Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat daarop door do eischers is genomen de in het hoofd dezes onder tertio overgeschreven© conclusiën, waarbij zij hebben doen gelden, dat de gedaagden, erfgenamen van F. P. Haagmans, tevens zijn erfgenamen van diens vader, A. Haagmans, nader in huwelijk getreden met M. G. Beugels;

dat de gedaagden alzoo zijn gebonden door de handelingen van genoemden A. Haagmans;

dat nu deze auteur der gedaagden de hier opgevorderde goederen aan den mede-eischer heeft verkocht, bij acte, verleden den 26 Aug. 1847 voor den notaris Schoenmaeckers, destijds residerende te Houthem;

dat de gedaagden zelve niet mogen beweren, dat de eerste eischer zou hebben gekocht a non domino;

dat immers de eischers het regt hebben zich te beroepen op de verklaring van den verkooper en auteur der gedaagden , dat de overgedragen goederen hem in vollen eigendom toebehooren in zijne boedanigheid van éénigen en algemeenen erfgenaam van wijlen M. A. Heunen, waartoe hij is benoemd geworden bij acte van uitersten wil, velleden voor den notaris L. Willems, te Hoensbroek. den 21 Mei 1810;

dat het in die omstandigheden ter zake geheel onverschillig is, of de eerste eischer ooit het bezit van de quaestieuse goederen heeft gehad;

dat de eischers evenwel te dien aanzien verwijzen naar het vonnis door deze Regtbank gewezen den 2 April 1857, waaruit ook op dit punt zal blijken van de tegenstrijdigheid tusschen de destijds door den auteur der gedaagden en thans door hen zelve gevoerde beweringen ;

dat de gedaagden alzoo ten onregte ontkennen, dat de eischers zijn eigenaars van de hier besproken goederen;

dat de kwade trouw der gedaagden, bij het bezitten en behouden dier goederen, voldoende blijkt uit het aangehaald vonnis van 1857 en alzoo de conventionnele vordering in allen deele is gegrond • ' dat daarmede tevens is aangetoond de ongegrondheid der vordering bij reconventie;

dat daarna door partijen zijn genomen de overige in het hoofd dezes overgeschrevene conclusiën; dat daarbij door de gedaagden, onder vooruitzetting: ïo. dat, bij onderhandsche acten van den 5 Oct. 1796 de kinderen der echtelieden P. Hoen (Heunen) en A. M. Vleeschhouwers, te weten: a. Maria Cornelia, 6. Maria Mecbtildis, c. Maria Agnes zijn overgegaan tot scheiding en deeling der onroerende goederen ' door hunne ouders nagelaten;

2Q. dat M. M. Hoen den 18 Floréal jaar IX te Schinnen is gehuwd met A. Haagmans;

3°. dat M. C. Hoen ab intestato te Schinnen is overleden nalatende tot hare éénige wettelijke erfgenamen hare twee voornoemde zusters;

40. dat, bij onderhandsche acte van den 3 Messidor jaar XI M A. Hoen en M. M. Hoen, huisvrouw Haagmans, zijn overgegaan tot scheiding en deeling der onroerende goederen, nagelaten door hunne gezegde zuster;

5<>. dat M. M. Hoen , echtgenoote Haagmans, te Schinnen overleden is, nalatende tot haren e'e'nigen wettelijken erfgenaam haren in gezegd huwelijk verwekten zoon F. P. Haagmans, den vader deigedaagden;

6°. dat den 15 Fehr. isns to 1... 1 , , „

13 gcuuiBn ue eiscner J.r. Uaagmans, een natuurlijk kind van A. Haagmans en M. A Hoen •

•J - A" H°e"; bij acte van u^sten wil, verleden voor den

notaris Willems, te Hoensbroek, den 21 Mei 1810, A. Haagmans tot haren algeheelen legataris heeft ingesteld;

