Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N». 3775.

n al de kosten , op dit aanbod en die consignatie, zoomede op dit ncident se^alien :

en ooi tra-concludeert teri principale, voor zooveel de hij introdnctieve drtgvaardina gedane vordering van den eischer nnneant : dat aan den ei-cr.er die vordering zal worden ontzegd, immers bij daarin zal worden met-ontvankelijk verklaard, met veroordeeling van denzei ven in de kosten van dit geding.

De ii.cidenteel verweerder en eischer concludeert bij rep'iek : dat de ti.-cher verklaart zijnon eisch te verminderen met een bedrag van / 83.50 en alzoo terug te biengen tot eene som van f ï 148.42 ;

en contra-concludeert incidenteel: dat de incilentele vordering aan den incidentele» ei chcr zal worden ontzegd, als geheel onbewezen, niet veroordeeling t»t betaling der kosten ;

voorts dat hem verder acte worde verleend van zijne verklaring, dat hij den oorspronkelijker! eisch vermindert tot een bedrag van f 2148.42 ; persisterende overigens bij zijne genoaiene conclusie.

De Hegtbank enz.,

Gezien de stukken van het geding, allen geregistreerd, zijnde, behalve voorme.de acte van dagvaarjiug en sommatie, van zijde des gedaagden overgelegd :

1". een expioit in dato 17 April jl., geëxploiteerd door den deur-; waardtr M. J. Bodifée, waarbij iian den eischer in persoon te Wijhe naméns den ged. wordt aangulio leu eene som van f 125.2 7 als zijnde hét doof dezeli aan dén eischer op de in de dagvaarding van hem gevorderde som nog per resto verschuldigde ;

éeti gelijk expioit van denzelfden deurwaarder in dato 19 April jl., beteekend aan ilen eischer ten deze, houdende aanzegging , dat ged. zal overgaan tot het consigneren van dè hem bij voormeld expioit aangeboden, doch geweigerde som van f 125.27 , op Maandag den 21 April aanst., des namiddags ten twee nre, ten kantore van registratie te Deventer, met oproeping van den eischer om daarbij tegenwoordig te zijn en die som alsnog in betaling te aanvaarden , bij gebreke waarvan zal worden overgegaan tot derzelver consignatie;

3». ten expioit van meergenöeuiden deurwaarder in dato 21 Aprd jl., houdende pioces-vtrnaal van de consignatie van evengemelde soul, ónder aftrek van f 34.48» voor de ko-ten, op de consignatie en het aanbod gevallen ;

4". eene quitantie van den lieer ontvanger der registratie te Deventer, ten bewijze, dat gedachte som bij hem ontvangen en geconsigneerd is geworden den 21 April 18*3;

1 5". eén gelijk expioit in daio 24 April jl., houdende beteekeriing afin dén eischer van het proces-verbaal van consignatie, overeenkomstig het voorschrift van art. 1662 13. W.;

' Getioörd de bedienende procureurs in wederzijds genomen cónclusiën , aan de minute dezes gehecht, en in hetgeen door heu ter adstructie derzelve is bepleit;

Overweyende, wat het feitelijke betreft :

dat de eischer tot grond zijner vordering heeft gesteld : dat ged., aan hem schuldig zoude zijn, wegens geleende gelden, geleverd vee, varkensvleésch en eene koehuid, ais nader in het hoofd der dagvaarding m eene nota gespecificeerd, eene som van f 2231.92 ; van welk beurag hij van den ged. geene betaling in der minne kan bekomen ; dat van de geleende gelden geene renten zijn bedongen , eri dat bij den koop en levering der overige voorwerpen steeds is gedacht aan contante betaling, en dat, ingeval van ontkentenis door den ged., eischer zich voorbehoudt voormelde feiten op de wijze regtens te bewijzen;

