Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N'. 3771.

gewacht. Het ontwerp toch kent geen formele aanvrage om uitlevering z<»nder de vereischto stukken. Zu ks blijkt trouwens afdoende uit eene vergelijking van art. 8, in verhand met art. 11 , de aanvrage tot uitlevering betreffende, met art. 9, alwaar gehandeld wordt over het verzoek tot voorioopige aanhouding.

Art. 14, alin. 1. Het belang van den vreemdeling moet hier beslissen, omdat de openbaarheid hoofdzakelijk in zijn bela»g is voorgeschreven.

Alin. 3. Uit de slotbepaling van het artikel blijkt voldoende, dat de hier be loeide raadsman niet anders dan een bij de wet erkende raad-man kan zijn.

Art. 15. Op de gronden, in het verslag zelf reeds vermeld, komt het ook den ondergeteekende.i voor, dat in dit artikel de bepaling van art. 8, alin. 3, de in beslag te nemen goederen betreftende, misplaatst zoude zijn.

Art 16, alin. 1. Elet artikel is in dier voege aangevuld , dat daarin alsnu uitdrukkelijk wordt gesproken van het verhoor door de Regtbank.

Art. 17, alin. 1. Blijkens het ver-dag is de meerderheid voor het behoud dezer bepaling. Het schijnt dan ook meer in het belang eeuer spoedige uldoening uer zaak, de beslissing omtrent het Nederlanderschap aan het hoogste regterlijk coilegie over te laten , daar toch in het tegenovergestelde geval, volgens de Grondwet, eene voorziening in cassatie bij dut coilegie zou le moeten vrijstaan.

Het verlangen , dat de vreem leling het regt hebbe den procureurger.erual in eene memorie te beantw»«orden, schijnt minder gegrond, omdat de procureur geueraal geen requisitoir neemt, maar slechts een advies uitbrengt.

Alin. 4. Met de in het verslag aangegeven aanvulling van het artikel hebben de ondergeteekenden zich gei eedelij k kunnen vereenigen.

Art. 18, alin. 2. Ook deze alinea is aangevuld in overeenstemming met de opmerkingen omtrent de teruggave der goederen.

Art. 20. De vraag omtrent de toepassing van art. 151 der Grondwet en art. 41ö Weiboek van Strafvordering, ingeval de doortrekkende vreemdeling des nachts in de gevangenis verblijf moet houden , wordt in het verslag ztif reeds beantwoord.

Dat het misdrijf, waardoor uitlevering is toegestaan, in dat verdrag vermeld zij, zai blijken uit het verdrag zelf, dat gesioten moet zijn tusschen Nederland en deu Staat, waarheen de vreeinieliug wordt vervoerd.

liij het sluiten der verdragen zal ook te dezen opzigte wederkeengheid zooveel mogelijk op den voorgrond blijven staan , zonder in de wet als eene voisirekte voorwaarde te worden gesteld.

Naar het gevoelen van de ondergeteekenden zal het vervoer door ons land niet behooren te geschieden door Nederlandsche politieambtenaren. Zoo als leregt in het verslag wordt opgemerkt, staan wij in het bij dit artikel bedoelde geval buiten de uitlevering.

Overigens is de ter verduidelijking aangegeven reductie van het artikel in het ontwerp overgenomen , met vei vanging van het wo<»rd Staat in Mogendheid, in overeenstemming met den gewijzigden consideians vau het omwerp.

Art. 21, alin. I. O k de hier aangegeven wijziging is overgenomen.

Wanneer gedurende de uitlevering de straltijd verstreken is, is er geen g oud meer voor de terugzending van den vreemdeling, maar behooit nij te worden vrijgelaten.

Art. 22. Dj ondergeteekenden kunnen zich niet vereern^e^ met het

gevoelen dier leden, die beweren, dat de wet van I8ó0 Staatsblad n«. 44) beslissend moet zijn voor de vr^ag, wie tegenover de herziene uitleveringswet Nederlanders, wie vreemdelingen zijn. Met verwijzing, Voor zooveel noodig, naar het vermelde op bi tdz. 5 en 6 der memorie van toelichting, en naar de gronden , die in het verslag zelf worden b.jgebragt vcor het stelsel, dat het ontwerp ten aan/ien van het Nederlanderschap volgt, — achten zij wijziging daarvan dan ojk niet wenschelijk.

Kene Nederlandsche vrouw, met eenen vreemdeling gehuwd, is vreemd ling, en kan mitsdien worden Uitgeleverd. Art. 19 der wet van lö49 verbiedt dit ook niet.