80. dat A. Haagmans bij acte, verleden voor den notaris Schoen-

•muwfct»», «; uen 20 Aug. 1847, de daarin vermelde

Onroerende goederen aan zijn natuurlijken zoon J. P, Haagmans heeft verkocht: ' b

90. dat A. Haagmans is overleden te Schinnen, den 14 Julij 1850

— is aangevoerd, dat de toepasselijkheid van den door de eischersjin'

bvucjjcu icgioicyd 1IJ ue ca:aia piauis uoor ae wet en daarenboven 'loor den inhoud der aete van den notaris Schoenmaeckers, dd. 26

b* 101/, en aoor ae Denentems van den eischer J. P. Haagmans gedaan in zijne voor deze Regtbank den 23 Oct. 1856 genomen conclusie, wordt uitgesloten :

dat de in de acte van den 26 Aug. 1847 vermelde onroerende

;'flP.1ai-nn ~"I1 •• j' 1, .

ajt a tt Z1JU uie' welKe A' Haagmans had geërfd van A. Hoen. maar ook dia wplk-p no^in^ j _ i •

,, - —' — "«fewaicu wtwcu uuur va ne nuis-

vrouw M; M- Hoen, van welke laatste goederen hij, wel is waar,

UB wettelllke Vriiehf-.arAhriïilrov trroc , *

_ * ——b '"v, r,a0) uucu waarvan ae eigendom aan

zijn eenigen wetteen zoon als erftrpnnn™ a... 1 ,

Hof a* oi ^ öxuueuer loeoenoorae; dat de acten van dpn i'inc j. « . . . *

i , — * i au en uen ö Messidor laar aT

rSS " goederen nim-

dat de herkomst dier wmi nebben toebehoord;

onware verklaring van A. Haagmans en^i^wiH? wo.rden door de de regten der gedaagden heeft kunnen lanng m geen geval

dat daarenboven A. Haagmans bii dezelfde net» ,

sommige der daarin omschreven goederen pro indiviso toVbifhn' ^ >.an zijn wettelijken zoon P. P. Haagmans! en daardoor^ gere verklaring heeft gelogenstraft;

dat zij gedaagden van hunne zij do zich beroepen op het vonnis 'lezer Regtbank dd. 2 April 1857, om te bewijzen, dat de eischer P- Haagmans destijds geene de minste aanspraak maakte op de thans door hem opgeëischte goederen; en

dat de gedaagden ontkennen, dat A. Haagmans, volgens het Bra(■antsch regt, in de veronderstelling, dat het hier kan ingeroepen worden, ooit en in cenig geval de vrije beschikking over de onroerende goederen van M. M. Hoen , tijdens het sluiten van haar huwelijk bezeten, gehad heeft; en dat door de eischers daartegen is ingebragt: dat do eischers, in de eerste plaats, blijv°en volharden bij hun 'Sioep op den regel: «quem de evictione tenet actio eundem agentum 'epellit exceptio» ;

dat de gedaagden den, op den 26 Aug. 1847 , door hun auteur ^sloten koop en verkoop moeten eerbiedigen, even als ware die 'anaelmg door hen zelve aangegaan;

tr"d' ei'enrQ'1' a's die auteur daartegen kunnen opkomen en , in d tn?e'.cie daaruit op hen rustende verpligtingen, in regten ageren; a de ingeroepen conclusie van den 23 Oct. 1856 evenmin eenig toon^S i'en v°01°deele Tan do gedaagden oplevert, althans aan den ,1 ™ '®e" elscher, auteur der gedaagden, geene regten van eigenhet f f unnen toekenlien, welke hij niet had, maar ten hoogste « tat constateren, waarvan aldaar het bestaan werd ingeroepen ;

van L rt" ° f n ,etreft het genot °f het bezit en gebruik 111 de daar vermelde goederen;

';r>ederpn' m™ g6heei °Verb0dis is te onderzoeken, of de quaestieuse gevallen nïlT™ ^ V™ van het Jaar XI zijn ten

