Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het den Hove motre behagen het incidenteel appel te niet te

do«n; «ie inci Icnteie appellante te verklaren niet-ontvankelijk in haren incidentelen eisch en conclusie, immers en in allen gevalle haar die te ontzeggen, en te bevestigen h»*t vonni», *oor zooveel daarvan ten deze irn ide i-eel is geappelleerd ; of wel dit in zooverre te corrigeren, dat, in Mede van de ontzegging van den eisch tot schadevergoeding, de onr-pronke■ ijke eiacberesse, overeenkomstig de conc<iwe der oorspronkelijke ged., ook daarin niet ontvankelijk worde verk aard, met veroordeeling van de incidentele appellante oo1* in de kosten van dit incident ; en subsidiair, voor het onverwachte geval, dat het llof de conclusie der incidentele appellante ontvankelijk mogt verklaren en toewnzen, haar 111 ieder geval te veroordeelen in de kosten «Ier procedure tot «>p het voordragen dezer incidentele conclu i -, voor zooverre die koeten betreffen hare vordering tot schadevergoeding.

Conclusie van appellante en incidenteel geïnt.

Aangtzien hij auest enz.;

{cattrris omm/ssts)

zo> cnclu lect de appellante, incidenteel geïnt.:

dat het den Ilove behage , overeenkomstig die terugwijzing, de zaak , met in acht-neming vau *s Hoogen Kaad* arrest van 21 N<>v. 11., waarvan het aan appel la te beteeken 'e atschrift met het exploit van beteekening hierbij worden overgelegd, verder te beslissen en kennis te nemen van de grieven, hij zijne vroegere uitspraak van 11 Pee. 1872 huiten besli-s'.ng gelaten , gelijk mede van die, welke ten gevolge van de vernietiging van 's lioves arrest door hetzelve op nieuw behooren te worden overwogen en besli>t; alles met persisiit bij de vroeger harerzijds in appel en incidenteel apnei genomen conciusiën , waaraan zij zich eerbiedig refereert.

Conclusie van de geïnt. en incidenteel appellante.

De izeint.. imilenUel appellante. doet eerbiedig concluderen:

dat het den H«»ve mo^e hehagen haar acte te verleenen, dat zij, met overlegging van bet ceï .sii ueerde ariest van den Hoogen Kaad

van den 21 Nov. 1873 , persisteert hij hare vroeger voor den Hove genomen coidusiën , z« o ten opzigte van net principaal als van het incidenteel appel, met referte tot de gronden en motieven, daarin vervat.

Het Hof enz.,

V/2ho<»rd de conclusien en pleidooijen;

bezien de stukken, zijnde behoorlijk geregistreerd, en daaronder d> grosse van een arrest van den Hoogen Kaad tier Nederlanden van 21 Nov. 1873 , waarbij, met vernietiging van het door dit Hof op li Dee. 1*72 tus-chen partijen gewezen arrest, de onderwerpelijke zaak naar uit llof is leruggeweztm, ten einde haar, met in-achtneming van 's Hoogen Kaads arrest, op nieuw te behandelen en te besli.-sen ;

Ten aanzien der daa Izaken en procedure zich vereenigende met en mitsdien overnemende, hetgeen daaromtrent vo.rk« mt in het vonnis a cfuo, door de Arrond.-Kegtbank te Tiei op a9 Maart 1872 tusschen partijen uitgesproken; en voorts dienaangaande

O "irwtyetidc, dat hij dit vonnis, op de vordering der geïnt. en incidentele appellante, toen ei-cheres, is verklaard vervallen het ten pr cesse vei ajelde beslag en de doorhaling is hevolen van de over schrijvii g van het pioce--verb^al van in-heslag-neming, geregistreerd te Tiei den 7 Dec. 1867 , opgenomen in de openbare registers ten hyi oiht ekk«ntore te Tiei den 10 Dec. daarna enz. met magtiging op den bewaarder van de hypotheken en het kadaster te Tiei oua die doorhaling te bewerkstelligen, waartoe hij uit kracht van het vonnis, zoo noodig, zal kum en worden gedwongen en hetwelk doende hij wei en wettig verantwoord zal zijn; voorts ;s verklaard goed en van waarde tiet gedaan aanhol en de daarop gevolgde Consignatie, me* veroordeeling van de appellante en incidentele geïnt., toen ged., in de kosten er van , doch aan de geïnt. en incidentele appellante is ontzegd hare vordering tot schadevergoeding en de appellante en incidt-nteie geïnt. in twee derde en de geïnt. en incidentele appellante in een derde der overige kosten van het geding zijn veroordeeld;

