Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Raadkamer van den 5 Junij 1874.

Uitlevering. — "Vreemdelingen. — Nederlanders.

Is de wet tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen van 13 Aug. I8-»9 (Stbl. n°. 39) toepasselijk op eene vrouw, die, in Nederland geboren en van haren man (een vreemdeling) gescheiden, bewerende, tijdens hare opvrage door een vreemd Gouvernement tot uitlevering, in Nederland te hebben gewoond, waarvan het tegendeel niet is gebleken, w.iders aan den burgemeester der plaats in Nederland, waar zij zich bevond, van haar voornemen tot vestiging aldaar (hoezeer later) bij deurwaarders ex/jloit heeft kennis gegeven? — Neen.

Moet die vrouw alzoo geacht worden ten volle te hebben voldaan aan het voorschrift van art. 11 B. W. en de hoedanigheid van Nederlander te hebben terugbekomen? — Ja.

Zijn art. 3 der Grondwet en artt. 16 en 17 der vreemdelingenwet zoo geformuleerd, dat daarbij alléén te denken valt aan personen, die vreemdelingen zijn, tijdens zij de uitlevering ondergaan ? — Ja.

Kan het aangaan om , nu bedoelde vrouw, nog vreemdelinge zijnde, is opgeëischt, hare voorloopige aanhouding voor aanvang van uitlevering te doen gelden ? — Neen.

De Hooge Raad der Nederlauden, in raadkamer vergaderd,

Gezien een verzoekschrift, door Jonkvrouwe M. S. C. E. d. L., gescheiden huisvrouw van F. Ch. d. J., ontvanger der belastingen te Haet ht, in België, op den 23 Mei jl. ingediend , en daartoe strekkende , dat de Hooge Raad moge verklaren, dat de requestrante, wier uitlevering dour het Belgische Gouvernement is verzocht, in den zin der wet tot regeling der toelating en uitzetting van vreemdelingen van 13 Aug. 1849 {Stbl. n«. 39 j, is Nederlander, en dat mitsdien die wet op haar van geene toepassing is;

Gehoord den proc.-gen. in zijn advies, strekkende tot afwijzing van het verzoek;

Ovtrwegende , dat uit ambtsbrieven van den officier van justitie te Rotterdam van 22 April en 27 Mei jl. blijkt, dat de uitlevering der requestrante in Mei 1873 door de Belgische Regering is verzocht geworden naar aanleiding van eene veroordeeling wegens opligting, door het Hof van appel te Gent te haren laste uitgesproken ; dat de requestrante ten gevolge van dat verzoek op 22 Oct. 1873 te Rotterdam in hechtenis is gesteld; dat zij echter uit hoofd'e^an ziekte eerst op den 11 Mei jl. door de Arrond.-Regtbank te Rotterdam, oveieenkomstig art. 18 der vreemdelingenwet, in raadkamer is kunnen worden gehoord, en dut het advies van die Regibank over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering op 13 Mei jl. is opgezonden,-

O., dat de bij het verzoekschritt (^ergelegde extracten van registers van den burgerlijken stand het bewijs leveren, dat d£ requestrante op den 18 Uct. 1824 is geboren te Roermond, alwaar hare ouders destijds waien gevestigd; dat.zij zich op den 27 Mei 1847 te Leuven in den echt heeft begeven-met voornoemden F. Ch. d. J., en dat dit huwelijk, krachtens eèn vonnis van de Regtbank van eersten aanleg te Gent dd. 2o Nov. 1862 , door echtscheiding is ontbonden;

O., dat de requestrante beweert voortdurend te Rotterdam te hebben gewoond sedert April 1873, terwijl het tegendeel niet blijkt, maar dit feit veeleer worde bevestigd bij het schrijven van den othcier van justitie te Rotterdam van den 22 April jl.;

0.t dat zij daarenboven bij het mede door haar overgelegde deurwaarders-expluit van den 26 Febr. 1874 aan den burgeifceester van de gemeente Rotterdam, waai zij zich in voege voorschreven had gevestigd, van haar voornemen tot vestiging heeft kennis gegeven ;