'#>ii ï m! J ^ P °VTgedrage° aa" de huisvrouw A. Haag-

^0Sr'de?ava„WM.T Hoon; °' °°k ^ «om zijn

Jr'- eische's in geenen deele de authenticiteit der ingeroeDen ,'^jsk™b7zntênT,endeZelVe 8lS °nderh8ndsche «tels geene t hierbij komt, dat, volgens het eigen beweren der gedaagden,

A. Haagmans (de verkooper van 1847) met M. M.Hoen is gehuwd

on flfin IS Flnvool iuoc TY olinn nn^n» ..." 1 i. 3 T> __ _

~r ^.ivaviu jhmi, vuubi vigueui vau uei uuu-x>ra-

bantsch regt;

dat al verder niet blijkt, dat één der door de gedaagden ingeroepen titels is gerealiseerd;

dat de daarin voorkomende goederen dien ten gevolge werden beschouwd en tusschen de echtgenooten Haagmans-Hoen ook nu nog

rvinatnn „ 1 „ ^ ^ • p i *i •

uoav-uuutvu vvuxucu ma uuiiei moDiiaii ;

fjflf. vnl(TPn« Via*: mnrmoMa fnconlmn — a

, . > VVX4UW1UU «UOO'/UOU UlO C^UICUCUCU ïlgQICUU lCgl,

de roerende goederen bij de ontbinding van het huwelijk door den

rlnnd nnn nnn rl/>« j. J3 1 , 1 1

viwu. vnu wu ucj. cuuLgeuuuien up uen iangscievenue overgingen ;

dnt flArVial vn A TTtinrrmonc in IQ/17

— v xw-xi »1 ij uiugi u^a^mivfvcii UVCI ue

door hem verkochte goederen, al waren zij afkomstig van de ouders zijner toen overledene huisvrouw;

dat ten gevolge daarvan de geheele verwering der gedaagden alle toepassing mist, indien zelfs de door hen gevoerde feitelijke beweringen

f on unllfl nlc iniot IrAn/Inn j .

j»'"» ttv/uuwu woruen;

Wat het regt betreft:

O., dat de gedaagden niet ontkennen in het bezit te zijn der opgevorderde goederen, noch ook dat deze door den eersten eischer bij voormelde acte van den 14 Maart 1873 aan den tweeden eischer zijn verkocht;

O., dat de gedaagden zijn gedagvaard in hoedanigheid van erfgenamen van wijlen F. P. Haagmans, en dat zij niet hebben betwist die hoedanigheid te bezitten;

O., dat de eischers beweren, dat de gedaagden ook zijn erfgenamen van A. Haagmans, den vader van 1:\ P. Hiwgmans, en dat ook dit door de gedaagden niet wordt ontkend;

O., dat voorts uit het door wederzijdsche partijen ingeroepen vonnis dezer Regtbank van den 2 April 1857 , waarmede is geëindigd een tusschen den tegenwoordigen eersten eischer als ged. en den voormelden P. P. Haagmans als eischer gevoerde geding, blijkt, dat laatstgemelde tegen eerstgemelde bij deze Regtbank op den 19 Febr. 1852 heeft verkregen een vonnis tot scheiding en deeling der nalatenschap zijns vaders, voormelden A. Haagmans; dat daaruit volgt, dat P. P. Haagmans ia geweest erfgenaam van zijnen yader A. Haagmans , en dat bij gevolg de gedaagden, als erfgenamen van P. P. Haagmans, ook zijn erfgenamen, althans opvolgers onder eenen algemeenen titel, van meergenoemden A. Iiaagmans;

O., dat de eischers van da gedaagden vorderen de drie in de dagvaarding vermelde en daarbij breeder omschreven© onroerende goederen , en wel:

_ -1"" er™a kamer, met tuin en weide, gelegen onder Schinnen, naast 1. P. Haagmans, groot te zamen 14 aren, 70 centiaren, sectio C. no. 1218 geheel en gedeelte van nos. 1216 en 1219 •

