Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag , 5 November 1874.

N>. "775.

WEEKBLAD VAN HET UEGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVEltTENTIE-BLAD.

ZES-EN-DERTIGSTE JAARGANG.

J'S KT ItKliAS.

** ** - " *"•»«» *V« "'.„ia,,. _ Proper jaargang 'f ~20~; ,ao,dt!>,Ua„adanln,ca„,aH

/ 1.00 *, 20 „,t, per regel.- Bijdrage,, irieve,, fra.ca aa, de UUgever,. _ vaar D.iUeUand:

(* n V' C\ (flor 4 O TTr*nn*hm.n»r* »<»SCUaillIl

6 * JLJiitubuw y.

WETGEVING.

STAATSBEGROOTING VOOR 1875.

HOOFDSTUK II (Hooge collegiën).

Uit het voorluopig verslag der commissie van rapporteurs van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontleenen wij het volgende :

Artikel 1.

Ilde AFDSELINO.

De liaad van State.

§ 1. In schier alle afdeelingen kwam de wenscfcelijkheid eener administratieve regtspraak ter sprake. Gaarne vernam men , of een voorstel daartoe van deze Regering mag worden te gemoet gezien ?

De gebreken , die de bestaande procedure voor deri Raad van State aankleven, werden wederom in het breede vermeld. Daarbij deed men vooral uitkomen, hoe onbillijk het is, dat de behandeling van het geschil in de openbare vergadering der afdeeling , belast met het onderzoek der geschillen van bestuur, het onderzoek niet beëindigt. Zonder voorkennis van den belanghebbende, kunnen later nieuwe feiten en beweringen aan het licht worden gebragt; en hij kan in het ongelijk worden gesteld op gronden , hem bij de toelichting der zaak onbekend en die hij dus niet in de gelegenheid was te wederleggen. De Regering wordt eindelijk regter in hare eigen zaak. Men drong met nadruk op voorziening aan.

De periodieke afwisseling van de leden der afdeelingen vond insgelijks op nieuw afkeuring. Eenige leden eener afdeeling wenschten, in verband met afschaffing der periodieke afwisseling, de afdeeling voor de koloniale belangen aanzienlijk te hebben versterkt. Misschien ware eene tijdelijke aanstelling der leden van den Raad van State voor een zeker aantal jaren met mogelijkheid van herbenoeming in 's lands belang aan te bevelen.

§ 2. Het verlangen werd uitgesproken naar eene nitvoering van art. 15U der Grondwet, voorsch rijvende regeling bij de wet der wijze, waarop geschillen over bevoegdheid , tusschen de administratieve en regterlijke magt ontstaan , worden beslist.

§ 3. Eveneens werd herinnerd , dat de in de Grondwet bevolen wet tot regeling der regtspraak over geschillen en overtredingen in zake aller belastingen tot dusver eene doode letter bleef. Doordat Gedeputeerde Staten in belastingzaken regt spreken in het hoogste ressort, staat volgens eenige leden de behandeling dier zaken bij die van andere contentieuse zaken ten schteren. Appel bij den Raad van State werd door deze leden gewenscht.

HOOÜE RAAD DEK NEDERLANDEN.

Blurgerlijke kamer.

(Eerste aanleg.)

Zitting van den 23 Oclober 1874.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Onregtmatige daad. Schadeyerookdino. — Verpligting van den Staat tot bebakening.

Steunt de verpligting van den Staat, om de bevaarbare en vlotbare rivieren, die hem jure publico toebehooren, in zooveel mogelijk i veilig bevaarbaren toestand te houden en door bebakeninq het J daar in aanwezige vaarwater aan te wijzen , op eenigen civielen regtsband? — Neen.

Is de Staat, bij niet behoorlijke vervulling eener op hem rustende publ/ekregtelijke verpligting, tot schadevergoeding gehoudeni — Neen.

W. Wellens, eiseher, procureur Mr. M. Eyssell, tegen

den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. C. J. Fran£OIS.

De adv.-gen. Smits heeft in deze zaak genomen de volgende Conclusie:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden 1 De eiseher vraagt 'ergoeding van den Staat, voor schade, door hem geleden, doordat «ijn vaartuig in de rivier de Maas, nabij Grave, heeft gestooten °P een onder water in den rivierbodem staanden paal, en dien ten gevolge is lek geworden en gezonken.

