Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3773.

incidenteel eischer, vermeent schuldig te zijn, maar geenszins dat nok de overige door hem beweerde betalingen werkelijk zijn gedaan , en dat bij al zoo weikelijk is bevrijd ;

0. hieromtrent, dat de incidentele eischer ais oorspronkelijke ged. riet verpligt nas het bew ijs der overige door hein gedane betalingen te leveien, zoolang do_>r den incidentelen verweerder als oorsprprikelijken eischer niet was bewezen, dat hij san ged. eene met het bedrag dier beweet de betalingen gelijkstaande som aan hem eischer was ■verschuldigd ;

0. nu, dat dit bewijs door den oorspronkelijken eischer niet is geleverd, zoo als ook door den eersten regter teregt is aangenomen, en evenmin dat hi, eischer meer dan de als verschuldigd bcwezene som van den ged. te vorderen had;

0., dat derhalve het door den ged. gedaan aanbod van gereede beta.irig en de daarop gevolgde consignatie, als Jocpende over de gebeele som, welke bewezen is schuldig te zijn , door den regter a quo had behooren te zijn van waaide verklaard, met de gevolgen van dien , en mitsdien de incidentele vordering van den oorspronkelijken ged. had behooren te zijn toegewezen, weshalve het vonnis a quo in zoover behoort te worden vernietigd;

Regt doende in het hoogste ressort,

Doet te niet de door de wederzijdsche partijen ingestelde hoogere beroepen:

Vernietigt het tusschen partyen gewezen vonnis der Arrond.Regibank te Deventer van den Tl Oct. 1873, voor zoover daarvan door den oorspronkelijken ged. is geappelleerd; en, in zooverre op nieuw regt doende,

Wijst alsnog toe asn den oorspronkelijken ged. en incidentelen eischer, nu piincipaleri app., zijne in eersten aanleg gedane incidentele vordeiing;

Verklaart mitsdien alsnog van waarde het aanbod van gereede betaling, door den app. aan den gïnt. ge:laan bij exploit van den deurwaarder M J. liodife'e, te Deventer, van den 17 Apr>l 1873, en de daarop gevolgde consignatie, gedaan bij proces-verbaal van denzelfden deurnaarder van den 21 April Itw3, niet alle de gevolgen van dien ;

Verstaat, dat de app. daarmede kan volstaan en jegens den oorspronkelijken eischer, nu geïnt., is bevrijd, met veioordeelmg van den gemt. in alle de kosten van dit aanhol en die consignatie, zoomede in de kosten, op die incidentele vordering gevallen;

Bevestigt hetzelfde vonnis, voor zoover daarvan door den oorspronkelijken ei.-cher incidenteel is geappelleerd , en mitsdien vcor zoover daarbij aan den oorspronkelijken eischer, nu incidenteel app., zijne vordeiing in eersten aanleg is ontzegd geworden, met veruoideeling in de kosten, op de hoofdzaak gevallen;

Verwijst den principalen geïnt. en incidentelen app. in alle de kosten , zoo van het principaal als van het incidenteel appel.

(Gepleit voor den appellant, incidenteel geïntimeerde, Mr. R. G Philipson, advokaat te Zwolle, en voor den geïntimeerde, incidenteel appellant, Mr. H. G. «Jobdens, advokaat te Deventer./

Zie de tegenovergestelde opinie omtrent het zoogenaamd gemotiveeid avcu verdedigd: Hof Drenthe, 24 Jan. 1870; Regtbank Asfen, 3 Mei 1869 ( Weekbl. ir. 3262). Zie mede Hof Zeeland, 1849, Regtsgel. Bijbl.. XII, 484. (.inz.)

In dit arrest is berust.

KOLONIALE ZAKEN.

HOOG GEREGTSI10F VAN NEDERLANDSCH INDIE.

Kerale Immer,

Zitting van den 30 April 18 74.

Voorzitter, Mr. F. Alting Mees.

Raadsheeren, Mrs. : J. Sibemüs Trip , Th. K. van Slikoerlandt ,

B. de Groot en W. E. van der Holt.

Verlenging van een suiker-contract. — Wat daaronder te verstaan ?