2°. een perceel bouwland, gelegen op de Eigen,' in dezelfde gemeente, naast Dormans en Haagmans, groot 15 aren, 70 centiaren, sectie 0, gedeelte van nos. 948 en 949, en

3°. een gedeelte van 2 aren, 7 centiaren uit een perceel bouwland gelegen in de Nabbenaars, onder de gemeente Nuth , sectie D Gedeelte van no. 629, dat zelf een deel is van het vroeger n°. 49 •

O, dat de eischers die vordering daarop gronden, dat meergeme'lde A. Haagmans die goederen bij voormelde acte van den 26 Aug. 1847 verkocht heeft aan den eersten eischer;

0., dat uit die ten processe overgelegde acte blijkt, dat daarbij door A. Haagmans aan den eersten eischer zijn verkocht onder anderen:

1°. eene kamer, met schnnr tnpotol — :j.

; , , luiu cu WClUtJ ,

gelegen onder Schinnen, te zamen groot 14 roeden, 70 ellen sectie C, no. 1218, en uit n«». 1216 en 1219, reinende aan M. Diederen en aan P. P. Haagmans;

1 2'!r,15 r°eden, 70 ellen bouwland, gelegen op de Eygen, onder dezellde gemeente, deelmakende van een grooter perceel, reinende dat gedeelte eene zijde ,F. P. Haagmans, ter andere zijde de erfgenamen M. Dormans, sectie C, uit de nos. 948 en 949; . ®0, 1- roeden, 50 ellen bouwland, uit een grooter perceel, gelegen m de Nabbenaars, onder de gemeente Nuth, reinende aan eene zijde Haagmans, ter andere H. Kruijen, sectie B, uit n°. 49dat daarbij door A. Haagmans is verklaard: dat de verkochte goederen hem in vollen eigendom toebehooren in zijne hoedanigheid ais eemgen en algeheelen erfgenaam van wijlen M. A. Heunen, waartoe hij is benoemd geworden bij acte van uitersten wil, verleden voor den notaris Willems, residerende te Hoensbroek, den 21 Mei 1810; en dat voorts tusschen partijen in die aete is bedongen: dat, aangezien tusschen den verkooper en deszelfs zoon F. P. Haa^mans geene definitieve deeling bestaat van eenige der goederen, welke bij dio acte zijn verkocht, en de kooper genoodzaakt werd die goederen op nieuw met genoemden F. P. Haagmans te verdeelen , hij zich alsdan zal moeten vergenoegen met datgene, wat hem bij die deelinf zal te beurt vallen , en in zulk geval de verkooper zal beschouwd worden slechts verkocht te hebben zijne onverdeelde aandeelen, welke hij krachtens aangehaald testament in de verkochte goederen heeft;

0., dat door die acte het bewijs is geleverd, dat de door dé eischers onder primo en seeundo van de den gedaagden opgevorderde goederen door A. Haagmans zijn verkocht aan den eersten eischer • , l!at erfgenamen en opvolgers onder eenen algemeenen titel niet alleen staan in al die regten; maar dat op hen ook rusten al de verpligtingen en tegen hen gelden al die middelen en weren die hij aan w.en ze z.jn opgevolgd, had, op hem rusten en tegen hen ge"! den, die, als_ hem niet persoonlijk betreffende, voor overgang vatbaar waren, dat is, dat zij geene andere of meerdere regten en andere of mindere verpligtingen hebben als hun auteur had;

O. nu, dat A. Haagmans tegen den eersten eischer zich niet zou hebben kunnen beroepen op de nu door de gedaagden vooruitgestoldê verwering dat hij met was eigenaar, maar slechts vruchtgebruiker der verkochte (nu opgevorderde) goederen, en dat dezen waren de eigendom van zijnen zoon F. P. Haagmans;

