Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelaten en de belasting drukt op de waarde der overGreffane poederen.

zonder op de schulden te letten, in tegenstelling met het regt op de

SIIPPPSKIA Viaf A..„ U *- -1 . . o. ■

——. uv^.wa. «.üücii uium up net zuiver bumu, aizoo na artreK der schulden ; dat mitsdien toescheiding onder bezwaar van schulden inderdaad is eene overdragt onder bezwarenden titel, gelijkstaande met koop; en dat ook de bewering niet kan opgaan, dat hij, die te veel baten verkrijgt, tegen overneming der schuld , het bedrag der

v.ciucuccjiiig met zou uiiKeereii un eigen oeurs, daar bet ëénig onderscheid tussehfn de overneming van schulden en de onWmncr in

geld van het bedrag der soulte daarin bestaat, dat in het laatste geval de uitkeering geschiedt aan den te min bedeelde en in hef, pprstn tnr

zijner ontlasting, terwijl in beide gevallen het bedrag der soulte wordt betaald uit eigen beurs, omdat de kwijting der schulden niet geschiedt

uil ueu gemeenst uuppeujKen noedel, maar uit de baten, die den overbeaeelde boven zijn aandeel daarin worden toegekend; op alle welke gronden het gedaagde Bestuur concludeert tot afwijzing van de vordering der eischers;

dat de eischers bij memorie van repliek hebben aangevoerd: dat een beroep op het beginsel, dat voor de regten van heffing op overdragt von goederen alleen gelet wordt op de waarde en niet op de schulden, in deze niets kan afdoen, omdat boedelscheiding èn naar de iiscsle èn naar de burgerlijke wet niet is een eigendoms-overgang, maar zuiver «déclaratif de propriété," gelijk verder uitvoerig worde uiteengezet, dat er alleen dan proportionneel regt geheven mag worden, indien er overbedeeling is, en men ook eerst dan uit de beginselen, waarop dat proportionneel regt rust, mag redeneren; dat echter in deze geene overbedeeling plaats heeft, omdat ieder deelgeregtigde, volgens den algemeenen regtsregel: »bona non intelliguntur nisi deducto aere alieno», juist zijn aandeel uit de zuivere massa heeft ontvangen, terwijl eerst dan van overbedeeling sprake kan zijn, indien eenig deelgenoot uit de massa meer ontvangt dan zijn aandeel en daan oor uit eigen middelen aan den ander moet bijpassen, wat deze te wéinig uit den gemeensehappelijken boedel geniet;

dat het gedaagde Bestuur bij memorie van dupliek onder anderen nog heeft aangevoerd: dat gebrek aan onderscheiding tusschen »partage pur et simple» en die «avec soulte» de eischers heeft gebragt tot eene algemeene en onvoorwaardelijke verdediging der door hen vooropgezette redenering, dat men, om te weten, of er retour is, de schulden buiten aanmerking moet laten en allée'n met de baten te doen heeft; dat de schulden van den gemeensehappelijken boedel zich van regtswege verdeelen, argumento articulis 1385, 1146, 1147 j°. 183 B. W., waardoor elk deelgenoot persoonlijk schuldenaar wordt van een evenredig deel der schuld, en eeno verdeeling daarvan bij boedelscheiding dus niet meer te pas komt, zoodat overneming door den een van de schuld van den ander, tegen ontvangst van meerdere baten, inderdaad is verkrijging van goed onder onéreusen titel;

0. in regten :

dat de wet op de registratie van 22 Primaire an VII in artt. 2, 3 en 4 als algemeen beginsel vooropstelt, dat een vast of een evenredig regt zal worden geheven naar mate van den aard der acten en overgang, het evenredig regt onder anderen van alle schuldverbindtenissen, ontheffingen en overdragt van roerende en onroerende goederen, het vast regt van acten, geene dergelijke verbindtenissen of overgang van goederen bevattende;

dat naar dit algemeen beginsel boedelscheidingen zouden moeten werden geregistreerd naar een evenredig regt, indien deze moesten worden beschouwd als te bevatten eene overdragt van goederen ;

dat echter reeds het oude Fransche reet. volsrens de reirtsdwtnrnn

m tegenstelling met het Romeinsche regt, de leer huldigen, dat eene boedelscheiding niet is translatif, maar déclaratif de propriété, welke leer tot wet is verheven bij den Code Napole'on, gelijk ook bij het

xmigiü.yn. vvetuocK, en aat geneel overeenkomstig dat beginsel de wet op de registratie in art. 68, § 3, n». 2, bepaalt, dat scheiding van gemeenschappelijke roerende en onroerende goederen

uaar vast regt, zoodat ook deze wet ken-

noliilr vnn llPt: hotrinco! l:: i , , , .