dat ged. op den tegen hem ingestelden eisch en de gronden, waarop eischer die heeft gebaseerd, bij incidentele conclusie en levens ten principale antwoordende, op den 30 April jl. ter rolle genomen, heeft doen aanvoeren: dat hij ged., wel is waar, voor zoover de verschillende oorzaken en het uitgetrokken bedrag (doch niet voor zooveel de datums en jaargetallen) betreft, de juistheid der op de debetzijde der aan het hoofd der dagvaarding gestelde rekening voorkómende posten, tot een gezamenlijk bedrog van / 2893.92 , erkent, maar onder uitdrukkelijk protest tegen de ongeoorloofde splitsing van dit aveu er onmiddellijk bijvoegt, dat die posten alien zijn betaald; dat ged., ten betooge daarvan, opsomt een tal van posten (in die conclusie in het breeue omschreven;, welke op de creditzijde van des eischers rekening mede hadden behooren vermeld te zijn , en ten gevolge waarvan deze een gezamenlijk bedrag van f 2775.50 zoude opgeleverd hebben, en mitsdien slechts een saldo van / 123.42 ten laste van hem ged.;

dat ged. die som, met en benevens de renten en kosten, te zamen bedragende /' 125.27j bij .expioit .van den 17 April jl. den eischer heeft "doen aanbieden, doch dat die geweigerd heeft dezelve aan te némen, waaróp ged. bij expioit van den 19 April daaropvolgende den eischer heelt doen aanzeggen, dat ged. die som op 21 April ten kantore der registratie te Deventer zoude doen consigneren; dat eischer op die aanzegging ten bestemden dage, ure ea plaats niet is verschenen, waarna het proces-verbaal van de gedane consignatie bij expioit van 24 April jl. aan eischer is beteekend geworden, met aanmaning om het in bewaring gebragte te ligten; dat ged. door deze, in üen vorm regtens gedane consiguatie (waarvan de bewijzen ten processe zijn overgelegd), is bevrijd en regt heeft de van-waardeverklaring van beide te vorderen , inmiddels op grond daarvan incidenteel tot die vau-waarde-verklaring heeft doen concluderen; en wijders, dat de regter zal wijzen en verstaan, dat hij ged. daarmede kan volstaan en ]eger,s den eischer bevrijd is, met veroordeeling van den eischer in al de kosten, op dat aanbod, de consignatie en dit incident gevallen;

en ten principale antwoordende: dat die vordering aan den eischer zal woiden ontzegd, immers dat hij daarin zal worden verklaard met-ontvankelijk, roet veroordeéling in de kosten van uit geding;

dat eischer, in antwoord op deze inc.dentelé vordering en replicerende ten principale, ter rulle van 21 Mei jl. heeft aangevoerd: dat ged. bij zijne incidentele conclusie heelt erkend, dat de ten zijnen lusie geste.de sommen, wat oorzaak ea bedrag aangaat, de juiste zij", doch tevens he^lt beweerd, dat het gevorderde eindcijfer geneel zoude zijn betaald ; dat intusschen ged. èn door erkentenis, dat de gevoideide som juist is , èn door zijne handelingen, zelf de Faischfieid aangetoond neeft der daadzaken, tot zijne bevrijding aangevoerd ; dat toch uit de omstandigheid , dat nog tijdens het geding jn lang na de dagvaarding en conclusie, door eischer ter roile genomeii^aanood van betaling is gedaan, ten klaarste blijkt: dat de daadzaak, tot bevrijding aangevoerd, »dat alle pesten zijn betaald», eene onwaarheid u en valseh is, weshalve dit zoogenaamd aveu, in zoover dal onsplitsbaar mogt zijn, door den regter mag en moet gesplitst w oi den , en dat mitsdien de vordering door de erkentenis van ged. volkomen belezen is;

dat buitendien uit de geheele houding van verweerder in dit geval erkenning van de gevorderde som voortvloeit; dat toch, al konde dat zoogenaamde onsplitsbare aveu niet gesplitst worden door den regter, omdat de valscbheid der tot bevrijding aangevoerde daadzaak is bewezen, dan nog in het overige dier conclusie de erkentenis ligt opgesloten; dat verweeider zich immers heeft geplaatst op het standpunt van incidenteel eischer, en daartoe de feiten stelt, die tot toewijzing van uien eisch , volgens hem , moeten leiden : namelijk dat door heul op de som, door eiscner gevorderd, op verschillende tijden