O., dat de appellante van dit vonnis is gekomen in hooger beroep, doch alleen voor zoover daarbij niet geheel is toegewezen hare in eersten aanleg genomene conclusie, strekkende tot niet-ontvankelijk-

verklaring of ontzegging van p,eintimeerde's eisch, met veroordeeling van deze in de kosten ; en dat appellante vervolgens in hare voor het Hof genomene conclusie hare middelen van appel heeft bijgebragt en uitvoerig ontwikkeld met betrekking tot het eerste tevens eenige feiten, zoo noodig, te bewijzen aanbiedende; waarna zij heelt geconcludeerd , dat het den Hove behage:

lo. aannemende dit hooger beroep, te niet te doen het vonnis, door de Arrond.-Kegtbank te Tiei tusschen deze partijen gewezen en den 29 Maart 1872 openlijk uitgesproken, doch alleen voor zoover daarvan bij deze is geappelleerd;

2°. op nieuw regt doende, alsnog de geïnt. niet-ontvankelijk te ver¬

klaren in haren in eersten aanleg tegen de appellante, toen ged., ingestelden eisch, of wel haar dien alsnog in zijn geheel te ontzeggen, en de geïnt. te veroordeelen in al de kosten der beide instantiën ; en subsidiair, voor het onvermoedelijk geval, dat het Hof het voor de toewijzing harer conclusiën mogt noodig achten, alsdan, alvorens ten principale te beslissen en met reserve van kosten tot aan den uitdragt uer zaak, baar toe te laten om het boven aangeboden bewijs door alle middelen regtens, bepaaldelijk door getuigen te leveren; (). riat de jreïnt. daaroo bii bare conclusie in de eerste plaats de

door appellante voor haar hooger beroep aangevoerde middelen heeft bestreden en, in de tweede plaats, incidenteel heeft geappelleerd van het vonnis a quo, voor zooveel daarbij aan haar hare vordering tot vergoeding der schade, reeds geleden of nog te lijden door de nalatigheid der appellante om de van haar gevorderde doorhaling te doen bewerkstelligen , is ontzegd en zij in een derde der proceskosten is veroordeeld; na de toelichting van welk incidenteel appel zij heeft geconcludeerd, dat het den Hove moge behagen :

1 . ten opzigte van het principaal appel: dit appel te niet te doen en te bevestigen het vonnis, voor zooveel daarvan ten deze is geappelleerd, met veroordeeling van de appellante ook in de kosten dezer instantie;

20. ten opzigte van het incidenteel appel:

а. aan de geïnt., incidentele appellante, acte te verleenen , dat zij incidenteel appelleert van dat gedeelte van het vonnis, door de Regtbank te ïiel tusschen deze partijen gewezen , waarbij de vordering tot schadevergoeding is ontzegd en de incidentele appellante in een derde der daarbij genoemde kosten van het geding is veroordeeld;

б. dit hooger beroep aan te nemen en , met vernietiging van dit gedeelte dier uitspraak , aan de incidentele appellante ook dit deel

harer vordering toe te wijzen , met veroordeeling van de incidentele geïnt. in aile kosten van het geding ;

c. de incideuteie geïnt. te veroordeelen in de kosten van dit incidenteel appei;

O., dat de appellante bij hare nadere conclusie het incidenteel appel heeft betwist; ten slotte concluderende : dat het den Hove moge behagen het incidenteel appel te niet te doen; de incidentele appellante te verklaren niet-ontvankelijk in haren incidentelen eisch en conclusie, immers en in allen gevalle haar die te ontzeggen en te bevestigen het vonnis, voor zooveel daarvan ten deze incidenteel is geappelleerd , of wel dit in zooverre te corrigeren, dat, in stede van de ontzegging ▼an den eisch tot schadevergoeding, de oorspronkelijke eischeres,

overeenkomst?* de conclusie der oorspronkelijke eed., ook daarin

uit t-ontvankeiijk worde verklaard, met veroordeeling van de incidentele appellante ook in de kosten van dit incident; en subsidiair, voor het o >verwacht geval, dat het Hof de conclusie der incidentele appellante mogt ontvankelijk verklaren en toewijzen, haar in ieder geval te veroordeelen in de kosten der poeedure tot op het voordragen dezer incidentele conclusie, voor zoover die kosten betreffen hare vordering tot schadevergoeding;