Wordt bij verlenging van een gouvernementssuiker-contract de vroegere oveieenkomst te niet gedaan, of blijft die bestaan t

Kwee Iving Ie c. s., appellanten, advokaat en procureur Mr. F. H.

Gkriïitzen ,

tegen

Kwee Kang Ho, geappelleerde, advokaat en procureur Mr. J. E

Henny.

Wat is eigenlijk (vraagt het Indisch Weekblad van het Regt) de verlenging van een gouvernements-suiker-contract ?

Wordt bij dergelijke verlenging een geheel nieuw contract gesloten ea vervalt de vorige overeenkomst, of is eene dergelijke verlenging slechts de voortzetting van het vorige contract ?

Hierover ontstond menigmaal verschil van gevoelen.

Bij onderstaand arrest nam het Hoog Gerekts In >f evenwel aan, dat uit de nieuwe suikerregeling onmiskenbaar volgt, dat van intiekking ot te-niet-doening der vroegere overeenkomst bij verlenging van het suiker-contract geen sprake kan zijn.

De suikerregeling van 1871 berust, dus overwoog het Hof, op dezellde grondslagen als de vroegere; en de fabrikant, welke tot de nieuwe voorwaarden toetreedt, bestendigt het vroeger door hem met de Regering gesloten contract, doch is geenszins voornemens de Vroegere overeenkomst door zijne toetreding te doen vervallen.

Het arrest luidt aldus :

Het Hof enz.,

Gehoord partijen;

Ten aanzien oer daadzaken :

Overnemende het exposé daarvan, vervat in het tusschen partijen °p den 1 Oct. 1873 door den Raad van Jus itie te Soerabnya gewezen Tonnis, waarbij, onder uitvoerbaar-verklaring bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep , de vier eerste gedaagden zijn veroordeeld f)m aan den eischer, binnen vier weken na de beteekening van hetzelve vonnis, ten overstaan van een daarbij aangewezen regierj-ommissaris , onder overlegging van de daartoe betrekkelijke ti:els, bescheiden , documenten en stukken, in den vorm, bij de wet voor geschreven , te doen rekening en verantwoording van het door hen glurende het jaar 1872 gevoerd beheer over de suiker-onderneming VVaiigoong-Redjo, met bepaling, dat, bijaldien gedaagden in gebreke

dat met alleen door gemeld gouvernements-coritract geene veiande ring is gebragt in de tusschen partijen bestaande regtsverhouuin" maar deze integendeel uitdrukkelijk is gehandhaafd en bestendigd, u dien elfecte, dat de tusschen partijen bestaan .e huurovereenkomst welks eerst na afloop van het oogstjaar 1863 zou expireren, dooi de plaats gehad hebbende verlenging van zijde van het Gouverne ment, toten met het oogstjaar 1873 moet geacht worden voort tt loopen;

0. voorts met betrekking tot de bewering van den geïnt. a's zoi het vaak besproken huur contract zijn geexpireerd door de tót-stand koming van en toetreding tot de overeenkomst van 1871, door welk. overeenkomst, als berustende op geheel andere voorwaarden en grond slagen dan die, welke onder vigeur der vioegere regeling is gesloten — het bestaande gouvernements-contraet zon zijn ingetrokken en te nie gedaan, zoodat ue voorwaarde, bedoeld bij de eerste alinea van art 8 van het huurcontract van 10 Oct. 1,54, is vervuld , — dat ook dl beiveren niet kan opgaan ; dat loeh deze opvatting van de ge vol.rei en de werking der contracten, volgens de regeling van het jaar 15*71 door geen enkel uitdrukkelijk voorschrift wordt gewettigd en evenmii wordt geregtvaardigd door de beginselen , die aan de nieuwe suikerregeling ten grondslag liggen; dat deze, even als de overeenkomsten krachtens de vroegere regeling, althans gedurende de eerste jaren , in hoofdzaak worden beheerscht door het beginsel van gedwongen aanplant van suikerriet op den aan de inlandsche bevolking behoorenden grond ten behoeve van den fabrikant, zoodat, aangezien partijen ondei verlenging van het gouvernemeiits-cotitract hoofdzakelijk moeten geachl worden te hebben verstaan de levering van het suikerriet, de overeenkomst, welke zij bj het sluiten van het huur-coutract op het ooo hebban gehad, wel verre van te zijn ingetrokken, inderdaad h gch.indhaald en bestendigd ; dat eindelijk uit den inhoud van art 22 der nieuwe contracten , waarbij het aan de keuze der contractanten wordt overgelaten , of zij al <ia„ niet tot de nieuwe voorwaarden Willen toetreden, onmiskenbaar volgt , dat van intrekking of te-niet doening der vroegere overeenkomsten door het Gouvernement -'een sprake kan zijn;