Namens den ged. werd bij zijn antwoord vooropgesteld , dat de Staat niet aansprakelijk is tot schadevergoeding voor feiten als waarop ?le vordering is gegrond; vervolgens twijfel geopperd , of de eiseher *e!_ was eigenaar van het vaartuig, ter zake waarvan de vordering ingesteld ; voorts beweerd, dat dat vaartuig tijdens het ongeval 'en eenemale was buiten het vaarwater, zoo als dit van regtswege j'Vas aangewezen, en ontkend, dat de palen, waarop zou gestooten zijn, 1 behooren tot een rijkskrib. 1

Ten gevolge van een en ander zijn door den eiseher eenige daad- ' «ken gesteld, zoowel betreffende het ongeval op zich zelf en de '"nstandigheden, waaronder het heeft plaats gehad, als om aan te oenen, dat hij eigenaar, althans bezitter is van het bedeelde vaartnig,

aanbod die te bewijzen door alle middelen regtens, bepaaldelijk 1 ®°k door getuigen. .

De ged. heeft het grootste gedeelte der feiten ontkend, althans niet erkend ; ten principale geconcludeerd, dat de eiseher in zijne ingestelde vordering zal worden verklaard niet-ontvankelijk , immers dat die hem zal worden ontzegd, en omtrent het gevraagde getuigenverhoor zich gaaf gerefereerd aan 's Raads oordeel.

De vraag is dus : zijn de gestelde daadzaken ter zake dienende en afdoende ? en deze vra.g staat in een onaf,cheidelijk verband inet de vordeiiug ten principale. Het al of niet toewijsbare der vordering zal dus behooien te worden onderzocht, ook al heeft de geachte pleiter voor den Staat dit punt bij pleidooi meenen te moeten voorbijgaan.

Bj mijn onderzoek daaromtrent meen ik kort te kunnen zijn met het oog op de jurisprudeniie van den Moogen Raad, die, in geheel gelijksoortige zaken, m. i. als gevestigd mag beschouwd worden. Wat is toch de stelling van den eiseher? De Staat is verantwoordelijk voor de toegebragte schade, omdat de palen , waardoor het ongeluk heelt plaats gehad, niet waren afgebakend. Teregt en overeenkomstig uwe jurisprudentie, heeft de ged. daar p geantwoord, dat, al waren depaien.net afgebakend en al gingen uie palenden Staat aan, hetgeen beiden wordt ontkend, daaruit de aansprakelijkheid van den Staat niet volgt, omdat de Staat niet cioiliter tot de bebakening van alle gevaarlijke punten gehouden is.

Ik meen nierbij te kunnen verwijzen naar uwe beide arresten van

1 "°- 334" 811 3337 • bü v. d. honfcrt, Burg.

Regt, d. 36, blz. 7'j en 91, Ned. Hegtspr., d. 93, biz. 115 en 1291 111 revisie bevestigd het eerste bij arrest v„n 21 Junij 187a, het tweede bij arrest vao28Junij van dat jaar ( WeekbL n<>. 3478 blz 1 en 2 bij v. d. uonert, 11., d. 37, biz. 269 en 282, Ned. Hegtspr., d. 10l! blz. 195 en 231).

Bij die arresten maakte de Hooge Raad uit, dat de verpligting van den Staat, om de bevaarbare en vlotbare rivieren, die hem jure publico toebehooren, in zooveel mogelijk veilig bevaarbaren toestam te louden en om door bebakening en betonning het daar aanwezige vaarwater aan te wijzen , niet op een civielen regtsband tu3scben den Staat of een of meer bijzondere personen steunt, maar dat üie verpligting voortvloeit uit het publiek regt, dat aan den

at dü zo'g voor het publiek domein opdraagt; dat de niet rigtige vervulling door den Staat van zijne publiekregtelijke i-erpligtin; tot de bebakening geen grond geeft om dezen burtterregtelijk tot schadevergoeding gehouden te achten , en dat verzuim of nalatigheid veroujerstelt het beslaan van eene burgerregtelijke verpligting om iets te doen waarvan de met-nakoming de verbindtenis tot schadevergoe- I ding doet ontstaan. Op die gronden werden bij die verschillende airesten , betreffende met het tegenwoordige geheel identieke gevallen , zoowel de incidentele vordering tot getuigeubewijs, als de principale vordering tot schadevergoeding wegens schade, toegebragt aan vaai tuigen door het stooteu in rivieren op niet afgebakende gevaarlijke punien , ontzegd.