0., dat vervolgens, bij voormeld arrest van dit Hof van 11 Dec. 1-72, van de door appellante voor haar ho «ger beroep aangevoerde mid leien alleen het eerste, gegrond op geintimeerde's verzuim van de heteekening, voorgeschreven bij het tweede lid van art. 509 B. R., is onderzocht geworden en niet van dat middel; en, met voorbijgang van het door appellante subsidiair gedaan aanood van bewijs, is ver nietigd het vonnis a quo, *Ojr zoover daarvan ten principale is geap¬

pelleerd, en aan de geïnt. is ontzegd haar oorspronkelijke eisen, voor zooveel die bij dat vonnis is toegewezen, met veroordeeling van haar in de twee derden der kosten van de eerste instantie , in welke bij het vonnis a quo de appellante is verwezen ; vo <rts , na verleening aan de geïnt. en incidentele appellante van de door haar gevraagde acte, is bevestigd hetzelfde vonnis, voor zoover daarvan incidenteel is geappelleerd , met veroordeeling van de geïnt. en incidentele appellante in de kosten, op beide appellen in hooger beioep gevaden ;

0., dat op geintimeerde's beroep in cassatie van gezegd arrest de Hooge Raad der Nederlanden, bij zijn mede voormeld arrest van 2i Nov. 1873, heeft gegrond geoordeeld het éémg door haar voorgestelde nutdel van cassatie, bestaande in beweerde schending of verkeerde toepassing , onder anderen , van het aangehaalde art. 509 B. R., en dienvolgens het beklaagde arrest hed't vernietigd en de zaak naar dit Hof heelt teruggewezen , tot zoo lanig einde, als bereids hiervoor is vermeld;

0-, dat appellante, na beteekening aan haar van 's Hoogen Raads arrest, den procureur der geint., bij op 3 Jan. i874 geïnsinueerde piocureuis-acte, zijnde dien dag oehoorlijk geregistreerd, heeft doen opioepen ter teregtzitting van dit Hof van den 14 dier maand, om met haar zoo vooit te procederen als d3 stand der zaak dat mede¬

brengt; en dat zij op dien menenden dag ter roile heelt geconcludeerd, dat het den Hove behage, overeenkomstig 's Hoogen Kaals terug wijzing, de zaak, met ïn-acht-neming van diens arrest, verder te beslissen en kennis te nemen van de grieven , bij 's Hofs vroegere uitspraak van 11 Dec. 1872 buiten beslissing gelaten , gelijk mede van die, weike, ten gevolge van de vernietiging van 's lioves arrest, door hetzelve op nieuw behooren te worden overwogen en beslist, alles met persistit bij de vroeger harerzijds in appei en incidenteel appel genomen conclusiën , waaraan zij zich eerbiedig refereert;

O. dat daarop de geint. en incidentele appellante heeft geconclu¬

deerd , dat het den Hove moge be.lagen haar acte te verleenen, dat zij persisteert bij hare vroegere voor den Hove genomen conclusien, zoo ten opzigte van het principaal als van het incidenteel appel, met referte aan de gronden en motieven, daarin vervat;

Wat het regt betreft:

0. met betrekking tot het principaal appel, dat deels uit de overgelegde stukken blijkt en deels tu>schen partijen is onbetwist , dat het executoriaal beslag, welks vervallenverklaring, met bevel tot doorhaling d :t overscnnj ving in do open «are registers van hot procesverbaal van in-beslag-nemmg, in het vonnis a quo , op de vordering der geïnt., is uitgesproken,— door de appellante ten laste van de echte iieden A. vau Eyk. en T. van Breuk , de toenmalige eigenaren der ueide ten processe vermelde perceelen bouwianl on ier Lieuden , op die perceelen is geiegd, krachtens de grosse van een vonnis der Arrond.-Regtbank te Tiei van 27 Sept. 1867, houdende veroordeeling dier echtelieden om aan de appellante te betalen de som van /TOüO, uiet de renten en kosten; dat het proces-verbaai dier in-beslagneming , na overschrijving in de hypottieek-registers , aan de geïnt., als op gezegde onroerende goederen ingeschreven hypothecaire schuldeischeres, met het beding van art. 1223 B. VV. behoorlijk is beteekend geworden ; dat de geïnt. daarop heeft gedaan de kennisgeving , bij art. 511 B. R. bepaald, maar verzuimd heeft de beteekening te doen, bij het tweede lid van art. ö09 van hetzelfde wetboek voorgeschreven; dat zij vervolgens, uit kracht van hare hypothecaire acte, gepasseerd op 16 Oct. 186i voor den notaris Mr. H Dijckmeester, te Tiei, waarbij voornoemde echtelieden aan haar, onder verband der voormelde goederen, halden schuldig beleden de sjiq van 1 4000, rentende 5 pet. 'sjaars, en van het in de acte opgenomen beding van onherroepelijke volmagt, die goederen door voornoemden notaris, bij

openbare veiling op 16 en 30 Jan. 1868, heelt doen verkoopen en toen zelve voor de som van f 4000 koopster daarvan is geworden:

dat geïnt. daarna op 22 Sept. 1871, bij exploit vau den deurwaarder C. Ktaassen , te Utrecht, vergezeld van twee getuigen, eerst het in de openbare eigendoms-registers overgeschreven proees-ver baal vau voorzegde veiling aau de appellante heeft doen beteekenen; voorts haar heeft doen sommeren (met opgave in het origineel exploit van beide voormelde perceelen, doch in het aan de appellante gelaten afschrift slechts van één daarvan) om binnen acht dagen de over¬

schrijving van het ten haren verzoeke opgemaakt proces-verbaal van beslag te doen doorhalen, en verder haar heeft doen aanbieden de som van f 10, behoudens vermeerdering, na vereffeuing, oin te strekken ter voldoening van de door haar aangewende kosten van voormelde van harentwege begonnen uitwinning en van die der te doene doorhaling; en eindelijk, dat geint., toen dit aanbod door appellante niet was aangenomen, gezegde ƒ10, vermeerderd met eene halve cent voor interessen, den volgenden dag teu kantore van den ontvanger der registratie te Utrecht heeft geconsigneerd;

0.y dat, na voormeld arrest van den Hoogen Kaad van 21 Nov. 1873 , het eerste der door de appellante voor haar hooger beroep aangevoelde middelen , ontleend aan geïntimeerde's verzuim van de beteekening, bij het tweede lid van art. 509 B. K. bevolen, als ongegrond moet worden beschouwd, en dan ook het subsidiair door

appellante gedaan aanbod van bewijs der met betrekking tot dat middel door haar gestelde feiten behoort te wordeu voorbijgegaan;

0., dat door de appellante bij de verdere middelen voor haar appel, zoo als zij die bij pleidooi heeft toegelicht, wordt beweerd, dat, althans voor zoover betreft het iu het aan haar gelaten afschrift van geïntimeerde's exploit van beteekening, sommatie en aanbod van 22

oept. 1871 niet genoemi perceel , ae voraering van geint. mec-oncvankelijk is; voorts die vordering in haar gehëel wordt bestreden met het sustenu, dat het beslag is appellante's éénig middel van zekerheid voor de door haar aangewende en boven hypotheek preferente kosten van executie, tegen wier betaling alleen zij zou kunnen gehouden zijn toestemming tot doorhaling der overschrijving van het beslag te geven , doch welke kosten zij alsnog te vorderen heeft, niettegenstaande het geheel illegale gecombineerde aanbod der geïnt., al is dit door consignatie gevolgd, daar toch dit aanbod is geschied

niet voor de door haar gemaakte executie-kosten alleen , waarvoor het ook nog onvoldoende zou zijn, maar tevens cumulatief voor de kosten der doorhaling, welke, zoo als de sommatie luidt, zij zelve zou moeten laten doen , doch welke zij in geen geval behoefde te laten bewerkstelligen , en met de kosten waarvan zij niets te maken heeft; en eindelijs wordt aangevoerd, dat de bij rau-actie ingestelde vordering der geïnt. is niet ontvankelijk, om lat, zoo in casu ooit van royement van het executoriaal beslag sprake kon zijn , zulks moet worden bewerkstelligd door een bevelschrift vau den regter-

commissaris, krachtens eene geredelijke rangschikkir.fr, tot het provoceren waarvan de actie der geïnt. had moeten strekken;

