Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 5770.

bestemming kan beantwoorden, onmogelijk is, wanneer niet de kelder,

bij den ged. in gebruik, ontruimd wo-de:* en als vervolg op de eerste Vraag: »dat réparati» n kunnen die wachten tot 3o April 1875, onder vooi waarde, dat het pakhuis daaibij niet gebruikt wordt ged uren "ie dien tijd , oat de bindlaten en vloeren weder behoorlijk geleed en aan de muien verbonden worden, terwijl de ontgraven fundering Weder aangevuld moet worden ;*

O. itt jure :

dat het in confesso is, dat de door den ged. van den eischer gehuurde kelder deel uitmaakt van het pakhuis '/de Groote Zwaan» alhier en een gemeenschappelijke!! muur heeft met den anderen keider, tot gemeld pakhuis behoorende en bij den eischer zei ven in gebruis ;

dar, blijkens het rapport der de.-kund gen , die gemeenschappelijke muur over zijne geheele lengte, ofschoon niet overal eveuvcel, is gezakt en op veie plaatsen scheuren vertoont;

dat venier kan warden aangenomen , dat die reparatiën niet tot na 30 April 1875 kunnen worden uitgesteld; dat de deskundigen wei zich aidus uitdrukken : dat de reparatiën kunnen wachten tot 30 April 18 ;5, ouder voorwaarde, dat het pakhuis niet worde gebruikt gedurende uien tijd;

dat uit die bijgevoegde voorwaarde echter volgt, dat zij bij voortgezet gebruik van het pakhuis ais zoodanig in den tegenwoordige» niet hei stelden staat van het perceel, dus ook van den kei ler gevaar zien; dat ook, wat die bijgevoegde voorwaarde aangaat, hij, die ee»» deel van een pakhuis, besiemd als in casu om bij gedeelten aan meerderen verhuurd te worden, gehuurd heeft, niet kan vorderen, dat aileen ten zijnen gerieve van het verder gebruik Van dat pakhuis afgezien, met andere woorden, het perceel aan zijne besteuimiug onttrokken worde;

dat derhalve de kelder, door den ged. gehuurd, van welken die scheidingsmuur een integrerend deel uitmaakt, zeer zeker moet gezegd woiden reparatien te behoeven; dat het dringende van die reparatiën uitdruKKeiijk door de deskundigen in hun rapport is erkend, met welk gevoelen de Regtbank zich vereenigt;

dat mitsdien de vereischteu van ait. 1591 B. VV. aanwezig zijn, en de vordering des eischers, ais op de wet gegiond, kan worden toegewezen ;

Gezien de artt. 1591 , 1279 B. W., 52, 2°., en 56 B. R.;

Kegt doende enz.,

Veroordeelt den ged. om het doen der reparatiën en versterkingen van den gemtenschappe ijken muur vati het pakhuis *de Groote Zwaan*, staande op de Oude Schans te Amsterdam, bestaande uit de peiceeleu H 34 7 en 3-4?, alsmede van de fundering daarvan, zoo als die den eischer door Burgemeester en Wethouders van Amsierdain zijn gelast, Volgens aanwijzing van de bouv.opzigters der gemeente Amsterdam, te geheugen en te gedoogen en te d<eu einde het Oenoodigde werKvolk in den kelder, oniier gemelde perceeleu en door den ged. var. den eiscner m huur bezeten womende, toe te laten en tevens onverwijld, immers binnen vier-en-twintig uren na de bcteekenmg van dit vonni*, tijdelijk, immers voor zoolang de te doene reparatiën zuilen duren, den voormelueii kelder geheel te ontruimen , met magugiug op den eischer om, bij gebreke van daaiaan te voldoen, die ontruiming des m.ods niet behuip der sterke maut te bewerkstelligen;

Veroordeelt den ged. tot vergoeding der schade, bij den eischer, ten gevolde van de onregtmaiige daad der weigering van den ged. oui aan des eischers sommatie van 1 Mei 1874 te voldoen, beieids gehad en geleden ol nog te hebben en te lijden , nader op te maken bij ssaat;

Verklaart dit vonnis, wat de ontruiming betreft, uitvoerbaar bij vooriaad, niettegenstaande hooger heroep , mits stellende zekeiheid, Welke binnen acht dagen na het geinteijecteerde hooger beroep zal moeten worden aangeboden en binnen acht dagen daarna aangenomen Of betwist;

Veroordeelt den ged. in de kosten van het geding.