Dat naturalisatie als eer mi idel zou worden aangegrepen om zich aan de uitleveiiug tö onttrekken, is niet re duchten. Naturalisatie wordt nooit verleend dan na naauwgezet onderzoek naar de morali teit van tien verzoeker. Naturalisatie blijft bovendien altijd eene gunst, waarop niemand regt heeft. In twijfelachtige gevallen zou zij mitsdien geweigerd kunnen worien.

De oiidergtteekeiideii achten het dan ock niet noo Izakelijk om, in verband met dit ontwerp van wet, de wettelijke vo rschfiften betrekkelijk de naturalisatie met meerdere waarborgen te omringen.

In verhand met het bovenstaande vermeenen de ondergeteekenden de aan het slot van het verslag gestelde vragen beknopt te mogen beantwoorden als voigt.

I Deze vraag is reeds beantwoord in § 1 a.

II. Uit hetgeen hierboven in § 2 is gezegd, blijkt, dat da ondergeteekenden deze vraag toestemmend beantwoorden.

111 Evenzeer blijkt uit § 3, dat de ondergeteekenden in de bezwaren tegen het criterium van het oorspronkelijk ingediend wets Ontwerp deelen, en dien-overeenkomstig art. 2 hebben gewijzigd.

IV. Het opnemen eener bepaling van staatkundige mislrijven is, in het ^ewijziizd ontwerp van wet, onnoodig, nu de wet zelve de misdrijven, waarvoor uitlevering zal kunnen worden toegestaan, bij name vermeldt. Ter verdere beantwoording dezer vraag wordt verwezen nanr § 3.

V. Voor de zienswijze der ondergeteekenden omtrent de vier t?evallen, ontwikkeld in § 4 van het verslag, wordt verwezen naar § 4 van dit antwoord.

VI. Een bevestigend antwoord op deze vraag volgt reeds uit het medegedeelde bij art. 1. #

VII. Ook voor de beantwoording dezer vraag wordt kortheidshalve verwezen naar het medegedeelde bij art. 6.

VUI. De ondergeteekenden achten het om de hierboven reeds opgegeven redenen niet noodzakelijk de wettelijke voorschriften betrekkelijk de naturalisatie, in verband met d;t wets-ontwerp, met meerdere waaroorgen te omiingeo.

De Minister van Justitie,

van Lynden yan Sandenbürg.

De Minister van Buitenlandsche Zaken,

yan der Does de Willebois.

HOOüE RAAD DER, NEDERLANDEN.

Haitier van StrarzaUen.

Zitting van den 28 September 1874.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Onderwijzer. — School. — Besmettelijke ziekte. —- Kinder-

zilkte ^variolae).

Art. 17 der wet van den 4 Dec. 1872 (Stbl. «°. 134) bepalende, dat onderwijzers, onderwijzeressen oj teerlingen, die niet, blij hens de oer klaring van een geneeskundige, met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken hebben ondergaan , of aan de natuurlijke kinderpokken hebben geleden, in ae scholen niet Worden toegelaten, betreft die verbodsbepaling uit den aard der zaak dengene, van wien de toelating in de schoten moet uitgaan ? — Ja.

Kan dat iemand anders zijn dan het hoofd van de school 1 — Neen.

Ls een onderwijzer, die als hoo, d-onderwijzer de leerlingen in de school toelaat, als hoofd van de school aan te merken i — Ja.

Is y omdat in de Ade al. van art. öQ wegens het ter school zen en van kinderen in het geval van art. 17 de ouders of' voogden dier kinderen zijn strajbaar gesteld, en al. 5 bepaalt, dat wegens overtreding van art. 17 verder strajbaar zijn de hoofden of de bestuurders der scholen, die de onderwijzers hebben toegelaten , en de onderwijzers zeioen, die onderwijs op de schoot hebben gegeven, daaruit af te leiden, dat de onderwijzers, die, in het geval van art. 17 , leerlingen op de school hejben toegem laten , niet bij art. 30 zouden zijn strafbaar gesteld? — Neen.