zonlen zijn betaald ƒ 2775.50 ; op welke feiten ged., als incidenteel li cher , verklaring vraagt van de juistheid van het aanbod , met conclusie tot verklaring, dal hij, incidenteel eischer, daarmede is bevrij.1, en veroordeeling van incidentelen verweerder, oorspronkelijker! eischer, tot betaling der kosten ; dat nit die vordering volgt de gebondenheid van den ii cidentelerr eischer tot het leveren van bew ijs, aan welken bewijslast hij tracht te voldoen, door opsommingen van betalingen en overlegging van bewijsstukken der consignatie van het nog , volgens hem , verschuldigde ; dat het dus luce elarius va-tstaat en blijkt, dat, zelfs buiten het eigenlijk aveu, door verweerder en incidenteel eiscl.er de oorspronkelijke schuld tot het gevorderde bedrag wordt erkend ;

wijders, dat, wat de geposeerde betalingen betreft, eischer pertinent ontkent, gelden anders dan de door hem bij dagvaarding in rekening gebragte som van verweerder in mindering ontvangen te hebben; dat hem eischer door verweerder op de tijden, bij zijne verrekening opgegeven, wel zijn geleverd eenige postjes vleesch, vet en spek; doch dat eischer, ged. meermalen daarvan opgaaf gevraagd hebbende , die niet heeft kunnen bekomen en deze bij gevolg bij zijne dagvaarding van de gevorderde som niet heeft kunnen aftrekken ; dat die verschillende posten dier verrekening te zamen blijken te bedragen f'83.50, en dat eischer, gebruik makende van zijn regt, daartoe zijne vordering met die som vermindert;

dat des eischers vordering door de bekentenis van de hoegrootheid der schuld volkomen bewezen is;

eindelijk, dat de posten, tot bevrijding opgegeven, met uitzondering van de bovengenoemde postjes tot een bedrag van f 83.50 , pertinent door eischer, incidentelen verweerder, worden ontkend , en d it deze door den incidentelen eischer niet zijn bewezen ; dat ook de geconsigneerde som niet is voldoende, en de eisch tol van-waarde-verklariug niet kan opgaan ;

dat oorspronkelijke eischer, incidentele ged., op al deze gronden heeft doen concluderen tot ontzegging van den incidentelen eisch, als geheel onbewezen, met veroordeeling tot betaling der kosten, en vooits ten principale, dat hem acte zal worden verleend van zijne verklaring, dat hij den oorspronkelijken eisch vermindert tot een bediag van J 2148.428 , persisterende overigens bij zijne genomene conclusie;

0. in regten :

dat de eischer bij zijne dagvaarding van den ged. vordert betaling eener som vair ƒ2231.92, bij zijne laatste conclusie verminderd tot een bedrag van J 2148.423, zijnde door den ged. verschuldigd als restant van rekening, wegens in de jaren 186S tot 1872 aan den ged. ter leen geschoten gelden, verkocht vee, vleesch en eene koehuid, alles gespecificeerd in de rekening-courant, bij de dagvaarding aan tien ged. beteekend ;

0., dat ged. hiertegen heeft aangevoerd , dat hij, voor zooveel de verschillende oorzaken en het uitgetrokken bedrag betreft, doch niet voor zooveel de data en jaargetallen betrelt, de juistheid der op de debetzijde der aan het hoofd der dagvaarding gestelde rekening voorkomende posten tot een gezamenlijk bedrag van f' 289S.92 erkent, doch, onder uitdrukkelijk protest tegen de ongeoorloofde splitsing van dat aveu, er onmiddellijk bijvoegt, dat die posten allen zijn betaald;

dat ged. daarop onmiddellijk laat volgen eene r.adere specificatie van door hem aan eischer gedane betalingen tot een gezamenlijk bedrag van ƒ 2775.50, met eeu debet-saldo aan eiscber van /"123.42, en, ten bewijze, dat dat saldo mede is betaald, heeft overgelegd de in het hoofd dezer vermelde acten en exploiten van gedaan reëel aanbod en daarop gevolgde consignatie dier som;

U., dat eene bekentenis, om als bewijsmiddel te kunnen gelden, in haar geheel moet worden genomen en niet mag worden gesplitst ten nadeele van den ged., tenzij ged. daarbij tot zijne bevrijding daadzaken heeft aangevoerd, welker valschheid bewezen wordt;