0.. dat ook ten deze niets nfrfnnt hof

bij voormelde acte van den 26 Aug. 1847 gemaakt beding,° da?r di'

toch is pabonden aan rïp. vnnrwflowio ^"

, „ ° ~ * v, u0 eerste ged. zou genood-

zaakt worden de verkochte goederen op nieuw met F. P. Haagman, te verdeelen. en niet bliikt. dat A* eoret* ^ ? ,7

- vignet iui zuiKe deeiinp

is genoodzaakt geworden , veel minder dat de opgevorderde goederen hem bij die nieuwe deeling niet zouden zijn toebedeeld;

0. ten opzigte van de door de gedaagden ingeroepene bekentenis die door den eersten eischer beweerdelijk zou zijn gedaan in ziinê voor deze Regtbank op den 23 Oct. 1856 genomene conclusie —dat blijkens voormeld vonnis van den 2 Anril 1R57 i' • , '

, - . - —r , vno \;uLlciUSie door

den nu eersten eischer, toen ged., is genomen in het bii dat vonnis geeindigd geding; dat van de stukken van dat geding alleen zoo even genoemd vonnis, maar niet de bedoelde conclusie van den ^ Oct 1856 is overgelegd; dat, voor zoover uit dat vonnis kan worden a^i

leid, bij die conclusie geene, althans geene ten deze van invloed zijnde bekentenis is afo-P.WH • k;, Aa+ , "ivioeu zynue

P ttnnrrmn ° ö '-, £cuing aoor mecrgemeldcn

onder andefen^ ,werden opgevorderd,

a oio • * ""'oeicuu j;ueu, aie Kiaarbl jke ijk z in

dezelfde als m dit feH ncr ^ , J J , J

. & ou öeeuuuu van ae nu geaaag- i

den door de eischers worden opgevorderd; dat de eerste eischer, toen

rrorl nniipr flnnoron - i • '

, . "F*igte van aie twee perceelen bi meergemelde conclusie heeft beweerd dn*, «ü in

. _ — > ii< ou geuui» vvaieu vau

den toen eischer F. P. Haagmans, en zulks met het klaarblijkelijk doel. niet. om daardoor picrpnrlnmornr»f ««« a j* ,

—, — — —v v.(JvH«vU1glv6i »»u up uie perceelen

te erkennen, maar als feitelijken grondslag voor zijne tegen den toenmaligen eischer gevorderde niet-ontvankelijk-verklaring;

O.j dat, zelfs al stond in daadzaak vast of ware bewezen, dat de twee eerste bij dagvaarding gevorderde perceelen nimmer aan M. A. Hoen, maar wel aan M. M. Hoen, huisvrouw van A. Haagmans en moeder van F. P. Haagmans, hebben toebehoord, dan nog daardoor de opvordering dier twee perceelen niet zou zijn ongegrond;

0. toch, dat alsdan de gedaagden in het uitoefenen en doen gelden jegens de eischers en zijne regtverkrijgers van het regt van eigendom, dat hun dan op die twee perceelen zou toekomen als erfgenaam van hunnen vader F. P. Haagmans, die op zijne beurt het regt van eigendom daarop als erfgenaam van zijne moeder M. M. Hoen zou verkregen hebben , zouden worden gehinderd, en dat regt zou zijn opgeheven door de op hen, als regtverkrijgers van A. Haagmans, den verkooper, jegens den eischer rustende verpligting tot overdragt dier twee perceelen in de magt en het bezit van den eersten eischer en tot vrijwaring aan dezen van het rustig en vreedzaam bezit derzelve;

0., dat alzoo de eischers gegrond zijn in hunne opvordering, voor wat betreft de onder 1°. en 2". in de dagvaarding vermelde perceelen;