0. daaromtrent, dat wel de ko»per bij geregtelijke uitwinning of casu quo bij willige openbare verknoping van een met hypothecaire lasten bezwaard onroerend goed , die dit van deze lasten wil gezuiverd hebben, naar art. 1256 B. W. gehouden is eene geregtelijke rangschikking tot verdeeling van den koopprijs te doen openen, overeenkomstig de regelen, bij de artt. 551 en 562 B. K voorgeschreven ; doch dat eensdeels een in de hypotheekregisteis overgescnreven procesverbaal van executoriaal besiag vau een onroerend goed hierop geen hypothecairen last vestigt, en anderdeels met de doorhaling van inschrijvingen, waarvau in laaistgenoemde artikelen gesproken wordt, alleen de doorhaling van hypothecaire inschrijvingen en niet die van de overschrijving van een beslag wordt bedoeld ; en dat voorts nergens in de wet aan den kooper van in executoriaal beslag genomen

vast goed, uie, gelijk in ensu, ais eerste hypotheekhouder met het beding van onherroepelijke volmagt zelf het goed heelt verkocht en met de opbrengst nog niet eens zijne geheele hy othecaire schuldvordering met rente en kosten kan dekken , de verpligting wordt opgelegd om, ter verkrijging van de doorhaling der overschi ij ving , van het gelegd beslag rangregeling te vragen , te minder, wanneer tusschen hem en den beslaglegger geen verschil over regeling van voorrang of verdeeling van den koopprijs bestaat, maar beiden , zoo als in casu de partijen, het eens zijn , dat uit de opbrengst eerst de kosten der aanvankelijke uitwinning moeten worden gekweten, en dat de gan&che overige opbrengst in mindering van des k.oopers schuldvordering ten zijnen bate komt;

0., dat mitsdien appellante s sustenu, dat geïnt. niet bij rau-actie had moeten procederen , maar eene geregtelijke rangschikking had moeten doen openen, en dat deswege de ingestelde vordering niet is ontvankelijk, — geenszins kan opgaan; en dat zulks evenmin kan aan baar als middel van niet-ontvankehjkheid der actie voor een deel gedaan beroep op het niet genoemd zijn van één der beido door app. m besiag genomen perceelen bouwland in het aan haar gei uen afschrift van geïntimeerde's exploit van 22 Sept. 1871, en zulks reeds uit dezen hoofde, dat die omstandigheid blijkbaar slechts is eene schrijffout zonder beteekenis, daar zij onmogelijk de meening heett kunnen doen ontstaan, dat het exploit alleen het ééne ir. het afschrift genoemde perceel en niet beide perceelen zou betreffen, zoowel omdat tevens werd beteekend geïntimeerde's proces-verbaai van aankoop, waarin beide perceelen zijn opgenoemd, en werd vermeld appellanto's beide perceelen betreffend proces-verbaal vau in-beslag-neming, als omdat, ook in gezegd af-carift, het daarin genoemde perceel met een 1". wordt aangeduid, hetgeen aan minstens een tweede perceel moet doen denken, en telkens van «na te melden*, «dezelfde" of «voormelde" onroerende goederen in het meervoud wordt gesproken, alsmede tot de doorhaling der overschrijving vau het proces-verbaal vau iu-beslag-neming niet slechts voor een deel, maar zonder ueperkmg en dus voor het geheel of voor beide perceelen wordt gesommeerd;

0., dat daarentegen appellante's voormelde verdere bestrijding van geintimeerde,s vordering allezins is gegrond;

