Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïijn daarvan, geen volkomen bewijs voor de deugdelijkheid van des i eischers vordering oplevert, maar deze gedeeltelijk bewijst, en in ! allen geval het gevolg heeft, dat deze niet geheel van bewijs is ontbloot;

O. alzoo, dat de vordering des eischers niet volledig is bewezen , maar ook niet geheel van bewijs is ontbloot, en er mitsdien termen bestaan om in deze den suppletoiren eed op te leggen, ten einde daarvan de beslissing der zaak te doen afhangen;

Alvorens ten principale regt te doen ,

Legt aan den eischer den eed op:

•dat hij , in zijne hoedanigheid van koopman , winkelier en vrachtrijder , van de ged., ter zake der leverantiën, aan haar van haren handel als koopvrouw en winkelierster gedurende de maand Febr. 1874 gedaan, en vrachten, gedurende dien tijd voor haar gereden, alsnog per resto te vorderen heeft eene som van f 41.82.5, zonder meer;»

En reserveert de uitspraak over de kosten ;

Beveelt enz.

(Gepleit voor de gedaagde Mr. C. van Dam.)

KANTONGIÏREGT TE NIJKERK.

Zitting van den 3 Augustus 1874.

Kantonregter, Mr. A. Hoeth.

Wet va» dek 18 Apbu. 1874 (Stbl. nq. 68). — Abtt. 451 en 1122 B. W.

Is de kantonregter bevoegd kennis te nemen van een verzoekschrift, waarbij verlof wordt verzocht tot verkoop van onroerend goed, onverdeeld aan meerder- en minderjarigen toebehoorende 1 —• Ja.

De kantonregter enz.,

Gezien het request, ingediend : door lo. A. v. K., weduwe van D. V., veehoudster, wonende onder Nijkerk, als moeder en wettige voogdes over H. V., minderjarig kind, uitj haar huwelijk met D. V. geboren ; 2". T. V. enz.; 3°. W. G. enz.; welk request is mede onderteekend door den toezienden voogd over- en vier naaste bloedverwanten van voornoemde minderjarige, en waarvan de strekking is, dat het den kantonregter moge behagen verlof te verleenen tot den openbaren verkoop van eene woning met erf enz., waarop requestranten als erfgenamen zijn geregtigd, doch welk perceel noch de meerderjarigen in eigeudom wenschen te bezitten , noch de voogdes voor den minderjarige, en zulks wel wegens het voortdurend aanzienlijk onderhoud, dat die woning vereischt;

Overwegende, dat het allereerst de vraag is , of dit verzoek is gegrond op art. 551 of wel op art. 1122 B. W., daar de wet van 18 April 1874 (Stbl, n°. 68) wel de bevoegdheid van art. 451 , doch niet die van art. 1122 aan den kantonregter heeft opgedragen;

dat een verzoek, gedaan op grond van laatstgenoemd artikel, bij goedgunstige dispositie een bevel ten gevolge heeft, krachtens hetwelk de erfgenamen genoodzaakt kunnen worden tot verkoop over te gaan; dat dit art. 1122 dan ook veronderstelt, dat de erfgenamen het niet eens zijn hetzij over den verkoop zeiven, hetzij over de wijze of over de voorwaarden; dat er dus altijd eenig verschil van zienswijze tusschen hen zal heerschen, ten gevolge waarvan het regterljjk bevel wordt uitgelokt, daar toch bij volkomen en geheele overeenstemming ook zonder zoodanig bevel tot verkoop kan worden overgegaan ;

dat dan ook juist om die reden ait. 1122 niet is opgenomen in de wet van 18 April 1874, als zijnde bij dit artikel geen sprake van voluntaire, doch van contentieuse jurisdictie;