0 , üat met dit een en ander door de requestrante is voldaan aan al wat naar art. 11 B. W. wordt gevorderd om haar de hoedanigheid van Nederlandsche vrouw te doen terugbekomen;

0. aisnu omtrent de vraag, of de vreemdelingenwet onder zoodanige omstandigheden op haar van toepassing is, dat het tweede ltd van art. 3 der Grondwet, luidende: *de wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen en de algemeene voorwaarden , op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde Mogendheden kunnen wordeu gealotenv, en de artt. 16 en 17 der wet van 13 Aug. 1ö49 {Ütbl. n«. i>9), voor zoover daarin sprake is van »uitlevering van vreemdelingen-» of van "vreemdelingen, die uitgeleverd kunnen worden»,— zóó zijn geformuleerd, dat daarbij alleen te denken valt aan personen, üie vreemdelingen zijn, tijdens zij de uitlevering oudergaan; en dat, wordt dit niet aangenomen voor een geval ais het onderwerpelijke, dan metderdaad eene vrouw, die Neder lanüsehe is, zou worden uitgeleverd;

O., uat mitsdien het verzoek der requestrante zal moeten geoordeeld worden gegrond te zijn, tenzij mogt kunnen worden aangenomen, dat, nu zij, nog vreemdelinge zijnde, is opgeëischt, hare voorloopige aanhouding voor ^aanvang van uitlevering" zou kunnen gelden;

O. echter, dat die beschouwing is onaannemelijk ; dat immers bij uitlevering een verzoek van eene buitenlandsche Regering door het Nederlaridsch Gouvernement, na advies van den Nederlandschen regter, wordt toegestaan of geweigerd , en het dus niet aangaat, het begin der uitvoering van den bedoelden internationalen maatregel te stenen op een tijdstip, op hetwelk de beslissing, waarvan hij afhankelijk is, nog met is genomen ;

O., dat uit al het voorafgaande volgt, dat het gedaan verzoek is gegrond ;

Gezien art. 20 der wet van den 13 Aug. 1849 (Stbl. n°. 39);

Verklaart, dat die wet op de verzoekster van geene toepassing is.

PROVINCIALE GEREGTSHOVEN.

■1 1 ■■ 11 1 '

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GRONINGEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 30 Junij 1874.

Lastgeving. — Intrekking. — Huur en verhuur. — Getuige:-; bewijs. — Vermoedens. — Beteekening. — Kwade trouw.

Verloopt de termijn van hoog er beroep door beteekening aan den procureur? —Neen.

Geeft art. 339, 2de lid, B. R. eene bevoegdheid ten aanzien van alle beslissingen in eersten aanleg, waardoor de appellerende partij zich bezwaard acht ? — Ja.

Bepaalt de wet ergens3 in welken vorm de herroeping van lastgeving moet geschieden? — Neen.

Blijkt uit de feiten voldoende, dat de geïntimeerde ter kwader trouw een last heeft uitgevoerd, nadat hij van de intrekking had kennis bekomen ? — Ja.

D. Tolsma, appellant en incidentele geïntimeerde, procureur Mr. J. Lohman,

tegen

L. v. d. Woude, geïntimeerde en incidentele appellant, procureur Mr. B. Coiien.

Het Hof enz.,

Gehoord de conclusiën en pleidooijen van partijen;

Ten aanzien van de daadzaken en gevoerde procedures overnemende hetgeen deswege voorkomt in de vonnissen, door de Arrond.RegtbanK te Winschoten tusschen partijen gewezen den 10 Jan. en 23 Oct. 1872 en 4 Junij 1873 ;