O. toch, dat het executoriaal beslag eener onroerende zaak is het begin van de uitwinning dier zaaK; en dat derhalve de kosten van dit beslag en van de verdere door de wet aau den beslaglegger voorgeschrevene formaliteiten behooren tot de kosten van uitwinning; dat het behoorlijk in de hypotheek-registers overgeschreven beslag d>.n beslaglegger waai borgt eu tot zekerheid verstrekt, dat de door hem aangewende koeten van uitwinning, weike volgens de wet op de in beslag genomene zaak bevoorregt zijn en uit de opbrengst boven alle auaere prtferente schulden en zelfs boven hypotheek moeten worden gekweten, —hem zullen worden betaald, ook ui het geval, dat hij wegens hypothecaire of bevoorregte schuldvorderingen van derden uit de opbrengst der zaak overigens niets mogt kunnen genieten; dat voorzegde waarborg en zekerheid hem regtens niet kunnen worden ontnomen, en dus ook voor hem niet kunnen verloren gaan, doordat het in beslag genomen goeci wordt verKocht door eenen daartoe bevoegden hypothecairen scnuldeischer, en dat hij ook in dit geval geregtigd is de overschrijving van zijn beslag te laten voortbestaan, totdat zijne uuwinningskosten zijn voldaan of althans behoorlijk zijn geconsigneerd;

0. verder, dat in casu de door appellante aangewende kosten van uitwinning niet aan haar zijn betaald en evenmin behoorujk zijn geconsigneerd geworden; dat immers de in geïntimeerde's exploit van 22 Sept. 1871 aan de appellante, nadat deze daarin eerst was gesommeerd om de overschrijving van haar beslag te doen doorhalen aangebodene som van /' 10, behoudens vermeerdering na vereffening, strekken moest niet voor de door haar gemaakte kosten van uitwmuing, maar

tevens voor ue van de te doene uooruanng;

dat echter de appellante in geen geval was verpligt om zelve de overschrijving van haar beslag te doen doorhalen, maar alleen om , tegen betaling harer executiekosten, toestemming tot de doorhaling te verleenen; dat zij derhalve het voor de kosten van executie en die van de te doene doorhaling in ééne som gedaan aanbod niet behoefde aan te nemen, en dit zelfs niet doen kon, zonder eene ten ouregte vau haar gevorderde bemoeijing op zich te nemen; dat daarenboven, volgens de stukken, de kosten van het gedane beslag met die der overschrijviug er van hebben bedragen ƒ 9.555, en die van de aan geïnt. gedane beteekening daarvan ƒ 3.92s, te zamen alzoo J 13.48, weshalve reeds alleen deze aan de geïnt. tijdens haar aanbod, blijkens hare eigene producten , bekende en geene vereffening meer vorderende kosten overtreffen de door haar aangebodene som, en dus het aanbod onvoldoende was; dat om al deze redenen het aanbod teregt door appellante is geweigerd, en dienvolgens de opgevolgde consignatie^ van het aangebodene geene waarde heeft;

0., dat, blijkens het aangevoerde, de vordering van geïnt., voor zooveel die bij het vonnis a quo is toegewezen, haar niet kan volgen, en derhalve de app. bij dat vonnis, in zoover zij daarvan heeft geappelleerd, werkelijk is bezwaard, weshalve dit vonnis voor zoover moet worden vernietigd, met ontzegging aan geïnt. van haren eisch, voor zooveel die bij het vonnis is toegewezen;

0. alsnu met betrekking tot geïntimeerde's incidenteel appel, dat deze daardoor geene andere vordering in hooger beroep heeft geldende gemaaKt dan hare in eerste instantie mede ingestelde vordering tot schadevergoeding wegens de zoogewdde nalatigheid der principale ap' pellante om de meergemelde doorhaling te doeu bewerkstelligen, zoo lat die appellante thans geheel ten onregte heeft gesustineerd, dat de oorspronkelijke geïnt. nu eerst in appel door hare incidentele conclusie eene vordering tracht binnen te smokkelen , gelijk zij het uitdrukt» waarvan de eerste regter geen kennis heett kunnen nemen, en ha&r dan ook niet kan volgen de op dit erroneuse sustenu gebouwde conclusie tot niet-ontvankelijk-verkJaring der oorspronkelijke geint» en incidentele appellante in haren incidentelen eisch en conclusie ; doch dat daarentegen allezins teregt het inc.denteel appel als ongegrond door haar is bestreden, aangezien zij, blijkens het overwogene, betrekking tot het principaal appel, door het laten voortbestaan, na het exploit van 22 Sept. Iti71, van de overschrijving in openbare registers van haar proces-verbaal van in-beslag-nemin£ niets onregtmatigs heeft gedaan , eri dus ook deswege geene schade vergoeding verschuldigd is, zoodat de geïnt. en incideuteie appelia0t bij de ontzegging van haren eisch tot sehadevergoedmg door d0

Sluiten