(Gepleit voor den eischer Mr. L. II. Kuhn Jr , en voor den gedaague Mr. 11. J. van Lier.)

Gedaagde heeft van dit vonnis geappelleerd.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TB WINSCHOTEN. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 22 Julij 1874.

Voorzitter, Mr. A. Lijphart.

Regters, Mrs. : W. R. Alingh en C. H. Moens.

Actie tot afgifte van een bespkoken legaat. — Exceptie

VAN Ml-T-ONTVANKE 1.1 JKI1E1D. OVKREbNKOMST. — RfciOTS-

oorzaak.— Uitoruk.ivi.no * waarde genoten,* onvoldoende ourzaak.

J. A. Smit, eischer, procureur Mr. M. van der Tcük, tegen

J. R. Smit, gedaagde, procureur Mr. A. II. Koning. He Regtbank enz.,

Gehoord de toelichting der conclusiën door partijen procureurs; Ten aanzien der daadzaken:

Ooerweqende, dat eischer, bij behoorlijk geregistreerd exploit van den dniirw>4flnif»r P. A. Dmnriin ÏT.ieu rt» vhii den 21

^ec. ^73, m regten heeft geroepen don ged. om te worden veroordeeld tot betaling aan eischer van: 1°. de som van ƒ 2,250 O^, zijnde het gezamenlijk bedrag van natemelde sommen ; 2U. de legale interessen van de som, verschuldig! volgens onderhandsche schuldbekentenis dd. 16 Oct. 1862, en van de som van / 187.">5, veischuldigd ingevolge de uiterste wilsbeschikking nairemeld ; 3 '. van de lo< pende '"teressen van het kapita 1, groot f 1,250, verschuldigd ingevolge schuldbekentenis dd. 6 Oei. 1862 nagemeld van af den 6 Oct. J'; ; 4o. de kosten dezer procedure, zulks op grond, dat ged. aan eischer is verschuldigd ingevolge twee onderhandsche schuldbekentenissen , de een dd. 6 Oct. 1-62, behoorlijk geregistreer 1, deandeie 16 Oct. 1862 , behoorlijk ge«egistreerd , de som van ƒ t 750 , benevens vijf jaren onverjaarde interessen, verschuldigd ingevolge ye schuldbekendtenis dd. 6 Oct. Iö62, waarvan het laatste jaar interest veifcchenen is geweest den 6 Oct. jl., bedragende te zame.i f 312.50;

dat ged. bovendien aan eischer verschuldi-d is 'le som van ƒ 187.55 ten gevolde uitersie wilsbeschikking van G. Jacobs Gei nis, gepasseerd v°(,r deil notans j, J. de lilécourt ter standnU»f.«i Wildervank den 8

■Mee. 1848, zijnde het gedeelte van het legaat, g oot ƒ1,401», bij gemeld testament door de eiflateresse aan hare erfgenamen volgens de wet U hertiouwen aan ged. besproken, den eischer als erfgenamen naar e wet van genoemde erfiateresse c mpeterende, na aftrek van de OOI' üen eed. Van dir Ipirfl',1 r. nnn ?l<»n lundp. Iipfnnl.lr» •

dat ged., niettegenstaande hij tot beta.ing van gemelde sommen is gesomiueeid bij exploit van den te Oaoom wonendeu deurwaarder

J. Schntstal, dd. 4 Dec. jl., in gebreke is gebleven gemelde sommen to voidoen ;

0., dat, na procureur-stelling aan zijde van ged., door eischer is geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding ;