Overwegende, dat bij laatstgemeld vonnis aan den toenmaligen eischer, thans geïnt. en incidenteel app., zijne vordering in conventie is toegewezen, en de ged , nu app. en incidenteel geïnt., is veroordeeld: lo. om, binnen den termijn van drie weken na de beteekening van dat vonnis , het, in voege voormeld, aan den eischer verhuurde aan dezen te leveren, door hetzelve te doen ontruimen door de tegenwoordige gebruikster met de haren en het hare, en het te stellen ter dispositie van den eischer ;

2°. tot vergoeding der kosten , schaden en nadeelen, door den eischer gehad en geleden ten gevolge der niet tijdige levering van het verhuurde door den ged. als verhuurder , op te maken bij tstaat en te vereffenen volgens het voorschrift der wet; en subsidiair, voor het geval ged. binnen den termijn, hierboven bepaald, niet mo.it voldoen aan zijne verpiigting tot levering, alsdan voor ontbonden is verklaard de bovengemelde huur-overeenkomst, met veroordeeling in dat geval van ged. tot vergoeding aan eischer van alle koeten, schaden en interessen , aan den eischer do^r gedaagdes wanpraestatie veroorzaakt of nog te veroorzaken, en tin lelijk met veroordeeling van ged. in de kosten, zoowel op den eisch in conventie- als in reconventie gevallen;

0., dat ged., nu app, van dat vonnis bij exploit van 29 Oct. 1873 is gekomen in hooger beroep bij dit Hof; terwijl de eischer, nu geïnt., van het bovenvermeld interlocutoir vonnis van 23 Oct. 1812, waarbij ged. was toegelaten om door getuigen te bewijzen drie door hem gestelde daadzaken, bij procureurs-acte van 5 Jan. 1874 incidenteel beroep heeft ingesteld ;

0., dat na procureur-stelling door geïnt. ten dienende dage aan zijde van den app. is geconcludeerd , dat het den Hove moge behagen , met vernietiging van het vonnis a quo, doende wat de eerste regter in prima had behooren te doen , des geïntimeerdes vordering, ingesteld bij acte van dagvaarding van 1* Junij 1871, te ontzeggen, en toe te wijzen des appellants reconventionnele vordering, strekkende tot vernietiging van het bovenbedoelde contract van huur en verhuur, gesloten tusschen notaris Wiersma, te Roordahuizum, gemagtigde van app. en geïnt., den 30 Dec. 1870, met veroordeeling van géi10rin de kosten van beide instantiën , uitgezonderd die , waarover reeds is beslist bij interlocutoir vonnis van 23Oct. 1872, en, voor zoover het Hof het nood^yiplijk moijt achten, zich te vergewissen, of in het proces-verbaal van den griffier , opgemaakt van het getuigenverhoor, eene fout is ingeslopen, n. 1. deze, dat in de verklaring van den tweeden getuige, daarin vermeld, het jaartal 1871 in plaats van 1870 is opgenomen; subsidiair, dat het den Hove moge behagen, alvorens op de hoofdzaak te beslissen, genoemden getuige over dat punt te hooren, met bepaling van dag en uur, waarop die getuige omtrent dat punt zal gehoord worden , met ret>erve van kosten ;

en aan zijde van den geïnt., incidenteel app., dat het den Hove moge behagen , regt doende op het incidenteel appel, dit appel te verklaren gegrond; en mitsuien te vernietigen en buiten effect te stellen het interlocutoir vonnis van de Arrond.-Regtbank te Winschoten van 23 Oct. 1872, tusschen partijen gewezen, met veroordeeling van den incidenteel geïnt. in de kosten , in beide instantiën op het incident gevallen; wijders te verstaan, dat er ten principale bij eindvonnis van diezelfde Regtbank dd. 4 Junij 1873, tusschen partijen gewezen, goed is gevonnisd en daarvan kwalijk is geappelleerd; dienvolgens, met bevestiging van dat vonnis, te verklaren, dat het geheel en volkomen elfect zal sorteren, en wijders den principalen app. te veroordeelen in de kosten , in hooger beroep gevallen;