a j ~ , uui, uij Doeaeiscneiaing geene over-

uiagb uvwti)

dat evenwel de tweede alinea van evengemeld artikel nog bepaalt

(lof infiniT;] vin I r>0rIaK<r<l>oirli*>r» i,-,l ]• . 0 .r '

""" ■ """6 "« ovcmcuig regt geheven zal wor¬

den , »s u y a retour» ;

dat mitsdien te onderzoeken valt, of in casu enkel en alleen eene

van etui ^eiuccuBuunppeiyK.UU Doedel neetfi plaats gehad, dan of daarbij bestaat het geval, bij de tweede alinea van genoemd artikel aangewezen met de woorden: »s'il y a retour» ; dat een gemeenschappelijke boedel kan bestaan, gelijk in casu.

uit baten en schulden, in welk geval beide evenzeer bij de verdeeling der massa in aanmerking moeten worden genomen; dat toch niet

opgaat oe bewering, dat de schulden van regtswege worden verdeeld, *oodat daarvan eene onderlinge scheiding niet meer te pas zou komen, daar, v.el is waar, tegenover do schuldeischers de aansprakelijkheid der erfgenamen door de wet wordt geregeld; doch dat tusschen de deelgeregtigden onderling geene enkele beperking bestaat om bij boedelscheiding ook de schulden, in verband met de baten, naar eigen goedvinden te verdeelen terwijl eene bepaling als in den Code Napoleon , «dat ieder aandeel, zooveel mogelijk, eene gelijke hoeveelheid roerende en onroerend a <yrwlow>,. ° J ' » "J1"5 uuc,w"re

-- ,

regten en inschulden van dezelfde

natuur en ™e moet Bevatten., en welke bepaling aan de Fransche regtsgeleerücn aanleiding schijnt te hebben gegeven tot de benaming van «partage pur et simple» ter onderscheiding van andere wijzen van veraeeUng, in het Nederlundsch Burgerlijk Wetboek niet voorkomt , zoodat do wijze van formatie der kavelingen geheel aan het goedvinden van partijen is overgelaten;

dat dien-overeenkomstig in casu aan de eiseliers is toebedeeld een actief van f 15,336.146 met een passief van f 11,977.43 , makende eene zuivere waarde van f 3358.7I3; zoodat hun aandeel, naar den algemeenen regtsregel: «bona non intelliguntur, nisi dedneto aëre alieno», juist vertegenwoordigt de waarde van hetgeen hun uit den gemeensehappelijken boedel toekwam, zonder dat blijkt of beweerd wordt, dat bij de verdeeling eenige niet tot den boedel behoorende actieve of passieve waarde, tot gelijkmaking der aandeelen, in berekening zou zijn gebragt, zoodat in deze inderdaad niets anders heeft plaats gehad dan eene verdeeling van eenen uit activa en passim bestaauden gemeensehappelijken boedel, waarop zoowel naar het beginsel, dat boedelscheiding is déclaratif de propriété, als volgens de eerste al. van art. 68, § 3, n°. 2, der wet op de registratie alleen een vast regt kan worden geheven;

dat eerst dan evenredig regt verschuldigd zoude zijn , indien aan eenig deelgenoot eene grootere waarde was toegescheiden dan zijn aandeel in den gemeensehappelijken boedel bedroeg en hij daarvoor aan de te min bedeelden uit eigen middelen eene schadeloosstelling moest geven, omdat dan niet meer alleen eene loutere scheiding van den gemeensehappelijken boedel had plaats gehad, maar daarbij tevens eene waarde was aangewend, die buiten den gemeensehappelijken boedel was gelegen en als koopsom moest strekken voor het te veel toebedeelde, en dus boven en behalve de scheiding der gemeenschappelijke massa te gelijk eene werkelijke overdragt had plaats gehad van hetgeen dien deelgenoot boven zijn regtmatig°aandeel was toegekend, tegen eenen niet in de gemeenschappelijke massa begrepen prijs;

aat in zoodanig geval overbedeeling van den e'e'nen deelgenoot plaats heeft, ten gevolge waarvan deze aan den te min bedeelde een retour, wedermtkeering, of toegifte moet betalen, in welk geval, volgens meergemelde tweede al. van art. G8, § 3, geheel in overeenstemming