0., dat de eischer heeft beweerd, de voormelde bekentenis van ged., itf diens conclusie van antwoord ter neder gelegd, te mogen splitsen, omdat ged. in die onsplitsbare erkentenis met zoovele woorden zegt, «dat alle posten betaald zijn», van welke bewering de valschheid zoude blijken uit de eigene bekentenis van ged., blijkbaar in het aanbod en de consignatie van een gedeelte der gevorderde som ;

G., dat die bewering van eischer geheel onjuist is , want dat op het oogenblik, dat de contra-conclusie werd genomen, inderdaad alle posten, volgens het sustenu, namelijk van den ged., waren betaald, omdat aanbod en consignatie met betaling gelijkstaat;

0., dat evenmin, gelijk eischer schijnt te beweren, een nieuw aveu van de schuld voortvloeit uit den incidentelen eisch van den ged.,

want dat, hetgeen ged. daarbij erltent, in onalscneiaenju veroaua staat met de hoofdzaak;

0., dat de eischer, tot staving zijner vordering, geen ander bewijs dan het door hem ten onregte gesplitste aveu van den ged. heeft KiitroKmtrt. noch heeft Ranireboden zoodania bewiis te zullen ieveren,

weshalve aan hem zijne vordering, als onbewezen, behoort te worden

ontzegd;

O. met betrekking tot den incidentelen eisch van den ged., dat deze daarbij vordert van-waarde-verklaring van het door hem gedane aanbod van betaling en gevolgde consignatie van het geweigerde bedrag, met verklaring, dat de incidentele eischer daardoor zal zijn bevrijd; dat echter die vordering hem evenmin kari volgen, omdat incidentele eischer tegenover de pertinente ontkentenis van den incidentelen verweerder der daadzaken, waarop de incidentele eisch is gegrond, geen het minste bewijs heeft aangevoerd ; dat toch de overgelegde bewijsstukken van het gedane aanbod van betaling en daarop gevolgde consignatie slechts het bewijs opleveren, dat hij op de wijze regtens heeft afbetaald een saldo, dat hij, incidenteel eischer, vermeent schuldig te zijn , maar geenszins dat Ook de overige door hem beweerde betalingen werkelijk zijn gedaan, en dat hij alzoo werkelijk is bevrijd;

Gezien de artt. 1902, 1960, 1961 B. W., 247 en vgg. en 56 B. li.;

Regt doende enz.,

Verleent acte, waarvan door partijen acte is gevraagd;

Ontzegt aan den oorspronkelijken eischer zijne vordering en veroordeelt hem in de ko.-ten , op de hoofdzaak gevallen;

Ontzegt aan den ged., incidentelen eischer, mede zijnen incidentelen eisch , met veroordeeling tot betaling der kosten, door dieu eisch veroorzaakt.

jiei. xaui enz..,

Overwegende ten aanzien der daadzaken, onder referte tot hetgeen daaromtrent in het vonnis a quo is opgenomen : dat de oorspronkelijke eischer van den oorspronkelijken ged. gevorderd lieeft betaling eener som van f 2->31.92 , door dezen aan hem verschuldigd als restant van rekening wegens in 1868 tot 1872 aan den ged. ter leen opgeschotene gelden, verkocht vee enz., blijkens specificatie, aan het ho -f«i der dagvaarding gesteld, welke vordering door hem eischer bij conclusie van den 21 Mei 1873 is verminderd tot een bedrag van f 2148.42 ; dat de oorspronkelijk ged. hiertegen heeft aangevoerd: dat~ hij voor zooveel de verschillende oorzaken en het uitgetrokken bedrag betreft («toch niet voor zooveel de data en jaargetellen betreft), de juistheid der op de debetzijde der aan het hoofd der dagvaarding nestelde rekening voorkomende posten, tot een gezamenlijk bedrag van f 2898.92, erkent, doch, ouder protest tegen de ongeoorloofde