terwijl door den app. en incenteel geïnt. bij conclusie van antwoord op het incidenteel appel twee midde en van niet-ontvankelijkheid van dat incidenteel appel zijn voorgesteld, fen voorts de ongegrondheid daarvan ten piincipale is beweerd, met conclusie, dat het den Hove moge behagen het incidenteel appel van het interlocutoir vonnis dd. 23 Oct. 1872, door de Arrond.-Regtbank te Winschoten tusschen p irtijen gewezen, te verklaren niet-ontvankelijk, en in ieder geval voor regt uit te spreken, dat kwalijk is geappelleerd en goed gevonnisd; mitsdien dat interlocutoir vonnis te bekrachtigen, met veroordeeling van den incidenteel app. in de kosten , op het incidenteel appel gevallen ;

en eindelijk nog, naar aanleiding van de voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid van het incidenteel appel , voor den incidenteel app. is geconcludeerd '• dat het den Hove moge behagen de exceptie te verwerpen, met veroordeeling van den excipiént in de kosten , daarop gevallen ;

0., dat partijen hierna hare wederzijdsche conclusiën hebben toegelicht en bepleit;

0. in regten :

dat n^ar aanleiding van de dingtalen in de eerste plaats dient te worden beslist omtrent de al- of niet-ontvankelijkheid van het incidenteel appel;

0. te dien aanzien, dat de niet-ontvankelijkheid door den incidenteel geïnt. worat beweerd , op grond :

1°. dat de termijn voor het beroep, bij de wet toegestaan, is verloopen , sedert bij exploit van 28 Nov. 1872 het interlocutoir vonnis, waarvan nu incidenteel appel beproefd wordt, aan den incidenteel app. ter zijner gekozen woonplaats is beteekend; en dat ook in casu geene sprake kan zijn van verlenging van dien termijn van appel door toepa>sing van art. 339, al. 2, B. R., daar met dat artikel wordt bedoe.d, dat de ged. in beroep ook van zijne ziide incidenteel beroep kan instellen van het vonnis, waarvan reeds beroep is ingesteld , zoo hij zich in eenig opzigt uoor dat vonnis bezwaard acht;

2°. dat, zi'0 van interlocutoire vonnissen niet afzonderlijk geappelleerd is, het beroep daarvan te gelijk met het beroep van het eindvonnis moet worden voorgesteld, en de incidenteel app. niet incidenteel van het eindvonnis en te gelijk daarmede van het interlocutoir vonnis appelleert, doch hij alleen incidenteel appel van het interlocutoir vonnis bedoelt;

Ad Iam. 0., dat, volgens art. 339, 1ste lid, B. R., de termijn van beroep niet aanvangt dan van den dag der beteekening aan den persoon of aan de woonplaats van hem, tegen wien men dien termijn wil doen loopen; dat in casu de beteekening van voormeld interlocutoir vonnis, biijkens de ten processe voorhanden deurwaarders-acte, heeft plaats gehad noch aan den persoon, noch aan de woonplaats, maar aan den procureur van de wederpartij als zoodanig, waaruit blijst, dat eene beteekening, zoo als de wet voorschrijft, in deze niet is geschied, en mitsdien de termijn van beroep niet is verloopen ; dat met het oog hierop overbodig is in een onderzoek te treden aangaande hetgeen in voege voormeld verder sub 1 door den incidenteel geïnt. is beweerd;

Ad IIum. 0., dat art. 339, 2de lid, van boven aangehaald wetboek aan den ged. in beroep, zonder eenige beperking, de bevoegdheid geeft om van zijne zijde incidenteel beroep in te stellen op de wijze,

daarbij voorgeschreven; dat die bevoegdheid mitsdien geacht moet worden gegeven te zijn ten aanzien van alle beslissingen in eersten aanleg, waardoor die partij zich bezwaard acht; dat bovendien de bewering van den incidenteel geïnt. in het onderwerpelijk geval zou leiden tot het geheel onaannemelijk gevolg, dat de incidenteel app. hooger beroep zoude hebben moeten instellen van een vonnis, waarbij hij niet in het ongelijk gesteld was;