(dat onder deze omstandigheid het tusschen partijen op 10 Oct. 1854 gesloten buur-controct nog als van kra-.ht moet worden beschouwd gedurende het jaar 1872, en de geint. mitsdien niet gere_tigd is om, als eigenaar dan wel ais mede-vennoot, van da*! jaar van de appellanten rekening en verantwoording te vorderen ;

0., dat derhalve, met vernietiging van het vonnis des eersten regteis, de vordering van den eersten geïnt. dient te woiden ontzeg l, en het overbodig is te onderzoeken , in. hoeverre overigens de vordering tegen de appellanten ontvankelijk is, en of, krachtens het associatie contract, de eerste geint. ooit tegen de appellanten eene dergelijke vordeiing, als in casu is gedaaD , kon instellen, en of hij zeil niet ware verpligt geweest die rekening gezamenlijk met de mede-vennooten op te maken ;

Gelet op art. 1338 B W., en op art. 58 van het reglement op de Burgerlijke Regtsvordeiïng;

Regt doende enz.,

Doet te niet het vonnis van den Raad van Justitie te Soerabava op den 1 Oct. 1873 tusschen partijen gewezen ;

En , doende wat de eerste regter had behooren te doen

Ontzegt de vordering ; '

Veroordeelt den eersten geïnt., oorspronkelijk eischer, in de kosten , zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep gemaakt en gevallen. r

Wat is eigenlijk (vraagt het Indisch Weekblad van het Regt) de verlenging van een gouvernements-suiker-contract ?

Wordt bij dergelijke verlenging een geheel nieuw contract gesloten ea vervalt de vorige overeenkomst, of is eene dergelijke verlenging slechts de voortzetting van het vórige contract ?

Hierover ontstond menigmaal verschil van gevoelen.

Bij onderstaand arrest nam het Hoog Geregtshof evenwel aan, dat tut de nieuwe suikerregeling onmiskenbaar volgt, dat van intiekking ot te-niet-doening der vroegere overeenkomst bij verlenging van het suiker-contract geen Fprake kan zijn.

De suikerregeling van 1871 berust, dus overwoog het Hof, op dezelfde grondslagen als de vroegere; en de fabrikant, welke tot de nieuwe voorwaarden toetreedt, bestendigt het vroeger door hem met de Regering gesloten contract, doch is geenszins voornemens de ▼roegero overeenkomst door zijne toetreding te doen vervallen.

Het arrest luidt aldus :

Het Hof enz.,

Gehoord partijen-

Ten aanzien der daadzaken :

Overnemende het exposé duarvan, vervat in het tusschen partijen °p den 1 Oct. 1873 door den Raad van Jus itie te Soera bnya gewezen vonnis , waarbij, onder uitvoerbaar-verklaring bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep , de vier eerste gedaagden zijn veroordeeld '"n aan den eischer, binnen vier weken na de beteekening van hetzelve vonnis, ten overstaan van een daarbij aangewezen regierj-ommissaris , onder overlegging van de daartoe betrekkelijke titels, bescheiden , documenten en stukken, in den vorm, bij de wet voor geschreven , te doen rekening en verantwoording van het door hen gedurende het jaar 1872 gevoerd beheer over de suiker-onderneming VVaiigoong-Redjo, met bepaling, dat, bijaldien gedaagden in gebreke ogten blijven op den daartoe door den regter-commissaris te bepalen ^aS te verschijnen of rekening en vei antwoording te doen , zij daartoe "Uen kunnen worden gedwongen door in-beslag-name en executie kednnf,r Boet}°reu , tot een bedrag van ƒ 300,000 , zijnde de vijf 10 • "• 1 an Tjan Hoo en de boedelkamer te Soerabaya verwezen, dit