Waar de Staat jure publico handelt, kan geen civiele regtsband tusschen hem en een privaat persoon ontstaan, en kunnen de artt. 1401 en vgg. B. W. niet van toepassing zijn, daar het Burgerlijk Wetboek slechts regelt de burgerlijke betrekkingen j en daarop kan

Ui. 1. v»n nipf. iian : i 1 r

om aan den eiseher te vergoeden alle kosten, schaden en interessen geleden en verder te lijden , door en ten gevolge van een ongev^' den 24 Juli) 1871 aan zijn vaartuig de Vrouu, Franasca op de Maas

I ^ "" ieK wurde" °<"'"<U-en bet zinken van dat

I schip door het siooten tegen een in den rivierbodem in het vaarwater staanden paal; ais zullende dit zijn te wijten aan d.n teestand van het vaarwater, waarvoor, als ouder zijn beueer, de Staat zoude zijn aansprakelijk, alsmeue in de kosten van het geding- en dat de Jl bj antwoord die vordering op onderscheidene gronden heeft wejer, sproken en heelt gecouciudeeru tot hare niet-outvankeujs-verklarm.' immers hare ontzegging, met veroorueeling m de kosten;

' -ii. ' V°°m8' aal' aa,"elJ"'S daarvan, iloor den eiscbér bij repliek zijn gesteld zes ,eiten, met verzoek, ingeval van outkenni./ te j worde., toegelaten tot het bewijs daarvan, bepaald door getu.-e'n ■ I dat de ged. by dupliek heeft ontkend zijne verpligting ouT alle palen , waarover de eiseher goedvindt henen te varen, mef baaens te voorzien doch subordiuaat heelt gegeven eenige inlichtingen, waardoor alle aanleiding tut getuigenverhoor zoude zijn vervallen, voor het geval echter, dat de eiseher mugt volnardeu bij zijn verzoek itaai toe i Ïj opzigte zich geheel refererende aan Het oordeel van tien j Hoogen li,ad; dat daarop de eisCQer by beteekeude memorie alsno-r . bij de reeds gestelde nog h.ett gevoegd twee anaere feiten, verlau" geude, dat die ouder het door nsiu te bewijzene zullen worden begrepen; en dat, na ter openbare teregtzittmg van wederzijde genomen Conclusie» , Ue zaak is bepleit; 6

Ten aanzien vau liet re^t:

O. dat zoowel de princ,pale als de incidentele vordering berusten [ op de beweerde niet-nakoui.ng door den Staat zijuer Verpligting tot bebakening eener rivier, en mitsdien t„ vergoeding, bd verluim daarvan der geleden schade; en dat van den aard dier verpligting al hangt de toewijsbaarneu van beide vorderingen; rot,

O. daaromtrent, aat de verpligting vau deiiS.aat, om de bevaarbare eii vlotbare rivieren, die nern jure publico toebehooren , ,n ,OJ. veel mogelijk veilig bevaarbaren toestand ie nouden en door bebaienma het daar.11 aanwezige vaarwater aan te wi,zen, „iet steunt op eenigen civielen regtsband tussclien den .Staat en een of meer byzonaere personen , maar alleen op Uet algemeen belang ; en dat zij musdien veortvioeit uit het puolien regt, henve.k aan den Staat o-diaa t de zorg voor het puol.ek domein, met name voor de bevaarbare rivieren;

O. dat daaruit volgt, dat geen bijzonder persoon het rel hooft van den S,aat te vorderen liet stellen van bakens nn " '

en dat, zells bij genieken verzuim dienaangaande dit , s burgerregteiük tot schadevergoeding zoude^uunen verbid.""" """

O., dat del hal v e zoowel de incidentele, als de principale' vorde ringen zijn ongegrond; t""upaie vorde-

Ontzegt beue, en veroordeelt den eiseher in de kosten.

(Gepleit voor den eiseher Mr. W Thorbecke, en voor den gedaagde de beide iands-advokatyn Mrs. A. dk Pikto en G. M. va>* deb Linden.)

w i . . . wcyuBomg /.iju, uaar net I5urgerlnk Wetboek slechts regelt de burgerlijke betrekkingen ; en daarop kan m. '. van met den minsten invloed zijn de overweging, dat, waar dat wetboek handelt nver tun inar Katcairiri.... *... t l _

. - vu nare oezuters

° u " gesproken van gedeelten van het domaine pubtic.

Hiermede zijn ooit volstrekt niet in strijd de bekende uitspraken van den xiooiien Raad in de znnrrpnnnmHn ....«u

A ™ .».pv,uu-/.aaiv IIII revisie

de arresten van 26 April 1872 (WeekbL n<>. 3451, v. d. Honert

uury. i\egi, a. óit Olz. 75, iXed. Keqtspr.t d. 100, blz. 407) en 2 Jan. 1874 ( WeekbL. no. . IS/p,/ H int; ku 11

\ J i.ifi. I ft »uai ue

vordennsr tot scliadever^npdino' WfifH tnPirPIV0/On lniot nm<l.if IJ 1

~ —o O „v,,., juiov umunk uc ivauu

f u i i

j men z-icu uaar uevonu op pnvaatregtelijk terrein, en

| de schade was toegebragt bij ondernemingen vau den Staat loco ' prwati.