splitsing van het aven, er onmiddellijk bijvoegt: »dat die posten allen zijn betaald*: waarop hij laat volge.i eene specificatie van door hem gedane betalingen, tot een bedrag van / 2775.50, met een debet-saldo van ƒ123.42; terwijl hij, ten bewijze, dat dit saldo mede is betaald, overlegt de acten en exploiten van gedaan aanbod van betaling en daarop gevolg le consignatie dier som; dat de oorspronkelijke eischer daaiop heelt beweerd, die bekentenis van ged. te mogen splitsen , oiu iat ged. d tarbij zegt: «dat alle posten betaal-', zijn// , en de valschheid van die bewering zou blij ken uit de eigene

bekentenis van ged., blijkbaar in net aanooi met consmnaue van een gedeelte der gevorderde som ; dat ue Arrond.-Regtbank te Deventer, bij vonnis van den 22 ÜJt. 1^73, aau den eischer zijne vordering heeft ontzeg 1 , met veroordeeling in de kosten, op de hoofd/aak gevallen, op grond, dat Ie bewering van eischer omtrent de splitsbaarheid der bekentenis van den ged. geheel onjuist is, want dut op het oogenblik, dat de conclusie, houdende die bekentenis, werd genomen , alle posten volgens het sustenu van ged. betaald waren , omdat aanbod en consignatie met betaling gelijkstaat; en el-cher tot staving zijner vordering geen ander bewijs dan uit door hem ten onregte gesplitst aveu van den ged. heeft bijgeoragt, noch heeft aangeboden te zullen leveren; terwijl de Regtbank voorts aan den ged., als incidenteel eischer, zijne incidentele vordering tot van-waardeverklaring van het door hem gedaan aanbod van betaling en gevolgde consignatie van het geweigerde bedrag, met verklaring.dat hij daardoor zal zijn bevrijd, heeft ontzegd, met veroordeeling in de kosten, daardoor veroorzaakt, op grond, dat hij , tegenover de pertinente ontkentenis van den incidentelen verweerder der daadzaken , waarop zijn incidentele eisch is gebaseerd, geen het minste bewijs heeft aangevoerd ; dat toch de overgelegde bewijsstukken van het gedane aanbod en consignatie slechts het bewijs opleveren , dat hij op do wijze regtens heelt afbetaald een saldo, dat hij vermeent schuldig te zijn , maar geenszins dat ook de overige door heui beweerde betalingen werkelijk zijn gedaan en hij alzoo werkelijk is bevrijd;

0., dat de oorspronkelijk ged. bij deurwaaroers-exploit van den 10 Febr. 1874 van dat vonnis in hooger beroep is gekomen, doch alleen en bij uitsluiting voor zoover bij hetzelve aan hem app. zijn incidentele eisch is ontzegd , met veroordeeling iu de kosten, door dien incidentelen eisch veroorzaakt; concluderende daartoe: dat, met vernietiging van het vonnis a quo in zooverre, hem zij.e incidentele vordering moge worden toegewezen; mitsdien het door hem gedaan aanbod van gereede betaling en de daarop gevolgde consignatie moge worden van waarde verklaard met alle de gevolgen van dien , en alsnog worde verstaan, dat hij daarmede kan volstaan en jegens den oorspronkelijken eischer is bevrijd, met veroordeeling van den geïnt. in de kosten, op dit aanbod en die consignatie, zoomede op de incidentele vordering gevallen, en tevens iu de proceskosten der instantie in hooger beroep ;

0., dat de oorspronkelijke eischer, bij acte van procureur tot procureur van den 10 April 1874, van datzelfde vonnis incidenteel hooger beroep heeft ingesteld, voor zoover aan hem is ontzegd zijne ingestelde verminderde vordering en hij in de kosten , op de hoofdzaak gevallen, is veroordeeld; en daartoe geconcludeerd, dat, met vernietiging der ingestelde appellen : lo. bet vonnis a quo, voor zooverre daarvan door principaal app. is geappelleerd, wat het diclum betreft, zal worden • bevestigd, met veroordeeling van denzelven in de kosten van de procedure van principaal appel; en 2°. het vonnis a quo, voor zoover daarvan door hem geint. incidenteel is geappelleerd, zal worden vernietigd en aan hem zal wordeu toegewezen zijne vordering, zoo als die door hem bij conclusie in eersten aanleg is gedaan en verminderd, met veroordeeling van incidenteel geïnt. in de kosten, op de hoofdzaak iu eersten aanleg gevallen, en in die van het incidenteel appel;