O., dat mitsdien de voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid is ongegrond;

O. alsnu ten aanzien van het incidenteel appel ten principale, dat de incidenteel app. zijne vordering tot vernietiging van meergemeld interlocutoir vonnis grondt op de volgende beweringen:

10. dat de last door ged., nu app. en incidenteel geïnt., op den notaris Wiersema tot verhuring van de gelibeileerde woning niet was ingetrokken ;

2o. dat de intrekking, al ware zij geschied, niet kon vernietigen het ëenige dagen te voren reeds tot stand gekomen huur-contract, zij het dan ook onder ontbindende voorwaarde ten aanzien van da borgstelling ;

3°. dat hij (incidenteel app.), van den termijn = voor het stellen van een nieuwen borg hem vergund, profiterende, van zijn regt gebruik heeft gemaakt;

4o. dat hij daarvan gebruik mogt maken , ook al had hij , hangende dien termijn , een brief van den app., incidenteel geïnt., ontvangen , waarin deze weigerde hem het pand te verhuren ;

0. ten aanzien van de eerste bewering van den incidenteel app., dat volgens de wet de lati-gever den last kan herroepen, wanneer hem zulks goeddunkt; dat de wet nergens bepaalt, in welken vorm zoodanige herroeping moet geschieden ; dat mitsdien eene duidelijke wilsuiting van den lastgever, waaruit blijkt, dat hij den gegeven last intrekt, voldoende moet worden geacht om de lastgeving te doen eindigen;

O., dat uit de verschillende wetsbepalingen ten aanzien van lastgeving niet met grond kan worden afgeleid , dat 'het intrekken van eene lastgeving noodwendig aan den lasthebber moet worden kenbaar gemaakt om die geldig te doen zijn ; dat het tegendeel veeleer blijkt uit den inhoud van art. 1855 B. W., daar, volgens het 2 ie lid v»n dat artikel, de verbindtenissen door den la*thebber, die onkundig was van het eindigen van zijn last, moeten worden nagekomen ten aanzien van derden, die in goede trouw zijn, waaruit teregt door den incidenteel geïnt. wordt afgeleid , dat per argumentum e contrario derden, die , wetende, dat de last was vervallen en dus ter kwader trouw met den daarvan nog onkundigen lasthebber handelden , daardoor evenmin gebaat, als diegenen , die ter goeder trouw handelden , daardoor geschaad mogen worden;

0., dat hieruit volgt, dat het door den oorspronkelijken ged., thans app. en incidenteel geïnt., aangeboden bewijs omtrent het schrijven , verzenden en da ontvangst bij den eischer in prima, thans geïnt. en incidenteel app. , van den bij incidentele conclusie bedoelden brief vóór het tot stand komen van de gelibeileerde huur-overeenkomst ter zake dienende en afdoende moet worden geacht;

0.yMat de beweringen van den incidenteel app., sub 2°., 3". en 4°. vermeld, alle gegrond zijn op het positum , dat notaris Wiersma, als gevolmagtigde van app , hem op 16 Dec. 1870 had medegedeeld, dat

tiij aen toen door nem opgegeven oorg niet Kon accepteren ; aat nij dus vóór den volgenden Vrijdag (zijnde '23 Dec. 18 70) een solieden borg moest stellen , of voorschot betalen, en dat, als dit geen van beiden kon , van de zaak niets kon komen ;

O., dat de oorspronkelijke eischer, nu geïnt. en incidenteel app., bij introductieve dagvaarding uitslaitend zijnen eisch grondt op het huurcontract van 30 Dec. 1870; en dat mitsdien in dit proces alléén sprake mag zijn van gezegd contract van 30 Dec., terwijl geene beweringen, ontleend aan de pretense toezegging van huur op 16 Dec. bevorens , in casu kunnen in aanmerking komen;