O. nu, dat, blijkens het request, alle erfgenamen eenstemmig zijn in hun oordeel omtrent den verkoop, geen verschil hen verdeelt en buitendien, waarop wel is te letten, door hen geen bevel, doch verlof tot verkoop wordt verzocht, zoodat het verzoek dan ook klaarblijkelijk niet is gegrond op meergenoemd art. 1122; dat het integendeel wordt gedaan krachtens art. 451 ;

dat toch ten deze verlof (magtiging) en geen bevel wordt verzocht; dat, wel is waar , dat verzoek niet slechts wordt gedaan door de voogdes, maar ook door de mede-geïnteresseerden, doch dat zulks het request niet vitieert; dat de mede-onderteekening van de bloedverwanten van den minderjarige, die het verzoek tevens ondersteunen, ook nog bewijst, dat requestranten ex art. 451 geageerd hebben, daar in art. 112 a wel een verhoor van belanghebbenden , doch niet van bloed- of aanverwanten wordt vereischt;

dat het geen betoog behoeft, dat die magtiging van art. 451 kan verleend worden om welke reden ook, ja zelfs om tot de verdeeling te geraken, waarvan in art. 1122 sprake is, mits slechts blijke van eene voor den minderjarige volstrekte noodzakelijkheid of klaarblijkelijk voordeel, aangezien toch art. 451 algemeen spreekt en geene bijzondere gevallen aanwijst of op het oog heeft;

dat de voogd die magtiging van art. 451 benoodigd is, niet alleen wanneer hij onroerend goed, den minderjarige uitsluitend toebehoorende, wenscht te vervreemden, doch ook wanneer hij diens aandeel in eenig onroerend goed wil alieneren, daar in het laatstgenoemd geval het onroerend goed den minderjarige eveneens toebehoort , al zij het dan ook niet voor het geheel;

dat wel is waar, blijkens de toelichting van den minister en de beraadslagingen, bij meergenoemde wet van 1874 gehouden, men van meening was, dat een verzoek als het onderhavige, waarbij verzocht wordt vervreemding van onroerend goed, aan meerder- en minderjarigen toebehoorende, krachtens art. 1122 door de Regtbank behoorde beslist te worden; doch dat het verband, tusschen de artt. 451 en 1122 bestaande, niet uit die beraadslagingen en toelichting kan gekend worden, doch gezocht moet worden uit het Burgerlijk Wetboek zelf;

dat dit verband nu leert, dat de voogd, wenschende over te gaan tot vervreemding van onroerende, aan den minderjarige toebehoorende goederen, in ieder geval de magtiging van art. 451 zal moeten aanvragen , onverschillig of het goed den mindeijarige voor het geheel of wel pro indiviso toebehoort, welke magtiging thans van deu kantonregter moet worden verkregen ; doch dat, bijaldien hij of een der erfgenamen een regtstitel wenscht te bekomen, waarbij de verkoop wordt gelast of bevolen, hij zich volgens art. 1122 tot de Kegtbank hebbe te wenden , van welk bevel dan ook de kracht is, dat men tot verkoop moet overgaan (onverschillig of do magtiging van art. 451 is verleend); terwijl integendeel door de magtiging eene formaliteit ten opzigte van den voogd wordt vervuld, waardoor dan ook noch deze noch andere belanghebbenden kunnen worden gedwongen den verkoop te doen plaats hebben;

dat, het bovenstaande zoo zijnde, het ten requeste gedaan verzoek aan de kennisneming van ons kantonregter is onderworpen.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 16 dezer, n°. 5, is benoemd tot notaris binnen het arrondissement Maastricht, ter standplaats de gemeente Kerkrade, A. F. J. J. Beekman, candidaat-notaris te Maastricht.

— Bij Z. M. besluit van den 18 dezer, n°. 39, is benoemd tot procureur bij de Arrond.-Regtbank te Breda, Mr. R. J. van Mierlo, plaatsvervangend kantonregter en advokaat aldaar.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 40, is, met ingang van 1 Sept. aanst., benoemd tot plaatsvervangend kantonregter te Rauwerd, Mr. T. Y. Kingma Boetjes, advokaat te Grouw.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 41 , is aan P. J. I. Greidanus, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als plaatsvervangend kantonregter te Heerlen.

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 22 Augustus.

De heer Mr. J. Heemskerk Az. is den 19 dezer uit Montreux in deze residentie teruggekeerd. Z. M. de Koning heeft zich vereenigd met de voordragt tot kabinets-formatie, door den heer Heemskerk aangeboden. Het ministerie zal worden zamengesteld uit de heeren :

1. Binnenlandsche Zaken, Mr. J. Heemskerk Az., oud-minister van Binnenlandsche Zaken, thans raadsheer in den Hoogen Raad der Nederlanden.