0., dat de oorspronkelijk ged. (incidenteel geïnt.) daarop heeft gecontra-eoncludeerd : dat, met vernietiging van het incidenteel tippel, het vonnis a quo, voor zoover daarvan door oorspronkelijken eischer is geappelleerd, moge worden bevestigd, en mitsdien aan oorspronkelijken eischer zijne vordering ontzegd, met veroordeeling van hem in de kosten der beide instantiën; terwijl hij overigens ten aanzien van het principaal appel bij zijne vorige conclusie is blijven persisteren ;

Ten aanzien van het regt:

0., dat, naar aanleiding der voormelde daadzaken , moet worden onderzocht en beslist:

1». of de hoofd vordering van den oorspronkelijken eischer bij het vonnis a quo teregt is ontzegd ? en

2". of de incidentele vordering van den oorspronkelijken ged. mede teregt is ontzegd ?

Ad IUBa. O., dat de eischer, nu geïnt., bij introductieve dagvaarding van den ged., nu app., betaling heelt gevorderd van de daarbij vermelde som , bij latere conclusie verminderd op een bedrag van /'2148.42, als restant van rekening, volgens aan het hootd dier dagvaarding voorkomende rekentng-courant, zonder voor de gegrondheid dier vordering verder eenig bewijs over te leggen , noch aan te bieden; op welke vordering van eischer de ged., bij contra-conclusie, wel de juistheid der op de debetzyde dier rekening voorkomende posten heeft erkend, doch , onder uitdrukkelijk protest tegen de ongeoorloofde splitsing van dit zijn aveu , er onmiddellijk heeft bijgevoegd : «dat die posten alle zijn betaald", met bijvoeging eener tpecilicatie der door hem aau den eischer gedane betalingen, sluitende met een debet-saldo ten behoeve des eischers van /' 123.42;

O. nu, dat de eischer, die zich op deze bekentenis van den ged. beroept, dezelve wil splitsen, op grond, dat de bijvoeding, »dat alle po&ten zijn betaald*, valsch zoude zijn ;

O. echter, dat deze bewering van den eischer geheel onjuist is; want dat, volgens de contra-conclusie van den ged. in eersten aanleg, welke voorschreven aveu inhoudt, hij tijdens de dagvaarding per saldo nog schuldig was J' 123.42, welk saldo hij na de dagvaarding, doch vóór het nemen dier contra-conclusie, in den zin van art. 1440 B. W., heeft betaald door aanbod van gereede betaling en daarop gevolgde consignatie, blijkens door hem overgelegde exploiten, waaruit volgt, dat die bijvoeging van ged. met is bewe/en valsch te zijn (maar integendeel geheel overeenkomstig de waarheid) en dus de door den ged. afgelegde bekentenis, ingevolge art. 1961 13. W., niet mag worden gesplitst;

0., dat er alzoo als grondslag der vordering van den eischer geen ander bewijsmiddel aanwezig is dan hes ongesplitst aveu van den ged., waardoor alleen het bestaan van een saldo van / 123.42 is bewezen , hetwelk, blijkens de overgelegde stukken, "door geregtelijk aanbod en daarop gevolgde consignatie is betaald;

0., dat mitsdien de eerste regter de hoofdvordering aan den oorspronkelijken eischer teregt als onbewezen heeft ontzegd, en het vonnis a quo dus te dien aanzien moet worden bevestigd;

Ad II11'"., wat de incidentele vordering van den oorspronkelijken ged. betreft:

0., dat deze vordering door den eersten regter aan den ged. QQ incidentelen eischer is ontzegd , op grond, dat hij, tegenover de pertinente ontkentenis van den incidentelen verweerder, geen het minste bewijs heeft bijgebragt voor de leiten, waarop die eisch is gegrond; dat toch de overgelegde bewijsstukken vau het gedaan aanbod van betaling en daarop gevolgde consignatie slechts het bewijs opleveren» dat hij op de wyzc regiens heeft afbetaald een saldo, dat hij i

Sluiten