Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*ö~

N\ 5772.

WEEKBLAD VAN HET ilEGT.

REGTSKUNDIö NIEUWS- EN ADVËETliN 1'IË-BLAD.

ZES-EN-DEBTIG8TE JAARGANG,

JüS ET VEHiTAS.

Dit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook des D'mgsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentièn, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers. — Agenten voor Duitschland: Haasenstein en Vogler, te Hamburg.

WETGEVING.

REGELING DER ALGEMEENE VOORWAARDEN, OP WELKE,

TEN AANZIEN YAN DE UITLEVERING VAN VREEMDELINGEN, VERDRAGEN MET VREEMDE MOGENDHEDEN KUNNEN WORDEN GESLOTEN.

(Zie het antwoord op het Verslag in Weekblad n°. 3771.)

Gewijzigd ontwerp van wet.

Wij WILLEM III enz.,

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut I doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wensehelijk is, tot uitvoering van art. 3 der Grondwet, met intrekking van de bepalingen omtrent de uitlevering, in de wet van 13 Augustus 1849, Staatsblad n°. 39 , nader te regelen de algemeene voorwaarden , op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen , verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten;

Zoo is het, dat Wij , den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1. De artikelen 16 , 17 en 18 der wet van 13 Augustus 1849 , Staatsblad n<>. 39 , worden ingetrokken.

Ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen worden geene nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met in-achtneming van de bepalingen dezer wet.

Art. 2. Vreemdelingen worden niet uitgeleverd dan wegens de volgende misdrijven, buiten het Kijk gepleegd:

1°. aanslag tegen het leven van den Vorst, van leden van het Vorstelijk Huis of van het hoofd eener Republiek ;

2°. doodslag, moord, vadermoord, kindermoord, vergiftiging;

3°. bedreigingen, strafbaar gesteld bij art. 305 van het Wetboek van Strafregt;

4°. het op/ettelijk veroorzaken van het misvallen eener zwangere vrouw door haar zelve of door anderen;

5°. opzettelijke verwondingen , slagen of stooten , die eene ziekte of een beletsel van te werken van meer dan twintig dagen ten gevolge hebben , of die met voorbedachten rade zijn toegebragt;

6°. verkrachting of anderen gewelddadigen aanslag tegen de eerbaarheid ;

7°. aanslag tegen de zeden , strafbaar gesteld bij art. 334 van het Wetboek van Strafregt;

8W. dubbel huwelijk;

9°. opligting of wegvoering, verberging, wegmaking of onderschuiving van een kind ;

10°. opligting of wegvoering van een minderjarige;

11°. het namaken, vervalschen of verminken van muntspeciën of het des bewust in omloop brengen daarvan;

12°. valschheid in staatszegels, bankbriefjes, openbare schuldbrieven of papieren , geldswaarde hebbende , of in keur- of papierstempels , ijk- en soortgelijke merken, strafbaar gesteld bij de artikelen 139 tot en met 143 van het Wetboek va!) Strafregt; valschheid in muntpapier en postzegels;

13'. valschheid in geschriften, strafbaar gesteld bij de artikelen 145 t0t en met 151 van het Wetboek van Strafregt;

14°. valsch getuigenis, omkooping van getuigen, meineed;

15°. omkooping van openbare ambtenaren, strafbaar gesteld bij de artikelen 177 tot en met 183 van het Wetboek van Strafregt, knevelarij , verduistering of ontvreemding door ambtenaren, met ontvangsten of bewaring belast;

16°. opzettelijke brandstichting, strafbaar gesteld bij de artt. 434 en 435 van het Wekboek van Strafregt;

17°. opzettelijke vernieling van onroerende goederen, strafbaar gestejd bij artikel 437 van bet Wetboek van Strafregt ;

180. plundering van roerende goederen, strafbaar gesteld bij de

artikelen 44U en 412

dan dat, waarvoor zijne uitlevering wordt aangevraagd , hier te lande vervolgd wordt of straf ondergaat, kan de uitlevering niet worden toegestaan dan na den afloop der hier te lande ingestelde vervolging, en nadat hij de hem opgelegde straf zal hebben ondergaan , of hem daarvan gratie zal zijn verleend.