5? heffing der regten op de overdragt, een evenredig regt verschuldigd is op het voorwerp van overbedeeling, naar den tax voor verkoop bepaald;

dat alzoo tot het bestaan van retour wordt vereischt de verpli<ning van eenig deelgenoot, die meer dan zijn aandeel, niet slechts"aan baten maar aan werkelijke waarde, uit den gemeensehappelijken boedel heeft ontvangen, tot uitkeering van eene niet in den gemeensehappelijken boedel begrepen waarde, en alzoo uit eigen middelen aan een ander deelgenoot voor hetgeen deze te weinig uit den gemeensehappelijken boedel geniet ;

dat deze opvatting van retour niet alleen volgt uit de beginselen en bepalingen, zoowel van de registraliewet als van het burgerlijk regt omtrent boedelscheiding, maar ook speciaal is neergelegd in art. 1125 li. W., hetwelk haar omschrijft als: »de geldsom, welke wegers een of meer aandeelen ter gelijkmaking moet worden uitbetaald» terwijl uit de geschiedenis van dit artikel blijkt, dat die uitbetaling moet geschieden door den overbedeelde aan den te min bedeelde" als zijnde eerst voorgesteld geweest te lezen: «welke geldsom een of meer aandeelen aan de andere ter gelijkmaking moeten uitbetalen» , welk voorstel echter gewijzigd is, met weglating van de woorden : «aan de andere», omdat taalkundig niet juist gezegd was , dat aandeelen aan andere aandeelen moeten uitbetalen;

dat evenwel zoodanige uitbetaling, toegifte of retour wegens overbedeeling in casu niet bestaat;

Gezien de artt. 2, 3, 4, 68, § 3, n°. 2, der wet van 22 Primaire an \H, artt. 175, 176, 183, 1125, 1129, 1146, 1147, 1148 en 1335 B. W. en art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Veroordeelt het gedaagde Bestuur om aan de eischers terug te betalen de som van / 32S.99, wegens te veel geheven regten en opcenten op de boven omschreven acte van scheiding, en van f 41.128, wegens ten onregte geheven regten en opcenten op de overschrijving dier acte, alzoo te zamen f 370.11°, met de wettelijke renten sedert den dag der dagvaarding;

Veroordeelt het gedaagde Bestuur in de kosten dezer procedure.

ARllONDISSEMENTS-REGTBANK TE ASSEN.

Burgerlijke kamer,

Zitting van den 24 November 1873.

Voorzitter, Mr. D. H. Westba.

Regters, Mrs.: J. Tonckens en J. C. J. Ridder van Rappaud.

Revindicatie. — Vekjaring. — Getuigenbewijs.

1°. P. 1\ Coertsen, wonende te Emmen,

2Q. K. Ensink, wonende te Noordbarge, gemeente Emmen, 3°. \Y, Hadders, wonende te Zuidbarge, gemeente Emmen, en 4°. G. Garming, wonende te Zuidbarge, gemeente Emmen, in hunne qualiteit van bestuurders of volmagten van de Zaadmarke van Noord- en Zuidbarge, gemeente Emmen, eischers, procureur Mr. A. Vos,

tegen

J. Scholten, wonende te Noordbarge, gemeente Emmen, gedaagde procureur Mr. J. Oosting.

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusiën der eischers , van den 7 April en 9 Janij, en die des gedaagden, van den 21 en 23 Junij 1873;