2. Buitenlandsche Zaken, Mr. P. J. A. M. van dek Does de Willebois , thans commissaris des Konings in het hertogdom Limburg.

3. Justitie, Mr. C. Th. Baron van Lijnden van Sandenbubo , oud-minister voor de Zaken der Hervormde Eeredienst enz., thans lid van de Tweede Kamer voor het hoofd-kiesdistrict Tiel.

4. Marine, W. F. van Ekp Taalman Kip , thans minister van Marine.

5. Finantiën, Jhr. Mr. H. J. van der Heim , thans lid van Gedeputeerde Staten van Zuidholland.

6. Oorlog, de generaal-majoor A. W. P. Weitzel, thans minister van Oorlog.

7. Koloniën, Mr. W. Baron van Goltstein, onlangs benoemd tot lid van de Tweede Kamer voor het hoofd-kiesdistrict Amersfoort.

Naar men verneemt, zullen de besluiten , houdende deze benoemingen , in de Staats-courant verschijnen na de terugkomst des Konings , welke op den 26 dezer bepaald is.

Den 20 dezer is te Alkmaar, in den ouderdom van zeventig

jaren, overleden Jhr. D. C. de Dieu Fontein Verschuir van Heilo, lid v.an de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Hij had in 1880 als zoodanig moeten aftreden. Derhalve zullen de Provinciale Staten van Noordholland eerlang eene buitengewone vergadering moeten houden tot verkiezing ven een lid van genoemde Kamer.

Arnhem, 19 Aug. — Een zeer talrijk publiek woonde gisteren de correctionnele zitting der Regtbank alhier bij , waar behandeld werd eene verwonding, plaats gegrepen hebbende in een duel, dat in het laatst van Junij te Berg-en-Dal, op Pruissisch grondgebied, werd geleverd. Te dezer zake stonden te regt de beide duellisten, een burger en een officier der infanterie op non-activiteit, alhier woonachtig, de vier secondanten en de geneesheer, die het duel had bijgewoond. Uit de verklaringen van getuigen bleek, dat beide eerstgenoemden twist hadden gekregen aan de table d'höte in het hotel des Pays-Bas alhier, ten gevolge waarvan onheusche woorden tusschen hen werden gewisseld en de burger den officier een glas wijn in het aangezigt wierp, waarna deze laatste begreep, de tafel te moeten verlaten met een zee-officier, die zijn gast was. Hij gaf echter, vóórdat hij de zaal uitging, den burger nog een slag in het gezigt. Een duel was nu onvermijdelijk volgens het gevoelen van andere personen, wier raad de officier inwon, tenzij de burger excuses wilde maken, hetgeen deze echter weigerde. Daar deze geen secondanten kon vinden, werden zij hem «ambtshalve» toegevoegd, en een paar dagen later reed men in drie rijtuigen naar Berg-en-Dal, ten einde, zoo als men meende, op Pruissisch grondgebied ongestraft te doen, wat de Nederlandsche wet niet veroorloofde. Ook de geneesheer, die de strijders vergezelde, verkeerde in dezelfde meening. Hij gaf den raad, welke ook werd opgevolgd, om de halzen der duellisten te omwikkelen met doeken, gevuld met papier. Het gevolg van het gevecht was, dat de officier met de sabel zijner tegenpartij , welke zeer scherp geslepen was eene wond ontving boven het regteroor, welke na een paar dagen genezen was, terwijl hij zelf, met zijn niet minder scherp wapentuig, den burger eene kleine schram aan het been en een winkelhaak in de broek bezorgde.

Al de beklaagden , behalve een der secondanten , die als officier thans elders was gedetacheerd, waren ter teregtzitting verschenen. Zij bekenden volmondig de hun ten laste gelegde feiten.