Deze bepaling belet niet, dat de vreemdeling tijdelijk worde uitgeleverd, ten einde in den vreemden Staat te regt te staan , onder voorwaarde, dat hij na afloop van het onderzoek worde teruggevoerd.

Art. 7. Geene uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde, dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor eenig in het verdrag niet genoemd misdrijf, vóór zijne uitlevering gepleegd, dan nadut hij, na zijne uitlevering, eene maand de vrijheid heelt gehad om het land weder te verlaten.

Art. 8. De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieken weg.

Zij wordt niet toegestaan dan na advies van de Regtbank, onder welker regtsgebied de opgeëischte persoon is aangehouden of zich bevindt.

De Regtbank beslist bij haar advies, welke der in beslag genomen goederen ingeval van uitlevering aan den opgeëischten persoon zullen worden teruggegeven , welke, ais stukkeu van overtuiging , zullen worden afgegeven.

Art. 9. In afwachting van de aanvrage langs diplomatieken weg, kan de vreemdeling , wiens uitlevering kan worden aangevraagd, op last van een officier of hulp-officier van justitie voorioopig worden aangehouden op aanvrage van ae magt, in den vreemden Staat tot voorloopige aanhouding bevoegd en als zoodanig in het verdrag aangewezen.

De op en bij hem zijnde goederen kunnen in beslag genomen worden.

Geschiedt de aanhoudiug op last van een hulp-officier van justitie, dan stelt deze den aangehoudene onverwijld ter beschikking van den officier.

Art. 10. De officier kan, na den aangehoudene te hebben gehoord, een bevel van voorloopige aanhouding tegen hem ui:vaardigen , dat aan den aangehoudene binnen tweemaal vier en twintig uren wordt

j beteekend.

| De olficier beveelt de onmiddellijke in-vrijheid-stelling van den | aangehoudene, ten ware hij uit anderen hoofde behoort iu hechtenis j te blijven, en de teruggave van de in beslag genomen goederen , ten I ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan: een j en ander, indien hem geene aanvrage tot uitlevering, met de daarbij

liuuuigw uwvuwiuvu, xo lUDUCgO'.lCCm U1IIUOU CCU (Cl LU IJ IJ J U1J 1JSI vei-

drag te bepalen, en van niet langer dan :

1". twintig dagen na de dagteekening van het bevel van aanhouding, indien de aanvrage tot aanhouding namens eene Europesche Regering is gedaan;

2». drie maanden na die dagteekening, indien zij namens eene niet-Europesche Regering is gedaan.

Geschiedt de aanvrage tot uitlevering binnen den gestelden termijn, dan wordt verder gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 13 tot en met 18.

Art. 11. Bij de aanvrage tot uitlevering, door de vreemde Regering gedaan, moet, in het oorspronkelijke of iu gewaarmerkt afschrift, worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeeling, hetzij het vonnis van in-staat-van-beschuidiging-stelling of van regtsingang met

1 bevel vari gevangenneming, hetzij eene daarmede gelijk te stellen " acte, in den vreemden Staat gebruikelijk, en als zoodanig in het | verdrag aangewezen.

f

van het Wetboek van Strafregt:

190. het weaerregteiijk en opzettelijk doen zinken of stranden, j ' , \ , 6 /. 1

vernielen of onbruikbaar maken van schenen en andei 'p. vflHrt.nitrpn • • ^ ^ diiü dagen na d aitoe

20°. het opzettelijk doen ontstaan van gevaar voor een spoortrein; 21°. diefstal;

22o. opligting;

23o. misbruik van eene handteekening in blanco;

240. het verduisteren of weerloos maken, ten nadeele van den eigenaar, bezitter of houder van goederen, gelden of geldswaardige Papieren , die in bewaring zijn gegeven of voor eenen betaald wordenden arbeid zijn toevertrouwd;

25°. bedriegelijke bankbreuk.

Art. 3. De uitlevering kan geschieden niet alleen wegens het begaan Van het misdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medepligtig-

noirl A ~ T • ,,i' 1

uaaiaau , voor zoover die poging nier te lande strafbaar is.