de conclusie der eischers van den 7 April 1873 strekt daartoe: dat het der Regtbank moge behagen den ged. te veroordeelen om, binnen acht dagen na insinuatie van het te vallen vonnis, het bij die conclusie omschreven perceel grond te verlaten en ter vrije beschikking te stellen van de eischers q. d., en bij gebreke van dien de eischers q. d. te magtigen om zich door den deurwaarder, met de executie van het vonnis belast, hiertoe bijgestaan door de twee eerstaanwezige dienaren van het openbaar gezag, weder in het bezit van het bedoelde perceel te doen stellen , alles met veroordeeling van den ged. tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, bij de eischers q. d. gehad en geleden en nog te hebben en te lijden, op te maken bij sta'at, en in de kosten der procedure;

de contra-conclusie des gedaagden van den 21 April 1873 strekt laartoe : dat het der Regtbank moge behagen den eischers q. d. hunne vordering te ontzeggen, of wel hen daarin te verklaren niet-ontvankelijk of ongefundeerd, met veroordeeling van hen in de kosten;

de incidentele conclusie der eischers van den 9 Junij 1873 strékt Jaartoe: dat het der Regtbank moge behagen de eischers q. d. toe te laten de daarbij gestelde feiten door getuigen te bewijzen conform het voorschrift der wet, alles met veroordeeling van den ged. in de kosten van het incident, ingeval van tegenspraak, en anders met reserve van kosten;

de incidentele contra-conclusie des gedaagden van den 23 Junij 1873 strekt daartoe: dat het der Regtbank moge behagen aan de Mschers q. d. hun verzoek tot getuigenbewijs te ontzeggen, of wel hen laarm te verklaren niet-ontvankelijk, met veroordeeling van de iischers m de kosten van dit incident; en subordinaat, voor het geval, lat de Hegtbank van oordeel n.ogt zijn, dat het verzochte getuigen.erhoor behoort te woiden gelast, voorbehoudens het reet van "den ' ,Yan tegenbewijs, dat het der Regtbank moge behagen de uit-

SLr de kOSteU Vau dit inCident te Voegen biJ die wegens de

Gehoord de adstructie dier conclusiën voor de eischers door den

dr.°eToosting WlLL1NOB en yoor den Sed. door den advokaat

Gehoord de conclusie van den subst.-officier van justitie Mr vanier Ivemp , daartoe strekkende, dat het verzoek tot getuigenbewijs rorde afgewezen en de eisch ontzegd, met veroordeeling van de iischers in de kosten;

Gezien de bovenvermelde dagvaarding en de verdere stukken van iet geding, voor zooveel noodig geregistreerd ;

Overivegende , wat betreft de daadzaken :

dat de eischers, blijkens genoemd exploit, den ged., na vruchteooze sommatie om zich bereid te verklaren om een stuk gronds ter ;rootte van 10 aren en 2 centiaren, zijnde een gedeelte van liet pereel , bekend in de gemeente Emmen, in sectie D, n». 4904 behooende tot de nog ongescheiden Zaadmarke van Noord- en Zuidbarge faarvan ged. zonder eenigen titel in het bezit is , voor de som van 100.20 van hen eischers te koopen , — hebben gedagvaard om te |erscbijnen ter rolle dezer Regtbank van Maandag den 10 Maart 1873 , ten einde te hooren cn zien eisch doen, dat:

Aangezien de ged. zich zonder eenigen titel' bevindt in het bezit 'an bovenbedoeld perceel grond, groot 10 aren, 2 centiaren; ƒ. gemeW perceel, deel uitmakende van de gronden, behoorende ° 38 mar^e van Noord- en Zuidbarge, is de eigendom der narktgenooten van genoemde raarke, en de ged. zich dus wederregelijli liet bezit daarvan heeft aangematigd, en A. hierdoor bij de marke schade is en wordt geleden;

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ASSEN. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 24 November 1873.

Voorzitter, Mr. D. H. Westba.

Regters, Mrs.: J. Tokckens en J. C. J. Ridder van Rappaud.

Revindicatie. — Vekjaring. — Getuigenbewijs.