i te gehengen en te gedoogen en deze rekening te hooren afleggen ; | en eindelijk de vier eerste gedaagden zijn veroordeeld in de kosten van het geding;

Overwegende, dat de vier eerste gedaagden, zich met deze uitspraak bezwaard gevoelende , daarvan tem,,ore utili zijn gekomen in hooger beioep en bij cisch in appel het vonnis van den eersten re_ter , zoowel wat de zaak zelve, aJs de daarbij uitgesproken verooroceling in de kosten betreft, in het brecde hebben besneden en, na ten slotte te hebben geposeerd, dat het tusschen pa ti en bestaand huur-contract zelfs met het einde van het oogstjaar 18"3 niet is geexpireeid, — hebben geconcludeerd, dat het den llove behage bij zijn te wijzen arrest te Ontvangen het appel; te vernietigen het%onms \an den Haal van Justitie te Soerabaya, waarvan anpel , en, doende wat de eersie regter had behooren te doen , alsnog te omzeggen! voor zoover den thans app. aangaat, oe in eerste insiantie gedane vordeiing van den eer-ten geïnt. , zoo als die is geformuleerd aan den voet der introductieve acte van dagvaarding, met veroordeeling van den eersten geïnt. in al de kosten der beide instantiën, zoomede der oveiige geïntimeerden, wanneer zij tegen.-praak mogten voeren, in de kosten , door hunne tegenspraak veroorzaakt;

O., dat de eerste geïnt. bij antwoord in appel het vonnis van den eersten regter, als wel en teregt gewezen, heeft verdedigd en geconcludeerd tot vernietiging van het appel ; tot bekrach'i-ing van het vonnis, waarvan appel, en de appellanten te veroordeelen in de kosten der appellatoire instantie, nader op te maken bij staat, terwijl de overige gei timeerden zich heb oen gerefereerd aan het ooideel van den Hove ;

0., dat partijen hare wederzijdsche sustenuën nader bij pleidooi hebben toegelicht;

Met betrekKing tot het regt:

CA, dat, naar aanleiding der zoowel in eerste instantie als in hoo gt r beioep gevoerde su>teiiueii, de beslissing van het onderwerpeiijk ge-chil in de eerste plaats afhangt van de beantwoording der vraa', of de huurovereenkomst van 1854 nog was van krachi voor pariijen geuu.ende het jaar 1872, daar teil, wanneer dit huurcontract oesiaat , de appellanten als huurders niet kunnen gezegd woiden ais behecrende vmiiooten te hebben gehandeld, en te dier zake reken pligng te zijn;

O., dat ter beantwoording dezer vraag in de eerste plaats te onderzoeKen valt, welke ue reg.stoestand was van partijen met opziet tot mee.gemelde huurovereenkomst op den 3 Febr. 1862 ziju ie de dktum, waarop het gouverneiceiits contract voor de berening van suiker met de appellanten is gesloten ;

ü. dienaangaande, Uat bij art. 4 van de acte van huur en verhuur sub „O. 205, op den 10 Oc . 1-54 verleden, tusschen partijen ,s overeengekomen, dat de huur en verhuur is aangegaan voor den liid van tien eerstkotnen Ie jaren, gerekend te zij» ingegaan met den aanplant van het jaar 1854, en zullende eindigen met den oogst en aflevering van het jaar 1 öb3; lerw ijl bij de tweede al. van ait. 8 dierzellde overeenkomst is gestipuleerd, dat, bijaldien het gouvernementscontraet mogt worden verlengd dan wel vernieuwd, uie overeenkomst stilzwijgend blijft doorloopen tegen een gelijken huurschat tn onder dezelfde voorwaarden als voren vermeld; dat nu, bij eene bloote inzage van het genoemd gou ernements-coniraor, hoi «.«I no.,

twijiel onderhevig j„, dat dit contract, scho ,i„„ ,„,t ,i„..