Art. 4.

of die medepligtigheid ook

Art. 12. Vreemdelingen, wier uitlevering krachtens verdrag wordt aangevraagd, kunnen, voor zoover die niet reeds geschied is, worden aangehouden.

Het bevel van aanhouding moet binnen twee maal vier en twintig uren worden beteekend.

De op en bij hen zijnde goederen kunnen worden in beslag genomen.

Binnen vier-en-twintig uren na de aanhouding wordt daarvan kennis gegeven aan den officier van justitie bij de Regtbank, binnen welker regtsgebied zij heeft plaats gehad.

Art. 13. De officier requireert binnen drie dagen na de aanhouding

en, zoo deze geen plaats heelt gehad ot reeds voor de aanvrage is

te zijn aangesenreven , dat

de opgeëischte persoon door de Regtbank worde gehoord, en dat deze haar advies uitbrenge over het al of niet toestaan der gevraagde

uitlevering.

Art. 14. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëischte persoon de behandeling der zaak met gesloten deure verlange, of wel de Regtbank , om gewigtige redenen , bij het proces-verbaal der zitting te vermelden , bevele, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.

I Het verhoor heeft plaats in tegenwoordigheid van het openbaar | ministerie.

! De opgeëischte persoon is bevoegd zich door een raadsman te doen \ bijstaan. Als raadsman kan gekozen worden ieder, die bevoegd is | voor den strafregter tot verdediging van beklaagden op te treden.

i Art. 15. Binnen veertien dagen na het verhoor zendt de Regtbank

j De griffier van den Hoogen Raad geeft onmiddellijk kennis aan • Onzen minister van Justitie, dat het verzoek is ingediend.

; Art. 17. De Hooge Raad doet uitspraak, na den procureur-<yene? raai te hebben gehoord.

j Beslist de Hooge Raad, dat de verzoeker Nederlander is, dan ; beveelt de Raad, indien hij aangehouden is, zijne onmiddellijke | in-vrijheid-stelling, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hech■ teriis te blijven.

ï De procureur-ereneraal bii dp.n Hnniron T?QQ^

. O v te ~KJU liJlUUCll IJ &

kennis aan Onzen minister van Justitie van de gevallen uitspraak.

Is daarbij beslist, dat ae verzoeker Nederlander is, dan worden de in beslag genomen goederen teruggegeven , ten ware er uit an.leren hoofde redenen van terughouding bestaan , en vervalt de procedure bij de Regtbank , indien die reeds aangevangen en nog niet geëin» digd is.

Art. 18. Is vóór of op den dag, in art. 16 bepaald, de beslissing van den Hoogen Raad niet ingeroepen, of is door dezen beslist, dat de opgeëischte persoon geen Nederlander is , dan wordt, nadat het advies der R gtbank is ontvangen, door Onzen minister de uitlevering gelast of geweigerd.

Ingeval van weigering wordt de opgeëischte, indien hij aangehouden is, onmiddellijk ontslagen, ten ware hij uit anderen hoofde behoort in hechtenis te blijven, en worden hem de iu beslag genomen goederen teruggegeven , ten ware er uit anderen hoofde redenen van terughouding bestaan.

Art. 19. Is de opgeëischte persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn opgeroepen om door de Regtbank te worden gehoord, niet verschenen, dan gaan de termijnen, in artt. 15 en 16 genoemd, in met den dag, waarop bet verhoor door de Kegtbank is bepaald.

Art. '20. De Regering kan vergunnen, dat een vreemdeling, wiens uitlevering door eene vreemde Mogendheid aan eene andere vreemde Mogendheid is toegestaan, over het Nederland?ch grondgebied worde vervoerd, mits met de Mogendheid, aan welke de uitlevering geschiedt, door Nederland een uitleveringsverdrag zij gesloten en het misdrijf, waarvoor uitlevering toegestaan is , in dat verdrag vermeld zij.

Art. 31. Vreemdelingen, die hier te lande in voorloopige hechte* nis zijn of straf ondergaan, kunnen ter confrontatie of tot het afleggen van verklaringen in strafgedingen, die in eenen vreemden Staat aanhangig zijn , op last der Regering tijdelijk worden overgezonden.