1°. P. P. Coertsen, wonende te Emmen,

2Q. IC Ensink, wonende te Noordbarge, gemeente Emmen,

3°. W. Hadders . wonendft tfi ZnifH.rrrrn ftomoanta Fmmnn

4°. G. Garming, wonende te Zuidbarge, gemeente Emmen, in hunne

rmnlifoif ,i _ n i „

J. Scholten, wonende te Noordbarge, gemeente Emmen, gedaagde procureur Mr. J. Oosting.

De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusiën der eischers , van den 7 April en 9 Junij, en die des gedaagden, van den 21 en 23 Junij 1873;

de conclusie der eischers van den 7 April 1873 strekt daartoe: dat het der Regtbank moge behagen den ged. te veroordeelen om, binnen aeht dagen na insinuatie van het te vallen vonnis, het bij die conclusie omschreven perceel grond te verlaten en ter vrije beschikking te stellen van de eischers q. d., en bij gebreke van dien de eischers q. d. te magtigen om zich door den deurwaarder, met de executie van het vonnis belast, hiertoe bijgestaan door de twee eerstaanwezige dienaren van het openbaar gezag, weder in het bezit van het bedoelde perceel te doen stellen , alles met veroordeeling van den ged. tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, bij de eischers q. d. gehad en geleden en nog te hebben en te lijden, op te maken bij sta'at, en in de kosten der procedure;

de contra-conclusie des gedaagden van den 21 April 1873 strekt daartoe : dat het der Regtbank moge behagen den eischers q. d. hunne vordering te ontzeggen, of wel hen daarin te verklaren niet-ontvankelijk of ongefundeerd, met veroordeeling van hen in de kosten ;

de incidentele conclusie der eischers van den 9 Junij 1873 strékt daartoe: dat het der Regtbank moge behagen de eischers q. d. toe te laten de daarbij gestelde feiten door getuigen te bewijzen conform het voorschrift der wet, alles met veroordeeling van den ged. in de kosten van het incident, ingeval van tegenspraak, en anders met reserve van kosten;

de incidentele contra-conclusie des gedaagden van den 23 Junij 1873 strekt daartoe: dat het d er T?,PrrfVjHnk innrrp lioli orror.

- — 1-, uuuug».ii an li UO

eischers q. d. hun verzoek tot getuigenbewijs te ontzeggen, of wel hen daarin te verklaren niet-ontvankelijk, met veroordeeling van de eischers in de kosten van dit incident; en subordinaat, voor het geval, dat de Regtbank van oordeel mogt zijn, dat het verzochte getuigenverhoor behoort te worden gelast, voorbehoudens het re"t vau den ged. van teorenbewiis. dat heft dor R^rrtKar^ ™~ ,

« * juvge ueuaiftJli as Uit-

® LTr " VaU dU inCident te voegen bÜ die weSens de

Gehoord de adstriic.Hn rl ier pnnrOneiün J~

, , n- ----- —'«»'>•« »wi uc ciscuers üoor den

1 p Willinge en voor den ged. door den advokaat

, , vau lUSüllie i\xr. VAN

der Kemp, daartoe strekkende, dat. hpt

worde afgewezen en de eisch ontzegd, met veroordeeling vaTde

eiKP.hf>rH in rl» Irnofon . ö

- o------ -o — oiuüiieu van

net geding, voor zooveel noodig geregistreerd;

> . *V : r , uwu gw,, uit vrucnce-

looze sommatie om zich bereid te verklaren om een stuk gronds , ter

urn iu aicu cu ^ cemiaren, zynae een gedeelte van het perceel, bekend in de gemeente Emmen, in sectie D, n°. 4904 behoorende tot de nor/1 nncypSPhAiHpn 7!nnrlmorb-o von rr ■

«wuiu- ZiUiaoarge,

waarvan ged. zonder eenigen titel in het bezit is , voor de som van

/ vau uen eiscners te Koopen, — hebben gedagvaard om te

verschijnen ter rolle dezer Regtbank van Maandag den 10 Maart

lc-h emue te nooren en zien eisen aoen , dat:

Aanaezien r!« o-nH ryJMi vmirlnr onnirmr, i • ., . t ,

u t ~ , wwa. uevinuc m net Dezit

van bovenbedoeld perceel grond, groot 10 aren, 2 centiaren; t ge™elf Perceel, deel uitmakende van de gronden, behoorende ° vf 3a mar';e van Noord- en Zuidbarge, is de eigendom der marktgenooten van genoemde marke, en de ged. zich dus wederregtelijk liet bezit daarvan heeft aangematigd, en