tijd van twaalf jaren gesloten, echter, al zii hm ank nml»-

gewijzigde voorwaarden, niet anders is te beschouwen dan als eene vei lenging van het vioegere contract voor uen duur van tien i»™,,

en zulks van al het jaar 1864 tot en met 18T3 ; dat hieruit vol"t , dat riiet alleen door gemeld gouvernenients-contract geene veiandering is gebragt ui de tusschen partijen bestaande regtsverhouuin" maar deze integendeel uitdrukkelijk is gehandhaafd en bestendigd, Te' dien effecte.dut de tusschen partijen bestaan .e huurovereenkomst welke eerst na afloop van het oogstjaar 1863 zou expireren, door de plaats gehad hebbende verlenging van zijde van het Gouvernement , toten met bet oo^stjaur 1873 moet geacht worden voort te loopen;

0. voorts met betrekking tot de bewering van den geïnt. a's zou het vaak besproken huur contract zijn geexpireerd door de tót-standkoming van eu toetreding tot de overeenkomst van 187 I, door welke overeenkomst, als berustende op geheel andere voorwaarden en grondslagen dan die, welke onder vigeur der vioegere regeling is gesloten — het bestaande gouvernements contract zon zijn ingetrokken en te niet gedaan, zoodat ue voorwaarde, bedoeld bij de eerste alinea van art 8 van het huur-contract van 10 Oct. 1,54, is vervuld ,— dat ook dit beiveren niet kan opgaan ; dat toeli deze opvatting van de gevolgen en de werking der contracten, volgens de regeling van het jaar la^l door geen enkel uit IruüKelijk voorschrift wordt gewettigd en evenmin wordt geregtvaardigd dooi de beginselen , die aan de nieuwe suiker tegelitig ten grondslag liggen; dat deze, even als de overeenkomsten krachtens de vroegere regeling, althans gedurende de eerste jaren , in hoofdzaak worden beheerscht door het beginsel van gedwougen aanplant van suikerriet op den aan de inlandsche bevolking behoorenden grond ten behoeve van den fabrikant, zoodat, aangezien partijen onder verlenging van het gouvernements-contraet hoofdzakelijk moeten geacht worden te hebben verstaan de levering van het suikerriet, de overeenkomst, welke zij bj het sluiten van het huur-coutract op het uo» nebben gehad, wel verre van te ziin inj^froir i i

gehandhaafd en bestendigd; dat eindelijk u,t den inhoud van art. 22

aaroij net aau de keuze der contractanten Wordt overgelaten , of zii al dan nipt r.nr. r.,

• vwi «aaraen

willen toetreden, onmiskenbaar volgt, dat van intrekkimr ,,f

doening der vroegere overeenkomsten door het Gouvernement -'een spiake kan zijn;

(>., dat onder deze omstandigheid het tusschen partijen op 10 Oct. 1854 gesloten huur-contract nog als van kra-.ht moot wnr.lm, h„!

schouwd gedurende het jaar 1872, en de geint. mitsdien niet gere^-

„se. ...... uon wei ais meae-vennoot. van dat aar

van de appellanten rekening en verantwoording te vorderen;

0., dat dei halve, met vernietiging van het vonnis des eersten

regteis, de vordering van den eersten geïnt. dient te winden ontzeg l, en het overbodig is te onderzoeken , in. hoeverre overigens de vordering tegen de appellanten ontvankelijk is, en of, krachtens het associatie contract, de eerste geint. ooit legen de appellanten eene dergelijke vordeiing, als in casu is gedaaD , kon instellen, cn of hij zelt niet ware verpligt geweest die rekening gezamenlijk met de mede-vennooten op te maken ;

van het reglement op de

MENGELWERK.

TRAVEKSES.

(Uit de Gemeente-Stem.)