Indien die vreemdelingen hier ie lande straf ondergaan , zal hun straftijd geacht worden niet te zijn afgebroken door die tijdelijke overzending.

Art. 22. Als Nederlanders beschouwt deze wet hen, die het zyn volgens het Burgerlijk Wetboek.

De krachtens art. 8 van dat wetboek met Nederlanders gelijkgestelden worden , voor de toepassing dezer wet, als vreemdelingen beschouwd.

Art. 23. Alle acten eu stukken, ten gevolge dezer wet op te maken, zijn vrij van zegel en registratie en worden kosteloos afgegeven.

Art. 24. Deze wet is niet van toepassing op het aanhouden , het aan boord terugbrengen en het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen.

Lasten en bevelen enz.

Gegeven

De Minislci van Justitie,

De Minister van Buitenlandsche Zaken.

,,i*l Ji , . X. ^ rvnm

vjuruo uiwBicunt wuruü toeeesmaii. muuiBuguv «iwuiuciiuv- „ 4 • „ . ï -,. - • o ^ ,3_ ,,

WP>.-YAr>o i i i_ • i „"aai auvieö CIJ lidio ucöhööiii^, i»i ai u. o uouuciu, lutJb UO lOl UU

wegens het buiten het Kijk gepleegde misdrnf hier te lande wordt ! K . „ , , , _ ^ „ T .•

vervolgd , of wanneer hij deswege hier te lande heeft teregtgestaan en hei zij veroordeeld , hetzij van regts ver volging ontslagen of vrijgesproken is.

Art. 5. Geene uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven , waarvan do vervolging of de opgelegde straf vóór de^aanhouding hier te lande, of, zoo er nog geene aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door de Regtbank te worden gehoord, naar de Nederlandsehe wetgeving is verjaard.

Art. 6. Indien de vreemdeling ter zake van een ander misdrp

behoorende stukken aan Onzen minister van Justitie.

Art. 16. De voorioopig aangehouden of opgeëischte persoon, die

beweren mogt, dat hij Nederlander , en deze wet op dien grond niet

op nem van toepassing is, kan dit beweren , mits niet later dan op den veertienden dag na zijn verhoor door de Regtbank , bij verzoekschrift aan de beslissing van den Hoogen Raad onderwerpen.

Hij wordt zoo spoedig mogelijk na zijne aanhouding door den officier van justitie bekend gemaakt met en bij zijn verhoor voor de Regtbank herinnerd aan die bevoegdheid , onder mededeeüng, dat hij zich daaromtrent met een raadsman kan verstaan.

UOOüE RAAD DEK NEDERLANDEN.

Sia»ner van Strafzaken.

Zitting van den 28 September 1874.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Valschheid. — Mandaten.

Is er teregt ontslag van regtsvervolging uitgesproken van te last gelegde valschheid , na de feitelijke beslissing, dat de door den beschuldigde, als burgemeester, aan den gemeente-ontvanger gegeven mandaten alleen esn last of bevel hebben bevat tot uitbetaling van zekere sommen wegens verrigte politie-diensten, terwjl in de mandaten niets was opgenomen of vermeld omtrent voorafgaande handelingen daarover met de regthebbendent zoodat die mandaten , hoewel bedriegelijk hooger gesteld, dan volgens hetgeen tusschen den beschuldigde en de geregtigde politiebeambten vooraf daarover was verhandeld, omtrent die handeling geene valsche voorstelling konden geven, omdat daarover in de mandaten niets voorkwam? — Ja,

De proc.-gen. bij het Prov. Geregtshof in Noordholland heeft zich in cassatie voorzien tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Noordholland van den 29 Mei 1874, voor zooverre daarbij B. Geel, oud vijftig jaren, geboren en wonende te Graft, laatstelijk burgemeester en secretaris dier gemeente, met verwijzing van den Staat in de daarop gevallen kosten, van alle regtsvervolging is ontslagen ter zake van de feiten, sub IV en V in het arrest vermeld: dat "hij namelijk sub IV in een bevelschrift (mandaat), door hem als buree-

1 meester en secretaris der gemeente Graft geschreven , en door hem • en den wethouder A. Caton goedgekeurd en geteekend op den 8 Oct.

Sluiten