. in behandeling nemen moest;

dat bij zijne komst eeu reeds dood eu de andere onherstelbaar waren, dat het hem duidelijk was, dat die toestand der varkens veroorzaakt

zijn moest door verscheuring door eeu auaer uier,

,, ,i.t „i,m lilt de uertiueute verklaringen der eerste drie getui¬

gen 'in bet verband aaarmede der verklaring van den vyfden getnige Lwézen is, dat op deu 3 Maart 11. twee varkens van eischer door een hond zoodauig zijn gebeten, dat die varkens aan de gevolgen daarvan gestorven zyn, dat alle deze getuigen, waarvan de eerste drié landlieden en de laatsie vee-arts , de waarde van elk der varkens hohhmt lp. ziin vau / 25 tot 1 30:

u.} dat geeu der getuigen op den 3 Maart 11» wist, wie de eigenaar was 'vau den houd, die op dieu dag de varkens van den eischer

dienzelfden hond weder by het erf van den eischer ziende komen, een onderzoek naar den eigenaar van den hond ingesteld en tot de ontdek kina uekomen is, dat de ged. in deze de eigenaar was van den

hond, die op den 3 Maart 11. de twee varkens van den eischer

CraKota» VÏ aa f't .

O., dat de verklaringen dier twee getuigen, zynde de 'we vierde getuigen, zoodanig met redenen van wetenschap bekleed zyn, zoo ten opzigte der eenzelvigheid van den hond, dien zij op den en d«n A Maart r»n ad hii hpr. p.rf en land van eischer gezien hebben,

als ten opzigte dat die hond den ged. toebehoorde; dat ook door de

verklaringen dier beide getuigen het wettig bewijs geieveru is, u<" gedaagdes hond, op den 3 Maart 11., twee varkens van den eischer

zoodanig gebeten Ueeft, dat die varkens aan de gevolgen daarvan

Ad Il'"u. O., dat de eigenaar vau eeu dier aansprakelijk is wegens

de schade, welke het dier heeu veroorzaakt, hetzy hetzelve ouder zyn

O., dat, wel is waar, de hond, toen hij de varken» van den eischer gebeten heeft, uiet schijnt te ..yn geweest onder toezigt van ged., doch, zich op den 3 Maart 11. op den Spaarndammerdjjk zonder toezigt bevindende, aldaar moet zijn gekomen teu gevolge van verdwaling of ontsnapping zijns meesters, terwijl in alle geval door dezen niet is beweerd, veelmin bewezen, dat die hond op het erf van eischer gekomen is door van diens daad of die van een derde;

O. alzoo, dat de ged. volgens de wet aansprakelijk is voor de schade, door zijn hond aan eischer toegebragt;

Ad IIlum. 0., dat de getuigen ten opzigte van deu hond, afgemaakt ter oorzake van den beet, hem toegebragt door gedaagde's hond, geene op eigen kennis berustende waarde-begrooting hebben kunnen opgeven, zoodat die waarde niet kan worden gesteld op f 25, zoo als eischer dit doet, maar in billijkheid op ƒ 10 kan worden gebragt, terwijl die der varkens op den middenprijs tusschen het maximum en het minimum der begrooting van de meerderheid der getuigen kan worden vastgesteld, zijnde voor elk varkeu f 27.50;

O., dat de eischer geconcludeerd heeft, dat de ged. zal worden veroordeeld om hem voor schadevergoeding te betalen de som van /' 85 , of zooveel minder als de regter in goede justitie zal oordeelen te behooren, zoodat den eischer eene mindere som dan de door hem uitgedrukte kan worden toegelegd, zonder dat die eischer in een gedeelte der proceskosten behoort te worden veroordeeld;

Gezien de artt. 1404 B. W. en 56 B. R.;

Veroordeelen den ged. om, tegen behoorlijke quitantie, aan den eischer te betalen de som van f 65 met de renten sedert den dag der dagvaarding tot de volledige voldoening, als f 10 voor den hond en /'55 voor de twee varkens, ter vergoeding der schade, door g;edaagdes hond veroorzaakt door het op den 3 Maart dezes jaars bijten vau een hond en twee varkens van den eischer, ter oorzake waarvan de eerste moest worden afgemaakt eu de beide laatste gestorven ziju;

Veroordeeleu den ged. in de kosten van het regtsgeding, met inbegrip van die, welke tot het eindvonnis waren gereserveerd.

(Gepleit voor den eischer Mr. H. J. van Lier, en voor den gedaagde Mr. J. H. van Goor.)

MENÜÜLWEHK.

het pkocureurs-examen.

(Ingezonden.)

«Elk,die verlangt ais procureur te worden aangesteld, zal, alvorens te worden toegelaten, examen moeten afleggen wegens zijne bekwaamheid voor twee procureurs, aangewezen door den presideut vau het collegie, teu overstaan vau eeue commissie uit hetzelve.'

De toepassing van bovenstaande eerste aliuea van art. 22 van het reglement van orde en discipline voor de advokaten eu procureurs is in deu laatsten tijd gebleken nog al verschillende te zijn.