Mijnheer de Redacteur !

Vergun mij eene korte repliek. Ik had er half op gehoopt, dat door u eune wet zou kunoen worden a mgeweien , die het vérbod inhoudt voor de gemeentebesturen om over de traverses te beschikken ; maar ik ben in die hoop teleurgesteld, en ik meen dus nu te mogen aannemen, dat zulk eene wet niet zou bestaan. En daar ik nu meen, dat die wet zou noodig zijn voor de door mij bestreden leer ben ik niet overtuigd.

Ik onderzoek niet, wat er staat in de missive van den minister van Binnenlandsche Zalten van 19 Mei 1853, omdat mj dit tamelijk Onverschillig is. Dit tocli zullen wij vermoedelijk wei eeus zij.i , dat een ministerieel rescript de wet niet veranderen , t.ocn regteu en' pligieo seheppuii kan buiten de wet om.

Wij zullen het inis.-ciueu o >k wel daarover eens zijn datdeschrij. ver in de Bi)dra;en. laatste afljvermg, bl. 348 >qi„ volkomen goed heett aangetoond , dai het onderhoud der traver.es reglens komt ten laste van tiet Kijk. Ue artt. 1 en 4 der nog gelueude wet van ïl i rimaire an VII laten daaromtrent geen twijfel over , on lerhoud en herstel der gruote wegen komen teil laste van het Rjk , die der snaten ot van gedeelten daarvan (jut ue sont pas qra'ide route, zijn ten laste der gemeenten. Nu zou, ik gee! het toe, het logisch gevo.g hiervan schijnen te zijn, dat het Kijn, dat herste.t en on lei houdt, ojK met uitsluiting van alle anderen, over die wegen te beschikken 'heeft. Maar o.udat het regt zou inwin bestaan, daaiom beslaat het nog ni-t, eu noch in do wet van ïmuaire nucli'iu ceui-e andere is zoo iels te lezen.

iMaar er komt nog iets bj. Feitel jk heeft men bij ons die bepalingen der trausciie wet afgeschaft, op grond van een paar, niet eens lu het öiaultb ad geplaatste Ko-i. oesiuiten. waarin ge zegt wordt, dat de traverses voortaan zuilen worden onderhouten door de gemeent n. Die besluiten mogen nu onwettig zijn , zij worden iiagjieeft ; maar in ieder geval kan hij, die niet on lerhoudt, ztcti zeker niet beroepen op de regteo eu gevolgen, die uit dit onderhoud misschien zouUen Kunnen voortvioeijeu. Mm moet daaren .oven niet uit het o vei dezen, dat het volstrekt niet ondenkbaar is, dat een auner dan de eigenaar of hij, die over .Ie zaan te beschikken heeft, de kosten van het ondeihoad moet dragen. Het burgerijs regt kent daarvan meer dan een vooroeeid.

Wat mij «enter minder juist voorkomt, is uwe stelling, dat van een weg a,s weg zei! geen publie&regtelijlte eigendom denkbar is. Ik geloot, dat art. 5:7 11. W. het tègendèei leen, en dat alle opeunare wegen en straten, ais wegen eir stralen, stellig zijnde pubiiefcregtelijke eigendom, hetzij van den Staat, Hetzij van de provincie ol van de gemeente.

Ein ielijK oiiju nog over art. 179, litt. h, gemeentewet. Daaruit kan volgen , .lat het ouderiioud der traverses niet beliourt bij Uurgemeester eu Wethouders, olsoh on het er eigenlijk niet ui staat. M iar het doet er mets toe; want dat dit zo i is, staat in ie ter geval ui oe wet van Fnmatre an VII. Meer echter dau dit staat er zeker niet in , eu van eigendom of bj»eni*kiug spreekt net anisei niet. Als dus het Rjk met het oiidernmd bilast is van een gedeelte der straat, dan krijgt het daarvoor het puoliekregtelijü ser>imut. in de piaais , dat het regt van traverse geeft, niet lier regt van eigendom ot eigen' magtige beschikking over iets, dat jure jiublico aan de gemeente toebehoort. j-