De subst.-officier Mr. G. A. Yisscher keurde in scherpe bewoordingen het duel, dat overblijfsel der middeneeuwen, af; mogt het soms te verschoonen zijn, spr. meende, dat dit hier niet het geval was, waar om eene nietige oorzaak twee menschen met moordtuigen op elkaar waren aangevallen, na vooraf het plan daartoe beraamd te hebben. Hoewel het misdrijf in Pruissen had plaats gehad, was deze actie, hier ingesteld, toch geregtvaardigd, daar alle partijen Nederlanders waren. Zij waren dan ook slecht ingelicht, toen zij meenden, de daad in het vreemde land straffeloos te kunnen verrigten. Met een beroep op de bestaande jurisprudentie van den Hoogen Raad en het Hoog Militair Geregtshof, betoogde spr., dat het duel moest gestraft worden als mishandeling, verwonding of doodslag, bij den Code Pénal straibaar gesteld. De feiten achtte Z. E. A. bewezen door de bekentenis van alle beklaagden, in verband met de afgelegde getuigenissen ; de wonde, aan den officier toegebragt, maakte den eersten bekl. schuldig aan moedwillige verwonding. Deze had van den officier een ontvelling aan het been bekomen, zoodat ook diens daad op dezelfde wijze gequalificeerd moest worden. De secondanten hadden het duel geregeld, mogelijk gemaakt en waren dus medepligtio- even als ook de doctor, die, wetende tot welk doel, mede was gedaan' en zelfs nog voorzorgsmaatregelen vóór het. gevecht had genomen Spr. gispte zeer het gedrag van dien geneesheer, die misschien door zich te onthouden, het geheele geval had kunnen voorkomen. Ten slotte requireerde het Openb. Min. dne maanden cellulaire gevangenis-straf tegen den eersten bekl., zes weken tegen den tweeden , veertien dagen tegen ieder der secondanten en vier weken

tegen den doctor.

Mr. W. C. Scheidius, als verdediger voor den eersten bekl. optredende , betoogde uit de geschiedenis der zamenstelling van den Code Pénal, dat deze het duel niet strafbaar had gesteld. Was de Regtbank echter van een ander oordeel, dan hoopte hii, dat zij zou letten op de geringe verwonding, door den eersten bekl. toegebragt, en op de provocatie, waaraan ook hij had blootgestaan , en hem door het opleggen eenor geldboete zou straffen.

Mr. van Cappelle voerde de verdediging voor den tweeden bekl. en de aanwezige secondanten. Ook hij gaf als zijne overtuiging te kennen , dat, volgens het strafwetboek, het duel niet strafbaar is. Vervolgens betoogde hij, dat een duel, gevoerd door een officier, die

Bij Z. M. besluit van den 16 dezer, n°. 5, is benoemd tot notaris binnen het arrondissement Maastricht, ter standplaats de gemeente Kerkrade, A. F. J. J. Beekman, candidaat-notaris te Maastricht.

aan eene publieke tafel beleedigd is, geregtvaardigd is, daar deze, zoo hij niet duelleerde, de dienst zou moeten verlaten. Daarna voerde pleiter aan, dat de feiten , aan zijne cliënten ten laste gelegd, alleen uit hunne eigen bekentenis bleken en dus niet wettig bewezen waren, terwijl hij ten slotte meende , dat de daden, aan de secondanten geimputeerd, geen medepligtigheid in zich sloten. Hij concludeerde dus tot vrijspraak of ontslag van regtsvervolging.

De doctor, die zich zeiven verdedigde, zeide, dat hij meende vrij van schuld te zijn, doordien hij een patiënt (den officier) htd vergezeld bij een gevaar, dat deze te gemoet ging, terwijl hij bovendien door zijne hulp ergere gevolgen van het gevecht had voorkomen.

Na re- en dupliek hepaalde de Regtbank de uitspraak op aanstaanden Dingsdag, des voormiddags ten tien ure. (Arnh. Ct.)

Groot- Brittannië. — Den 30 September a. s. zal te Glasgow het Congres voor sociale wetenschappen worden geopend.

In de afdeeling «Regtsgeleerdheid» zullen vooral de volgende vragen in behandeling komen :

«Is het wenschelijk, dat de uitspraken van gezworenen eenstemmig geschieden?

«Moet het getuigenis van sommige personen, die thans niet als getuigen worden toegelaten, gehoord worden, en welke zijn die personen ?

«In hoeverre zouden hovea van scheidsregters kunnen worden opgerigt als middel om internationale geschillen te vereffenen?"

In de afdeeling voor de Straffen tegen misdrijven :

«Tot hoe ver moeten vroegere veroordeelingen in aanmerking komen ter bepaling van de straf?