0. ten opzigte der vordering, strekkende: dat de gedaagden, als bezitters ter kwader trouw, zullen worden veroordeeld tot het doen van rekening en verantwoording van al de vruchten en tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, dat de gedaagden hunne tegenspraak niet gronden op een beweerd regt, dat in en door hen zeiven zijn ontstaan zou hebben gekregen, maar op een regt, dat zou zijn ontstaan in en door hunnen vader F. P. Haagmans, en van dezen door erfenis op hen zou zijn overgegaan;

0. nu, dat in het bij voormeld vonnis van den 2 April 1857 geeindigd geding, en in dat vonnis zelf reeds spraak is van de meergemelde acte van verkoop, door A. Haagmans aan den eersten eischer gedaan, van den 21 Aug. 1847; dat mitsdien, sedert het wijzen van dat vonnis, ongetwijfeld F. P. Haagmans was bezitter ter kwader trouw van de twee meerbedoelde perceelen, en mitsdien zijn bezit met dat gebrek op de gedaagden door erfenis is overgegaan, en ook zij alzoo zijn bezitters ter kwader trouw;

0. ten opzigte van het onder 3°. door den eischer van do gedaagden opgevorderd perceel, dat niet blijkt, dat hetzelve bij meergemelde acte van den 26 Aug. 1847 door A. Haagmans aan den eischer is verkocht; dat toch, zoo al de hiervoor vermelde omschrijving, dio in die acte van het in de laatste plaats daarbij vermeld perceel worde gegeven, in sommige punten moge overeenkomen met het bij dit geding onder 3°. opgevorderde, dezelve echter in twee voorname punten daarvan verscnilt, namelijk in de grootte en in de kadastrale aanduiding, wordende deze bij die acte opgegeven te zijn 12 roeden, 50 ellen bouwland in sectie B; terwijl het thans opgevorderde wordt beweerd groot te zijn 2 aren, 7 centiaren en te liggen in sectie D; dat, om deze verschillende omschrijvingen te kunnen overeenbrengen zou moeten kunnen aangenomen worden, dat in de gemelde aete of het daarvan ten processe overgelegd afschrift of wel in de dagvaarding van het tegenwoordig geding eene vergissing is begaan, en zou moeten vaststaan, dat dit geweest is in de acte of in derzelver afschrift; dat dit evenwel niet blijkt; dat hierbij komt, dat in meergemeld bg het vonnis van den 2 April 1847 geëindigd geding, waarin door F. P. Haagmans van den nu eersten eischer werd opgevorderd, onder anderen, 12 roeden, 15 ellen bouwland uit een grooter perceel, gelegen in de Nabbenaars, onder de gemeente Nuth, sectie B, n°. 29,—' door den nu eersten eischer, toen ged., in zijne meervermelde' in dat geding genomen conclusie van den 23 Oct. 1856 is beweerd, dat hij dat perceel bij meergemelde acte van den 26 Aug. 1847 van A. Haagmans had gekocht, doch tevens dat hij het wederom aan derden had verkocht en niet meer in bezit had; en dat het niet te

vprlrlnrpn IS. On Welken PTOnd dp PP.rcf-a oicr»ViQ». rlo». 1 -i

pereeel, na aen

eigendom daarvan, ten gevolge van de acte van den 26 Aug. 1847

fa hoKhan trprkrfijren _ doo.h hpf. wnrla». +« i ■ °

0—, -— lo ueuuen verKocnc en geleverd , nog weder op grond dierzelfde acte zou kunnen opvorderen;

0., dat alzoo de eischers ongegrond zijn in hunne opvordering, voor wat betreft het onder 3°. in de dagvaarding vermeld perceel;

f) dof do TTordpri n Cf dpr pi ve 10 rfmvrnnH — .."„i

w«j ug 1 wv. «"f, «o gtgiuuu UjJ CCUCU aUlUCUUC&CU

titel en alzoo voorloopige ten-uitvoer-legging behoort te worden be-

vuieu ;

O daf nit. al hpfc hiervoor ovprwno-Pno in t-.*. s .