0., dat de eerste regter mitsdien teregt op de bij het onderwerpelijk interlocutoir vonnis omschreven gronden, waarmede het H >f zich vereenigt, het door den ged. aangeboden bewijs door getuigen heeft bevolen, en het interlocutoir vonnis, waarvan incidenteel appel, behoort te worden bevestigd;

O. met betrekking tot het principaal appel, door den ged. in prima van het eindvonnis, dd. 4 Junij 1873 ingesteld, dat te dien aanzien in regten behoort te - worden beslist, of door het gehouden getuigenverhoor het bewijs der geposeerde feiten , zoo als die in de incidentele conclusie tot getuigen bewijs in meergemeld interlocutoir vonnis van *23 Oct. 1872 en in het laatstvermeld vonnis van 4 Junij 1873 zijn omschreven, is geleverd;

O., dat, blijkens daarvan opgemaakt behoorlijk geregistreerd proces-verbaal van getuigenverhoor , door den tweeden getuige in substantie is verklaard, dat op 17 Dec. 1871 door den ged. (thans principaal app.) is geschreven en door hem getuige eigenhandig op de post is bezorgd een brief, aan eischer, nu geïnt-, geadresseerd, waarin *;ed. schreef, dat hij, eischer, het huis (ten processe bedoeld; niet meer kon huren , wel koopen, terwijl de eerste getuige, meergenoemde notaris Wiersma, heeft verklaard, dat hij aan eischer, nu geïnt., toen deze zich ten kantore van hem getuige bevond oui het huurcontract te halen, heeft voorgehouden, *dat hij slacht gehandeld had, daar hij, wetende, dat hij niet meer kon huren , toch van hem getuige had gehuurd; dat van der Woude dit erkende, en tevens dat hij den brief omvangen had ;

0., dat de voren vermelde verklaring van den tweeden getuige omtrent het schrijven en afzenden vau den bewusten brief wordt bevestigd door de verklaring van den eersten getuige, dat de eischer nu geïnt., ten zijnen kantore zelf heeft erkend een brief van app. ontvangen te hebben;

O., dat nu, wel is waar, de laatstgenoemde verklaring niet uitdrukkelijk aantoont, op welk tijdstip meerbedoelde brief bij de geïnt. moet zijn ingekomen ; maar dat de verklaring van den getuige Wiersma ge.even is met het tog op de aan zijde van den toenmaligen ged* beweerde omstandigheid, dat die brief reeds bij den eiscner moest zijn ingekomen vóór het aangaan van de huur-overeenkomst, daar genoemde getuige hem, volgens zyne verklaring, het slechte van zijne handeling, om den brief achter te houden, wetende, dat hij niet meer kon huren, had onder het oog geüragt, waarvoor anders geen grond zoude hebben bestaan;

0., dat bovendien, nu de afzending van den brief op 17 Dec. en de ontvangst daar vau bij den geadiesseerde als bewezen kan worden aangenomen, een gewigtij; vermoeden pleit voor die ontvangst, iu elk geval vóórdat het huurcontract op 30 Dec. werd gesloten ;

0. toch , dat het van algemeene bekendheid is , dat een brief, uit welke plaats binnen dit Koningrijk ook, met de post afgezonden, i° den regeJ zijne bestemming berentt één of ten hoogste twee dagep> iu ieder geval binnen de eerste daj.cn na de afzending, en dat ifl deze bekende omstandigheid een sterk vermoeden is gelegen, dat i*1 casu een brief, op den 17 D^c. van de op korten afstand van het station van den staats-spoorweg te Winschoten gelegen gemeente Oude-Pekela verzonden naar de aan dienzeilden spoorweg gelegen g®meente Franeker, uiterlijk reeds den volgenden dag, althans lang vóor der» 30 D~c. daaraanvolgende ter bestemde plaatse moest aaukc*

men; . • in

0.t dat, blijkens de betrekkelijke stukken, eene grove misstelling ^ het jaartal, welke in de incidentele conclusie tot getuigennewijs * ingeslopen en van daar in het interlocutoir vonnis van den 23 •

Sluiten