0., dat door ged. op dien eisch is geantwoord: dat eischers vordeiiug ten deele is gebaseerd op twee ter dagvaarding geciteerde ondei handsche schuldbekentenissen, en ten deele op het feit, dat eischer zoude zijn erfgenaam naar de wet van G. J. Gemis, en ais zoo lanig geregfigd tot een legaat, voor zijn aandeel gioot ƒ 187.55, waarvan de uitkcering op den ged. zoude rusten ; dat het laatste gedeelte van eischers vordeiing, het legaat van ƒ 187.55, afstuit op het leit, dat eischer zich eene quaiiteit aanmatigt, die hij volstrekt niet bezit; wordende toen door den ged., die met de erfgenamen naaide wet van G. *). Geruis reeds voorlang heelt afgerekend , voor zooveel belieft het aan die erfgenamen coiupeterend legaat, zeer stellig ontkend, dat eiscner zo ide zijn, gelijk hij zich noemt,*erfgenaam naar de wet van G» J. Ge ms; dat ook. het andere gedeelte van eischers vordering, gegrond op de bei le ter dagvaarding genoem ie schuldbekentenissen, den eischer even Weinig zal kunneu vo.gen; dat toch ten opzigte dierstuKken het volgende waar is: dat gea. in Oct. 1872, ten behoeve zijner desfij Is door hein gedreven aardappei-moutwijnlabriek, van dun heer J. Hoen, kassier te Hoogezand, heeft geieend de kapitalen van J 1,250 en ƒ500; dat, toen die geiden duor hem t)ij deii heer iioeu werden in ontvang genomen , deze , na aan den voet van een kleinzegel en aan den voet van een ongezegeld papier eigenhandig te hebben geschreven: » Hoogezand den 6 Oct. 1862 en Hoogezand den 16 Oct. 1862 ,»— die stukken aan hen heelt voorgelegd, met verzoek om onder die data respectievelijk te sclnijven de woorden: "goed voor ƒ 1250* en *goed voor /' 500* met gedaagues naamteekening, daarbij te kennen gevende, dat de acceptatie later door heiu zoude worden bovengeschreven; dat ged. in het voorjaar van 1864 met den ei ctier , die intu»schen zijn compagnon was gewerden , in bedoelde fabrieic zich heeft begeveu naar het kantoor van den h_er iioeu, om de in voege voormeld geleende sommen wtêr af te doen ; dat de heer Hoen de gemelde stukken, die nog altijd in blanco in zijne bewaring waren gebleven, terwijl hij ged. de geiden uittelde, aan zijn compagnon, den eischer in casu, heelt uitgereikt; dat ged., oveauigd, dat die stukken nu geene waarde meer hadden en niets kwaads vermoedende, oezelve in htt bezit van zijn compagnon heeft gelaten; dat eenige jaren later, toen de compagnieschap tusscheu eischer en ged. was ontbonleii en tusaChen partijen moeijelijKneden waren ontstaan over hunne afrekening, de tegenwoordige ei&cher ree is heelt getracht zijne schuld aan ged. te dooLeu door een beroep op dezelrde stukken, die hij thans proiuceert en waarop zijne tegenwoordige vordering steunt; dat ged. toen uaielijk in die öiukken hernende de biauco-acceptatién, door hem indertijd aan den heer Hoen afgegeven en bij de terugbetaling toevallig gekomen en later verbleven in het beait van zijn vroegeren compagnon, welke stukken intusschen waren versierd mee een bovsnschriit, waarin ged. dadelijk de hand herkende van den zaakwaarnemer 0>sterbeeit, te Stadfckanaal , e.i welü bovenschrift zoude d enen om te constateren eene schuldverbindteiiis van ged. ten behoeve van eischer, die in den volsten zin des woords was verzonnen, waarvoor geeu schijn ot scna luw van grond aanwezig was , waarover tusschen partijen mm.ner of onic niet een woord was gespioken en waaraan geJ. in den ruidisteu zin des woords vreemd was; dat ged., gelijk hij toen voor der partijen afrekening heeft geprotesteerd tegen iedere gevolgtrekking uit die verzonnen schuldveroiudtemssen, ook thans, nu eischer na Verloop van eenige jaren diezellde stukken durtt leggen tot grondslag zijner tegenwoordige regtsvordeiing,— met allen nadruK. blijft on kenneii, dat uie stukken tegenover hem eenige verbindende kracht Zouden bezitten ; dat toch , gesteld , dat het hier gold, des steilig neen, souuid»ekenteni&sen, door ged. ten behoeve vau eischer geteekend , en do-r ged. aan eischer uitgereikt, die stukken zelve geen bewijs opleveren van het bestaan eener geoorloofde, sehulduorzaak ; dat het aanwezig zijn van eene geoorlootle oorzaak der pretense overeenkomst door ged. ten stelligste wordt ontkend en daaromtrent van eluers niet blijkt; dat derhaive de overeenivoin.it, waaruit eischer bij zijne vordering tot betaling van ƒ2,062.50 ageert, is krachteloos, ais wordende hier gemist het bewijs eener behooriijüe schulloorzuak; dar, alleen voor het hoogst onvermoedelijk geval, dat de Regtbank in de woorden ; «hebbende de waarde daarvoor ontvangen* de aanduiding eener gjoorloofae schuldoorzaak mogt Vinden en bij gevolg de bchuldhekeniei.isseii in het algemeen voldoende mogt acnten voor het bewijs oer geposeerde en ontkende schuld, de ge l. tr belang bij zoude henben vol te houden , dat de overgelegde stukken zijn valsch ol vei valscht, en die valschneid of verva.schiug langs den wettigen weg te constateren; Concluderende ged. alzoo tot niet-ontvankelijkverkiaring van den eischer in zijne ingestelde vordering, immers tot ontzegging daarvan cum ex^ensis, en subsidiair, voor hes gevai, dat de Regtbank. vau oordeel mo^t zijn, dat de overeenkomst, waaruit eischer ageert, niet is krachteloos, als missende het veieisshte eener geoorlooldo oorzaak, dat de R^gtbauK hem zal toelaten tot het bewijs der valachhei t of ver valschiug der geiioelleerie ou lei handsche schul lbekeutenissen, op de wijze en met in-acht-neming der voorschnlteu, bij de wet op dit punt gegeven ;