W. Schrijver, oud circa dertig jaren, Nederlandsch-Israëlitisch onderwijzer, geboren te Amsterdam, wonende ie Stad-Almelo, beeft zich m cassatie voorzien tegen een vonnis van de Arrond.-Kegtbank te Almelo van deu 30 April 15?7, waarbij in h"Oger beroep, met vernietiging van een vonnis van den kantonregter te Almelo van

den 12 Maart bevorens, de req. is schuldig verklaard aan het als hoofd eener schooi in die scho d toelaten Van leerlingen , die niet, blijütns de verklaring van een geneeskundige, met goed gevolg of meer dan eens ue inenting der koepok keu hebben ondergaan, of aan de natuurlijke kuideiponken (variolae) hebben geleden; en te dier z-.ke , met tot passing van de artt. 17 en 30, 2de lid , der wet van den 4 Dec. Ia72 {Stbl. n". 134^ en art. 1 der wet Van deu 22 Aprii 1804 'KSibl. no. 29), is veroorueeld tot eene geldboete van f 5, bij niet-betaling te vervangen door gevangenis-straf van één dag, en in de kosten vau beide instaatiën.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Kalff , heeft de ajv.-gen. kömeu de volgeude conclusie genouieu :

Edel Hoog Achtbare Ueeren, President en Raden ! Bij de beide regteriijke uitspraken, in deze zaak gewezen, is feitelijk beslist, dat tie req., als hoofd-onderwijzer eener school, daarop eenige leerlingen heelt toegelaten, ofschoon geene verklaringen van een geneeskundige waren afgegeven, dat genoemde leerlingen met goed gevolg, of mee** dan eens , ae inenting oer koepokken hadden onderdaan , of aan de iiBtuuriijk-e kinderpokken ha.iden geleden. Dd strat baarheid van dat teit is uoor deu kantonregter ontkend, maar bij het beklaagde vonnis aangenomen , en daartegen is de voorziening in cassatie gerigt.

De rat o dubitandi ligt m. i. in eene min duidelijke redactie van art. 3o der wet van 4 Dec. 1^72 (Stbl. nu. 134;. Art. 17 dier wet bevat de ver bodsbepaling, en nu kan het m. i. met twijfelachtig zijn, dat ue toelating tot de school alleen kan geschieden door dengene, die aan het hoofd der school staat. Daaronder kunnen de ouders, die naar de school zenden, niet begrepen zijn. De liaad vergelijke ook art. 15 der wet. Het is echter de vraag, of degene, die aan het hoofd der school staat, bij de wet strafbaar is gesteld. Art. 30 bevat de strafbepaling, en in de tweede al. wor.lt o. a. strafbaar gesteld de overtreding van art. 17. Maar men zou kunnen beweren, dat in dat artikel twee categoriën van personen, die stiafbaar zijn, worden opgenoemd, namelijk de ouders, die de kinderen zenden, en de hoofden der scholen, die de onderwijzers toelaten, alsmede de onderwijzers zelve. Daaruit zoude dan volgen, dat de wetgever zelf heeft aangewezen, welke personen bij overtreding van art. 17 strafbaar zijn, en dat de onderwij/er, die de kinderen op de school toelaat, niet straf naar is ge-tell. D^ze is de redenering in de memorie van cassatie. Ik geloof echter, dat art. 30 niet in dien zin m et worden uitgelegd. De wetgever verbiedt de toelating in art. 17 ; en nu kan niet worden aangenomen , dat dit zou zijn een nudurn praeceptum over eene aangde^enheid, welke, zoo als bekend is, tot zuike ge-

wigtige. di>cus>icn aanleiding heelt gegeven.

ïiv^geloof derhalve, dat art. 30 zo > moet worden opgevat, dat in de derde al., sub n". 2, straf naar wordt gesteld de overtreding va.i art. 17; en d»n moet uit de oeconomie der wet worden opgemaakt, wie de persoon is, die toelaat, en mitsdien voor de overtreding strafregtelijk aansprakelijk is (l). Eu dan bevat al. 4 van het artikel eene nieuwe verbodsbepaling tegen de o .ders, die naar de school zenden , en de vijfde al. eene dergelijke bepaling tegen de onderwijzers, die het onderwijs op de school geven. Op die wijze wordt ook art. 30 uitgdegd door den heer J. M. Hoog, over de wet vau 4 Dec. 1872, bl. 26», op art. 17 der wet. Hot is waar, dat. bij deze uitlegging, onder de strafbepalingen twee nieuwe verbo Isbepalingen worden opgenomen, maar ten opzigte van de onderwijzers kan dit niet worden ontkend; art. 17 der wet bevat toch omtrent hen geene verbodsbepaling. En om de ouders aansprakelijk te stellen voor de toelating, bedoeld in art. 17, mo-t, zoowel aan het spraakgebruik als aan de oeconomie der wet, en haar verband met het Koninklijk besluit, tot hare uitvoering gegeven, geweld worden aangedaan. Ik

geloof daarom, dat de Regtbank juist heeft geoordeeld, en dat het aangevoerde middel van cassatie niet aannemelijk is.