A hierdoor V»5i rl*»

het der Regtbank moge behagen den ged. te veroordeelen om binnen acht dagen na insinuatie van het in deze te vellen vonnis' het genoemde perceel grond te verlaten en ter vrije beschikking te stellen van de eischers q. d„ en, bij gebreke van dien, hen eischers te magtigen om zich, zoo noodig door middel van den sterken arm met in-acht-neming der wetsvoorschriften, in het bezit van genoemd' perceel te doen herstellen, met veroordeeling van den ged. tot vergoedingvan kosten, schaden en interessen en in de kosten der procedure- " Overwegende, dat de eischers den 7 April 1S73 conform de dagvaarding hebben geconcludeerd; ° 0., dat de ged. bij zijne conclusie van den 21 April daaraanvolgende heeft verklaard, dat de aard en strekking der door de eischers, zich qualificerende als volmagten der zoogenaamde marke van Noorden Zuidbarge , gemeente Emmen , tegen hem ingestelde vordering hem niet duidelijk is, en dat hij daartegen meer dan e'én middel van niet-ontvankelijkheid zou kunnen doen gelden ; dat hij evenwel tot bevordering eener spoedige beslissing op de hoofdzaak, afstand'doet van alle exceptiën en uit dien hoofde, in de veronderstelling, dat de vordering is eene reivindicaüo of anders eene actie tot ontruiming, zoo als deze zaak door den procureur der eischers bij de distributie ter rolle werd gequalificeard, en uit dien hoofde door hem wordt geconcludeerd, dat: «aangezien liet door de eischers beweerde e;.'endomsregt van den ter dagvaarding gelibelleerden grond ten eenemale is onbewezen en door hem ged. ten stelligste wordt ontkend» , — het der Regtbank moge behagen aan de eischers hunne vordering te ontzeggen , of wel hen daarin te verklaren niet-ontvankelijk of ongefundeerd , met veroordeeling in de kosten •

O., dat de eischers den 9 Junij 1873 incidenteel hebben geconcludeerd , dat het der Regtbank moge behagen hen toe te laten om door getuigen te bewijzen vier bij die conclusie genoemde daadzaken luidende:

1°. sedert veel meer dan dertig jaren vóo'r en tot den jare 1863 heeft het perceel grond, gedeelte van sectie D, n». 4904 der gemeente Emmen, groot 10 aren, 2 centiaren, thans bij den ged. J. Scholten in gebruik, een onafgescheiden geheel uitgemaakt met de overige gronden van de Zaadmarke van Noord- en Zuidbarge ;

2°. totdat J. Scholten dat perceel grond in gebruik heeft genomen had L. Ubbing te Noordbarge op een gedeelte van dat Derceel r«rt

van dgoc , hetwelk door het veilen van h^r. rianrrm c+oor,^ f..

—w vUtltUUU uvuti 111

1863 en het niet weder inpoten naar plaatselijk gebruik is vervallen • 3°. J. Scholten heeft na 18fi3 nr. Jut i __ i. '

gcbiLuiucru cii nét-

zelve bij een ander perceel aaugetrokken;

4^. steeas onargeoroken en veei meer dan dertig jaren vóór en tot den iare lö63 is dat Derceel omrond mpi niteinitfrw*

" * o > van icuei auutr,

beweid door de schapen van de mark^nooten vnn ^

* o - •* ■ uv uuuuu.aiaB rau

Noord- en Zuidbarge;

waardoor zij eischers hun eigendom van het perceel in quaestie zullen bewijzen, nu ged. hun eigendomsregt daarvan ten stelligste hep.fr. ontkend, met veroordeelino- vnn ripn in

, 0 IkuaiCii > iXLl iiei

incident in cas van tegenspraak en anders met reserve van kosten ,

naaac zij u»j vcisuc^ecunii aan ue rvegtoanü, DeteeKend bij acte van den 7 Junij 1873, den 9 Junij daaraanvolgende te Assen geregistreerd hpt. orp.tnicrftnhewiis van de in dat verzoekKehriff. nntronnmon

Ö O - " . . UI U1J ue

incidentele conclusie herhaalde vier daadzaken hadden verzocht;

u.f uat ue geu. uij soujiv vcrzueKscnrm, aan de Kegtbank beteeIronri hii acte van den 20 Junii 1S73 iUn »

" v V 1 r ' Uttg lc xXoecll

geregistreerd, lieett verzocht en geconcludeerd: dat hem zal worden vor-lopnH flp.re . dat hii ontkent dp. .• i„