O., dat vervolgens bij conclusie van repliek door eischer gedaagdes verdedi^ingsmi idelen zijn bestreden, en de gronden vau den ingesteldjn e»sch nader zijn ontwikkeld eu aangedrongen ;

Ten opzigte van het regt:

U., dat de eischer tc?gen den g^d. heeft ingesteld twee actiën , waarvan de eene strekt tot betaling van f\ 87.55, Zijnde het gedeelte vaneen legaat, hetweik «lo >r ge laagde's overledene echtenoot G. J. Genus bij uiterste wilsnesCh'kking, d l. 8 Dec. 1848, aan hem eiscner ais hare mede-erfgenaam naar de wet zou zijn bespio*en, en de tweede tot voldoening eener som van ƒ 1,750 met vijt j »ren onverj «aidj renten, door yed. aan hem blijkens afgegeven ouderhandsche bchuldnekentenissen zullende zijn veischuldigd;

0., dat, hoezeer het geldelijk bedrag tle/er beile vorderingen, als eene som te zaaien gevoegd ondereenen po-t in het pehtum der dagvaarding door ei-cher van ge^i. wordt gevraagd, en het alzoo den

schijn heeft, alsof, blijkens dit petilum, er slechiS van ééne vordering spiake is, inderdaad echter twee actiën zijn ingesteld, die op geheel verschillende grondslagen rusten eu niets anders met elkander gemeen hebben , dan dat zij in hetzelfde lioei zijn te zamen gevoegd, zoodat de door ged. voorgestelde exceptie ailéén tot de ésiie actie, tot aigilte

nanioiijk van net legaat , moet woruen beperKt;

0.t dat deze cxcej tive verdediging nu steunende op de blijkens de pleidooijen tus>chen de partijen geheel in cun/esso zijnde daadzaak , dat niet de eischer, maar zijne echtgenoote, met wie hij naar vigueur onzer wet in algeheele gemeenschap van goederen is getrouwd , erfgename is van de lestatrice G. J. Geruis, in regten is gegrond, omdat toch uit dit bewe/en feit volgt, dat de grondsl «2 van dezen

eisen is onjuist en gevolglijk mede onjuist het pet/lum tot afgitie van het legaat, dat op dit o.iware en onjuiste fundamentaal jjittndi is gebouwd; dat namelijk de ei&ch :r , die ais erfgenaam de atgnte Viaagt, is geen erfgenaam, eu dus ook geene actie, zoo als is ingesteld tegen den god., die ais erfgenaam ex testamento met de afgifte vau het legaat belast is , heeft;

U., dat het gevolg alzoo dezer exceptive verdediging is, dat de actie, zoo als ze is ingesteld, volkomen wordt geperimeerd en vernietigd, waarom ook de excepde, als van peremtoiren aard zijude, teregt

met het antwoord ten principale overeenkomstig het voorschrift der wet

is voorgesteld;