In de maand Febr. 11. is procureur ü. bij de liegtbank te '§ H. komen te overlyden. Twee jongelui uit R., waarvan er ééu reeds een aantal jaren op eeu procureurs-kantoor werkzaam was, verzochten bij request aau deu heer voorzitter der liegtbauk te 's H. toegelaten te worden tot het examen, bedoeld bij bovenstaand art. 22; beiden werden op den 14 Maart 11. toegelaten , eu de uitslag er van was, dal de commissie uit die liegtbank, «zich vereenigende met hetgevoeleu van de heeren procureurs-examinatoren , oordeelde, dat beide adspiranten voldoende bewijzen van bekwaamheid voor de betrekking van procureur hadden gegeven.»

Beide candidateu solliciteerden naar de vacature, waarvoor evenwel werd benoemd procureur Mr. V., van de Regtbank te B.

Dieu teu gevolge dus ook eene vacature by laatstgenoemde Regtbank.

Kén der candidateu, de procureurs-klerk, verzocht toen aan die Regtbauk eene plaatsing op de door haar te doene voordragt, ineeuende, door zijn afgelegd examen, daarvoor in aanmerking te kunnen komen. De Kegtbauk was evenwel eeue geheel onverwachte opinie toegedaan. Zij oordeelde, dat een niet gegradueerd sollicitant naar eene 'Vacerende procureurs-betrekking, telkenmale, bij elke Regtbank , waarby hy solliciteert, op nieuw examen moet afleggen.» De candidaat, van een ander gevoelen zijnde, meende, onder eerbiediging der beslissing van het geacht collegie, aan het op nieuw van nem verlangd exaineu niet ie behoeveu te voldoen, en verzocht iutrekking van ziju verzoek om plaatsing op de voordragt.

Inmiddels ontstaat er ook bij de Kegtbauk te B. (provincie Noordbrabaut) eeue vacature. Daarnaar solliciteert de andere candidaat, en .... hoewel nimmer op een procureurs-kantoor werkzaam geweest, en zonder dat men er aan dacht hem een nieuw examen te doen oudergaau, wordt op de voordragt ter benoeming geplaatst, eu heeft, naar het zich laat aanzien , veel kans om benoemd te wordeu.

Welk eeue tegenstrijdigheid I Ofschoon den eerbied voor beide regtscollegiëu, welker beslissingen zoo lijnregl met elkander in strijd zijn, en waardoor er ééne zeker geheel en al faalt, uiet uit het oog verliezende, veroorloof ik mij de bescheiden vraag, of het dan uiet de eerstgenoemde Regtbank zou zijn, die met hare uitspraak dwaalt 1

Zou dus de candidaat-procureur, die benoemd kan worden by de Kegtbauk te 's 11., waarbij de jougste procureur der Regtbank te B. is benoemd, onbekwaam zijn om als zoodanig te worden aaugesteld bij laatstgenoemde Regtbauk ï

En I diezellde Kegtbauk heeft zelve een ongegradueerden procureur iu dienst; zou deze dus, solliciterende naar eene andere procureursbetrekking , b. v. bij dezelfde Kegtbauk te 's H., alsdan voor eeue commissie uit haar midden, op nieuw zich moeten onderwerpen aau het gevorderd examen, door den teleurgestelden candidaat-procureur met den uitslag afgelegd?

In dezen stand vau zaken, zou eenige opheldering, vooral by volgende vacaturen, van zeer veel belang zyn.

U., 15 July 1874. s.

verschillende wijze van werken in dllitschland en bij ons.

(Ingezonden.)

Den 17 Juny 1868 verzocht de kanselier van den Noordduitschen Bond f daartoe uitgenoodigd door den Rijksdag en den Bondsraad, den Pruissischeu minister van Justitie Leonhardt om een ontwerp van een strafwetboek te doen zamenstellen. De minister droeg die samenstelling op aan den geheimen Ober-Justizrath Dr. Friedberg. Deze was in weinige maanden gereed met zyn ontwerp, dat reeds den 31 Julij 1869 door den minister van Justitie aan den Bondsraad aangeboden en tevens door den druk openbaar gemaakt werd. De Bondsraad benoemde eeue commissie van zeven leden , waarvan de minister van Justitie voorzitter was, om bet ontwerp te onderzoeken. Deze commissie kwam den 1 Oct. 1869 byeen, was in 43 vergade. rineen met baren arbeid gereed, en_ bood den 31 Dec. 1869 haar ontwwp aan d»n bond»kans»Uer aan. De Bondsraad uam dat ontwerp