• ^"—' — , )tuat iu ne acte van

conclusie van dea 7 Junij 1873, en zulks, uit hoofde die daarly.nkfm

geheel zijn bezijden de waarheid, en dat, aangezien daarenboven het bewijs door getuigen van de in art. 2 omschreven daadzaak bij de wet niet is toegelaten, en in allen gevalle die daadzaak niet is ter zake dienende , veel minder aftkiende, — het der Regtbank moge behagen , aan de eischers q. d. hun verzoek tot getuigenbewijs te ontzeggen , of wel hen daarin te verklaren met-ontvankelijk, met veroordeeling van de eischers in de kosten van dit incident; en voorts subordinaat, voor het geval, dat de Regtbank van oordeel mogt zijn. dat het verzochte getuigenbewijs behoort te worden gelast" voor', behoudens het regt van den ged. van tegenbewijs, dat het der Regtbank moge behagen, de uitspraak over de kosten van dit incident te voegen bij die over de hoofdzaak, en ook dien-overeenkomstig bij zijne conclusie van den 23 Junij daaraanvolgende heeft geconcludeerd;

0., wat het regt betreft: dat door de eischers in casu is ingesteld eene revindicatoire vordering, die van gewone behandeling is verklaard ;

O., dat in zaken van gewone behandeling de daadzaken welke

eene partij door getuigen wil bewijzen, bepaaldelijk moeten uitgedrukt worden bij eene acte van conclusie, van procureur tot procureur te

dat die daadzaken bjj gelijke acte binnen acht dagen moeten ontkend of erkend worden, en anderzins voor erkend bnnmn rr-i-,™,^,.

— -«-'VU gVUVUUVU

worden;

O., dat in casu de ontkentenis binnen nnht darren «."of

' — nwuii/

gehad en die daadzaken voor erkend kunnen gehouden worden ;

f) rlnt flip. flanriy.akpn hpwp.vpn 7iinHo Haarrlnn« V< r , i *i .

—j — —— — "V"—> uij ue

eifif.hp.rs is verkregen . dat zii van het. on.»pv7nnLr/lo

-- 0-- , V -rcv,uluu>uv /.IJ 11

eigenaren geworden door verjaring, vermits zii onaf^hroirpn p»-. Vfl»i

xiivci w«n , mv* uno.uum- vau ituec uuaer, nel opge¬

vorderde hebben bezeten tot het jaar 1863 ;

0., dat de ged. tegen dien titel geenen anderen titel overstek, zelfs niet heeft beweerd eenen regtmaugen titel te hebben, zoodat hij geacht moet worden steeds pro possessore het bedoelde perceel te hebben gehouden, waardoor der eischeren eigendomsregt niet is verloren geraakt;

_ dat gevolgelijk het regt van eigendom bij de eischers bewezen zijnde, hunne vordering, daarop gegrond, kan worden toegewezen;

0., dat wijders de eisch ook niet onregtmatis; of ongegrond is ;

Regt doende enz.,

Veroordeelt den ged. om, binnen acht dagen na insinuatie van dit vonnis, het ter dagvaarding omschreven perceel grond, behoorende tot de nog ongescheiden Zaadmarke van Noord- en Zuidbarge, gemeente Emmen, ter grootte van 10 aren en 2 centiaren, zijnde een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend in de gemeente Emmen in sectie D, no. 4904 , te verlaten en ter vrije beschikking te stellen van de eischers q. d

ATarri'jcrt Kil frohi-nl-o trn» „ J .1 ^,,

»*ö", J uit:u, uu eiacuüiö cy. u. uxu z.i^u uw-^i uou

deurwaarder, met de executie van dit vonnis te belasten , hiertoe

uijgesiaan ujor ae twee eerst aanwezige dienaren van net openbaar gezag, weder in het bezit van het bedoelde perceel te doen stelien ;

Tl1,!! V<arr»r»rrlonl f i)nn rrad f /-.f In rr r-in l'ncfon ontin/l».

iwvuiuuvxu q'-'j . iv/u , coiiauvu cu

interessen , bij de eischers g. d. gehad en geleden en nog te hebben

yjy IV "•«av.u «y awsiBu 19U uit geuwg.

Sluiten