<Ky dat de door eischer gemaakte opmerking, dat de gel. geen belang heeft bij de opgeworpen exceptie, omdat het legaat, dat, wel is waar , niet aan hem eischer, maar aan zijne echtgenoote als erfgename toekomt, toch in de tus>chen hem en zijne vrouw bestaande algeheele gemeenschap van goederen vait, en hij ais bestuurder dier huwelijks-gemeenschap alleen het regt heeft de <|uaestiën omtrent dit legaat met ged. te demeleren,— is onjuist, omdat de eischer wel het regt had het legaat op te vorderen als hoofd der echtvereeuiging en als bestuurder der regten zijner vrouw, maar niet zelfstandig als erfgenaam , en eene voidoening vau zijde vau ged. aan de vordering van eischer, in voege gedaan , hem niet zou vrijstellen van andermale voldoening vau het legaat aan de vrouw, iu regten geadsisteerd door haren man, als werkedjk de eenige persoon, die regt tot deze actie heeft;

O., dat met betrekking tot de tweede ingestelde vordering , strekkende tot betaling van ƒ 1.75U en renten op grond der afgegeven ondei handsche schuld bekenten, ssen , gedaagde's voornaamste verdediug&middel bestaat in de outkeuteuis van het bestaan eener o >rzaak vau de overeeukomst, aan geiioemde schuldbekentenissen ten grondslag liegen le, waarom ee<»e hesussing hieroinireut behoort vooraf te gaan, omdat, nij gegrond-bevinding vau dit middel, een ouderzoet ten aanzien der overue middelen is overbodig;

O., dar, vvat ook waar moge zijn nij al het verschil van gevoelen van vele schrijvers en au eurs omtrent het wezen en karakter der regtsoorzaak , waarvan eeingen in het onderwerp, anderen in de beweegredenen der partijen de causa meeneu terug ie vinden, — de oorzaak van de overeen Komst in hoofdzaak kan woideu gedtfiuieeid te zijn: de regtsgrond, waardoor uit eene overeenkomst eeue regtsgeldige verbin .teuis ontslaat en waarop de consensus der partijen oerust, met andere woorden datgene, wat pai tijen door het sluiten der overeenkomst hjnbeu Wilieu effectueren , het doel waarom de overeenkomst tusscheu partijen wordt getroften, in een woord de strekKiug of doei uu ieder contr. ct, op zich ze.f beschouwd, Kan gezien en beoordeeld wordeu, eu bij ovei eenkomsten, hetz.j onder ouereuseu, hetzij ouder gratuiien titel aangegaan , hetzij bij kanscontracten, b. v. bestaat of m de zaak, weiKe beide partijen wilien , dat de eene partij, tegen betaling eener zekere geldswaarde, a >n de andere of om niet, zai verkrijgen, óf ui de kans of net gevaar, dal de ééne partij , tegeu betaling eener zekere geldsom door de andere , zal beloopen;

0. uu, aat, aan dit beginsel getoetst, de gelibelleerde schuldbekentenissen , die tot bewijs der tu&schen partijeu gesloten overeeuKomst strekKeu , vooreerst in geen enkel op/agt aauduideu , welke overeenKomst hier tusscheu partyen nestaat, omiat toch de erkenning van ged. gelden aan den eischer te zijn veischulaig-l eu daarvoor de waarue na^r genoegen te heoben ontvangen, niet aantoont, ter zake Van welk contract zeif in het algemeen , hetzij Utuio ontroso , hetzij kanscouiract, veel minder ter zaKe vau welk specmai c.miract hy d.e waarde heeft ontvangen en die waarae door hem Kan zijn ^e».oteii, hetzij uit een koopcjntiact, hetzij huur of verhuur of welKe audere benaamde of oubeuaamde overeenkomst o.>k ;

0-, dat a.zoo, bij het zelf niet cousteieu, welk contract hier tusscheu partijen bestaat, evenmin de stiekKing en doel dier niet gebieKen overeenkomst kan worden beoordeeld, en nog veel minder Kan worden gezien , of de regtsgrond, w.iarop der partijeu consensus moet berusten, eene al ot niet ïegtsgeldige verbind ten is opieverde, of dat de oorzaak was eene geoorloofde of ongeoorloofde;