En ik heb de eer te concluderen tot verwerping der voorziening en verwijzing van den req. in de kosten , in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet cp het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie . bestaande in :

verkeerde toepassing van art. 30 der wet Yan den 4 Dec* 1872 (Stbl. no. 134);

Overwegende, dat bij het beklaagde vonnis feitelijk is beslist, dat de req., als hoofd-onderwijzer der Nederlandsch-Israëlitische gemeente te Stad-Almelo, na den 1 Mei 1873 eenige leerlingen in die school heeft toegelaten , ofschoon hem geene verklaring was afgegeven, waaruit blijken kon, dat die leerlingen met goed gevolg, of meer dan eens , de inenting der koepokken ondergaan , of aan de natuurlijke kinderpokken hadden geleden;

(1) De Raad vergelijke daaromtrent artt. 4 , 5, 8 en 10 van het Kon. besluit van 28 Febr. 1873 (Stbl. n°. 35) en het arrest van 20 Febr. 1861 {Ned. Regtsprd. 67, bl. 185, v. D. Honert, Gem. Zak., d. 18, bl. 89>

0., dat het aangevoerde middel op de opvatting berust, dat het daarop toegepaste art. 30 der wet van den 4 Dec. 1872 (Stbl. n". 134) ten opzigte van leerlingen op de scholen alleen strafbaar stelt de ouders, die deze ter schoil hebben gezonden, niet eebter de onderwijzers , die hen in de school hebben toegelaten : wat ook daaruit zou volgen , dat de 5de al. van dat artikel de hoofden der scholen wel strafbaar stelt voor de onderwijzers, die zij hebben toegelaten , maar van strafbaarheid met opzigt tot de toelating van leerlingen niet gewaagt;

0„ dat dusdanige opvatting der wet echter in strijd is met haren duidelijkt-n zin en bewoording;

0. toch, dat art. 17 bepaalt, dat onderwijzers, onderwijzeressen of leerlingen, die niet, blijkens de verklaring van een geneeskundige, met goed gevolg, of meer dan eens, de inenting der koepokken hebben ondergaan, of aan de natuurlijke kinderpokken hebben geleden , in de scholen niet worden toegelaten; en dat deze verbodsbepaling , uit den aard der zaak, dengene betreft, van wien de toelating in de scholen moet uitgaan;

0., dat dit niemand anders zijn kan dan het hoofd van de school, zoo als ook in overeenstemming is met art. 15 der wet, waarbij de toelating tot de scholen, in het geval van art. 14, aan de hoofden of bestuurders dier inrigtingen wordt verboden, en niet minder met de artt. 5, 8 en 10 van het ter uitvoering van het 2de lid van art. 17 voornoemd genomen Kon. besluie van den 28 Febr. 1873 (Stbl. n . 35; ;

0. voorts, dat een onderwijzer, die als hoofd-onderwijzer de leerlingen in de school toelaat, moet aangemerkt worden als hoofd van de school, en dus, terwijl art. 30, n<>. 2, overtreding van art. 17 met straf bedreigt, als hoofa van de school, is de ten deze aansprakeiijke persoon, en bij gemeld artikel voor de verbo lene toelating

van leerlingen , als zoouauig ook , zonuer eenigen twyrei, is straibaar gesteld;

0., üat, wel is waar, in de volgende ai. 4 van art. 30, wegens het ter school zenden van kinderen in het geval van art. 17, de ouders of voogden dier kinderen zijn strafbaar gesteld, en ai. 5 bepaalt, dat wegens overtreding van art. 17 verder strafbaar zijn de hoof len of de bestuurders der scholen , die de onderwijzers hebben toegelaten , en de onderwijzers zeiven , die onderwijs op de school hebueu gegeven ; maar dat hieruit geenszins valt af ie leiden , wat bij het middel wordt beweerd, dat de onderwijzers, die in het geval van art. 17 leerlingen in de scholen hebben toegelaten, niet bij art. 30 zouden zijn stiatbaar gesteld;