—A — o > T^iwauu uiei uet aoor

de eischers niet weersproken zijn van de voorstelling der gedaagden dat voormelde koop-acte van den 14 Maart 1873 is overgeschreven

iu ue upeuunic icgisicio,— vuigi, uatue reconventionnele vorderiog is gegrond, voor zooverre zij betreft het onder 3». bij de dagvaarding bedoeld perceel, doch voor het overige ongegrond;

0., dat partijen over en weder on eenitre nnnten ki.

- , 1 o r xj^v vuticiijfi.

gesteld worden, en mitsdien de kosten ten deele behooren te worden gecompenseerd;

Regt doende enz.,

Vooreerst op do oorspronkelijke vordering:

Vprnnrrlpplf dp frpHflncrdpn nm dp Kiovwnnw U^,T„„ „

, — & "'vu«ut uieeuer uuiscnrevene

twee onder de gemeente Schinnen gelegene perceelen en wel:

1. eene kamer met tuin en weidp.. f.P 7«man nvnn» 1 A 1 r\

- , uHuivu glUUL Xt aicil f l\J

centiaren, sectie C, n°. 1218 geheel en gedeelte van n°3. 1216 en

1219; en

2. een perceel bouwland, eroot 15 aren . 70 ppntloron capfïo C\

' O — — , ■ - V VUHIM4 vu f evvuiV V f

gedeelte van nos. 948 en 949 , —

onmiddellijk te ontruimen en ter vrije beschikking te stellen van den tweeden eischer;

Fn, bii gebreke van ziide der cednnerflon nm j u:

1 V . " "Uiao lv Ul/CU U1UUCU

ac t dagen na beteekening van dit vonnis, magtigt den tweeden eischer om zich. des noods ondpr hiisr«nd — iw

' uvu OI-oxj\.CU ainif uvn

vrij genot en bezit dier twee perceelen te verschaffen ;

\ eroordeelt de gedaagden om aan de eischers, ten overstaan van Mr. Bergers, regter in deze Regtbank, rekening en verantwoording te doen en znlks, volgens art. 634, eerste lid, B. W., van al de vruchten der twee zoo evengemelde perceelen, sedert en met 1858 ;

Bepaalt, dat de gedaagden, indien zij in gebreke blijven om op den door voormelden regter te bepalen dag te verschijnen of rekening te doen, daartoe zullen kunnen genoodzaakt worden door de in-beslag. neming en den verkoop hunner goederen tot een bedrag van ƒ936*;

Vornnr/^ppl t. d P rrPH o Q n»dpn xr<->n.v. «11« i _ „t j

* v/iwn »öigucuiug vau tuie kuslcu, eeuauen

en interessen, door hun wederregtelijk bezit der meerbedoelde twee

peieeeieu uij ue eiseuei» geieuen 01 nog ce njaen, op te masen bij staat en te vereffenen volgens de wet;

Verklaart dit vonnis, wat het vorenstaande betreft, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep of cassatie • En verklaart de eischers ongegrond in het meeriiprp hnn^.,. _

- ««UUC1 V '

dering;

Ten andere, op de reconventionnele vordering : Veroordeelt de oorspronkelyke eischers, cedaao-den h\i

om . binnen acht daeen na de hetPoirr»r,;« J i UUVeiiLie;

schrijving van de meergemelde koop-acte, verleden°rtp'S

1873 voor den notaris Lien ap.rf-.G tar . -»den 14 Maart

in de registers, berustende tpn Un»,,., .. , 8 Aler^elbeek, gedaan

theken en het kadaster te Maastricht te dr>Pn * Taa de hyP°-

voor wat betreft het hiervoor ' ____ f doorhalen, doch alleen

Nuth seleaen en 2 arpn 7 „ uul5cnreven, onderdo gemeente

Derceel bonwUnH if- n' ^entlaren ^ont zijnde gedeelte uit een perceel bouwland sectie D, gedeelte van n». 629, en dat gedeelte van

Sluiten