Deze coujmiöim; ~ -- »* » -- — —»

rineen met haren arbeid gereed, en_ bood den 31 Dec. 1869 haar

® s-__ i iflluxoaliaf mmn Ha RonriirtKii nam dat ontwern

in de zittingen van 4 en 11 Febr. 1870 met weinige veranderingen aan. Den 14 Febr. werd het ontwerp aan den Rijksdag gezonden , waarin de eerste lezing den 22 Febr. plaats had. Er werd besloten bet algemeen gedeelte van het ontwerp eu de staatkundige misdrijven in algemeens vergaderingen te behandelen , en het overige gedeelte naar eene commissie van 21 leden te verwijzen. Nadat vooral de vraag omtrent het behoud van de doodstraf tot levendigen strijd had aanleiding gegeven, werd het ontwerp , na in verscheidene zittingen te zijn behandeld, bij derde lezing den 25 Mei 1870, zonder hoofdelijke stemming, met zeer groote meerderheid aangenomen eu door den Bondsraad eenstemmig goedgekeurd. Den 8 Junij werd het ontwerp, als wet van 31 Mei 1870, door opname in het BundeegesetzbUitt afgekondigd, eu daarbij de iu-werking-treding in het gebied van den Noordduitschen Bond op 1 Jan. 1871 bepaald. Met de Zuidduitsclie Staten werden daarop tractaten over de invoering van dat strafwetboek gesloten; in Elzas en Lotharingen werd het met 1 Oct. 1871 ingevoerd, en aldus is dit strafwetboek — een hoogst belangrijk monument vau wetgeving, een groote vooruitgang op den weg deihervorming van het stratregt, — den 1 Jan. 187-2 in het ge heel t; Duitsche Rijk in werking getreden.

Bij ous is bij Kon. besluit van 28 Sept. 1870 eene commissie van vyf leden, aan welke later nog een adjuuct-secretaris is toegevoegd, benoemd voor de zamenstelling van eeu Wetboek van Strafregt. Die commissie is nog niet gereed met haren arbeid, misschien gedachtig aan het:

Nonumque prematur iu annum ,

misschien ook omdat hars ledeu , hoe bekwaam ook , overladen als zij bijna allen zyn met vele eu gewigtige ambtsbezigheden , weinig tijd hebben voor het Wetboek van Stratregt.

En hoe zal nu verder by ous de loop der zaak ziju ?

Als de commissie haar ontwerp aan den Koning zal aangeluden hebben , zal het aan den minister van Justitie, die er dan ziju zal, verzonden wordeu; en ais deze zich er mede zal kunnen vereenigen, zal het aan deu Raad van State verzonden worden , welk collegie er een belangrijk eu uitvoerig advies over zal uitbrengen. Ma terugkomst van den Raad van State, zal het ontwerp, als de miuister van Justitie, die er dan zyn zal, zich er mede zal kunnen vereenigen, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal worden gezonden , dis het in de al'deelingen zal overwegen en er een belangrijk en uitvoerig verslag over zal uitbreugen. Misschien zal het dan op nieuw, met oi' zouder wijzigingen, door den minister van Justitie, die er dan ziju zal, met eene memorie van beantwoording , bij de Tweede Kanjer aanhangig gemaakt wordeu; eu misschien zal de Tweede Kamer het dan vroeger of later iu de openbare zitting iu behandeling nemen. Er zullen dan zeer vele en belangrijke redeneringen over uitgesproken en vele wijzigingen op voorgesteld worden; eu misschien zal het ontwerp, na eiudeiooze discussiën, aangenomen of verworpen worden. Als het aangenomen worut, zal het iu de Eerste Kamer op deze 11 de wijze overwogen, beschreven eu besproken, en misschien aangenomen worden; en aldus zal Nederland, na verloop van eeu niet te bepalen aantal jaren, misschien iu het bezit van eeu nieuw nationaal Strafwetboek komen.

Misschien ook wel niet.

BJSKlGTJiiN.

't Uraoen/iaye, den 25 Julij.

Den 14 dezer is te Tiibingen overleden de heer Mr. L. A. van IJtselstein , in den ouderdom van 29 jaren.

VLttBtTBKiNO. — In het vonnis vau het Kaulongeregt te '» Gravenhage, geplaatst in Weekbl. n". 3733 , 15deu regel, blz. 3, 3 de kol., van onder-af, staat: »van de zeveu voorgaande.' L)it moet ziju: «van de zeven voorgaande jaren.«

AÜVEKTENÏIËN.

Bij d. noothoven van öoob , le Leiden , is voor de bezitters vau

OUDEMAN'S WETBOEKEN

(diverse uitgaven; , op Franco aanvrage, gratis verkrijgbaar:

de Wet van den i8den April J874, tot over brenging van enkele bevoegdheden der arrondissements-regtbanken bij de kantonregters [Staatsblad n°. 6b).

Uoor ÖEBit. BISLINb'ANÏK, te's hUes, is uit Pakijs ontvangen :

MANÜEL

UK

DKOIT COMMERCIAL

FRANCAIS KT ÉTttANGER, mailt les luis, les ooutumes et la jurisprudeoce de plusieurj pays,

;i 1'usage des JUR1SCONSULTES ET DES COMMERGANTS ,

FA*

K. (i. HÖMTE&, m. SACRÉ ei LÉ01L OUDE

Nouvelle édition, entièrement refondue tnise au courant de la législatiou.

La plus récente et augmentée des faillites en droit francais et étranger.

ƒ « «O-

eu ■litjfav'e ©iïiiïSüiÊiSEiiS uiuiii lx ttt, is *« è*-«tissiau

Sluiten