O., dat immers de strafbaarheid van deze, als hoofden der schooi, onuubbeizinnig reeus voortvloeijende uit de bepaiing van n°. 2 van het artikel, het niet aannemelijk is, dat die strafbaarheid in de uaarop volgende alinea^s weêr zou zijn opgeheven ; en dat evenmin aamicineiijk is, dat de wetgever in de verbodsbepaling van art. l7 een nudum praeceptum zou hebben gegeven, wat het geval zoude zijn ten opzigte der daarbij verboden toelating van leerlingen, zoo de Hoofden uer scholen daarvoor niet bij art. 30, n'. 2, waren strufbaar gesteld, naardien het ter school zenden der kinderen door de ouders, bedoeld in al. 4, iets geheel anders is dan het toelaten in de school;

U.t dat dan ook blijkbaar üe bedoeling des wetgevers ten deze geweest is. zoo als uil de bewoordingen volgt, om in al. 4 en 5 van art. 30 tot meerdere verzekering va.i de uitwerking van art. i7, met behoud van het daarin voor ue hoofden der scholen Vwor de toelating in de scholen gelegen verbod en oer daarop voor deze in no. 2 van art. 30 reeds voorkomende strafbepaling nog twee bepalingen te stellen, wraardoor tevens, wegens het ler school zenden der kinderen, de ouders en voogden, en met betresking tot de onderwijzers en onderwijzeressen in de scholen, behalve de hoofden of bestuurders dier seinden, die hen hebben toegelaten, die onderwijzers zeiven, als zij d£ar onderwijs hebben gegeven, stiafbaar gesteld zouden worden;

O., dat dienvolgens ook van de toelating van leerlingen in de scholen in het geval van art. 17, als zijnde daartegen bij no. 2 van art. 30 al voldoende voorzien , in al. 4 en 5 van dat artikel geene spraak meer behoefde te zijn ;

0., dat, de req. alzoo als hoofd der school voor de in strijd met art. 17 gedane toelating van leerlingen aansprakelijk zijnde, art. 30, no. 2 , der wet teregt op hem toegepast is, en mitsdien het door hem voorgestelde middel is ongegrond ;

Verwerpt enz.

A li RON D1SS KMËNTS-REliTBAiS' KEN.

ARRONDISSE MENTS-REGTB ANK TK NIJMEGEN.

Raadkamer van den 8 Augustus 1874 (1).

Voorzitter, Mr. W. J. Tkiebels.

Regters: Mrs. W. J. D. Besiee en M. A. tan Roggen.

Wei yan 18 Apkil 1874.

Indien ai de erfgenamen, meerder- en minderjarigen , van oordeel zijn, dal de onroerende goederen des boedels zoo tot betaling van schulden, als om eene behoorlijke verdeeling te kunne» daarstellen, verkocht behooren te worden, en zij, naar aanleiding van art. 11Ü2 b. IV., aan de Regtbank verzonken bevel tot o/jenbaren verkoo/i van die goederen, is dun de Regtbank bevoegd om o/i zoodanig verzoek te beschikken, indien niet blijkt, dat de erfgenamen het in eenig o/jzigt oneens zijn '< — Neen.

ls dal altikel alleen geschreven voor verschil van meening der erf'

genomen of aithans met medewerking van allen ? — Ja. Is daarom in casu het verzoek tot bevel verkeerd, en had moeten

verzocht zijn de raaatiging, bedoeld bij art. 451 ? — Ja.

Moet deze, naar aanleiding van de wet van 18 April 1874, altij" verzocht worden aan den kantonregter, onverschillig of meerder" en minderjarigen het onroerend goed te zamen bezitten , dan li'i: minderjarigen uitéén, en of het doel van het verzoek is boede ' redding of iets dergelijks ? — Ja.

Aan de Arrond.-Regtbank te Nijmegen geven eerbiedig te kennen

lo. H. van de Logt, eerst tweede vronw en nn weduwe van •>• Blankert, arbeidster, wonende te Leur;

2o. G. Klaassen, arbeider, wonende te Wijchen, als voogd o« de twee minderjarige kinderen Elisabeth en Jobanna Maria Blanke^» geboren uit het eerste huwelijk van nu wijlen J. Blankers voor* DOLin i en diens eerste vrouw G. Peters, beiden te Leur overleden^

3o. H. Hofmans, kleermaker, wouende te Hemen , als toezien voogd over gemelde minderjarigen:

(1) Hoezeer de beschikking reeds geplaatst is in Weekbl. n®. zoo voldoet de Redactie gaarne aan het verzoek tot herhaling bijvoeging vau het request.)

Sluiten