ü., dat de eischer, teu einde het bestaan der causa aan te toonen, bij confusie van repliek wel heeft beweerd, dat hij indertijd een bedrag van J' 1,750, door den ged. aan deii Kassier iioeu te Hoogezand veischuldigd, aan uezen heeft be aald eu daarvoor van gezegueQ Kassier heeft ontvangen de twee gelibelleerde, destijds Oningevulde, doch met onderschiilt en handteeKemug van den ged. voorziene schuldbekentenissen, en ue/e later door den zaaKwaaruemei O >sterbeeK met eeu notenschrift heeft doen invullen; maar dat, behalve dat deze bewering, in voege gedaan, do-ir den ^ed. wordt weêr&piOKeu en dus is onbewezen, hieruit niet alieén zou volgeu, dat hij eischer als ntyotiorum yeslor voor den ged. had geuaudeid eu deze dus uiet uit Kracnt van overeeuKomst, weiKe toch aan gezegde scnuldOeKeiiteiiisseu ten groudslag ligt en waaruit ook tegen ged. wordt geageerd , zou verbonden zijn , maar uit kracht eener verbindteuis uit de wet teu gevolge neyoL orum ytslio ontstaande en hierdoor een geheji ander /undanienlum yeltndi aan den mgesteideu eisch zou worden ondergescuoven ; maar uit deze bewering tevens ook voortvloeit eene erKeuteuis van eischer, dat ter z»ke dier gevorderde f 1,7 ;0 nimmer een contract tusschen nem en ged. is gesloten, en er dus evenmin vau eene Oorzaak van overeenkomst kan sprake zijn ;

0., wat verder de opmei Kiug, door eischer bij pleidooi gemaakt, aangaat, dat de uitdrukking * waarde genoten* of *uaar genoegen geuo-

teu." voldoen le de causa aanduMt, en ten oewijze hiervan vei wijst naar wissels en orderbilletien,— niet u t het oog moet worden verloren , dat de overeenkoms', volgens eisciiers susienu tusschen partijen bestaande, op.evert eene materiële verbmdtenis , die geheel van de re6tsoorzaak is afhankelijs en zonder deze niet bestaat; maar dat wissels en orderbiliet'en zijn verbiudteinsseri van formele strekking, bloot van den vorm van het schrift afhankelijk, iuaar daai eiuegui geheel onafnaukelijK van de materiele regtsoorzaak, die bloot ais nijkomeude omstandigheid b:j deze veromdtenisseu in aanmerking Komt eu waarom hiertegen ook geen bewijs is toegelaten, eu eene verwijzing naar of beroep op d^ze loruieie verbiudteuisseu alzoo den eischer volstrekt niet kon haten ;

O. einde.ijti , dat eischer nog heeft beweerd, dat de ged. moest aantoonen het i;ie>bestaan eener oorzaak van overeenkomst; doch wat omtrent den bewijsl«st, hetzij uoor ei.cher, hetzij door ged., bij verschil van gevo len der schrijvers onder net rransche re^t, ook regtens moge zijn geweest, door ons regt die twijfel oij ait. 1372 B. W. is opgeheven en ieder , die zich op eene overeenkomst beroept, tevens zal moeten bewijzen de oorzaak der'overeenk )mst, omdat de oorzaak een essentieel vereischte der overeenkomst is, en zonder oorzaak de overeeuKomst is krachteloos; maardat b >vendten, volgens dit sustenu , ged. zou worden beia-ït met het bewij-» van een negatief leit , door aan te toouen, welke causae er niet oesta^n en zoodanig bewijs is onmogelijk;

0., dat uit ai het boven overwogene volgt, dat de overeenkomst, welKe dan ook, ten grondslag liggeuie aan mecrgemel ie onlerhaudsche schuldbekentenissen, is zonder re^tsoorzaaK, en dus krachteloos, en den eischer atzo > zijne tweede vordering benoort te worden ont/egd;

Gezien de aitt. 1371, 1372, loOö eu 19ü2 B. VV., artt. luO, 102 en 208 W. lv. aat. 106 en 56 B. R.;

Ke^t doende enz.,

Verklaart den eischer niet-ontvanKelijk in zijne vordering tot afgifte van het leuaat;

Ont/egt hem zijne tweede vordering en veroordeelt hem in de kosten van het geding.

Sluiten