: De actie is dus m. i., ook al neemt men de gestelde daadzaken jas vaststaande aan, niet voor toewijzing vatbaar, en dit wel, hetzij f men bier beschouwt den Srn«r «i0 J

handelen Honr liino umuain.J moet

... v.6a.,cu, uc amoienaren , ot als verantwoordeiiik ;

voor zijne ambtenaren. Io de laatste veronderstelling moet men den ï Staat aanmerken als den meester of dengene, die anderen aanstelt tot j de waarneming zijner zaken; maar dan is het opmerkelijk, dat men : spreekt van eene wet van 30 Dec. 1865 (Stbl. n®. 173), een daarmede I in verband staand reglement, vastgesteld bij Kon. besluit van 30 Dec. > 1865 (Stbl. no. 194J, en eene daaruit geëmaneerde instructie voor de ^ baken meesters, van 31 Dee. <-v AV nnw Rnnr- « Inn ti - - i

- V • uv/uvraaau , ivciLt/t enz. ■

op den Waterstaat, 3de vervolg, blz. 296), waarbij men beweert, J dac eelast is te doen wat hier is verzuimd • w«nt Hor. •• \

0 - , ......w v.w.1 auiui itCL ui ij

voor, dat de Staat alles heeft gedaan om de daad of het verzuim te beletten, en dat de aansprakelijkheid van het zedelijk ligchaam

YUIgCUS UCI> SlUt Völl UIL. WUO JL). VV ., OpilOUUt.

K ven zoo is het gelegen met het beweren , dat hier aansprakelijkheid zou kunnen bestaan voor de schade, veroorzaakt door zaken welke de Staat onder zijn opzigt heelt. Die aansprakelijkheid toch van de 1ste zinsnede van art. 1403 veronderstelt bijkomende nalatigheid of verzuim (zieo. a. het arrest van 9Junij 187, Weekbl. no. 3337 v. d. Honert, Burg. Regt, d. 36, blz. 79, AW. Regtspr., d. 98 blz! 115, en de arresten, aangehaa d in de daarbij afgedrukte conclusie van het Openb. Min.); en die nalatigheid zal dan weder moeten zijn het verzuimen van eene civieliegtelijke verpligting, dat hier niet bestaat. Verwijzende naar de door mij aangehaalde arresten en daarbij

behoorendo cnnfl nsipn mppn ilc hiprmpiin ta Ir..., i .

, ttuiiiiL-u volstaan om

mijne conclusie te regtvaardigen , strekkende tot ontzegging der incidentele en Drincinale vordering. met vernordAPli™

« * es r ■ — »«u UCU

in de kosten.

PROVINCIALE GEREGTSliOVEN.

De Hooge Raad enz.,

Ten aanzien der daadzaken:

Overwegende, dat de eiseher den Staat der Nederlanden heeft ©dagvaard voor den Hoogen liaad, ten einde te worden veroordeeld

AlillONDlSSEMENTS-REGTBANK TE DEVENTER.

Zitting van den 22 October 1873.

Voorzitter, Mr. J. G. de Witt Hamer.

Regter»: Mrs. J. H. vak Loghe.m en W. D. Coninok Likfstko. PROVINCIAAL GKKKGTSHOF IN OVERIJSSEL, burgerlijke küiner,

Zitting van den 14 September 1874, Kekenino-courant. — Onsplitsbaar aved. — Aanbod van

betaling , gevolgd door consignatie. — van-

waarde- verklaring.

Was de incidentele eiseher als oorspronkelijke gedaagde verpligt het bewijs van zekere betalingen te leveren, zoolang door den incidentelen verweerder als oorspronkeiijken eiseher niet was bewezen, dat hij aan gedaagde eene met het bedrag dier beweerde bètalingen gelijkstaande som aan hem, eiseher, was verschuldigd t — Neen.

J. Strunk , molenaar, wonende te Wijhe. eiseher en geïntimeerde incidenteel appellant, procureur Mr. H. W. Jordens ,

tegen

H. J. van Drecht, slager, wonende te Wijhe, gedaagde en appellant incidenteel geïntimeerde, procureur Mr. R. C. Niecwenhuys. 1

De ged. concludeert incidenteel:

dat bij vonnis dezer Arrond.-Regtbank het aanbod van eereede

betaling, door hem aan den eiseher gedaan bii exnloir JL T

deurwaarder Ai. J. Bod,fee, te Deventer^ van den T/a J iVf

en de daarop gevolgde consignatie, gedaan bij proces verbaal van

denzeifden deurwaarder vau den 21 April um , ,, .

waarde verklaard met al de gevoLn vL al ' ^ e" W0;deB 7" de KputKflnir 4 U1-en \an dien; dat mit>dien door

en i itrens 1 ,°r e." Wötaaii, dat de ged. daarmede kan vclstaan

en jegens den eiseher is bevrijd, met veroordeeling van den eiseher

Sluiten