«Moet het stellen onder toezigt van de politie worden uitgebreid tot gevallen, waarin dit thans niet geschiedt ?•

Frankrijk. — De heer Pradier-Fodéré is door de Regering van Peru aangezocht zich naar Lima te begeven, ten einde aldaar eene faculteit voor de staatkundige en administratieve wetenschappen op te rigten. De uitstekende schrijver heeft dit aanbod aangenomen. «Wij zijn er van overtuigd — zegt de Mémorial — dat de zoo hoog gewaardeerde vertaler van Grotius, de uitgever van Vattel met aanteekeningen , de schrijver van het Précis de Droit administratij\ van de Principes généraux de Droit, de Politiyue et de Le'gislation, en van zoovele andere werken , zich met toewijding en goed gevolg van eene taak kwijten zal, die zoowel hem tot eere verstrekt, wien zij opgedragen is, als de Regering, die hem die toevertrouwt.»

De heer Pradier-Fode'ré was sedert een achttal jaren aan de France verbonden , en gaf ook iri dat blad de bewijzen te gelijk van zijne degelijkheid als van een smaakvoilen stijl, bij de behandeling van zeer uiteenloopende onderwerpen, waarin hij zich met de meeste gemakkelijkheid bewoog.

ADVERTENTIEN.

TE KOOP voor den meestbiedende: EEN STAATSBLAD,

officieële uitgave, van 1813—-1865 ; 1813—1844 gebonden in half leer, de rest ingenaaid.

Ofl'erteu franco, Boekhandelaar VAN DE GARDE, Zalt-Bommel.

Bij GEBR. BELINEANTE, te 'sHage, zag het licht:

REKENING-COURANT

door

Mr. J. A. LEVY,

Gunstig en uitvoerig spreekt Prof. Laband over het werk van Mr. J. A. Levy, Rekening- Courant.

//Deze omvangrijke bewerking van de leer der rekening-courant is eene in ieder opzigt voortreffelijke monographie; zij vereenigt in zich alle goede eigenschappen , welke men aan zoodanigeu arbeid mag stellen. De schrijver vereenigt met een volkomen kennis van de hierbij in aanmerking komende handelsgebruiken hoogst grondige bekendheid met het Romeinsche en liedendaagsche burgerlijk regt; hij is met de Duitsche litteratuur over het burgerlijk regt en met de uitspraken der Duitsche geregtshoven in een zoo hoogen graad vertrouwd, als waarop zelfs een Duitsch regtsgeleerde trotsch zou mogen zijn; hij beheerscht niet minderde Nederlandsche en Fransche theorie en praktijk; zijne redeneringen zijn eenvoudig, helder, klemmend en overtuigend; de stijl is zoo aantrekkelijk en bevattelijk, dat ook de met de Hollandsche taal slechts weinig vertrouwde lezer door dit werk geboeid wordt en de lezing daarvan, ondanks zijne uitgebreidheid, niet vermoeit; eindelijk zijn de uitkomsten, waartoe de schrijver geraakt, hoogst belangrijk, zoadat men ook te dien opzigte voor de bestudering van dat werk zich rijkelijk beloond ziet.*

De schrijver treedt daarna in eene uitvoerige kritiek van Levt's Rekening- Courant, noemt de enkele punten op, waarin hij van den schrijver afwijkt, toont aan, dat dit werk in vele opzigten tot dezeilde conclusie komt als C reizen acii's Kaufmannische Contocurrent, mede ten vorigen jare verschenen, doch aarzelt niet, wat grondigheid van bewerking en zekerneid van redenering betreft, aan Levy's werk den eerepalm toe te kennen.

Prijs ingen. f 8.25, geb. in linnen f 9.50 en in juchtleer /" 10.25.

Van denzelfden Schrijver zijn bij hen verkrijgbaar: De in den handel gebruikelijke beleening- of

prolongatie-contracten f j.00

Het algemeene Duitsche Handelswetboek, vergeleken met het Nederl. VVetb. van Kooph. 14.70 De Regtspraak van den Hoogen Raad, afdeeling

Koophandel, met 2 supplementen . . . 12.00

De Jury 0.50

Staatkundige betoogen 1.90

Het ideëele in recht en staat, 1ste gedeelte. 2.50

inelpendrnh en Uitgave van GKBROEIIEB^ BBUlPAHflil. te *» Grareaha^e,

medenliiïtio- even als ook de doctor, die, wetende tot welk doel, mede

Sluiten