iDe geachte inzender had van ons de aanwijzing verwacht van een,

TtrlZZ / a"'ï Ueye"',e"tehe>tu™> beschikking over de traverses is verboden, /eer te,L onregte; want het z ,n liijks«*,/e„, waarover, uit den aard der zaak , zoolang dt wet het tegendeel niet zegt, alléén hel link te beschikken heejt. A/e/i zou dan eva goed voor elke andere zaak, inriq. ting oj aangelegenheid van het Kijk, eene wet kunnen vorderen, d'e aan de gemeentebesturen verbood daarover te beschikken. Wij keuren dus de vraag om: wijs gij, d e aan de gemeentebesturen het regt van beschikking over Rijkswegen toekent, ons de wet aan, waaruit dit reqt voortVloeit.

Beheer en beschikking wordt door K., mede ten onregte , in verband gebragt met onderhoud, ofschoon hij zelf erkent, dat zij in verschillende handen kunnen zijn; een duidelijk voorbeeld daarvan levert het voorbehoud tn art. 231 gemeentewet: het onderhoud van een openbaren gemeenteioeg, waarover dus ongetwijfeld de gemeente te beschikken neejt, Ha,i zijn ten laste van een ander, hHzij een particulier o/ een tgai mm. Wat er dus zij van den onderhjudslast der traverses en daargelaten de vraag , — waarin wij op dit oogenblik niet trede i — O' e last lnet regt op de gemeenten is gelegdzeker is het , dat de gemeenten daaruit geen regt van beheer en beschikking over die wrqen kunnen onüeentn , want - het zijn en blijven Rijkswegen. Alleen eene wet zou hun dal regt kunnen geven, e>i die wet bestaat niet.

De ministeriële missive van 19 Mei 1853 hebben wij niet als reqtsbron , maar als autoriteit aangehaald,

Dat van een li.jk,weg, als weg, geen publiekreatelijke eigendom denkbaar is, oj hever, dat erin het qeheel geen pub ie/ere,,lelijke eigendon, bestaat, bUjveu wij volhouden. Eigendom is een civ,elregteh)k denkbeeld a'lten passende bij zaken , uie rricantregtehjk bezeten worden : O'er iet geen jure pubüco tol het li/j/c, de provincie of de qp.meenfe behoort bestaat, zoolang en voor zoover de zaak aan hare publiekreglelijke bestemming uold,et, wel reqt ran heheer , ma ir geen reqt van enjendom Meermalen is dit in ons blad uiteengezet. Overigens doet '' dat wij tn ons vorig nommer ook slechts ter loops aanroer¬

den , h<er niets ter zake, want de vraag loopt niet over den aard van het regt — eigendom oj beheer — maar over de autoriteit, aau wie het regt toekomt.

De laatste redenering van Iv. berust op eene dwalinq: art. !79h spreekt niet van "onderhoud ,* maar va-1 - instandhouding, u De zorq voor de instandhouding van een weq maakt deel van het beheer ver dien weg; en nu volgt juist alt genoemd artikel, in verband met de memorie van beantwoording, dat dit beheer, voor zooveel Rijkswegen betreft, niet aan de gemeente toekomt. Red.)

ART. 1122.

In nn. 3 7 73 van dit blad komt eene beslissing; voor van het Hof in Noordhoiland , waarbij op historische gronden betoogd wordt dat art. 1122 ook toepasselijk is in gevallen van voluntaire "jurisdictie

De geschiedenis , zoo zij al iets leert omtrent deze qune-tie moet ra. ï. tot eene tegenoverge.-telde gevolgtrekking leiden. In de st'ukkeu en beraadslagingen over de wet van 31 Mei 1843 iStbl n» 22i heb ik geen afdoend argument kunnen vinden, hetzij uro óf contra wat deze vraag betreft; ik heb daarin alleen kunnen Tezen dat de'we^

aTie,rersonen 3beSins«'. huldigde, dat goederen, toebeho rende aan personen, die mn sui juns ztjn, nimmer da-, met rechterlijke medewerking verkocht kunnen worden.

Sluiten